Hoofdstuk 1

Een stormachtige jeugd

Utrecht, anno 1905... Het is een broeierig hete nacht, de nacht van 2 op 3 augustus. De torenklok heeft zojuist twee uur geslagen. Even later klinkt een schreeuw en uw verzoekplaten-presentator is geboren. Dat het in die vroege ochtend van de derde augustus zo broeierig heet was, hoorde ik natuurlijkveel later en dat ik ooit uw verzoekplaten- presentator zou worden, wist ik pas in 1935.

Mijn wieg stond in de achterkamer van de bloemenzaak die mijn ouders toen dreven, op de hoek van de Domstraat en Achter Sint Pieter.Ik was hun derde en tevens laatste zoon. Mijn broer Albert was toen vier jaar en mijn broer Jan drie jaar. Hoewel ik dus geboren werd in Utrecht, ben ik toch maar zes maanden 'ingezetene' van de Domstad geweest, want in februari 1906 verhuisden mijn ouders naar Amsterdam en hebben zij toen, gelijk met de huisraad, ook maar hun drie zoontjes meegenomen. En dus voel ik mijzelf als een bijna rasechte Amsterdammer. Het eens zo gelukkige gezin Nienhuys zou echter niet lang bijeen blijven, want toen ik drie jaar was, gingen mijn ouders scheiden. Korte tijd later ging mijn moeder hertrouwen en kreeg ik een stiefvader, die mij een zr stormachtige en bijzonder trieste jeugd heeft bezorgd.

Mijn vader is nooit meer hertrouwd en stierf op 67-jarige leeftijd in 1935. Bij de scheiding van mijn ouders werd ik, als jongste, aan mijn moeder toegewezen en werden mijn beide broertjes in een pleeggezin geplaatst. Enomwille van de volledigheid vermeld ik dat het hen beiden bijzonder goed is gegaan in hun leven. Mijn broer Albert werd machinebouwkundig ingenieur, mijn broer Jan werdelektrotechnisch ingenieur. Jan genoot later, tezamen met zijn lieve vrouw en zijn twee katten, in het verre Amerika waar hij zijn carrire heeft opgebouwd, van zijn welverdiende rust.

Toen ik zes jaar was, verhuisden mijn moeder, mijn stiefvader en ik naar Nijmegen, waar wij tot mijn twaalfde jaar bleven wonen, zodat ik daar de lagere school heb doorlopen. Maar ik heb in die zes jaren - en ook nog enkele jaren daarna - de 'hogere school van het leven' doorlopen, want het tweede huwelijk van mijn moeder was zr ongelukkig en dat was hoofdzakelijk te wijten aan de drankzucht en de huwelijksontrouw van mijn stiefvader, waardoor er bijna altijd grote ruzies en zelfs vechtpartijen ontstonden. Die liepen dikwijls z hoog op, dat mijn moeder met mij het huis moest ontvluchten en wij de nacht in een hotel doorbrachten. En het was al in deze lagere schooltijd, datzich in mij het nog wat onbestemde verlangen openbaarde om later 'aan het toneel' te gaan. Ik speelde in alle toneelstukjes op school mee en vermaakte dikwijls mijn medeleerlingen, maar ook de onderwijzers, met zelfbedachte situaties en monologen.

  • De drie gebroeders Nienhuys in 1912. Van links naar rechts: Frans (7 jaar), Jan (10 jaar) en Albert (11 jaar). Frans wordt artiest en zijn broers worden allebei ingenieur.


Toen ik dus twaalf jaar was, keerden mijn moeder, mijn stiefvader en ik weer terug naar Amsterdam. Door mijn ongelukkige jeugdjaren, veroorzaakt door alle ellende thuis, was ik een wat stille en in zichzelf gekeerde jongen geworden. In Nijmegen was ik op school wat achterop geraakt, daarna bezocht ik tot mijn veertiende jaar een Amsterdamse school. En het was in deze twee jaren dat mijn liefde voor het toneel nog sterker werd aangewakkerd, wat het gevolg was van het feit dat ook mijn moeder bezeten was van toneel en opera, zodat zij mij dikwijls meenam naar alle mogelijke voorstellingen, die voor mijn leeftijd geschikt waren. Zo bezochten wij eens een uitvoering van de opera Paljas van Leoncavallo in de Amsterdamse Stadsschouwburg.

De dramatische gebeurtenissen op de planken maakten zo'n diepe indruk op mij, dat ik onmiddellijk besloot van deze opera een toneelstuk te maken en daarin zelf de Paljas te spelen. Het was 1917 en ik was dus pas twaalf jaren oud. Ik heb toen met inzet van mijn gehele zakgeld, plus nog een extraatje van mijn moeder vanaf het schellinkje de opera Paljas driemaal gezien en ik kocht van het nog overgebleven kwartje een uitgebreid tekstboekje. Op mijn manier bewerkte ik toen de gezongen tekst tot een gesproken tekst.

Ik was lid van een buurt- en speeltuinvereniging en verzamelde toen een aantal vriendjes en vriendinnetjes om mij heen, die ik talentvol genoeg achtte om in mijn opvoering mee te spelen. Ik was zo zelfverzekerd, dat ik niet alleen de hoofdrol van Canio (Paljas) op me nam, maar bovendien de proloog uitsprak die in de opera wordt uitgesproken door de harlekijn Tonio. De opvoering vond plaats in een feestzaal aan de Middenweg in Amsterdam Oost, waar in de zeventiger jaren de bioscoop Bio was gevestigd. De zaal was volledig uitverkocht, want alle familieleden wilden natuurlijk komen kijken en luisteren naar de prestaties van hun kinderen, kleinkinderen, neefjes en nichtjes. Het werd een grandioos succes, ondanks alleonvermijdelijke tekortkomingen en vergissingen.

Maar voor mij persoonlijk was natuurlijk mijn grootste en heerlijkste succes, dat na afloop van de voorstelling een al wat oudere dame naar mij toekwam, die tegen mij zei: "Jongen, jij hebt talent, jij moet aan het toneel." Want wie was deze al wat oudere dame? Niemand minder dan de grote actrice Esther de Boer-van Rijk. En vanaf dat moment wist ik dat ik toneelspeler zou worden. Maar het pad van een toneelspeler in sp gaat niet altijd over rozen. Er verliepen intussen twee jaren en ik was nu veertien jaar. En toen ik al droomde van een opleiding aan de Toneelschool in de Amsterdamse Marnixstraat, kwam de eerste grote teleurstelling in mijn leven, dielater door nog meer teleurstellingen zou worden gevolgd.

  • Frans in 1918, op 13-jarige leeftijd. Een jaar later begint zijn koks- en banketbakkersperiode in Zwolle, die tot 1923 zal duren. In dat jaar begint zijn toneelloopbaan en wordt Frans volontair in de Koninklijke Vereniging Het Nederlands Toneel.


Mijn vader kon een toneelopleiding niet bekostigen en mijn stiefvader wilde het niet. En omdat ik ook niet verder mocht studeren en toch iets moest gaan doen, werd ik het eerste hulpje in een rijwielzaak,nota bene vlak nst het theater aan de Middenweg, waar ik mijn eerste lauweren had geoogst. Ik heb dit niet lang kunnen verdragen, want iedere keer als ik die rijwielzaak binnenkwam, klonken mij weer het applaus van het publiek en de woorden van mevrouw Esther de Boer-van Rijk in mijn oren. Toen werd ik naar Zwolle gestuurd, naar een vriend van mijn vader, om daar het koks- en banketbakkersvak te leren. Ik ging natuurlijk met tegenzin, maarvertrok met de onuitroeibare zekerheid dat ik uiteindelijk toch mijn doel zou bereiken en dus toneelspeler zou worden.