Hoofdstuk 2

De grote ommekeer


Tot mijn zestiende jaar bleef ik in Zwolle, toen kwam ik weer terug in Amsterdam bij mijn moeder en stiefvader en bleef nog tot 1923, dus tot mijn achttiende jaar, kok enbanketbakker. Maar in dat jaar – 1923 – kwam de grote ommekeer in mijn leven en bereikte ik dus toch datgene waar ik al jaren van gedroomd had: ik werd toneelspeler! En achteraf heb ik toch geen spijt van die koksperiode, want ik heb later mijn vrouw kunnen leren, hoe zij de heerlijkste vleeskroketten en de fijnste sauzenmoest bereiden, culinaire geneugten waar wij, en vooral de grootste fijnproever in ons huis, onzefoxterriër Robbie, nog jarenlang van hebben genoten.

Het is dus nu 1923. In de zomer van dat jaar zag het er nog niet naar uit dat ik binnenkort de hoge koksmuts en het witte voorschoot zou kunnen verwisselen voorschmink en toneelkleding. Maar toen kwam het grote ’wonder’ en daarom heb ik altijd oprecht geloofd dat alles is voorbestemd in het leven. Mijn moeder bezat nog een effect dat zij plotseling, na vele jaren, te gelde kon maken. Zij deed dit en zodoende was er dus geld om mijn stiefvader kostgeld te betalen. Maar mijn moeder deed nog meer. Zij ging naar dr. Willem Royaards, die in die tijd met zijn Koninklijke Vereniging Het Nederlands Toneel de Amsterdamse Stadsschouwburg bespeelde. Mijn moeder heeft er toen met een vurig pleidooi voor gezorgd dat ik als volontair werd aangenomen.

Als aanvangssalaris kreeg ik 25 gulden per maand voor het kopen van schmink en voor een ’trammetje’, toen elf centen per rit. Voor dit alles ben ik mijn moeder mijn hele leven innig dankbaar gebleven. En op 22 september 1923 stond ik dan voor het eerst als beroepsacteur op de planken en nog wel in het heiligdom van de Nederlandse toneelwereld, de Amsterdamse Stadsschouwburg. Als bruingeverfde slaaf in de ’Midzomernachtsdroom’ van William Shakespeare. Met een brandende fakkel in mijn hand, voor mij een soort olympisch symbool. Want die fakkel in mijn hand zou voor mij verder worden gedragen naar latere en wat meer opvallende prestaties.

Ik had en heb nog altijd de grootste bewondering voor de fameuze dr. Willem Royaards en voelde mij in die jaren de gelukkigste mens van de hele wereld. Maar helaas zou die vreugde maar van korte duur zijn. Want… het in die jaren voornaamste en belangrijkste toneelgezelschap van ons land ging twee jaar later – in 1925 – ter ziele. Overigens niet door mijn schuld. De K.V. Het Nederlands Toneel zat ingrote financiële moeilijkheden en bovendien kon dr. Royaards zich door een ernstige ziekte niet meer volledig wijden aan de leiding van een gezelschap.

Dr. Willem Royaards, geboren in Amsterdam op 21 januari 1867, overleed op 24 januari 1929 in het Franse stadjeMenton. Als eerbetoon aan deze onvergetelijke toneelspeler, toneelleider en regisseur, hing er op de mooiste plaats in mijn huis vele decennia lang een schilderij, voorstellende een pleintje in Menton. Ik heb talloze herinneringen aan dr. Willem Royaards, teveel om ze allemaal te noemen, want ik zou daar zelfs wel twee boeken aan kunnen wijden, maar de belangrijkste herinnering aan deze grote figuur wil ik u toch niet onthouden.

Ik heb vele toneelgroten uit die tijd van nabij meegemaakt. En voor de ouderen onder u zullen daar vele bekende namen bij zijn, zoals zijn vrouw Jacqueline Royaards-Sandberg. En dan Magda Janssens, Else Mauhs, Rika Hopper, Tilly Lus, Emma Morel, Louis Saalborn, Oscar Tourniaire, Jacques Reule, John Gobau, Hubert Laroche en Albert van Dalsum. En behalve die grote namen, wil ik ook nog enkele grote toneelvoorstellingen in uw geheugen terugroepen.

Vondels ’Gijsbrecht van Aemstel’, met Jacqueline Royaards-Sandberg als Badeloch en dr. Royaards zelf alsGijsbrecht, de mooiste opvoering van Vondels treurspel, die ooit in Nederland te zien is geweest.
En dan dat lieve blijspel ’Grompie’ met glansrollen van dr. Royaards als de brommerige Grompie, maar een man met een hart van goud en Oscar Tourniaire als zijn onafscheidelijke en trouwe bediende Ruddock.
Het blijspel ’Zijn we dat dan niet allemaal?’ van de Engelse schrijver Fred Lonsdale, met een briljante rol van dr. Royaards.
En ’Uitkomst’ van Heijermans, met Tilly Lus als het ontroerende jongetje Jan. En Shakespeares ’Midzomernachtsdroom’ en ’Winteravond-sprookjes’. Ach lieve mensen, het waren voor mij ook dromen en sprookjes, die twee onvergetelijke jaren bij de K.V. Het Nederlands Toneel.

  • Na de opheffing van K.V. Het Nederlands Toneel in 1925 vervolgt Frans zijn toneelcarričre bij het Nieuw Nederlands Toneel. Hierover vertelt hij in het volgende hoofdstuk. Op de foto speelt Frans (derde van links) in 1927 schipper Mees in het stuk 'Op Hoop van Zegen' van Herman Heijermans in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam.

Want is het geen droom en is het geen sprookje, als je het grote voorrecht had, nog op het toneel te hebben gestaan met de grootste toneelspelers en de grootste toneelspeler die Nederland ooit heeft gekend?
Dat was met Theo Mann-Bouwmeester, met een gastrol in ’De Fakkelloop’ en met Louis Bouwmeester, met een jubileumrol in ’Vriend Frits’.
En dan ga ik nu de periode 1923-1925 afsluiten met een tweetal historische anecdotes, betreffende dr. Willem Royaards, een man aan wie ik mijn hele leven met het diepste respect heb terug gedacht.

De eerste en dus historische anekdote... Als dr. Royaards regisseerde, dan ging hij daar zo in op, dat hij de realiteit en zijn eigen grote verbeeldingskracht wel eens door elkaar haalde. Wij studeerden het zangspel ’Kloris en Roosje’ in, de lichtvoetige uitsmijter na de zwaarwichtige Gijsbrecht van Aemstel. In die jaren was er een jonge toneelspeler aan het gezelschap verbonden, Jan Riggel. Maar als dr. Royaards helemaal opging in zijn regie, dan werd Jan Riggel altijd ”meneer van Richčl”, zoals ik dan altijd ”meneer van Nienhuys” was. Als het doek opgaat voor Kloris en Roosje, staat er rechts vooraan op het toneel een grote sneeuwpop en in die pop stond Jan Riggel, natuurlijk onzichtbaar voor het publiek.
De clou was dat op een gegeven moment, als alle vrolijke paartjes zingend en dansend achter het toneel verdwijnen, die sneeuwpop plotseling tot leven komt en dan, schommelend en wel, achter die vrolijke stoet aanhuppelt. Maar Jan Riggel deed dat niet op de manier, zoals dr. Royaards dat wilde. En na ettelijke herhalingen sprak hij toen deze onsterfelijke woorden: ”Maar mijn hemel, meneer van Richčl, hebt u dan nog nooit gezien hoe een sneeuwpop loopt?”

En dan de tweede, eveneens historische anekdote… Er zou een klassiek drama worden opgevoerd en ondanks al mijn pogingen om de titel van dit drama te achterhalen, is mij dat niet gelukt. Maar Jacqueline Royaards-Sandberg speelde er een koningin in. Het toneel stelde een paleis voor en op de achtergrond was een hoge trap gebouwd, waarvan op een gegeven moment de koningin statig moet afdalen. Onderaan de trap staan aan weerskanten – vanaf die trap tot vlak bij de voetlichten – twee rijen lansknechten (figuranten) opgesteld. Zij houden hun lansengekruist, maar op het moment dat de koningin onderaan de trap is, moeten zij hun lansen rechtop houden, zodat de koningin naar voren kan komen om haar monoloog uit te spreken. Op de generale repetitie was dit al vele malen herhaald, maar het ging telkens weer verkeerd. De ene keer vielen er enkele lansen op de grond en de andere keer vergaten enkele lansknechten op het juiste moment hun lansen omhoog te doen.

En toen sprak dr. Royaards opnieuw een paar onsterfelijke woorden: ”Maar heren toch, ik heb het u nu al zo dikwijls gezegd. Zodra mijn vrouw onderaan de trap is, dan gaan al die dingen van de heren de hoogte in.” 
Tja, dat lijkt dubbelzinnig en dat is het ook inderdaad wel, maar het fijne hiervan is, dat dr. Royaards het helemaal niet dubbelzinnig bedoelde en zich diedubbelzinnigheid op zo’n moment ook helemaal niet bewust was. Dr. Willem Royaards... één van de grootste toneelfiguren die Nederland ooit heeft gekend en ik heb mij mijn hele leven gelukkig gevoeld, dat ik het grote voorrecht heb gehad mijn toneelcarričre onder zijn leiding te mogen beginnen.