terug naar parentelen

Junyo Maru ruim 5000 krijgsgevangenen verdrinken
voor de kust van Sumatra.

Een oorlogsramp waar meer mensen het leven lieten dan bij de tragedie met
de"onzinkbare" Titanic. Een Japans transportschip met 2220 Nederlandse-,
Britse-, Amerikaanse- en Australische krijgsgevangenen en 4300 Javaanse
werkslaven werd getorpedeerd voor de westkust van Sumatra. Op 18 september
1944 werden vier torpedo's afgevuurd vanaf de Britse onderzeeër H.M.S.
Tradewind. Twee torpedo's boorden zich in de Junyo Maru en deze zou met man
en muis vergaan. Aan boord waren de geboren Zaankanters Frederik Hendrik
Honig (zoon uit het tweede huwelijk van Jacob Honig, de grondlegger van het
Zaans Museum) en de in Oostzaan geboren Cornelis Karel Bognetteau. Hij was
tijdens de oorlog als adjudant in dienst van de Nederlandse marine. Beiden
hebben de scheepsramp niet overleefd.

In het logboek van H.M.S. Tradewind is de exacte toedracht van deze ramp van
minuut tot minuut te volgen. Was het aan de kapotte High Power (HP)
periscoop te wijten dat niet werd opgemerkt dat hier een transport gaande
was van geallieerde krijgsgevangenen? Of was het de opdracht om ieder Japans
schip te torpederen? Deze vragen zullen altijd wel onbeantwoord blijven. In
het logboek staat:

17 september 1944 - 1831 uur: Commandant S.L.C. Maydon heeft een defect
vastgesteld aan de HP Periscoop. Plotseling is ook de radar installatie
defect. Hij besluit nog één dag te patrouilleren tussen Benkulen en Padang
aan de westkunst van Sumatra alvorens terug te keren naar de basis.

18 september 1944 - 1516 uur: Luitenant P.C. Daley ziet als Officier van de
wacht door de lage periscoop een rookpluim op een afstand van circa
twaalfenhalve kilometer. Comm. Maydon controleert de observatie en geeft
opdracht om op volle kracht in de richting van het doel te varen.

1545 uur: Het doel (later bekend geworden als de Junyu Maru) was een
ouderwets vrachtschip tussen de 4 en 5 ton. Zij was circa driekwart beladen
en werd geëscorteerd door een corvet en een topedojager.

1551 uur: Vier torpedo's werden afgevuurd op een afstand van 1750 meter met
een tussenpose van 15 seconden. Eén minuut 30 seconden en één minuut 45
seconden later werden twee explosies waargenomen.

1613 uur: De Junyo Maru zinkt. Door het defect aan de HP periscoop is het
voor Comm. Maydon niet mogelijk waar te nemen hoe zwaar de Junyo Maru is
getroffen.

Om 1701 uur zet de H.M.S. Tradewind haar patrouille voort in zuidoostelijke
richting. Die nacht zou het noodweer worden met zware slagregens.

Ooggetuige
Van de 6620 mannen hebben slecht 96 de bevrijding mee kunnen maken. Onder
hen een jongen van 19 jaar, die voor zijn ogen meer dan 5000 man zag
verdrinken. Velen kende hij. Hij had ze leren kennen in het 10e BAT, een
militair krijgsgevangenen kamp in Batavia. Zijn verhaal is opgedragen aan
zijn gesneuvelde kameraden.

In de herfst van 1944, toen Generaal McArthur's troepen dreigden de
Philipijnen te gaan heroveren, startten de Japanners met het opvoeren van de
krijgsgevangenentransporten van het indonesiche eiland Java naar Sumatra. Er
moest daar een spoorlijn worden aangelegd om kolen te kunnen vervoeren van
de westkust naar de oostkust. De uiteindelijke bestemming van de kolen was
Singapore.
Mijn reis naar de hel op de Junyo Maru begon op 15 september 1944. De dag
was aangebroken waar we allemaal al maanden tegenop zagen, de dag waarop
2220 mannen van ons zouden varen als gevangenen op een schip, vervulde ons
met vrees.
Twee lange rijen mannen gingen langzaam in de richting van de loopplanken
van een oud roestig vrachtschip. Eén rij bestond uit 4300 uitgeputte
Javaanse werkslaven. Zij gingen naar de voorkant van het schip. Wij moesten
naar het achterschip. Tweeduizend mannen werden als vee gestouwd beneden in
het ruim en zo'n 200 van ons, waaronder ikzelf, werden op het dek gepropt.
Er was slecht ruimte voor 100 man om te gaan liggen of om je uit te kunnen
rekken.
Op de achtiende september voeren we misschien tien tot vijftien mijl uit de
kust van Sumatra. Al meer dan drie dagen leed ik overdag van de brandende
zon en 's nachts van de tot op het bot verkleumende regens. Achteraf viel
dat nog mee als ik bedenk wat ik door een luik benedendeks kon zien
gebeuren. Benedendeks daar was het nog veel erger. Veel gevangenen veloren
door gebrek aan water, eten en medicijnen hun wil om te overleven. Een derde
van hen leed aan malaria en dysenterie. Sommigen werden gek en sloegen
wartaal uit in dit naar urine, uitwerpselen en rottend vlees stinkende
scheepsruim. Terwijl mannen overleden, gingen de overlevenden op hen staan
van alle respect verloren. Ik zag een zwarte stinkende oven, met meer dan
2000 zielen, versmeltend in hun eigen zweet en vechtend voor iedere
ademtocht.
Ik stond aan dek, vlak bij dat geopende luik toen het schip begon te
schokken. Toen ik opkeek zag ik mensen, stukken hout, brokken metaal ergens
vanuit het midscheeps als veertjes door de lucht vliegen. Door de
luidsprekers werden Japanse commando's geroepen. De machines werden stop
gezet.
Blijf kalm! Blijf kalm! werd er geroepen. Ik voelde een twee schok. Sterker
dan de eerste en recht onder ons. Er volgde een denderende ontploffing. Een
paar minuten was het stil. Een ieder hield gespannen de adem in. Maar dan:
Chaos, gejank en gegil. Torpedo's. Verlaat het schip. Er volgde paniek.
Mannen sprongen overboord. Anderen gooiden reddingsboten over de railing. Ik
probeerde mannen te helpen om uit het ruim te klimmen.Veel van door paniek
bevangen mannen kropen en worstelden zich naar de enige ijzeren ladder die
naar het dek leidde. Gekrabt, gebeten, geschopt en geslagen werd er. Velen
hebben het dek nooit bereikt. De ingewanden van het schip barstte uit
elkaar. Ik moest weg van dat schip. Ik trok mijn laarzen, beenwindsels en
andere kleren uit en sprong in de oceaan. Ik was een goede zwemmer en
probeerde zo ver mogelijk van het schip weg te komen. Toen ik
stopte, keek ik om. Wat een aanblik, oh, mijn god, wat een afschuwelijke
aanblik. Het schip zonk langzaam dieper en dieper. De achtersteven het
eerst. Het voorschip hoog in de lucht. Honderden en honderden lichamen
kropen en klauterden op de dekken.
Anderen vielen eraf als mieren van een suikerbrood. Gehuil, gegil en geroep
vulden de lucht. Het schip verdween tegen een zonovergoten lucht met vurig
oranje en geel. Schuim en waterbellen ziedend in een maalstroom van dood en
verderf. Ik keek naar de dood. En besloot tegen hem te vechten met alle
kracht die ik in mij had. Na tweeenhalf jaar in kampen was ik vel over been
en door de Japanners veracht. Met mijn lichamelijke conditie was ik het niet
waard om gered te worden.Zouden die twee escorterende schepen mij en de
anderen redden? In het vooruitzicht van een lange hongerige, dorstige nacht
in een koude en donkere oceaan, leek verdrinking een geweldige opluchting.
Dichtbij begon een man te lachen en te lachen. Gegiegel, dat eindigde in een
gorgelend geluid wanneer hij zichzelf onder water liet zakken. Om later weer
boven water te komen als een drijvende dode.
Onsamenhangend mompelend volgden een paar anderen zijn voorbeeld. Ik bleef
drijven, hangend aan een luik. En de nacht ging voorbij. Langzaam uur na
uur. De ochtend van de 19e brak aan. Om ons heen water, niets anders dan
water. Dan: Schip, een schip schreeuwde iemand. Wat doet ie? Niets verdomme,
Hij blijft waar hij is! Mijn hoofd gonsde. Tong en keel rauw van dorst.
Lichaamspijn. De zon rood. Het werd heter en heter. Er werd gevochten om een
gevangen vis. Met bloed en doodsstrijd op hun gezichten verdwenen sommige
mannen. Een ander werd stapelgek. HJij beet zijn metgezel in de nek en dronk
zijn bloed. Mannen zonder god. Maar ook mannen die door God werden geholpen.
Ik had de rand van krankzinnigheid bereikt toen ik een stem heel diep in mij
hoorde: "Kies je lot en zoek door je eigen licht je weg. God kijkt al de
tijd en behoed je stappen onverwachts". Het was net of er een laatste
energiestoot door mijn uitgeputte lichaam stroomde. "Zwem naar dat schip"
commandeerde mijn gedachten. "Trek het luik met je mee voor als je te moe
wordt. Zwem en zwem totdat ik je lichaam niet langer meer kan commanderen".
Ik zwom vijf lange uren. Stoppen en gaan. Langzaam, tergend langzaam werd
het kleine schip groter en groter. Twee half dode mannen die aan mijn luik
hingen en die ik mee had getrokken werden meer en meer een last. Ik schopte
en schopte met mijn voeten. Mijn schouders en benen deden zeer. Water, zoete
tranen stroomden over mijn gezicht en ik zwom en zwom. Nog twintig meter
verwijderd van het schip schuimde er water op bij de schroef. "Schiet op",
schreewde een stem. Ik gaf een gil van wanhoop, zette mijzelf af van het
luik en zwom als een gek een race tegen de dood. Dood: het water, ik trapte
en trapte. De twee mannen achter mij latend. Terwijl het schip vaart maakte
greep ik een bungelend touw. Ze hesen me aan boord. Ik was de laatste die
deze dag werd opgepikt. Iemand goot koel water in mijn keel en fluisterde:
"Gedraag je levend of anders gooien de Jappen je overboord. Ze houden niet
van dode lichamen. Ik had een ware hel overleefd. De twee mannen op het luik
hebben het ook overleefd. Zij werden de volgende dag gered.

De circa 880 geredde krijgsgevangenen en Javaanse werkslaven werden alsnog
te werk gesteld aan de spoorweg op Sumatra. Een volgende hel was hun deel.
Geen van de Javaanse mensen heeft het overleefd.

Op 4 juni 2000 vond er een emotionele plechtigheid plaats om de opvarenden
van de Junyo Maru te herdenken. Op de plek waar het "ongeluk" plaats vond,
nu bijna 57 jaar geleden, toonden drie Nederlandse fregatten, een Belgisch
voorraadschip en een Indonisch oorlogsschip in formatie hun respect aan de
slachtoffers van deze tragedie door kransen te leggen op de golven van de
Indische Oceaan.

Literatuur:

Eresaluut boven een massagraf - Junyo Maru de vergeten
scheepsramp.

Ed Melis, W.F. van Wamel en Th. Jansen.
Internet:
http://members.iinet.net.au/~vanderkp/junyopg1.html