| SAMENVATTING van de inventaris van ALBERT KEIJZER, koopman en winkelier te Denekamp, overleden 28 augustus 1830. |
| Gerechtigd in de boedel
zijn:
terug naar parentelen Hendrika Heinink , weduwe van Albert Keijzer, DenekampJohanna Gezina Keijzer, gehuwd met Hendrikus Johannes Egbertus Alink, Denekamp Johanna Maria Gerdina Keijser, gehuwd met Johannes Franciscus Peeze Binkhorst, Oldenzaal Johannes Hermanus Keijzer, Denekamp De nalatenschap blijft onverdeeld en onder beheer van de weduwe. Deze krijgt de helft en de kinderen ieder een zesde deel. De activa zijn verdeeld in: A. voordelige obligaten en pretentien. hypotheken en leningen aan derden, waaronder een onderhandse obligatie van f.500,- ten laste van de Thouars van Singraven en een nog niet afbetaalde lening aan zijn dochter Geziens en schoonzoon Alink van f.2116,72. Er zijn ook aandelen in de olie en korenmolen in Noord Deurningen. B. vaste goederen. het huis door het echtpaar bewoond in Dorp Denekamp, met aangelegen Kroesenhuis en het langs de straat gebouwde Nijehuis wordt geschat op f.2400.- Verder een grote hoeveelheid landerijen. C. roerende goederen. Rogge, tarwe etc. al of niet op het veld staand, inventaris van de winkel, wagens met toebehoren, paarden, varkens, landbouwgereedschap etc. Verder huisraad, meubels. Na aftrek van de schulden, resteert een batig saldo van f.54.595,10. datum: 27 oktober 1830
|
|
Brief van Albertus Antonius Theodorus ALINK aan de griffier van Gedeputeerde Staten van Overijssel |
|
Transcriptie
Datum: 05-12-1877 Weledel Achtbare Heere! UwelEd achbare bekend met de thans heerschende revolutie te Denekamp, wegens het in pressie genomen eervol ontslag van onzen oud achbaren Heer Burgemeester H. Warnaars, vermeen ik mij tot UwelEd te moeten wenden om inlichting en tevens inlichting te geven wat hier in Denekamp thans geschied. Om nog op het oude terug te komen, is geen denken meer aan, want het eervol ontslag is verleend, maar ik meen in het belang van Denekamps ingezeten mij tot UwelEd te wenden, omdat ik vermeen dat UwelEd dit mijn schrijven aan zijne exellentie de Commissaris wel zult willen laten lezen. Sedert jaren heeft men hier door Verhoeven en Roessingh geene middelen onbeproefd gelaten om den oud Burgemeester te doen vallen; dit is gelukt! Op de verkiezing werdt gewerkt ten elke kosten, de Tweed van Denekamp zocht eerst zijne hulp bij de Domine en Pastoor, vraagde van hun briefjes voor armen en deze werden met brood bedeeld. Nu begon een schitterende loopbaan, hij werdt lid van provinciale staten; goed nu kom ik te Zwolle dan zal de burgemeester vroeg of laat moeten vallen en dan wordt gij Burgemeester. In Den Haag daar hebben wij onze afgevaardigden, ook in dien tijd gewonnen, die zullen u daar wel voordragen. Alles is nu in orde maar in Denekamp zal altijd nog een op de loer en bespiede uwe slechte handelingen. Op den raad van gisteren is besloten twee personen naar Den Haag af te vaardigen om zijne excelentie de minister te vertellen dat Denekamp door geen andere Burgemeester kan geregeerd worden als door Verhoeven. Nu vermeen ik dat hij met alle regt hiervoor niet in aanmerking mag komen: 1. hij was de eerste man die de oud Burgemeester heeft laten vallen 2. hij bezit het vertrouwen van Denekamps ingezetenen niet en durft nu al zeggen het is ons onverschillig wie hier Burgemeester wordt, maar secretaris wordt hij niet. Hierop ben ik zo vrij om UwelEd opmerkzaamheid te vestigen op: hoe zal die hier leven, een huis te krijgen is even moeijelijk; nu zou de benoemde dadelijk met de grootste onaangenaamheden hebben te worstelen. Ik vermeen mij veel hoger geplaatst te zien dan Verhoeven; ik heb mij ten allen tijde tusschen de partijen weten heen te houden, maar nu ben ik ook de gevangene. Ik bezit wel het grootste vertrouwen bij alle ingezetenen en vermeen in het belang van ingezetenen en staat UwelEd te moeten vragen of het niet goed zou zijn dat ik mij solicitant stelde voor de betrekking van Burgemeester. Dan waren alle partijen verslagen en ik zou door mijne eerlijke handelingen het vertrouwen der gemeente bezitten. Nu moet ik ten slotte UwelEd om raad vragen, hoe mij in deze zaak te gedragen. UwelEd Achtbare Dienaar, A.A.Th. Alink gemeenteontvanger |
| Johannes Theodorus ALINK, pastoor te Deurningen. 20 april 1831 |
|
DE PASTOOR ALS UITSMIJTER. Tot na de oorlog heeft het verschijnsel van de verpachting van de kerkbanken nog tot de gebruiken behoord. Als je de verhalen mag geloven moet het er soms heet aan toe zijn gegaan. Het betekende natuurlijk ook nog wel wat. Je kreeg bij die verpachting de kans een jaar lang je van je gewenste plek in de kerk voor jezelf en je gezin te verzekeren. Natuurlijk, hoe royaler je in de slappe was zat hoe dichter bij het altaar je van een bank wist te verzekeren. Aannemend dat ônze lieve Heer het geen barst kan schelen of je nou voor- of achteraan in de kerk zit, was het in ieder geval voor je omgeving van belang vast te kunnen stellen totwelke rangorde je gerekend behoorde te worden. Dat zo'n verpachting ook nog kon leiden tot onvoorziene taferelen laat het onderstaande proces verbaal zien. Het heeft als zodanig niets met de bankenverpachting uit te staan en daarom is het des te opvallender. Het schijnt een belastingambtenaar te zijn geweest die, afgaande op het verhaal, kennelijk bij die handeling een onregelmatigheid constateerde. Merkwaardigerwijs zijn er toevallig' ook nog een paar (niet Roomse) veldwachters in de buurt die hun nieuwsgierigheid niet kunnen bedwingen en besluiten ook maar eens de kerk in te gaan. Het onderstaande is de letterlijke weergave van een procesverbaal dat deze veldwachters naar aanleiding van hun kerkbezoek voor het vredegerecht van Oldenzaal lieten opmaken. In het jaar 1831 den 20e april voor ons meester Lambertus Johannis Antonius Nieuwenhuis, vrederechter van het kanton Oldenzaal, arrondissement Almelo, provincie Overijssel, geadsisteerd met den griffier, zijn gecompareerd Gerrit Waanders en Willem Tengnagel veldwachters der gemeente Weerselo. Te kennen gevende en aanklagende dat zij in dienst van het gemeentebestuur van Weerselo, gistermorgen in de nabijheid van de R.C. kerk in Deurningen komende, aldaar de klok hoorden luiden, zijnde omstreeks negen uren. Dat zij, navragende wat zulks beduidde, ten antwoord kregen dat de zitplaatsen in de kerk zouden worden verpacht of verhuurd. Dat zij uit nieuwsgierigheid ook in de kerk gingen en als toen den pastoor J. Alink de conditien der verhuring hoorden voorlezen en hem een begin hoorden maken met het verhuren der banken aan de meestbiedende. Dat in het begin van die verhuring de Heer Janson, ontvanger van de registratie te Oldenzaal, die zij niet eerder hadden opgemerkt tusschen de menigte heen naar de pastoor ging en hem aansprak over dit publiek verhuren waardoor de pastoor in de boete was vervallen. Enz. Doch dat de pastoor zich daar niet aan stoorde maar den Heer Janson uit de kerk 'dreef zeggende 'vort, vort de kerk uit!' En toen deed de. pastoor de kerkdeur op slot. Dat zij comparanten niet regt begrijpende wat dit beduidde, echter ook niet lang in de kerk bleven maar hunne ambtsbezigheden gingen verrigten. (achter Janson aan? auteur) Dat zij omstreeks een kwartier uurs voor twaalven weder bij de kerk van Deurningen kwamen en hoorden dat de verpachting nog al voortduurde. Dat zij een of andere boer die in de kerk was, willende spreken en wederom binnen gingen tot dat de middagklok begon te luiden: waarop alle de aanwezigen in de kerk het teeken van het kruis maakten en op de knieen vielen terwijl comparanten eerbiedig met ongedekten hoofde bleven staan. Dat bij het opstaan der overigen de pastoor Alink zeer driftig op de eersten comparant G.Waanders aankwam hem aanpakte en zeide 'Wat doet ge hier? Gij knielt niet! Gij hebt hier niet te doen, allo marsch de kerk uit!' En tegen de boeren zich wendende zeide de pastoor:'Komt mannen helpt mij!' terwijl hij den comparant die zich hoegenaamt niet teweer stelde, door de gang sleepte, hem rukkende en stootende tot buiten de kerk zoodanig dat des comparants buis zeer gescheurd was. Dat de gemelde pastoor als toen den tweeden comparant Willem Tengnagel ook de kerk uitdreef en achter hem aanging totdat hij buiten de deur was. Van al hetwelk de comparanten zochten dat wij procesverbaal zou opmaken, beroepende zich op het getuigenis van alle de aanwezigen. Speciaal van de boermannen Jan Vosmer of Wilthuis, Bernardus Wilthuis, Gerrit Wilthuis, Jannes Soppe, Gerrit Jan Wissink, Jannes Aarninkhof, Beuvink, G.J. Sievert, Antonie Leerkotte en meer anderen. En hebben de comparanten na voorlezing met ons vrederegter en griffier ondertekend. Was getekend, G.Waanders, W.Tengnagel, L.J.A.Nieuwenhuis vrederechter en J.Helderman griffier. We veronderstellen dat het kordate optreden van de pastoor menigmaal onderwerp van gesprek zal zijn geweest, echter naar we denken, heeft de overlevering het niet voor ons bewaard. Overigens schijnt pastoor Johannes Alink, van 1831-1836 pastoor in Deurningen, veel problemen gehad te hebben met de ondeugdelijke bouw van de toen nieuwe waterstaatskerk in Deurningen. Mede daardoor ontstond er een ongewenste verhouding tussen hem en de toenmalige kerkmeesters. Herstel van de kerk diende te geschieden bij de gratie van overheidssubsidie. In hoeverre zijn optreden ten opzichte van de overheidsdienaren, zoals hiervoor beschreven, van invloed is geweest op het uitblijven van die subsidie tot het moment dat de pastoor had besloten te vertrekken, zal wel een vraag blijven. Bronnen: Rijksarchief Zwolle G.J.M. Bartelink, Geschiedenis van de parochie Deurning G.J. Welberg uit: "Oet de Boerschopn" nr. 60, 1996 |
| TRANSCRIPTIE VAN HET
GETUIGSCHRIFT VAN DE KONINKLIJKE PRUISISCHE UNIVERSITEIT VAN GREIFSWALD betreft: Johannes Franciscus Albertus ALINK |
| (fünfzehn
Silbergrosschen Stempel umgeschlagen und cassirt) Wir, Rector und Senat der Königlich Preusischen Universität Greifswald beurkünden durch dieses Abgangszeugnisz das Herr JOHANN FRANZ ALBERT ALINK - geboren zu DENEKAMP IN HOLLAND, Sohn EINES KORNHäNDLERS DA SELBST zu den academischen Studien AUF DEM GYMNASIUM ZU GEMERT vorbereitet auf den Grund genügender Zeugnisse, am 12 NOVEMBER 1847 bei Uns immatriculirt worden ist, sich seitdem bis zum heutigen Tage als Studierender hier aufgehalten und sich der MEDIZIN beflissen hat. Während dieses Aufenthaltes hat derselbe bei Unserer Universität, nach den vorgelegten Zeugnissen die nachstehend verzeichneten Vorlesungen gehört: Im Wintersemester 1848: Encyclopädie und Methodologie der Medizin beim Herrn Prof. dr. Litgmann -- sehr fleiszig Osteologie und Syndessmologie(?) beim Herrn Prof. Laurer -- ausgezeichnet fleissig Anatomie des menschlichen Körpers und Präparirübungen 2e Helfte beim Herrn Hofrath Prof. dr. Schultze -- sehr fleissig Zoologie und Allgemeine Naturgeschichte beim Herrn Prof. dr. Hornschuch -- fleissig Physikalische Chemie beim Herrn Prof. dr. Hünefeld -- fleissig Physik beim Herrn Prof. dr. Tilberg - mit musterhafte Fleiss Logik beim Herrn Prof. dr. Erichson -- fleissig Hinsichtlich seines Verhaltens auf der hiesigen Universität ist weder in sittlicher noch oekonomischer Beziehung irgend etwas Nachtheiliges zur Kenntnis der Universität-Behörde gekommen. Einer Theilname an verbotenen Verbindungen unter Studierenden auf der hiesigen Universität ist derselbe nicht verdächtich geworden. Zu Urkund dessen ist dieses Zeugnisz unter dem Insiegel der Universität ausgefertigt und von dem zeitigen Rector und von dem Richter, auch von den gegenwärtigen Decanen der medicinischen und philosophischen Facultät eigenhändig unterzeichnet worden. Greifswald, den 12 Maerz 1848 |