De Dordtse Leerregels
De Vijf Artikelen tegen de Remonstranten
of Oordeel van de Nationale Synode van de Gereformeerde Kerken van de Verenigde
Nederlanden, gehouden te Dordrecht in 1618 en 1619.
HET EERSTE HOOFDSTUK VAN DE LEER
De goddelijke uitverkiezing en verwerping
ARTIKEL 1
Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige
dood. Daarom zou God niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had
het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en
vanwege de zonde te veroordelen. De apostel zegt immers: "De hele
wereld is voor God strafwaardig. Want allen hebben gezondigd en derven
de heerlijkheid Gods" (Rom. 3, 19.23). En: "Het loon,
dat de zonde geeft, is de dood" (Rom. 6, 23)
ARTIKEL 2
Maar hierin is de liefde van God geopenbaard, dat Hij zijn eniggeboren
Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet
verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.
ARTIKEL 3
Om de mensen tot het geloof te brengen zendt God in zijn goedheid verkondigers
van deze zeer blijde boodschap tot wie Hij wil en wanneer Hij wil. Door
hun dienst worden de mensen opgeroepen tot bekering en tot geloof in Christus,
de gekruisigde. "Want hoe zullen zij geloven in Hem van wie zij
niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken
zonder gezonden te zijn?" (Rom. 10, 14.15).
ARTIKEL 4
Op hen die dit evangelie niet geloven, blijft de toorn van God. Maar zij
die het aannemen en de Verlosser Jezus met een echt en levend geloof omhelzen,
worden door Hem van de toorn van God en van de ondergang verlost, en zij
ontvangen door Hem het eeuwige leven.
ARTIKEL 5
Van dat ongeloof is God volstrekt niet de oorzaak. De mens draagt de schuld
ervan, evenals van alle andere zonden. Daarentegen is het geloof in Jezus
Christus en ook het behoud door Hem een genadegave van God, zoals geschreven
is: "Door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet
uit uzelf: het is een gave van God" (Ef. 2, 8). Evenzo: "Aan
u is de genade verleend in Christus te geloven" (Filip. 1, 29).
ARTIKEL 6
God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen
onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit. Want de Schrift zegt,
"dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn" (Hand.
15, 18), en "dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil"
(Ef. 1, 11). Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de
harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om
te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren,
uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid.
Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige
beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft
tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit
van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van
God geopenbaard is. Terwijl slechte, verdorven en onstandvastige mensen
dit besluit verdraaien tot hun eigen verderf, ontvangen heiligen en godvrezenden
daardoor een onuitsprekelijke troost.
ARTIKEL 7
Deze uitverkiezing is een onveranderlijk voornemen van God, waardoor Hij
voor de grondlegging van de wereld uit het hele menselijke geslacht - dat
door eigen schuld de oorspronkelijke gerechtigheid verloren en zich in
zonde en ondergang gestort heeft - een vast en groot aantal mensen in Christus
tot het heil heeft uitgekozen. Deze uitverkorenen zijn niet beter dan anderen
en zij hebben evenmin enig recht op Gods liefde, omdat zij met alle mensen
aan de ellende prijsgegeven zijn. Alleen uit genade zijn zij in Christus
uitverkoren overeenkomstig het vrije welbehagen van Gods wil. God heeft
Christus ook van eeuwigheid tot Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen
en tot fundament van het heil gesteld. En om hen door Christus te behouden,
besloot God tegelijk deze uitverkorenen aan Hem te geven en met kracht
tot de gemeenschap met Christus te roepen en te trekken door zijn Woord
en Geest. Of met andere woorden: God besloot hun het geloof in Christus
te schenken, hen te rechtvaardigen en te heiligen en hen, nadat zij in
de gemeenschap van zijn Zoon met kracht bewaard zijn, uiteindelijk te verheerlijken.
In dit alles toont God zijn barmhartigheid tot lofprijzing van de schatten
van zijn roemrijke genade. Want er staat geschreven: "God heeft
ons immers in Christus uitverkoren voor de grondlegging van de wereld,
opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In
liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden
aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof
van de heerlijkheid van zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in
de Geliefde" (Ef. 1, 4-6). En verder: "Die Hij tevoren
bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft,
dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft,
dezen heeft Hij ook verheerlijkt" (Rom. 8, 30).
ARTIKEL 8
Deze uitverkiezing is niet veelsoortig, maar zij is een en dezelfde verkiezing
van allen die onder oud en nieuw verbond behouden worden. De Schrift verkondigt
ons immers een welbehagen, voornemen en raad van Gods wil, waardoor Hij
ons van eeuwigheid heeft uitverkoren tot de genade en tot de heerlijkheid,
tot het behoud en tot de weg van het behoud, die Hij tevoren bereid heeft,
opdat wij daarop zouden gaan.
ARTIKEL 9
God heeft uitverkoren niet omdat Hij tevoren in de mens geloof,
gehoorzaamheid van het geloof, heiligheid of een andere goede eigenschap
of aanleg zag, die als oorzaak of voorwaarde in de mens, die uitverkoren
zou worden, aanwezig moest zijn. Integendeel, Hij heeft uitverkoren "opdat
Hij geloof, gehoorzaamheid van het geloof, heiligheid" enzovoort
zou bewerken. Deze uitverkiezing is dus de bron van al het goede, dat tot
behoud leidt. Daaruit komen als vruchten het geloof, de heiligheid en de
andere heilsgaven en tenslotte het eeuwige leven voort. De apostel getuigt
immers: "Hij heeft ons uitverkoren (niet: omdat wij waren,
maar:) opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht"
(Ef. 1, 4).
ARTIKEL 10
De oorzaak van deze genadige uitverkiezing is alleen het welbehagen van
God. Dit bestaat niet hierin, dat Hij uit alle mogelijke voorwaarden enige
eigenschappen of prestaties van mensen heeft uitgekozen tot een voorwaarde
voor het ontvangen van het heil. Integendeel, dit welbehagen bestaat hierin,
dat Hij bepaalde personen uit de hele zondige mensheid tot zijn eigendom
aangenomen heeft. Er staat immers geschreven: "Want toen de kinderen
nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan... werd tot haar
(namelijk Rebekka) gezegd: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn,
gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat"
(Rom. 9, 11-13). En: "Allen die bestemd waren ten eeuwigen
leven, kwamen tot geloof" (Hand. 13, 48).
ARTIKEL 11
Omdat God volkomen wijs, onveranderlijk, alwetend en almachtig is, kan
zijn keus niet ongedaan gemaakt en opnieuw gedaan worden, en daarom kan
ze ook niet veranderd, herroepen of tenietgedaan worden. Evenmin kunnen
de uitverkorenen verworpen of kan hun aantal verminderd worden.
ARTIKEL 12
Van hun eeuwige en onveranderlijke uitverkiezing tot behoud worden de uitverkorenen,
ieder op zijn tijd, verzekerd, zij het niet bij iedereen even sterk en
in gelijke mate. Die zekerheid ontvangen de uitverkorenen niet, wanneer
zij de verborgenheden en diepten van God nieuwsgierig doorzoeken. Maar
zij ontvangen haar, wanneer zij met een geestelijke blijdschap en heilige
vreugde de onmiskenbare vruchten van de uitverkiezing, die Gods Woord aanwijst,
bij zichzelf opmerken, zoals bijvoorbeeld het ware geloof in Christus,
kinderlijk ontzag voor God, droefheid naar Gods wil over de zonde, honger
en dorst naar de gerechtigheid.
ARTIKEL 13
Wanneer Gods kinderen nu de uitverkiezing ervaren en er zeker van zijn,
ontlenen zij daaraan dagelijks meer reden om zich voor God te verootmoedigen,
de diepte van zijn barmhartigheid te aanbidden, zichzelf te reinigen en
Hem, die hen eerst zozeer heeft liefgehad, van hun kant vurig lief te hebben.
Er is dan ook geen sprake van, dat zij door deze leer van de uitverkiezing
en de overdenking ervan zouden verslappen in het onderhouden van Gods geboden,
of in zondige zorgeloosheid zouden gaan leven. Dit gebeurt doorgaans naar
Gods rechtvaardig oordeel met hen die op de wegen van de uitverkorenen
niet willen gaan, terwijl zij zich lichtvaardig laten voorstaan op de genade
van de uitverkiezing, of hun tijd verdoen met lichtzinnige praat daarover.
ARTIKEL 14
Deze leer van de goddelijke uitverkiezing is naar Gods wijze raad door
de profeten, Christus zelf en de apostelen zowel onder het oude als onder
het nieuwe verbond verkondigd en daarna in de Heilige Schrift beschreven
en overgeleverd. Daarom moet deze leer ook nu op de juiste tijd en plaats
onderwezen worden in Gods kerk - want juist aan haar is zij toevertrouwd
- met onderscheidingsvermogen, eerbiedig en heilig, zonder nieuwsgierig
naspeuren van de wegen van de Allerhoogste, tot eer van Gods heilige naam
en tot een levende troost van zijn volk.
ARTIKEL 15
Het voorrecht van deze eeuwige en onverdiende genade van onze uitverkiezing
wijst de Heilige Schrift ons bovenal aan, wanneer zij verder getuigt, dat
niet alle mensen zijn uitverkoren. Sommigen is God namelijk in zijn eeuwige
uitverkiezing voorbijgegaan. Dit zijn de mensen over wie God naar zijn
volkomen vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen
besloten heeft, hen in de gemeenschappelijke ellende te laten, waarin zij
zichzelf door hun eigen schuld gestort hebben. God besloot hun het heilbrengend
geloof en de genade van de bekering niet te schenken, maar hen op hun eigen
wegen en onder zijn rechtvaardig oordeel te laten en hen tenslotte niet
alleen om hun ongeloof, maar ook om alle andere zonden te veroordelen en
voor eeuwig te straffen, en daarin zijn rechtvaardigheid te tonen. Dit
is het besluit van de "verwerping", dat God beslist niet
maakt tot de bewerker van de zonde - dat is een godslasterlijke gedachte!
- maar dat Hem stelt tot de ontzagwekkende, onberispelijke en rechtvaardige
Rechter en Wreker ervan.
ARTIKEL 16
Nu zijn er mensen die het levend geloof in Christus of het vertrouwen met
hart en ziel, een goed geweten voor God, het leven in de kinderlijke gehoorzaamheid
en het roemen in God door Christus nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken.
Toch gebruiken zij de middelen, waardoor God naar zijn belofte dit alles
in ons bewerkt. Zij moeten zich niet laten ontmoedigen, wanneer zij over
de verwerping horen spreken en evenmin zichzelf tot de verworpenen rekenen.
Integendeel, zij moeten de middelen trouw blijven gebruiken, vurig verlangen
naar de tijd van overvloediger genade en die eerbiedig en ootmoedig verwachten.
Zij die ernstig verlangen zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen
en uit het lichaam des doods verlost te worden, maar toch nog niet zo ver
in het gelovig leven voor de Here kunnen komen, als zij wel wilden, behoren
voor deze leer van de verwerping al helemaal niet bevreesd te worden. De
barmhartige God heeft immers beloofd, dat Hij de walmende vlaspit niet
zal uitdoven en het geknakte riet niet zal verbreken. Maar deze leer is
wel degelijk schrikaanjagend voor hen die met God en Christus de Verlosser
geen rekening houden, opgaan in de zorgen van de wereld en zich laten beheersen
door zondige begeerten - tenminste zolang zij zich niet ernstig tot God
bekeren.
ARTIKEL 17
Over de wil van God kunnen wij ons alleen uitspreken op grond van zijn
eigen Woord. Dit verzekert ons ervan, dat de kinderen van de gelovigen
heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, waartoe
zij met hun ouders behoren. Daarom moeten godvrezende ouders niet twijfelen
aan de uitverkiezing en het behoud van hun kinderen, die God zeer jong
uit dit leven wegneemt
ARTIKEL 18
Aan hen die over deze genade van de onverdiende uitverkiezing en over de
strengheid van de rechtvaardige verwerping opstandig spreken, houden wij
deze uitspraak van de apostel voor: "Maar gij, o mens! wie zijt
gij, dat gij God zoudt tegenspreken?" (Rom. 9, 20). En deze van
onze Verlosser: "Staat het mij niet vrij met het mijne te doen,
wat ik wil?" (Matt. 20, 15). Maar wij aanbidden deze heilsgeheimen
eerbiedig en roepen met de apostel uit: "O diepte van rijkdom,
van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen
en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend?
Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven,
waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot
Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen."
(Rom. 11, 33-36).
Veroordeling van de dwalingen waardoor de Nederlandse kerken een
tijdlang in opschudding gebracht zijn
Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer over de uitverkiezing
en verwerping veroordeelt de synode de dwalingen van het die het volgende
leren:
- God wil de mensen redden die tot geloof zullen
komen en zullen volharden in dat geloof en de gehoorzaamheid van het geloof.
Deze wil van God is het volledige besluit van de uitverkiezing tot behoud
en iets anders is hierover in het Woord van God niet geopenbaard.
Met deze leer misleiden zij de eenvoudige mensen en gaan zij
duidelijk tegen de Heilige Schrift in. Want de Schrift getuigt, dat God
niet alleen hen die tot geloof zullen komen, wil redden, maar dat Hij ook
een vast aantal mensen van eeuwigheid uitgekozen heeft. In dit leven schenkt
Hij hun in onderscheiding van anderen het geloof in Christus en de volharding.
Er staat immers geschreven: "Ik heb uw naam geopenbaard aan de
mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt" (Joh. 17, 6). En:
"allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof"
(Hand. 13, 48). En: "Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren
voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden
zijn voor zijn aangezicht" (Ef. 1 : 4).
- Gods uitverkiezing tot het eeuwige leven is
veelsoortig. Er is een algemene, onbepaalde uitverkiezing en een bijzondere,
bepaalde uitverkiezing. Deze laatste is weer onderverdeeld in een onvolkomen
en volkomen verkiezing. De onvolkomen verkiezing kan herroepen worden:
die is niet definitief en ze is gebonden aan bepaalde voorwaarden. De volkomen
uitverkiezing daarentegen kan niet herroepen worden: zij is definitief
en onvoorwaardelijk. En ook: er is een uitverkiezing tot het geloof en
een andere uitverkiezing tot het behoud. Dit betekent dat de uitverkiezing
tot het rechtvaardigmakend geloof nog niet hoeft in te houden de beslissende
uitverkiezing tot het behoud.
Dit is een uitvinding van het menselijk brein, die buiten de
Schrift om verzonnen is. Daardoor wordt de leer van de uitverkiezing verminkt
en de gouden keten van ons behoud verbroken: "die Hij tevoren bestemd
heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft
Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft
Hij ook verheerlijkt" (Rom. 8, 30).
- Wanneer de Schrift in haar leer van de uitverkiezing
spreekt over het welbehagen en voornemen van God, bedoelt zij niet dat
God een vast aantal mensen boven anderen uitverkoren heeft. Nee, uit alle
mogelijke voorwaarden (waaronder ook de werken der wet), anders gezegd:
uit het geheel van de bestaande mogelijkheden heeft God als voorwaarde
voor behoud uitgekozen de in zichzelf niet verdienstelijke daad van het
geloof en de onvolmaakte gehoorzaamheid van het geloof. Deze onvolmaakte
gehoorzaamheid wil Hij in zijn genade laten doorgaan voor volkomen, en
waardig keuren om met het eeuwige leven beloond te worden.
Met deze gevaarlijke dwaling worden Gods welbehagen en Christus'
verdienste van kracht beroofd. Ook worden de mensen door zinloze vragen
afgetrokken van de waarheid van de rechtvaardiging uit genade en van de
eenvoud van de Schrift. En de apostel wordt ervan beschuldigd, dat hij
onwaarheid spreekt, wanneer hij zegt: "Die ons behouden heeft en
geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn
eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven is voor
eeuwige tijden" (2 Tim. 1, 9).
- Bij de uitverkiezing tot geloof moet de mens
eerst aan de volgende voorwaarden voldoen: hij moet het licht der natuur
goed gebruiken; hij moet vroom, ootmoedig en nederig zijn en geschikt voor
het eeuwige leven.
Alsof de uitverkiezing ook maar enigszins van deze dingen afhankelijk
zou zijn! Deze dwaling lijkt bedenkelijk veel op die van Pelagius en is
in strijd met de leer van de apostel, die schrijft: - "trouwens,
ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees,
handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren
van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns - God echter,
die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmee Hij ons
heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen, mee
levend gemaakt met Christus - door genade zijt gij behouden - en heeft
ons mee opgewekt en ons mee een plaats gegeven in de hemelse gewesten,
in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van
zijn genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus
Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet
uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme"
(Ef. 2, 3-9).
- De onvolkomen en niet-definitieve uitverkiezing
van bepaalde personen tot behoud is hierop gegrond, dat God van tevoren
zag dat zij voor kortere of langere tijd zouden geloven, zich bekeren en
heilig en godvrezend zouden leven. Maar hun volkomen en definitieve uitverkiezing
is daarop gegrond, dat God van tevoren zag dat zij tot het einde toe zouden
volharden in geloof, bekering en een heilig en godvrezend leven. Dit is
de ' genadige en evangelische waardigheid ' waardoor hij die uitverkoren
wordt, zich onderscheidt van hem die niet uitverkoren wordt. Daarom zijn
het geloof, de gehoorzaamheid van het geloof, de heiligheid, godsvrucht
en volharding geen vrucht van de onveranderlijke uitverkiezing tot de heerlijkheid.
Nee, dit zijn voorwaarden, die God vooraf gesteld heeft en waarvan Hij
ook vooraf gezien heeft, dat eraan voldaan zou worden door hen die definitief
uitgekozen zouden worden. Alleen op deze gronden vindt de onveranderlijke
uitverkiezing tot heerlijkheid plaats.
Dit nu is in strijd met de hele Schrift, die ons op tal van
plaatsen de volgende en soortgelijke uitspraken inscherpt: "Opdat
het verkiezend voornemen van God zou blijven, niet op grond van werken,
maar op grond daarvan, dat Hij riep" (Rom. 9, 11); "en
allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof" (Hand.
13, 48); "Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging
van de wereld, opdat wij heilig zouden zijn" (Ef. 1, 4); "niet
gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen" (Joh. 15, 16); "indien
het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken" (Rom.
11, 6); "hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben,
maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft"
(1 Joh. 4, 10).
- De uitverkiezing tot behoud is niet in alle
gevallen onveranderlijk; sommige uitverkorenen kunnen ondanks een besluit
van God verloren gaan en gaan ook werkelijk voor eeuwig verloren.
Door deze grove dwaling stellen zij God als een veranderlijke
God voor en doen zij de troost teniet die de godvrezenden putten uit de
vastheid van hun uitverkiezing. Ook spreken zij de Heilige Schrift tegen,
die leert, "dat de uitverkorenen niet verleid kunnen worden"
(Matt. 24, 24); "dat Christus van alles wat de Vader Hem gegeven
heeft, niet verloren laat gaan" (Joh. 6, 39); "dat God
hen die Hij tevoren bestemd heeft, geroepen en gerechtvaardigd heeft, ook
heeft verheerlijkt" (Rom. 8, 30).
- Er is in dit leven geen vrucht en geen ervaring
van de onveranderlijke uitverkiezing tot heerlijkheid, en ook geen zekerheid
daarover; als wij er al zeker van zijn, is dat afhankelijk van een veranderlijke
en onzekere voorwaarde.
Nu is het al dwaas om over een onzekere zekerheid te spreken,
maar het is bovendien ook in strijd met wat de heiligen ondervinden. Op
grond van de ervaring van hun uitverkiezing verheugen zij zich met de apostel
en prijzen deze weldaad van God, terwijl zij zich overeenkomstig Christus'
aansporing met de discipelen verblijden dat hun namen in de hemel staan
opgetekend. Ook stellen zij de ervaring van hun uitverkiezing tegenover
de vurige pijlen van de aanvechtingen van de duivel, wanneer zij vragen:
"Wie zal uitverkorenen van God beschuldigen?" (Rom. 8,
33).
- God heeft niet enkel op grond van zijn rechtvaardige
wil besloten iemand te laten blijven in de gevallen staat van Adam en daarmee
in de staat van zonde en veroordeling van alle mensen. Evenmin besloot
Hij enkel op grond van zijn rechtvaardige wil iemand bij het schenken van
de genade, die voor het geloof en de bekering nodig is, over te slaan.
Vast staat echter: "Hij ontfermt Zich dus over wie Hij
wil en Hij verhardt wie Hij wil" (Rom. 9, 18). En ook dit: "Het
is u gegeven de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen te kennen,
maar hun is dat niet gegeven" (Matt. 13, 11). Evenzo: "Ik
dank U, Vader, Heer van de hemel en de aarde, dat Gij deze dingen voor
wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard.
Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U" (Matt.
11, 25.26).
- De reden waarom God het evangelie liever aan
het ene volk dan aan het andere laat verkondigen, moet niet enkel en alleen
in het welbehagen van God gezocht worden, maar daarin, dat het ene volk
beter is en meer recht heeft op Gods liefde dan het andere volk waaraan
het evangelie niet wordt bekendgemaakt.
Mozes ontkent dit, wanneer hij het volk Israel als volgt aanspreekt:
"Zie, van de HERE, uw God, is de hemel, ja, de hemel der hemelen,
de aarde en alles wat daarop is; alleen aan uw vaderen heeft de HERE Zich
verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft
Hij uit alle volken uitverkoren, zoals dit heden het geval is"
(Deut. 10, 14.15). En Christus zegt: "Wee u, Chorazin, wee u, Betsaida!
Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied
zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben" (Matt.
11, 21).
HET TWEEDE HOOFDSTUK VAN DE LEER
De dood van Christus en onze verlossing daardoor
ARTIKEL 1
God is niet alleen volkomen barmhartig, maar ook volkomen rechtvaardig.
Nu eist zijn gerechtigheid - zo heeft Hij Zich in zijn Woord geopenbaard
- dat onze zonden, tegen zijn oneindige majesteit bedreven, in tijd en
eeuwigheid naar ziel en lichaam worden gestraft. Aan deze straffen kunnen
wij alleen ontkomen, als aan Gods gerechtigheid wordt voldaan.
ARTIKEL 2
Maar omdat wij zelf niet in staat zijn die voldoening te geven en ons van
Gods toorn te bevrijden, heeft God uit onmetelijke barmhartigheid ons zijn
eniggeboren Zoon als Borg gegeven. Deze is voor ons en in onze plaats aan
het kruis tot zonde gemaakt en een vloek geworden om voor ons te voldoen.
ARTIKEL 3
De kruisdood van Gods Zoon is het enige offer en de volledige betaling
voor de zonde. De kracht en de waarde ervan zijn oneindig en daarom is
deze dood meer dan genoeg om de zonden van de hele wereld te verzoenen.
ARTIKEL 4 Deze dood is zo krachtig en waardevol, omdat de Persoon die hem
ondergaan heeft, niet alleen een echt en volkomen heilig mens is, maar
ook de eniggeboren Zoon van God, die met de Vader en de Heilige Geest eeuwig
en oneindig God is - zo immers moest onze Verlosser ook zijn. Bovendien
is Christus' dood zo krachtig en waardevol, omdat Hij bij zijn sterven
heeft ervaren de toorn van God en de vervloeking die wij door onze zonden
verdiend hadden.
ARTIKEL 5
De belofte van het evangelie is nu, dat ieder die in de gekruisigde Christus
gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. Aan alle volken en
mensen tot wie God naar zijn welbehagen het evangelie zendt, moet zonder
onderscheid deze belofte openlijk verkondigd worden met het bevel zich
te bekeren en te geloven.
ARTIKEL 6
Velen die door het evangelie geroepen zijn, bekeren zich niet en geloven
niet in Christus; zij gaan in ongeloof ten onder. Maar dit komt niet doordat
Christus' offer aan het kruis gebrekkig of ontoereikend zou zijn; het is
hun eigen schuld.
ARTIKEL 7
Maar allen die echt geloven en door Christus' dood van zonde en ondergang
bevrijd en behouden worden, ontvangen deze weldaad alleen op grond van
Gods genade. Deze genade, die God aan niemand verschuldigd is, heeft Hij
hun in Christus van eeuwigheid gegeven.
ARTIKEL 8
Want dit is het soevereine raadsplan, de genadige wil en het voornemen
van God de Vader geweest, dat de levendmakende en reddende kracht van de
kostbare dood van zijn Zoon ten goede zou komen aan alle uitverkorenen,
om alleen hun het rechtvaardigend geloof te schenken en hen daardoor met
vaste hand tot het volle heil te brengen. Anders gezegd: God heeft gewild
dat Christus door zijn bloedstorting aan het kruis (waarmee Hij aan het
nieuwe verbond rechtskracht verleend heeft) uit alle volken, stammen, geslachten
en talen met kracht al diegenen - en hen alleen - zou verlossen, die de
Vader van eeuwigheid tot het heil uitverkoren en aan zijn Zoon gegeven
heeft. God heeft ook gewild dat Christus aan dezen het geloof zou schenken,
dat Hij - evenals de overige reddende gaven van de Heilige Geest - door
zijn dood voor hen verworven heeft. God heeft eveneens gewild dat Hij hen
door zijn bloed zou reinigen van al hun zonden, zowel van hun erfzonde
als van de zonden die zij voor of na het ontvangen van het geloof zouden
bedrijven. En ook was het Gods wil dat Hij hen tot het einde toe trouw
zou bewaren en hen tenslotte stralend zonder vlek of rimpel voor Zich zou
plaatsen.
ARTIKEL 9
Dit raadsplan dat voortkomt uit Gods eeuwige liefde voor de uitverkorenen,
is van het begin van de wereld tot vandaag toe met kracht vervuld en zal
ook voortaan vervuld worden, ondanks de tegenstand van de poorten van het
dodenrijk. Zo zullen de uitverkorenen - ieder op zijn tijd - bijeen vergaderd
worden en zal er altijd een kerk van gelovigen zijn, die gefundeerd is
in Christus' bloed. Zij heeft Christus, haar verlosser, die voor haar,
als een bruidegom voor zijn bruid, aan het kruis zijn leven gegeven heeft,
standvastig lief, zij dient Hem met volharding en prijst Hem nu en in alle
eeuwigheid. Amen.
Veroordeling der dwalingen
Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode
de dwalingen van hen die het volgende leren:
- God de Vader heeft zijn Zoon ertoe bestemd,
aan het kruis te sterven, zonder dat daaraan een vast raadsbesluit ten
grondslag lag om ook iemand te redden die Hij bij name kende. Zelfs al
zou dus de verlossing die Christus heeft verdiend, nooit het persoonlijk
eigendom van een mens zijn geworden, dan was geen enkele afbreuk gedaan
aan de noodzaak, het nut en de waarde van wat Christus door zijn dood verdiend
heeft. Deze zouden in elk opzicht volmaakt, volledig en onaangetast blijven.
Deze bewering betekent een belediging voor de wijsheid van de
Vader en de verdienste van Jezus Christus en zij is in strijd met de Schrift.
Want onze Verlosser zegt: "Ik zet mijn leven in voor de schapen
en Ik ken ze" (Joh. 10, 15.27). En de profeet Jesaja zegt over
de verlosser: "Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal
hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen
van de HERE zal door zijn hand voortgang hebben" (Jes. 53, 10).
Tenslotte ontkracht deze bewering het artikel van de geloofsbelijdenis,
waarin wij belijden "een heilige, algemene, christelijke kerk".
- Het doel van de dood van Christus is niet
geweest dat Hij het nieuwe verbond van de genade daadwerkelijk door zijn
bloed rechtskracht zou verlenen. Nee, het was alleen maar de bedoeling
dat Hij voor de Vader formeel het recht zou verwerven om opnieuw met de
mensen een verbond te sluiten, dat - al naar 't God believen zou - een
verbond van genade of van werken zou kunnen zijn.
Dit is in strijd met de Schrift, die leert dat Christus Borg
en Middelaar is geworden van een beter verbond, namelijk het nieuwe. Zij
leert ook dat een testament pas van kracht is, wanneer iemand gestorven
is.
- Christus heeft door zijn voldoening voor niemand
met zekerheid het behoud verdiend, evenmin als het geloof, waardoor deze
voldoening van Christus iemands deel wordt en hem metterdaad tot behoud
strekt. Christus heeft de Vader alleen maar de mogelijkheid gegeven of
Hem ten volle bereidwillig gemaakt om met de mensen een nieuw begin te
maken en nieuwe voorwaarden, welke dan ook, voor te schrijven. Het voldoen
aan deze voorwaarden zou dan van de vrije wil van de mens afhangen. Zodoende
zou het mogelijk geweest zijn dat of niemand of iedereen aan die voorwaarden
voldeed.
Zij die dit leren hebben wel een erg lage dunk van de dood Christus
en zij hebben totaal geen oog voor de voornaamste vrucht of weldaad die
door deze dood verkregen is. Zij diepen de ketterij van Pelagius weer op
uit de hel.
- Het nieuwe verbond van de genade, dat God
de Vader door de dood van Christus met de mensen heeft kunnen sluiten,
bestaat niet hierin dat wij door het geloof, voor zover het de verdienste
van Christus aanneemt, voor God gerechtvaardigd en behouden worden. Nee,
het bestaat hierin, dat God ervan afziet om volkomen gehoorzaamheid aan
de wet te eisen. Hij beschouwt het geloof zelf en de gehoorzaamheid van
het geloof - hoe onvolmaakt ook - als de volmaakte gehoorzaamheid aan de
wet. Hij acht ze in zijn genade waard om met het eeuwige leven beloond
te worden.
Zij die dit leren, spreken de Schrift tegen: "Zij worden
om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus
Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn
bloed" (Rom. 3, 24.25). Zij voeren met de goddeloze Socinus een nieuwe
en vreemde leer in over de rechtvaardiging van de mens voor God, in strijd
met het eenparig gevoelen van heel de kerk.
- Alle mensen zijn door God aangenomen, zodat
zij met God verzoend zijn en delen in de genade van het verbond. Daarom
is niemand vanwege de erfzonde aan het eeuwig oordeel onderworpen en ook
zal niemand daarom veroordeeld worden. Alle mensen zijn vrij van de schuld
van deze zonde.
Deze gedachte strijdt tegen de Schrift, die zegt dat wij "van
nature kinderen des toorns" zijn (Ef. 2, 3).
- God heeft, voor zover het aan Hem ligt, aan
alle mensen de weldaden die door de dood van Christus verkregen worden,
in gelijke mate willen schenken. Wanneer sommigen aan de vergeving van
de zonden en het eeuwige leven deel krijgen en anderen niet, hangt dit
verschil af van de vrije wil, die ingaat op de genade, welke zonder onderscheid
aangeboden wordt. Het genoemde verschil hangt niet af van een bijzondere
gave van Gods barmhartigheid, die zo krachtig in de mensen zou werken,
dat dezen zich - in tegenstelling tot anderen - die genade eigen zouden
maken.
Zij die dit leren, misbruiken het onderscheid tussen verwerving
en toepassing van het heil, om zo bij argeloze en onervaren mensen deze
mening ingang te doen vinden. Terwijl zij doen alsof zij dit onderscheid
op een juiste manier naar voren brengen, proberen zij intussen het volk
het dodelijke gif van de pelagiaanse dwalingen toe te dienen.
- Christus kon en moest niet sterven voor hen
die God zo bijzonder liefheeft en tot het eeuwige leven heeft uitverkoren.
Hij is dan ook niet voor hen gestorven, want zulke mensen hebben de dood
van Christus niet nodig.
Zij die dit leren, spreken de apostel tegen, dat de Zoon van
God "mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgeleverd"
(Gal. 2, 20). Evenzo: "Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen?
God is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de
gestorvene", namelijk voor hen (Rom. 8, 33.34). En de Verlosser
zegt zelf: "Ik zet mijn leven in voor de schapen" (Joh.
10, 15). En: "Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, gelijk
Ik u heb liefgehad. Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven
inzet voor zijn vrienden" (Joh. 15, 12.13).
HET DERDE EN VIERDE HOOFDSTUK VAN DE LEER
De verdorvenheid van de mens en zijn bekering tot God
ARTIKEL 1
De mens is oorspronkelijk naar het beeld van God geschapen. Hij was in
zijn verstand gesierd met ware en heilzame kennis van zijn Schepper en
van de geestelijke dingen; in zijn wil en hart met gerechtigheid; in al
zijn verlangens met zuiverheid. Hij was dus volkomen heilig. Maar op het
ingeven van de duivel is hij uit eigen vrije wil van God afgeweken en daardoor
heeft hij zich van deze uitnemende gaven beroofd. In plaats daarvan heeft
hij over zich gehaald, wat zijn verstand betreft, blindheid, verschrikkelijke
duisternis en een onbetrouwbaar en verdorven oordeel; wat zijn wil en hart
aangaat, slechtheid, opstandigheid en hardnekkigheid; en bovendien in al
zijn verlangens onzuiverheid.
ARTIKEL 2
Zoals de mens was na de val, zo werden ook zijn kinderen: de verdorven
mens bracht verdorven kinderen voort. Op deze wijze is naar Gods rechtvaardig
oordeel de verdorvenheid van Adam gekomen over al zijn nakomelingen - uitgezonderd
alleen Christus - en dit niet door navolging, zoals de pelagianen vroeger
beweerden, maar door voortplanting van de verdorven natuur.
ARTIKEL 3
Daarom worden alle mensen in zonde ontvangen: Gods toorn rust al op hen,
wanneer zij geboren worden. Zij zijn niet in staat ook maar iets voor hun
behoud te doen, maar zij zijn uit op het kwaad, dood in zonden en slaven
van de zonde. Zij willen noch kunnen terugkeren tot God en evenmin kunnen
zij in hun verdorven natuur verbetering brengen of zich daarop richten,
zonder de genade van de Heilige Geest, die opnieuw geboren doet worden.
ARTIKEL 4
Wel is er na de zondeval nog iets van het licht der natuur in de mens overgebleven.
Hierdoor behoudt hij enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van
het onderscheid tussen wat past en niet past en ook geeft hij er wel enigszins
blijk van zich fatsoenlijk en ordelijk te willen gedragen. Maar de mens
kan door dit licht der natuur beslist niet tot heilbrengende kennis van
God komen en zich tot Hem bekeren; hij kan immers niet eens in het dagelijkse
leven dit licht op de juiste manier gebruiken. Sterker nog, hij vertroebelt
het - wat dit licht ook wezen mag - op allerlei manieren en hij houdt het
in ongerechtigheid ten onder. Daarom wordt hem elke verontschuldiging tegenover
God ontnomen.
ARTIKEL 5
Wat geldt van het licht der natuur, geldt in dit opzicht ook van de wet
van de Tien Geboden, die God door Mozes in het bijzonder aan de joden gegeven
heeft. Want de wet legt wel de grootheid van de zonde bloot en ze overtuigt
de mens steeds meer van zijn schuld, maar zij wijst het redmiddel niet
aan en ook geeft zij geen kracht om uit deze ellende te komen. En doordat
zij door het vlees krachteloos geworden is en de overtreder onder de vloek
laat blijven, kan de mens door de wet de heilbrengende genade niet verkrijgen.
ARTIKEL 6
Wat dan het licht der natuur en de wet niet tot stand kunnen brengen, dat
doet God door de kracht van de Heilige Geest en door het woord of de bediening
van de verzoening: het evangelie van de Messias. Het heeft God behaagd
de gelovigen zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond daardoor
te behouden.
ARTIKEL 7
Nu onder het nieuwe verbond het onderscheid tussen de volken is opgeheven,
heeft God het heilgeheim van zijn wil aan meer mensen geopenbaard dan onder
het oude verbond. De grond voor dit verschil moet men niet hierin zoeken,
dat het ene volk voortreffelijker is dan het andere of het licht der natuur
beter gebruikt, maar in het soevereine welbehagen en de onverdiende liefde
van God. Daarom moeten zij aan wie zo'n grote genade te beurt valt - zonder
dat zij het verdienen, ja zelfs tegen al wat zij verdienen in - haar met
een nederig en dankbaar hart erkennen. Maar ten aanzien van de anderen,
wie deze genade niet te beurt valt, moeten zij, met de apostel, de strengheid
en rechtvaardigheid van Gods oordelen aanbidden en die in geen geval nieuwsgierig
onderzoeken.
ARTIKEL 8
Allen die door het evangelie worden geroepen, worden in volle ernst geroepen.
Want God laat in zijn Woord in volle ernst en ondubbelzinnig zien wat Hem
aangenaam is: dat zij die geroepen worden, tot Hem komen. Even echt gemeend
belooft Hij allen die tot Hem komen en geloven, de rust voor hun ziel en
het eeuwige leven.
ARTIKEL 9
Velen die door de bediening van het evangelie geroepen zijn, komen niet
en worden niet bekeerd. Dit is niet te wijten aan het evangelie of aan
Christus, die door het evangelie aangeboden wordt, evenmin aan God, die
door het evangelie roept en zelfs verschillende gaven schenkt aan de mensen
die Hij roept. De schuld ligt bij henzelf: sommigen zijn achteloos en nemen
het Woord des levens niet aan; anderen nemen het wel aan, maar laten het
niet toe in hun hart en daardoor keren zij zich weer af na de vluchtige
blijdschap van het tijdelijk geloof; nog anderen verstikken het zaad van
het Woord onder de dorens van de zorgen en genoegens van de wereld en brengen
geen vruchten voort. Dit leert onze Verlosser in de gelijkenis van het
zaad.
ARTIKEL 10
Anderen die door de bediening van het evangelie geroepen zijn, komen wel
en worden bekeerd. Dit moet men niet aan de mens toeschrijven, alsof hij
zich door zijn vrije wil zou onderscheiden van anderen aan wie even grote
of voldoende genade tot geloof en bekering geschonken is (zoals de hoogmoedige
ketterij van Pelagius zegt). Men moet dit aan God toeschrijven: evenals
Hij de zijnen van eeuwigheid in Christus heeft uitverkoren, roept Hij hen
in dit leven met kracht, schenkt hun geloof en bekering, verlost hen uit
de macht van de duisternis en brengt hen over in het rijk van zijn Zoon.
God doet dit alles, opdat zij de grote daden zouden verkondigen van Hem
die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en
opdat zij niet in zichzelf, maar in de Here zouden roemen, zoals de geschriften
van de apostelen op tal van plaatsen getuigen.
ARTIKEL 11
Wanneer God dit welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en in hen de ware
bekering tot stand brengt, laat Hij hun niet alleen het evangelie door
middel van de prediking horen en hun verstand door de Heilige Geest zo
sterk verlichten, dat zij goed begrijpen en onderscheiden wat Gods Geest
hun wil leren. Maar Hij dringt ook door tot in het diepst van de mens met
de krachtige werking van diezelfde Geest, die wedergeboorte werkt; Hij
opent het gesloten hart, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene,
Hij vernieuwt de wil: van dood maak Hij hem levend, van slecht goed, van
onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Hij brengt de wil zover
en geeft deze zoveel kracht, dat hij als een goede boom vruchten van goede
werken kan voortbrengen.
ARTIKEL 12
Dit is de wedergeboorte, de vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit
de dood en levendmaking, die God zonder ons in ons tot stand brengt en
waarover in de Schrift zo indrukwekkend gesproken wordt. God brengt deze
wedergeboorte niet tot stand door alleen te laten prediken of een appel
op ons te doen. Zij geschiedt niet op zo'n manier dat de mens, wanneer
God voor zijn deel het werk voltooid heeft, nog steeds bij machte is al
dan niet wedergeboren en bekeerd te worden. Nee, het is een volstrekt bovennatuurlijke,
zeer krachtige en tegelijk zeer liefdevolle, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke
werking. Deze is naar het getuigenis van de Schrift, die ingegeven is door
dezelfde God die dit bewerkt, niet minder krachtig dan zijn werk bij de
schepping of de opwekking van doden. Daardoor worden allen bij wie God
op deze bewonderenswaardige wijze in het hart werkt, volstrekt zeker en
met kracht wedergeboren en gaan zij metterdaad geloven. En wanneer de wil
vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door
God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf. Daarom wordt terecht gezegd
dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen
heeft.
ARTIKEL 13
Hoe dit in zijn werk gaat, kunnen de gelovigen in dit leven niet volledig
begrijpen. Intussen vinden zij rust in de wetenschap en ervaring, dat zij
door deze genade van God van harte geloven en hun Verlosser liefhebben.
ARTIKEL 14
Het geloof is dus een gave van God. Dat wil niet zeggen dat God het de
mens aanbiedt, die met dit aanbod vervolgens doen kan wat hij wil, maar
dat Hij het metterdaad de mens schenkt, ingeeft en instort. Evenmin is
het zo, dat God alleen maar de kracht om te geloven zou geven en daarna
de toestemming of het daadwerkelijk geloven verwacht van de vrije wil van
de mens. Want Hij die zowel het willen als het werken in ons werkt, ja
alles in allen tot stand brengt, Hij is het immers die zowel de wil om
te geloven als het geloof zelf in de mens bewerkt.
ARTIKEL 15
Deze genade is God aan niemand verschuldigd. Want wat zou Hij verschuldigd
zijn aan iemand die Hem niet eerst iets kan geven dat beloond zou moeten
worden? Nog sterker, wat zou God verschuldigd zijn aan hem die zelf niets
anders te bieden heeft dan zonde en leugen? Wie deze genade ontvangt, is
dus alleen aan God eeuwige dankbaarheid verschuldigd en hij brengt Hem
die dank dan ook. Wie deze genade niet ontvangt, bekommert zich in het
geheel niet om deze geestelijke dingen en gaat op in zijn eigen leven,
of hij beroemt zich in zijn zorgeloosheid ten onrechte op wat hij toch
niet heeft. Verder moet men naar het voorbeeld van de apostelen over hen
die openlijk hun geloof belijden en hun leven beteren, gunstig oordelen
en spreken, want het diepst van het hart is ons onbekend. Wat anderen betreft,
die nog niet geroepen zijn, voor hen moet men tot God bidden, die het niet
zijnde tot aanzijn roept. In geen geval moeten wij ons hoogmoedig jegens
hen gedragen, alsof wij onszelf onderscheiden hadden.
ARTIKEL 16
De mens is ondanks de zondeval mens gebleven, toegerust met verstand en
wil, en de zonde, die het hele menselijke geslacht heeft doordrongen, heeft
de natuur van de mens niet weggenomen, maar verdorven en geestelijk gedood.
De goddelijke genade van de wedergeboorte werkt dan ook niet in de mensen
alsof zij stokken en blokken waren en zij vernietigt de wil met zijn eigenschappen
niet en dwingt de mens niet tegen wil en dank. Maar zij maakt de wil levend,
geneest, herstelt hem en buigt hem liefdevol en tegelijk krachtig. Waar
eerst de hardnekkige tegenstand van het vlees de mens helemaal beheerste,
begint nu door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand
te krijgen. Daarin bestaat de geestelijke vernieuwing en de ware vrijheid
van onze wil. Ja, indien de Heilige Geest die al het goede zo bewonderenswaardig
werkt, niet op deze wijze met ons handelde, zou er voor de mens geen enkele
hoop overblijven. Want hoe zou hij ooit uit de zonde waarin hij gevallen
is, kunnen opstaan door zijn vrije wil, waardoor hij zich in het verderf
heeft gestort, toen hij nog stond!
ARTIKEL 17
De almachtige werking van God waardoor Hij ons natuurlijk leven voortbrengt
en in stand houdt, sluit het gebruik van middelen niet uit, maar vereist
die juist. Daarmee heeft God immers naar zijn oneindige wijsheid en goedheid
zijn kracht willen uitoefenen. Zo is het ook met de bovennatuurlijke werking
van God waardoor Hij ons opnieuw geboren doet worden: deze sluit niet uit
en neemt evenmin weg het gebruik van het evangelie, dat de wijze God tot
zaad van de wedergeboorte en voedsel voor de ziel bestemd heeft. De apostelen
en de leraars die hen hebben nagevolgd, hebben het volk over deze genade
van God eerbiedig onderwezen om God te eren en alle menselijke hoogmoed
neer te drukken. Intussen hebben zij toch niet nagelaten, de mensen met
het heilig onderwijs van het evangelie te houden onder de bediening van
het Woord, van de sacramenten en van de kerkelijke tucht. Daarom moeten
ook nu zij die in de gemeente onderwijzen of onderwezen worden, het beslist
niet wagen God te verzoeken, door te scheiden wat Hij naar zijn welbehagen
voor altijd heeft willen samenvoegen. Want door al dat onderwijs wordt
de genade geschonken en hoe meer wij ons inzetten bij het volbrengen van
onze roeping, des te heerlijker openbaart zich het heilzaam werk van God
in ons en zo gaat zijn werk des te voorspoediger voort. Zowel om de middelen
als om de heilbrengende vrucht en kracht daarvan komt alleen aan deze God
toe alle eer tot in eeuwigheid. Amen.
Veroordeling van de dwalingen
Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode
de dwalingen van hen die het volgende leren:
- Men kan strikt genomen niet beweren dat de
erfzonde op zichzelf zo verschrikkelijk is, dat het hele menselijke geslacht
erom veroordeeld zou moeten worden, of straf in tijd en eeuwigheid verdiend
zou hebben.
Zij die dit leren, komen in strijd met wat de apostel zegt:
"Daarom, gelijk door een mens de zonde de wereld is binnengekomen
en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan,
omdat allen gezondigd hebben" (Rom. 5, 12). En: "Want
het oordeel leidde van een overtreding tot veroordeling" (Rom.
5, 16). En: "Want het loon dat de zonde geeft, is de dood"
(Rom. 6, 23).
- Toen de mens geschapen werd, konden in zijn
wil de gaven van de menselijke geest, de goede eigenschappen en deugden,
zoals goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid, niet aanwezig zijn. Daarom
konden zij door de zondeval ook niet van de wil gescheiden worden.
Dit is in strijd met de beschrijving van de mens als het beeld
van God, zoals de apostel die geeft in Ef. 4, 24. Daar zegt hij dat dit
bestaat in gerechtigheid en heiligheid, die toch beide ongetwijfeld in
de wil zetelen.
- In de geestelijke dood werden de goede gaven
van de menselijke geest niet gescheiden van de wil. Want de wil op zich
is nooit door de zonde aangetast, maar hij wordt alleen gehinderd door
de duisternis van het verstand en de wispelturigheid van de gevoelens.
Wanneer deze belemmeringen weggenomen zijn, kan de wil zijn vrije aangeboren
kracht weer uitoefenen. Dat wil zeggen: de wil kan uit eigen kracht bij
iedere gelegenheid het goede al dan niet willen en kiezen.
Dit is een niet eerder verkondigde dwaling, die ertoe leidt
dat men hoog opgeeft van de krachten van de vrije wil, in strijd met het
spreken van de profeet: "Arglistig is het hart boven alles, ja,
verderfelijk is het" (Jer. 17, 9); en van de apostel: "Ook
wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees,
handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten" (Ef.
2, 3).
- De mens die niet opnieuw geboren is, is eigenlijk
niet helemaal dood in de zonde. Hij mist de krachten om het goede te doen
ook niet helemaal. Maar hij kan nog hongeren en dorsten naar de gerechtigheid
en het leven. Ook kan hij nog brengen het offer van een verslagen en gebroken
geest, dat God aangenaam is.
Deze beweringen zijn in strijd met de duidelijke uitspraken
van de Schrift: "Gij waart dood door uw overtredingen en zonden"
(Ef. 2, 1.5). Evenzo: "Al wat de overleggingen van zijn hart
voortbrachten, was te allen tijde slechts boos" (Gen. 6, 5; 8,
21). Bovendien, alleen van de wedergeborenen en van hen die zalig gesproken
worden, geldt dat zij hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende
en naar het leven, en dat zij God een offerande van een verbroken geest
brengen (Matt. 5, 6 en Ps. 51, 19).
- De door de zonde ontaarde, nog niet bekeerde
mens kan de algemene genade - daaronder verstaan zij het licht der natuur
- of de gaven die na de zondeval nog in hem overgebleven zijn, zo goed
gebruiken, dat hij daardoor langzamerhand en stap voor stap een grotere
genade kan verwerven, namelijk de evangelische of reddende genade en uiteindelijk
de redding zelf. Wij moeten ons dit zo voorstellen dat God Zich van zijn
kant bereid toont, Christus aan alle mensen te openbaren, omdat Hij immers
ruimschoots en krachtig de middelen verschaft die nodig zijn om Christus
te leren kennen en tot geloof en bekering te komen.
Niet alleen de ervaring in alle tijden, maar ook de Schrift
getuigt dat dit met de waarheid strijdt: "Hij heeft Jakob zijn woorden
bekend gemaakt, Israel zijn inzettingen en zijn verordeningen. Aldus heeft
Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet"
(Ps. 147, 19.20); "Hij heeft ten tijde van de geslachten die achter
ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan" (Hand. 14,
16). En: "Zij - namelijk Paulus en de zijnen - werden door de Heilige
Geest verhinderd het woord in Asia te spreken; en bij Mysie gekomen, poogden
zij naar Bitynie te reizen, maar de Geest van Jezus liet het hun niet toe"
(Hand. 16, 6.7).
- Wanneer de mens zich metterdaad bekeert, kunnen
door God geen nieuwe kwaliteiten, krachten of gaven aan de wil geschonken
worden. Het geloof - waarmee onze bekering begint en waaraan wij de naam
gelovigen danken - is dan ook niet een kwaliteit of gave die God schenkt,
maar alleen een daad van de mens. Men kan slechts over een gave spreken,
voorzover het betreft het vermogen om tot geloof te komen.
Zij die dit leren, spreken de Heilige Schrift tegen, die getuigt
dat God nieuwe gaven in onze harten uitstort, namelijk geloof, gehoorzaamheid
en de ondervinding van zijn liefde: "Ik zal mijn wet in hun binnenste
leggen en die in hun hart schrijven" (Jer. 31, 33). En: "Want
Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn
Geest uitgieten op uw nakroost" (Jes. 44, 3). En: "De
liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, die
ons gegeven is" (Rom. 5, 5). Dit is ook in strijd met de ononderbroken
praktijk van Gods kerk, die, zoals de profeet zegt, bidt: "Bekeer
mij, dan zal ik mij bekeren" (Jer. 31, 18).
- De genade waardoor wij tot God bekeerd worden,
is niets anders dan een vriendelijk appel op ons. Sommigen leggen dit zo
uit: de meest humane werkwijze bij de bekering van de mens, die tegelijk
het best past bij zijn natuur, is die waarbij God met een appel tot de
mens komt. Er is geen enkele reden waarom deze appellerende genade niet
voldoende zou zijn, om natuurlijke mensen tot geestelijke te maken. Ja,
God brengt de instemming van de wil op geen andere manier tot stand dan
door zo op het gevoel in te werken. De kracht van Gods werking, waardoor
zij die van de satan overtreft, bestaat hierin, dat God eeuwige en de satan
slechts tijdelijke gaven belooft.
Dit is volstrekt pelagiaans en in strijd met heel de Heilige
Schrift. Deze kent bij de bekering van de mens nog een andere, veel krachtiger
en goddelijker werking van de Heilige Geest: "Een nieuw hart zal Ik
u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik
uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven" (Ezech.
36, 26).
- Bij de wedergeboorte van de mens gebruikt
God zijn almachtige kracht niet zo, dat Hij daardoor de wil van de mens
feilloos en met overmacht buigt tot geloof en bekering. Maar als God bij
zijn genadewerk alles wat Hij aanwendt bij de bekering van de mens, gedaan
heeft, kan de mens zich toch tegen God en de Heilige Geest verzetten, terwijl
God beoogt door de wedergeboorte juist hem tot een nieuwe mens te maken.
Ja, zo verzet de mens zich ook inderdaad vaak, waardoor hij zijn eigen
wedergeboorte helemaal verhindert. Op deze manier beslist de mens zelf
of hij al dan niet wedergeboren zal worden.
Dit betekent niets anders dan dat men bij onze bekering de kracht
van Gods genade helemaal uitschakelt. Men maakt de werking van de almachtige
God ondergeschikt aan de menselijke wil. Dit is in strijd met wat de apostelen
leren: "Overweldigend groot is zijn kracht aan ons die geloven"
(Ef. 1, 19), en "dat God met kracht alle welgevallen in het goede
en het werk van het geloof volmaakt" (2 Tess. 1, 11), en "dat
zijn goddelijke kracht ons met alles wat tot leven en godsvrucht strekt,
heeft begiftigd" (2 Petr. 1, 3).
- De genade en de vrije wil brengen samen, elk
voor zijn deel, het begin van de bekering tot stand, waarbij niet de genade
voorop gaat. Dit betekent: bij de bekering helpt God de menselijke wil
pas krachtig, nadat deze zichzelf in beweging zet en zich op de bekering
richt.
De oude kerk heeft deze leer allang geleden in de pelagianen
veroordeeld op grond van de woorden van de apostel: "Het hangt
dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God,
die Zich ontfermt" (Rom. 9, 16). Evenzo: "Want wie onderscheidt
u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt?" (1 Kor. 4, 7);
"want het is God, die om zijn welbehagen zowel het willen als het
werken in u werkt" (Fil. 2, 13).
HET VIJFDE HOODSTUK VAN DE LEER
De volharding van de heiligen
ARTIKEL 1
Degenen die God naar zijn voornemen roept tot de gemeenschap met zijn Zoon,
onze Here Jezus Christus, en door de Heilige Geest opnieuw geboren doet
worden, verlost Hij wel van de tirannie en slavernij van de zonde. Maar
Hij verlost hen in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam
der zonde.
ARTIKEL 2
Hierdoor zondigen zij in hun zwakheid elke dag weer en zelfs aan de beste
werken van de heiligen kleven gebreken. Dit geeft hun voortdurend reden
zich voor God te verootmoedigen en hun toevlucht tot de gekruisigde Christus
te nemen. Ook gaan zij daardoor steeds meer het vlees doden door de Geest
der gebeden en door zich te oefenen in een godvrezend leven en zij verlangen
vurig naar het bereiken van de volmaaktheid. Dit doen zij, tot zij, verlost
uit het lichaam des doods, met het Lam van God in de hemelen zullen regeren.
ARTIKEL 3
Doordat deze zonden nog in hen overgebleven zijn en bovendien de wereld
en de satan hen steeds aanvechten, zouden de bekeerden in de genade niet
staande kunnen blijven, als zij aan zichzelf werden overgelaten. Maar God
is trouw: barmhartig bevestigt Hij hen in de genade, die hun eenmaal is
gegeven, en tot het einde toe bewaart Hij hen daarin met kracht.
ARTIKEL 4
Gods macht waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart,
is zo groot, dat zij niet door het vlees overwonnen kan worden. Toch werkt
God bij de leiding van hun leven niet altijd zo in de bekeerden, dat zij
in sommige gevallen door hun eigen schuld niet zouden kunnen afdwalen van
de weg waarop zij genadig geleid worden; zij worden dan verleid door hun
zondige begeerten en volgen die. Daarom moeten zij voortdurend waken en
bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden. Wanneer zij dit niet
doen, bestaat niet alleen de mogelijkheid dat zij door het vlees, de wereld
en de satan meegesleept worden en tot zware en afschuwelijke zonden gebracht
worden, maar gebeurt het ook werkelijk dat zij daarin - en God laat dit
rechtvaardig toe - soms worden meegesleept. Dit wordt ons duidelijk aangetoond
in de Schrift, waar beschreven staat, hoe treurig David, Petrus en andere
heiligen in zonde gevallen zijn.
ARTIKEL 5
Met zulke grove zonden wekken zij Gods toon in hoge mate op; zij verdienen
opnieuw de dood; zij bedroeven de Heilige Geest; zij oefenen zich een tijdlang
niet meer in het geloof; zij brengen grote schade toe aan hun geweten en
ervaren soms voor een tijd de genade niet meer. Eerst wanneer zij door
ernstig berouw op de goede weg terugkeren, doet God zijn vaderlijk aangezicht
weer over hen lichten.
ARTIKEL 6
Want God, die rijk is aan barmhartigheid, neemt naar het onveranderlijk
voornemen van de uitverkiezing de Heilige Geest niet helemaal van de zijnen
weg, zelfs niet wanneer zij zo treurig in zonde zijn gevallen. Hij laat
hen ook niet zo diep vallen, dat zij de genade van de aanneming tot kinderen
en de staat van de rechtvaardiging verliezen, of dat zij de zonde tot de
dood of de zonde tegen de Heilige Geest bedrijven en helemaal door God
verlaten, zich in de eeuwige ondergang storten.
ARTIKEL 7
Want ten eerste bewaart God, wanneer zij zo diep vallen, nog in hen zijn
onvergankelijk zaad, waaruit zij opnieuw geboren zijn, zodat dit niet vergaat
of weggeworpen wordt. Verder vernieuwt Hij hen zeker en met kracht door
zijn Woord en Geest, zodat zij zich bekeren: zij krijgen van harte en naar
Gods wil verdriet over deze zonden; zij begeren en ontvangen door het geloof
en met een verbroken hart vergeving door het bloed van de Middelaar; zij
ervaren opnieuw de genade van God, die nu met hen verzoend is; zij aanbidden
zijn barmhartigheid en trouw en spannen zich voortaan des te meer in om
hun behoud met vrees en beven te bewerken.
ARTIKEL 8
Niet aan hun eigen verdiensten of krachten, maar aan de genadige barmhartigheid
van God hebben zij het te danken, dat zij niet helemaal van het geloof
en de genade vervreemden, of voorgoed in hun zonden blijven en zo verloren
gaan. Dit zou, wat hen betreft, niet alleen heel goed mogelijk zijn, het
zou ongetwijfeld ook gebeuren. Maar wat God betreft, kan dit beslist niet.
Want zijn raadsplan kan niet veranderd, zijn belofte niet gebroken en de
roeping naar zijn voornemen niet herroepen worden; evenmin kunnen Christus'
verdienste, voorbede en bewaring krachteloos gemaakt worden en ook de verzegeling
met de Heilige Geest kan niet verijdeld of vernietigd worden.
ARTIKEL 9
De gelovigen kunnen voor zichzelf zeker zijn van deze bewaring der uitverkorenen
tot behoud en van de volharding der ware gelovigen in het geloof. En zij
hebben die zekerheid ook, naarmate zij vast geloven dat zij ware, levende
leden van de kerk zijn en altijd zullen blijven, en dat zij vergeving van
de zonden en een eeuwig leven hebben.
ARTIKEL 10
Deze zekerheid komt dus niet voort uit een of andere speciale openbaring
zonder of buiten het Woord, maar uit het geloof in Gods beloften, die Hij
in zijn Woord zo overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft. Zij komt
ook voort uit het getuigenis van de Heilige Geest, die met onze geest getuigt,
dat wij Gods kinderen en erfgenamen zijn, en tenslotte hieruit, dat de
gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede
werken. En als Gods uitverkorenen in deze wereld de vaste troost dat zij
de overwinning zullen behouden, moesten missen en zonder dit onbedrieglijke
onderpand van de eeuwige heerlijkheid moesten leven, dan zouden zij de
beklagenswaardigste van alle mensen zijn.
ARTIKEL 11
Intussen getuigt de Schrift dat de gelovigen in dit leven tegen allerlei
zondige twijfel te strijden hebben en in zware aanvechting dit volle geloofsvertrouwen
en deze zekerheid van de volharding niet altijd voelen. Maar God, de Vader
van alle vertroosting, laat hen niet boven vermogen verzocht worden, want
Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen en Hij maakt door
de Heilige Geest hen weer zeker van de volharding.
ARTIKEL 12
Deze zekerheid van de volharding verleidt de ware gelovigen beslist niet
tot hoogmoed en zondige zorgeloosheid. Integendeel, hieruit komen voort
nederigheid, kinderlijke eerbied, een godvrezend leven, vurige gebeden,
standvastigheid in alle strijd, in het kruisdragen en in het belijden van
de waarheid en ook blijvende blijdschap in God. Het overdenken van die
weldaad is voor hen juist een aansporing zich ernstig en voortdurend te
oefenen in dankbaarheid en goede werken. Dit blijkt immers uit de getuigenissen
van de Schrift en de voorbeelden van de heiligen.
ARTIKEL 13
Bij hen die weer opgericht worden, nadat zij in zonde gevallen zijn, herleeft
het vertrouwen te zullen volharden. Maar dat veroorzaakt zeker geen zorgeloosheid
en slordigheid in de dienst van God. Nee, zij zorgen er juist des te meer
voor, nauwgezet op de wegen van de Here te blijven. Deze zijn immers van
tevoren bereid, opdat zij door daarop te wandelen, de zekerheid van hun
volharding mogen bewaren. Dan zal het aangezicht van God, die met hen verzoend
is, zich niet weer van hen afkeren wegens misbruik van zijn vaderlijke
goedheid. Daardoor zouden zij in nog grotere geestelijke benauwdheid terechtkomen.
Want wanneer zij die God vrezen, zijn vriendelijk aangezicht zien, is dat
hun zoeter dan het leven, maar wanneer God zijn aangezicht verbergt, is
dat hun bitterder dan de dood.
ARTIKEL 14
Nu heeft het God behaagd zijn genadewerk in ons te beginnen door de prediking
van het evangelie. Evenzo wil Hij het instandhouden, voortzetten en voltooien
door het laten horen, lezen en overdenken van het evangelie, door aansporingen,
dreigementen, beloften en ook door het gebruik van de heilige sacramenten.
ARTIKEL 15
Deze leer dat de ware gelovigen en heiligen zullen volharden en daar zeker
van mogen zijn, heeft God tot eer van zijn naam en tot troost van allen
die Hem vrezen, zeer overvloedig in zijn Woord geopenbaard en Hij prent
die in de harten van de gelovigen in. Weliswaar wordt deze leer door het
vlees niet begrepen, door de satan gehaat, door de wereld bespot, door
onkundige mensen en huichelaars misbruikt en door dwaalgeesten bestreden,
maar de bruid van Christus heeft haar altijd als een schat van oneindige
waarde innig liefgehad en standvastig verdedigd. God zal ervoor zorgen,
dat zij dit ook zal blijven doen; tegen Hem kan geen plan iets uitrichten
en is geen enkele macht opgewassen. Deze enige God, Vader, Zoon en Heilige
Geest, zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
Veroordeling van de dwalingen
Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode
de dwalingen van hen die het volgende leren:
- De volharding van de ware gelovigen is geen
vrucht van de uitverkiezing of een geschenk van God, dat door de dood van
Christus verdiend is. Nee, zij is een voorwaarde van het nieuwe verbond,
waaraan de mens door zijn vrije wil moet voldoen, voordat hij - zoals zij
dat noemen - definitief uitgekozen en gerechtvaardigd wordt.
De Heilige Schrift getuigt echter dat de volharding het gevolg
is van de uitverkiezing en dat zij door de kracht van Christus' dood, opstanding
en voorbede aan de uitverkorenen gegeven wordt: "Het uitverkoren
deel heeft het verkregen en de overigen zijn verhard" (Rom. 11,
7). Evenzo: "Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard,
maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen
schenken? Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt;
wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is de opgewekte,
die aan de rechterhand van God is, die ook voor ons pleit. Wie zal ons
scheiden van de liefde van Christus?" (Rom. 8, 32-35).
- God schenkt aan de gelovige mens wel voldoende
krachten om te volharden en Hij is bereid die krachten in hem in stand
te houden, wanneer deze mens zijn plicht verstaat. Maar wanneer alles wat
nodig is om in het geloof te volharden en wat God gebruiken wil om het
geloof in stand te houden in het werk gesteld is, dan hangt het toch nog
altijd van de vrije beslissing van de menselijke wil af, of hij volhardt
of niet.
Dit is nu duidelijk een pelagiaanse streek! Terwijl deze opvatting
bedoelt de mensen vrij te maken, maakt zij hen tot rovers van Gods eer.
Zij is in strijd met wat het Evangelie overal leert. Dit ontneemt de mens
alle stof tot roemen en kent de eer voor dit geschenk alleen aan Gods genade
toe. Ook gaat deze opvatting in tegen het getuigenis van de apostel: "Hij
zal u ook bevestigen tot het einde, zodat gij onberispelijk zult zijn op
de dag van onze Here Jezus Christus" (1 Kor 1, 8).
- Zij die echt geloven en opnieuw geboren zijn,
kunnen niet alleen het rechtvaardigend geloof evenals de genade en het
behoud helemaal en voorgoed verliezen, maar zij verliezen deze inderdaad
ook vaak en gaan dan voor eeuwig verloren.
Deze opvatting maakt de genade van rechtvaardiging en wedergeboorte
en de voortdurende bewaring door Christus krachteloos. Zij is in strijd
met het stellige spreken van de apostel Paulus, "dat Christus,
toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. Veel meer zullen wij
daarom, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden
van de toorn" (Rom. 5, 8.9). Zij gaat ook in tegen wat de apostel
Johannes zegt: "Een ieder die uit God geboren is, doet geen zonde;
want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is
uit God geboren" (1 Joh. 3, 9). En tegen de woorden van Jezus
Christus: "Ik geef mijn schapen eeuwig leven en zij zullen voorzeker
niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven.
Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets
roven uit de hand van mijn Vader" (Joh. 10, 28.29).
- Zij die echt geloven en opnieuw geboren zijn,
kunnen zondigen tot de dood of tegen de Heilige Geest.
Dit is niet juist. De apostel Johannes spreekt in 1 Joh. 5,
16.17 wel over hen die zondigen tot de dood, en hij verbiedt voor hen te
bidden, maar dezelfde apostel voegt daar in vers 18 direct aan toe: "Wij
weten, dat een ieder die uit God geboren is, niet zondigt (namelijk tot
de dood); want Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem, en de boze heeft
geen vat op hem" (1 Joh. 5, 18).
- Zonder een bijzondere openbaring kan de mens
er in dit leven niet zeker van zijn, dat hij in de toekomst in het geloof
zal volharden.
Door deze leer wordt de vaste troost van de ware gelovigen in
dit leven weggenomen en worden de onzekerheden van de roomsen weer in de
kerk ingevoerd. Overal ontleent de Heilige Schrift deze zekerheid aan de
kenmerken die eigen zijn aan Gods kinderen, en aan de zeer betrouwbare
beloften van God, en niet aan een bijzondere en buitengewone openbaring.
Vooral is te wijzen op wat de apostel Paulus zegt: "Geen schepsel
zal ons kunnen scheiden van Gods liefde, welke is in Christus Jezus, onze
Here" (Rom. 8, 39). En Johannes zegt: "En wie zijn geboden
bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij
in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft" (1 Joh.
3, 24).
- De leer dat de gelovige zeker kan zijn van
zijn volharding en zijn behoud, is naar haar aard een oorkussen voor het
vlees. Zij is schadelijk voor de vroomheid, goede zeden, gebeden en alles
wat verder tot de praktijk van een godvrezend leven behoort. Twijfel aan
de volharding valt daarentegen te prijzen.
Wie dit beweren, tonen daarmee de kracht van Gods genade en
de werking van de Heilige Geest, die in ons woont, niet te kennen. Ook
spreken zij de apostel Johannes tegen, die uitdrukkelijk het tegenovergestelde
leert: "Geliefden, nu zijn wij Gods kinderen en het is nog niet
geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard
zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij
is. En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein
is" (1 Joh. 3, 2.3). Bovendien wordt deze leer weerlegd door de
voorbeelden van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament: zij waren
zeker van hun volharding en behoud, en toch zijn zij blijven bidden en
zich ook verder blijven oefenen in de godsvrucht.
- Het geloof van de mensen die slechts tijdelijk
geloven, verschilt alleen in duur van het rechtvaardigend en heilbrengend
geloof.
Christus zelf wijst duidelijk op nog drie verschillen tussen
hen die slechts tijdelijk geloven en de ware gelovigen. In Matt. 13, 20
e.v. en Luc. 8, 13 e.v. zegt Hij dat wie tijdelijk geloven, het zaad ontvangen
in steenachtige grond; zij zijn zonder wortel en brengen geen vrucht voort.
Maar de ware gelovigen ontvangen het zaad in goede aarde of in een goed
hart; zij bezitten een sterke wortel en brengen zonder ophouden, zij het
in verschillende mate, hun vruchten voort.
- Wanneer de mens zijn eerste wedergeboorte
verloren heeft, is het niet ongerijmd, dat hij opnieuw, ja verscheidene
keren wedergeboren wordt.
Zij loochenen door deze leer dat het zaad van God, waardoor
wij wedergeboren worden, onvergankelijk is. Dit gaat in tegen het getuigenis
van de apostel Petrus, die zegt dat wij elkaar moeten liefhebben "als
wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad"
(1 Petr. 1, 23).
- Christus heeft volstrekt niet gebeden dat
de gelovigen tot het einde in het geloof zouden volharden.
Zij die dit leren, spreken Christus zelf tegen, die tot Petrus
zegt: "Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken"
(Luc. 22, 32). Ook spreken zij de evangelist Johannes tegen, die getuigt
dat Christus gebeden heeft niet alleen voor de apostelen, maar ook voor
allen die door hun woord geloven zouden: "Heilige Vader, bewaar
hen in uw naam; Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat
Gij hen bewaart voor de boze" (Joh. 17, 11.15.20).
SLOTWOORD Dit is de duidelijke, eenvoudige en eerlijke uiteenzetting
van de rechtzinnige leer over de Vijf Artikelen, waarover in Nederland
verschil van mening bestaat, met daarbij de veroordeling van de dwalingen,
waardoor de Nederlandse kerken een tijdlang in opschudding zijn gebracht.
De synode is van oordeel, dat deze uiteenzetting en veroordeling aan het
Woord van God ontleend zijn en met de belijdenis van de gereformeerde kerken
overeenstemmen. Hieruit blijkt onmiskenbaar, dat zij - wie dit het allerminst
paste - in strijd met alle waarheid, redelijkheid en liefde gehandeld hebben
die het volk hebben willen wijsmaken:
- De leer van de gereformeerde kerken over de voorbeschikking en wat
daarmee verband houdt, vervreemdt door haar aard en strekking de harten
van de mensen van alle vroomheid en de dienst van God.
- Zij is een oorkussen voor het vlees en de duivel en een vesting
van de satan, van waaruit hij alle mensen belaagt, de meesten verwondt
en velen met de pijlen van wanhoop of zorgeloosheid dodelijk treft.
- Deze leer maakt God tot bewerker van de zonde, tot een onrechtvaardige
God, een tiran en huichelaar en zij is niet anders dan een vernieuwd stoicisme,
manicheisme, libertinisme en mohammedanisme.
- Zij brengt de mensen tot zondige zorgeloosheid, doordat zij zichzelf
gaan wijsmaken, dat het voor het behoud van de uitverkorenen er niet op
aankomt, hoe zij leven en dat zij daarom ook rustig allerlei afschuwelijke
misdaden mogen bedrijven.
- Al hadden zij die verworpen zijn, echt alle werken van de heiligen
gedaan, het zou niet kunnen bijdragen aan hun behoud.
- Met deze leer wordt beweerd, dat God enkel en alleen door zijn wilsbeschikking
en zonder te letten op, of rekening te houden met enige zonde, het grootste
deel van de wereld voorbeschikt en geschapen heeft tot de eeuwige ondergang.
- De verwerping is op dezelfde manier de oorzaak van het ongeloof
en de goddeloosheid als de verkiezing de bron van het geloof en de goede
werken is.
Veel onschuldige kinderen van de gelovigen rukt God van de moederborst
weg en werpt ze als een tiran in het helse vuur, zonder dat het bloed van
Christus, de doop of het gebed van de kerk bij de doop hen kan helpen.
En zo is er nog veel meer, dat de gereformeerde kerken niet alleen niet
belijden, maar ook van harte en vol afschuw verwerpen. Daarom bezweert
deze synode van Dordrecht in de naam van de Here allen die de naam van
onze Verlosser Jezus Christus godvrezend aanroepen, dat zij over het geloof
van de gereformeerde kerken niet moeten oordelen op grond van lasterpraat,
die van hier en daar bijeen geraapt is. Ook niet op grond van persoonlijke
uitspraken van sommige oude of nieuwe leraren; dergelijke uitspraken worden
vaak ook nog te kwader trouw aangehaald, verminkt en verkeerd uitgelegd.
Maar over het geloof van de gereformeerde kerken moeten zij oordelen op
grond van de publieke belijdenisgeschriften van de kerken zelf en op grond
van deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer, die door alle leden van
de hele synode met volledige eenstemmigheid is vastgesteld. Vervolgens
vermaant deze synode de lasteraars ernstig, om te bedenken wat voor zwaar
oordeel van God zij op zich laden, wanneer zij tegen zoveel kerken en de
belijdenisgeschriften van zoveel kerken een vals getuigenis spreken, de
gewetens van de zwakken in het geloof verontrusten en proberen de gemeenschap
van de ware gelovigen bij velen verdacht te maken. Tenslotte spoort deze
synode alle mededienaars in de prediking van het evangelie van Christus
aan, zich bij het behandelen van deze leer in scholen en kerken godvrezend
en vroom te gedragen. Zij dienen zich daarbij, zowel mondeling als schriftelijk
te richten op de eer van God, de heiliging van het leven en de vertroosting
van de verslagen harten van de gelovigen. Zij behoren zich in hun denken
en spreken over deze leer te houden aan de Schrift naar de overeenstemming
van het geloof. Zij dienen zich tenslotte van elke manier van spreken te
onthouden, die de grenzen van de duidelijke boodschap van de Heilige Schrift
te buiten gaat en die aan de mensen die brutaal spitsvondige redeneringen
verzinnen, goede grond zou kunnen geven, om de leer van de gereformeerde
kerken te beschimpen of te belasteren. Wij bidden dat de Zoon van God,
Jezus Christus, die gezeten is aan de rechterhand van zijn Vader, aan de
mensen gaven schenkt, ons in de waarheid heiligt; dat Hij hen die afgedwaald
zijn, tot de waarheid terugbrengt; dat Hij de lasteraars van de gezonde
leer de mond snoert en dat Hij aan de trouwe dienaars van zijn Woord de
Geest van wijsheid en inzicht geeft, zodat alles wat zij zeggen, zal strekken
tot eer van God en tot opbouw van hun hoorders. Amen.