Hoofdstuk 8

Verdriet en afschuw in de oorlogsjaren


Het is 10 mei 1940, de fatale datum die niemand die deze dag bewust heeft beleefd, kan vergeten.Om drie uur in de ochtend komen de eerste Duitse vliegtuigen overvliegen en vanaf het moment dat deze onheilspellende monsters mijn vrouw en mij wekten, wisten wij dat datgene wat wij allang gevreesd hadden, nu rauwe werkelijkheid was geworden. Wij waren in oorlog met Hitler-Duitsland en ik wist toen ook dat dezenacht een lange, zeer lange en zeer donkere nacht zou worden.

Ik zal over de ellende, de honger en het schrijnende verdriet om de vele honderdduizenden slachtoffers van het barbaarse Nazi-regime in de oorlogsjaren 1940-1945 niets schrijven, want daar is al genoeg over geschreven, het gaat nu om mijn persoonlijke ervaringen.

Tot 1941 kon ik gewoon doorgaan met mijn programma ’Men vraagt en wij draaien!’ Maar toen kwam de VARA in besmette handen en weigerde ik om dit programma nog verder voor de radio te brengen. Feestavonden werden er in die oorlogsjaren ook niet meer gehouden en dus was er ook een voorlopig einde gekomen aan het optreden met mijn Nederlands Cabaret Ensemble. Maar er werd nog wel toneelgespeeld. Niet alleen in schouwburgen, maar ook in die bioscooptheaters die om principiële redenen geen Duitse films wilden draaien, zoals toen de verplichting was. En zo had ik het geluk, inderdaad het geluk, want er moest toch immers geld verdiend worden, om in het gezelschap van de indertijd zo populaire komiek Piet Köhler opgenomen te worden.

Twee jaren lang hebben wij in vele theaters overal in het land gespeeld. Maar toen kwam de dag dat wij lid van de zo gehate en eveneens besmette Kultuurkamer moesten worden om nog als artiest te mogen optreden en vanaf dat moment werd het ’Gezelschap Piet Köhler’ ontbonden. Tot het einde van de oorlog heb ik in mijn levensonderhoud kunnen voorzien door de verkoop vansurrogaat-thee, -koffie en zoetmiddelen.

Maar er gebeurde nog veel meer in die vijf oorlogsjaren. Nu een paar vrolijke en ook minder vrolijke herinneringen aan deze vreselijke jaren. Ik had in 1935 een humoristische eenakter geschreven, getiteld ’De Dubbelganger’. En in deze eenakter speelde ik een dubbelrol, de rol van de man en die van zijn dubbelganger. Om het verschil tussen deze twee mannen voor het publiek goed duidelijk te maken, speelde ik de dubbelganger met een stijf been. Nou moet u weten dat Seyss Inquart, de Duitse rijkscommissaris in Nederland, ook een stijf been had en hier de bijnaam had gekregen van Hinkeldepinkie.

En wat gebeurde er? Toen ik op een avond als de dubbelganger op het toneel verscheen, dus lopende met dat stijve been, begon de hele zaal te joelen en te roepen ”Hinkeldepinkie!” Het was een grandioos succes voor mij, maar omdat je verraders nooit slapen, moest ik de volgende dag in de beruchte Euterpestraat op het niet minder beruchte Duitse matje komen. En alleen omdat ik kon bewijzen, aan de hand van het manuscript en kritieken in dagbladen, dat ik deze eenakter al in 1935 had geschreven, kon ik weer vrij en heelhuids naar huis terugkeren.

Dan een tweede herinnering. Als Barendje Kroonenberg, eens directeur van dat heerlijke en nu helaas verdwenen joodse bioscooptheater ’Tip-Top’ in de Jodenbreestraat dit onder ogen zou hebben gekregen, zou hij wel even moeten hebben glimlachen. Ik speelde in het begin van de oorlog, want toen kon dat nog, in de Tip-Top mijncabaretrevue in zakformaat ’Men vraagt en wij brengen U’, met de joodse artiesten Maloďtz (de zingendetelepaat), Nol Nabarro (operettezanger en acteur), Len Conell (chansoničre), Rita Los (cabaretičre) en als enige niet-joodse artiesten, mijn vrouw als pianiste en ikzelf als conferencier-cabaretier en acteur.

En ik ben er nog altijd trots op, dat ik als ’goy’, en voor de lezers en lezeressen die dit woord niet kennen, wil ik het graag even vertalen, dat ik als ’niet-jood’ echte,Jiddische sketches heb geschreven, die een doorslaand succes waren bij het overwegend joodse Tip-Top publiek. Een heerlijk publiek, datvaak onder de voorstelling pinda’s zat te pellen en waarvan de vrouwen ook nog dikwijls hun kinderen de borst gaven. 

Toen de periode van mijn optreden ten einde was – soms twee, soms drie weken – dan kwam directeur Barend Kroonenberg op het toneel en zei hij tegen het publiek: ”Beste mensen, ik heb het steeds weer tegen Frans Nienhuys moeten zeggen, ’deis je toch een pietsie, want je bent zo brutaal als de beul tegen onze Duitse bezetters’. Ik vond het fijn dat hij er was, want wij hadden alle dagen volle zalen, maar ik dank dehemel dat hij nu weer weggaat, want het zweet stond mij af en toe in de handen.”

En waarom was ik volgens Kroonenberg nu zo brutaal als de beul? Twee voorbeelden. Tegen het publiek:
”Zeg luitjes, ik heb vanavond wat grappigs beleefd. Voor de voorstelling wilde ik nog een kleinigheidje gebruiken en ik ging dus een restaurant binnen. Ik zeg tegen de ober, ’obertje, ik wil graag een klein hapje eten, wat hebt u voor me?’ Toen zei die ober ’meneer, u treft het, wij hebben vanavond de Hitler-haring voor u’. Nu kende ik natuurlijk onze zoute en zure haring en onze rolmops, maar ik had nog nooit van Hitler-haring gehoord en dus zeg ik tegen die ober ’Hitler-haring, wat is dat voor een haring?’ En toen zei die ober ’meneer, dat is een haring die wij serveren, met de hersens er uit en de bek wijd open!”

Het tweede voorbeeld:
”Ja, beste mensen, weet je wat het nou is met die Adolf Hitler? Hij wordt het zonnetje van Duitsland genoemd, maar dan is hij toch wel een heel vreemd zonnetje, want de zon gaat op in het oosten en gaat onder in het westen. En Adolf Hitler? Die is in het westen opgekomen, maar in het oosten zal hij ten onder gaan.”

En Rusland heeft de waarheid van deze profetische woorden wel bewezen. Dat waren dus een paar vrolijke herinneringen, maar ik heb ook bijzonder trieste herinneringen aan deze vreselijke oorlogsjaren. Niet één van mijn joodse collega's uit de Tip-Top-periode heeft die nachtmerrie van 1940-1945 overleefd. Maloďtz werd in het kamp in Amersfoort vermoord, Nol Nabarro kwam om tijdens een bombardement in Haarlem en Len Connell en Rita Ros werden naar Duitsland getransporteerd en zijn nooit meer teruggekomen.

Een gebeurtenis waaraan ik ook nog altijd met verdriet en weemoed terugdenk. Het is een prachtige, zomerse middag in juli 1943. En wat zou het leven ook prachtig zijn geweest, als wij toen niet gebukt waren gegaan onder het juk van onze Duitse bezetters en niet met haat en bitterheid in ons hart hoefden rond te lopen. Met mijn distributiebonnen in mijn zak liep ik in de Amsterdamse Rijnstraat, in de hoop dat er ook inderdaad op die bonnen nog wat voedsel te koop zou zijn, want dat was lang niet altijd het geval. Ik kom een winkel uit, waar ik van de vier dingen op mijn lijstje er precies één had kunnen krijgen en steek de Rijnstraat over.

Kunt u zich mijn enorme verbazing voorstellen, toen ik plotseling, midden in de oorlog, voor café Zuid oog in oog met ’Johnny en Jones’ kwam te staan? Johnny en Jones – Max Kannewasser en Nol van Wezel – twee joodse jongens, die als ’Two boys and a guitar’ het eerste Nederlandse komische zangduo waren en die voor de oorlog tientallen keren met overweldigend succes onder meer in mijn Nederlands Cabaret Ensemble waren opgetreden.

Ik was zo enorm verbaasd, omdat ik het afschuwelijke feit over hen had gehoord, dat zij naar het beruchtekamp Westerbork waren getransporteerd. Wat mij onmiddellijk opviel was de zo gehate jodenster op hun borst. Toen ik van de eerste verbazing was bekomen en vroeg hoe het in ’s hemelsnaam mogelijk was dat zij,nota bene midden in de oorlog, vrij op straat konden rondlopen, zeiden zij mij, dat zij met een paar dagen verlof uit Westerbork in Amsterdam waren geweest en zich nog diezelfde avond moesten melden, om weer naar Westerbork terug te worden gebracht.

Ik bezwoer hen toen om zich niet te melden en onmiddellijk te gaan onderduiken, omdat zij in Westerbork toch een zekere dood tegemoet zouden gaan. En nog hoor ik hun vrolijke lach en de onbezorgde toon waarop zij toen tegen mij zeiden: ”Welnee Frans, wij zitten daar op fluweel, ons kan niets gebeuren. Zij hebben ons nodig, wij treden daar regelmatig op en organiseren cabaretvoorstellingen met andere artiesten, die daar ook zijn. Nee jongen, dat zit helemaal goed hoor!” En wat ik ook zei en hoe ik ook smeekte, zij waren zo zeker van hun veiligheid, dat zij – helaas – niet te overtuigen waren. Helaas ja, want wij hebben Johnny en Jones nooit meer terug gezien.

En dan is er nog iets, waaraan ik ook altijd met het grootste verdriet en met de meeste afschuw terugdenk. De Hollandse Schouwburg aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam-Oost, het theater waar het Nieuw Nederlands Toneel optrad en waar ik, als wij het Paleis voor Volksvlijt bespeelden, in mijn vrije uurtjes zo intens genoten heb van voorstellingen met beroemde toneelspelers, zoals Louis Bouwmeester, Louis de Vries en Barend Barendse... Namen die de oudere lezers en lezeressen zich nog heel goed zullen kunnen herinneren.

Wij leven in het oorlogsjaar 1944. De Hollandse Schouwburg is allang geen schouwburg meer. Alle stoelen zijn weggehaald en op de plaats waar eens – in gelukkiger tijden – deze stoelen stonden, is nu ligplaats gemaakt voor vele duizenden joodse landgenoten van ons, slachtoffers van het misdadige Hitler-regime.

Hoe goed herinner ik mij – om maar een schrijnend voorbeeld te noemen – het volgende tafereeltje. Ik kende een joods meisje en een joodse jongen, die maar net verloofd waren en die zich moesten melden voor transport naar Duitsland. Het waren goede bekenden van mijn lieve, joodse vriendin Riek Fuldauer, die ik het leven heb kunnen redden door haar in mijn huis te verbergen.

Op de avond voor hun transport naar Duitsland heb ik hen bezocht. Tot mijn grote ontsteltenis moest ik ervaren, dat zij in hun grote naďviteit dachten dat dit vertrek naar Duitsland een soort uitstapje zou zijn en dat zij na de oorlog weer veilig en wel in Nederland zouden terugkeren. Nog zie ik voor mij, hoe zij vol trots lieten zien, hoe keurig zij alles in orde hadden… Tandenborstels in kokertjes, washandjes en zeep in plastic zakjes en hun kleren op hangertjes in een grote kledingtas. En wat ik ook zei... zij konden niet geloven dat hun vertrek naar Duitsland het einde van hun jonge leven zou betekenen. Zij zijn nooit meer teruggekomen.

Het is een nacht in datzelfde jaar 1944... Ik wilde met eigen ogen datgene zien, wat mij door vele vrienden al gezegd was. Vanuit de Hollandse Schouwburg zouden in de nacht vele honderden joodse Nederlanders naar het Centraal Station worden gebracht, om dan doorgestuurd te worden naar de gaskamers in Bergen-Belsen, Ravensbrück en Auschwitz.
En op zekere nacht stond ik dan in de Plantage Middenlaan, vlakbij ’mijn’ Hollandse Schouwburg. En toen ik zag, dat er midden in de nacht vele tramstellen gereed stonden, wist ik al genoeg.

En met eigen ogen heb ik toen gezien, hoe vele honderden joodse landgenoten – mannen, vrouwen en kinderen in deze tramstellen werden geladen en dan vertrokken naar het Amsterdamse Centraal Station, om dan doorgestuurd te worden naar hun uiteindelijke dood. En als ik ooit gevloekt heb in mijn leven, dan was het wel in die nacht... de vreselijkste nacht uit mijn gehele leven. En, zoals ik u al zei, de Hollandse Schouwburg,eens een tempel van kunst en cultuur, werd na de oorlog herdoopt in een eeuwigdurende ’Chapelle ardente’,een rouwkapel ter nagedachtenis aan onze vele vermoorde joodse landgenoten.

En ook minder vrolijk was natuurlijk het feit, dat het met mijn huwelijk niet goed meer ging, zo tegen het einde van 1945. Gelukkig was er geen sprake van ruzies of vechtpartijen, zoals ik die in mijn jeugd had beleefd tussen mijn moeder en stiefvader, maar het ging gewoon niet meer tussen ons. Eind 1945 gingen wij scheiden, maar het verheugt mij nog altijd dat wij zonder haat of wrok uit elkaar zijn gegaan en eraltijd een vriendschappelijke verhouding tussen haar en mij is blijven bestaan. En ik zal haar ook altijd dankbaar blijven voor het vele goede dat wij samen in ons 17-jarig huwelijk hebben beleefd.

En dan komt die avond van de 4de mei 1945, zo rondom negen uur. Plotseling komen er uit alle huizen tientallen mensen de straat op, luid schreeuwend en juichend en elkaar onder vreugdetranen omhelzend, want door de radio waren zojuist de verlossende woorden gesproken, waar wij allen al dagenlang op gewacht hadden. ”Duitsland heeft gecapituleerd,” ”de oorlog is voorbij” en ”wij zijnbevrijd”.

Wat een enorme opluchting, wat een tomeloze vreugde, wat een emotionele ontlading van vijfjaar opgekropte ellende en haat. En omdat het verlossende bericht van onze bevrijding zo laat in de avond kwam, werd deze 4de mei later tot Dodenherdenkingsdag verklaard en de 5de mei tot Nationale Bevrijdingsdag.

Nog een kleine herinnering uit deze tijd... Toen enkele dagen later de Canadese troepen hun triomfantelijke intocht hielden over de Amstellaan in Amsterdam-Zuid (later herdoopt in de Vrijheidslaan), stond ik natuurlijk ook temidden van de juichende en ontroerde mensenmassa, die onze bevrijders luidkeels toejuichte.
En plotseling werd mij door iemand die ik helemaal niet kende, iets in mijn hand gedrukt met de woorden: ”Hier, meneer Nienhuys, dat is voor u.” En wat hield ik in mijn hand? Een groot stuk chocolade. Nu moeten wij om zoiets simpels glimlachen, maar toen was het een hemels geschenk. Chocolade, wij hadden het in geen jaren geproefd en nadien heeft een stuk chocolade mijn vrouw, mijn dochtertje en mij nooit meer zo heerlijk gesmaakt als op die dag in mei 1945.