Hoofdstuk 13

Het einde van het ensemble


Het einde van het Nederlands Cabaret Ensemble kwam in 1965. Ik vertelde u al eerder, dat ik in dat jaarstopte met mijn gezelschap, omdat ik nog meer werk had en de combinatie van deze verschillende activiteiten een beetje te zwaar voor mij werd.

  • Een scène uit 'De Weddenschap', een door Frans zelf geschreven mini-eenakter in 1964. Het zou één van de laatste succesnummers van het Nederlands Cabaret Ensemble worden, omdat het ensemble in 1965 ophield te bestaan. Frans was toen zestig jaar.


Ik was intussen zestig jaar geworden. Wij hebben maar één hartje en daar moeten wij een beetje voorzichtig mee zijn. Ik maakte vanaf 1961 dus ook alweer regelmatig mijn programma’s ’Men vraagt en wij draaien!’ voor Radio Veronica, maar bovendien had ik in 1957 de zaak van mijn schoonouders overgenomen. Dat was een zaak – waarvoor ik inmiddels ook nog mijn diploma had gehaald – in tabakswaren, huishoudelijke en schoonmaakartikelen, glas, aardewerk, porselein en speelgoed.

Het was een zeer drukbezochte zaak in de Nieuwe Kerkstraat 36-38, vlak bij de Magere Brug over de Amstel. In het begin was deze combinatie van werkzaamheden nog wel vol te houden, omdat mijn schoonouders achter de zaak woonden en meer in de winkel stonden dan mijn vrouw Lily en ik, waardoor ik voldoende vrije tijd had voor het maken van mijn radioprogramma’s en ons optreden in het land. 

Maar in 1965 wilden mijn schoonouders het wel een beetje kalmer aan gaan doen. Begrijpelijk, want zij waren toen inmiddels beiden al 78 jaar oud en het werk werd te zwaar voor hen. Ik moest dus kiezen of delen. Eén activiteit van me zou ik in ieder geval moeten prijsgeven, omdat mijn vrouw en ik vanaf dat ogenblik steeds in de zaak zouden moeten zijn. Ik wilde de zaak in geen geval opgeven, daar ik mij er heel goed van bewust was, dat het optreden op avonden geleidelijk aan minder zou worden, terwijl ik de zaak nog vele jaren zou kunnen voortzetten.

En omdat mijn programma ’Men vraagt en wij draaien!’ mij in de loop der jaren zo dierbaar was geworden, was de keus toen niet zo moeilijk voor mij. Ik stopte met mijn Nederlands Cabaret Ensemble.

  • Willy Alberti is dertig jaar zanger. Het jubileum wordt op 9 oktober 1968 gevierd in café Nol in de Jordaan.
    Van links naar rechts brengen Willy Alberti, Frans Nienhuys en Max van Praag een toost uit.
  • Op 12 november 1969 krijgt de vermaarde Hamburgse orkestleider James Last uit handen van de directeur van de platenmaatschappij Polydor een gouden plaat in het Hilton Hotel in Amsterdam.
    Daaropvolgend hield Frans als de oudste Nederlandse platen-presentator een gloedvolle speech, tot groot genoegen van zijn vrouw Lily.


Met heel veel plezier en voldoening hebben mijn vrouw en ik de zaak tot 1971 voortgezet. In dat jaar was ik 66 jaar ’jong’ geworden, mijn vrouw Lily was toen pas 53 jaar, ik had al een jaar lang mijn AOW – ben ik dan toch niet meer zo jong! – en ik had mijn radioprogramma bij Veronica. En in 1971 besloot ik toen om de zaak te verkopen, zodat ook ik, evenals mijn schoonouders indertijd, het een beetje kalmer aan zou kunnen gaan doen. Maar dat is wel een beetje anders gelopen, zoals u zelf hebt kunnen constateren.

  • 'Frans Nienhuys spreekt zijn nieuwjaarswensen voor 1972 uit aan het einde van 'Men vraagt en wij draaien!' op zondag 2 januari 1972. Klik op de Norderney voor het fragment.
 

Het is oktober 1973. Ik krijg na een telefonische afspraak bezoek van Rob Kuil, de directeur van het bureau ’Public Relations’ in Amstelveen. En dit bezoek hield voor mij een bijzonder grote en eervolle verrassing in, want hij vertelde mij dat er in januari 1974 een nieuw weekblad zou uitkomen en dat men er prijs op zou stellen, als ik medewerker van dit nieuwe weekblad zou willen worden en dan met een rubriek, die gericht zou zijn op mijn radioprogramma ’Men vraagt en wij draaien!’

Hij vond mijn programma een menselijk programma en mijn rubriek in dat nieuwe weekblad zou daar dan aan moeten appelleren en dus ook een menselijke rubriek moeten worden, een rubriek waarin ik moeilijkheden en problemen van de lezers en lezeressen zou behandelen. En hij vond mij, met mijn leeftijd, met mijn rijke levenservaring en met de gedachte aan het menselijke element in mijn radioprogramma, daarvoor de juiste man.

Evenals indertijd bij de VARA, toen men mij vroeg om voor het eerst in mijn leven een verbindende tekst te schrijven bij het hoorspel ’Acht Huwelijksdialogen’, vond ik dit een grote uitdaging en ik heb die uitdaging dan ook aangenomen. En demeeste mensen onder u weten nu al welk weekblad dat was… het weekblad Story.

Het ging allemaal voortreffelijk. Ik kreeg vele problemen voorgelegd, die ik met hart en ziel overdacht en dan, na veel wikken en wegen, naar mijn beste weten en kunnen ging beantwoorden in mijn Story-rubriek ’Men vraagt en wij antwoorden’. En ik was erg trots op een brief, die ik mocht ontvangen van een bekende journalist, de heer M. Reckman in Naarden, die mij op 19 april 1974 onder meer dit schreef: ”Zeer geachte heer Nienhuys, mag ik, als ’oude rot’ in het vak,u eens een compliment maken voor de wijze waarop u uw rubriek in Story maakt? Zelfs ik, als man van ervaring, lees die interessante brieven en antwoorden van het begin tot het einde. Ik wens u veel wijsheid en nog heel veel succes toe.”

En na een dergelijk, deskundig compliment, was het toch wel een enorme koude douche voor me, toen ik op 8 mei 1974 een brief ontving van de heer D. Hendrikse, hoofdredacteur van Story, die mij dit schreef: ”Zeer geachte heer Nienhuys, zoals u begrijpen zult, zijn wij op het ogenblik bezig met de najaarsplannen voor Story. Het is de gewoonte om voor het begin van het nieuwe leesseizoen de formule bij te sturen, nieuwe elementen te introduceren en deze de plaats te doen innemen van bestaande rubrieken. Zeer tot mijn spijt is uw rubriek het slachtoffer van deze vernieuwingsdrift geworden en ik moet u dan ook mededelen dat wij uw medewerking aan Story willen beëindigen in nummer 31. Wij hebben allemaal uw enthousiaste medewerking aan Story bijzonder op prijs gesteld en het is mij dan ook een behoefte u hiervoor nu reeds bijzonder dank te zeggen en wellicht mogen wij, ook in de toekomst, nog wel eens een beroep doen op uw medewerking.”

Wie zou toch deze behartenswaardige uitdrukking hebben uitgevonden? Een doekje voor het bloeden. Maar, naïef en goed van vertrouwen zoals ik mijn hele leven ben geweest, heb ik op deze ontslagbrief niet gereageerd, omdat ik mij vasthield aan deze woorden: ”Wij introduceren nieuwe elementen en laten deze dan de plaats innemen van bestaande rubrieken en zeer tot mijn spijt is uw rubriek het slachtoffer geworden van deze vernieuwingsdrift”. Dat was toch duidelijke taal, dacht ik. Mijn rubriek zou verdwijnen. Ik nam dus in de twee laatste afleveringen van Story waaraan ik nog meewerkte, op waardige wijze afscheid van mijn lezerskring.

Mijn afscheidswoorden zijn echter nooit gepubliceerd en kunt u zich voorstellen met welke gevoelens ik dat laatste nummer 31 onder mijn ogen kreeg? Want daar stond letterlijk in: ”Frans Nienhuys gaat Story verlaten.” Dat is iets wat ik de redactie van Story mijn heleleven lang nooit meer kon vergeven, want hiermee suggereerde zij, dat ik zelf bij Story was weggegaan, terwijl ik op 8 mei 1974 mijn ontslagbrief al in mijn bezit had. En nogmaals zeg ik, zoals het in vele persartikelen indertijd ook heeft gestaan, waarom deze verkeerde voorstelling van zaken? Waarom niet eerlijk verteld dat mijn rubriek gewoon doorging, maar dat men deze nu voortaan door mevrouw Mona Loikens wilde laten verzorgen!

En in tegenstelling tot datgene wat ook in sommige persartikelen werd vermeld, ik heb nooit beledigend over mevrouw Loikens gesproken en ik heb haar oprecht veel succes met al haar werk toegewenst.

Ook deze teleurstelling in mijn leven heb ik dus moeten verwerken, maar ik kon dit toch vrij gemakkelijk, omdat ik mij gesterkt en getroost voelde, ten eerste door die lovende brief van de journalist M. Reckman in Naarden, ten tweede door de vele dankbrieven van lezers en lezeressen, die ik in die Story periode mocht ontvangen en ten derdeomdat de redactie van Story in dat laatste nummer 31 dit over mij schreef: ”Vanaf deze plaats wil de redactie oom Frans van ganser harte bedanken voor de zeer persoonlijke manier, waarop hij in de afgelopen maanden uw brieven heeft beantwoord. Zijn wijze raad heeft velen geholpen, dat weten wij. Wij wensen hem alle goeds!” Heren redactieleden van Story, dank u wel!