DRAMALES
VANUIT ASSOCIATIES.
Benodigdheden:
balletje, afbeeldingen of voorwerpen om vanuit de werken. Kies
afbeeldingen waarbij de associaties niet te ver te zoeken zijn,
als je voorwerpen neemt, denk dan aan dingen als een geldbeurs,
een roos, klomp enz.
Associëren
zou je kunnen definiëren als verbanden leggen op
gevoelsniveau. Het is een goede weg om tot creativiteit en
fantasie te komen. Als je op deze wijze naar je omgeving kunt
kijken helpt dat je niet alleen bij creatieve vakken, maar ook
bij bijvoorbeeld taalontwikkeling.
Deze les is er op gericht de deelnemers
te stimuleren iets verder te associëren dan ze normaal zouden
doen. Een associatie op bijvoorbeeld het voorwerp zwaard
zou ridder kunnen zijn. Het lijkt er echter op dat het
woord ridder is ontstaan vanuit een analyse (hoofd). Neem
je de moeite, dan kom je op interessantere woorden. Eén of twee
van deze z.g. kernwoorden kunnen het uitgangspunt zijn voor een
ander product : opstel, tekening o.i.d., en in dit
geval een presentatie. In welke vorm er wordt gepresenteerd hangt
af van de beginsituatie: in tableau(x), pantomime, met bewegen en
spreken, alleen op basis beweging en geluid, naar keuze
..
Introductie:
naar eigen inzicht.
Introduceer
de term associëren door het kort klassikaal te doen op
bijvoorbeeld dieren (vos, olifant, beer, mier
.), natuur (berg,
zee, hagel, strand
), kleuren.
Inleiding
1: het balletje.
De groep
staat in een kring. De leerkracht gooit het balletje naar een
kind terwijl zij een woord roept. Het betreffende kind
vangt het balletje en gooit het naar een ander kind terwijl
hij een woord roept dat geassocieerd is op het woord dat hij
heeft gehoord. Zo gaat het balletje rond. De leerkracht
stimuleert het tempo door aan te geven dat ieder woord juist is
en dat je mag zeggen wat er op dat moment in je opkomt. Duurt het
te lang voordat het balletje wordt weggegooid, dan gaat de
deelnemer analyseren en daar gaat deze les niet over.
Inleiding
2: klassikaal.
Klassikaal
wordt een afbeelding of voorwerp genomen van waaruit wordt
geassocieerd. De leerkracht pikt de kernwoorden uit dat wat er
wordt geroepen. Dus de thematisch aanverwante woorden. Probeer te
verwoorden op welk criterium je die woorden benadrukt.
Kern:
werkgroepjes.
Mogelijkheid
1: de voorwerpen worden uitgestald en bekeken, de kinderen maken
een top 3. Op basis daarvan worden groepjes samengesteld.
Mogelijkheid
2: de leerkracht maakt groepjes en deelt vervolgens de
afbeeldingen of voorwerpen (in een tas/zak) uit.
Repetitie:
De groepjes maken een rondje over wat zij bij het voorwerp of de
afbeelding associëren. De overeenkomsten tussen de deelnemers
moeten een aantal kernwoorden opleveren die het uitgangspunt
vormen voor de presentatie. Leerkracht loopt niet te snel
rond, observeer en begeleid waar nodig. Zorg dat de deelnemers
niet te lang blijven praten en help ze bij het bepalen van een
vorm waarin gepresenteerd gaat worden of bepaal het klassikaal (al
na gelang de beginsituatie).
De presentaties worden nabesproken op
succesmomenten, eventuele werkpunten en inhoudelijke keuzes.
Hoorspel.
In
de tijd dat er nog geen t.v.s waren, was de radio veel
populairder dan nu. Mensen zaten ademloos te luisteren naar
bijvoorbeeld hoorspelen. Een hoorspel is als het ware een
speelfilm voor op de radio. Je hoort geluiden en gesprekken en
beleefd zo het verhaal.
Inleiding 1:
In de kring. Wie kan een geluid imiteren
dat straks in het hoorspel gebruikt kan worden? Openen van een
krakende deur, de wind die om het huis fluit
.
Inleiding 2:
In de kring: geluidendecor. Een kwart van
de klas krijgt een opdracht om al lopende door de klas geluiden
te maken van een bepaalde plek. Wij houden onze ogen stijf dicht
en proberen na afloop (na het applaus dus) te raden om welke plek
het gaat.
Opdrachten kunnen mondeling op de gang
gegeven worden, anders kunnen de kinderen het kort n.a.v. een
opdrachtkaartje voorbereiden.
Bijvoorbeeld: het circus, de kermis, het
schoolplein
..
Probeer de kinderen te stimuleren het
rustig op te bouwen, doe met ze mee. Spraak mag, maar ze mogen
het niet weggeven (Mag ik een kaartje voor
de dierentuin alstublieft?).
Kern.
In groepjes bereiden de kinderen een
hoorspel voor n.a.v. een door jou gemaakt hoorspelkaartje. Ze
voeren het op buiten het zicht van het publiek (bijvoorbeeld
achter een scherm) en het publiek sluit de ogen.
Tip: doe de gordijnen dicht.
Kinderen kunnen dingen verzamelen om
geluiden mee te maken maar mogen het ook met alleen stemgeluid
werken.
De hoorspelen worden gepresenteerd en
nabesproken (vermeld de vragen op je lesformulier). Onderwerpen
voor de kern kunnen locaties zijn (het station, het circus, een
middeleeuws kasteel, het wilde westen
.) maar ook sprookjes
(Assepoester, Roodkapje, Sneeuwwitje, Vrouw Holle, Hans &
Grietje, Doornroosje
).
Hoorspelkaart: een kaart waarop
achtereenvolgens een aantal geluiden staan beschreven die het
groepje kan gebruiken in hun hoorspel. Dit voorkomt dat het te
breed wordt aangepakt (en daardoor vaak teveel wordt
gediscussieerd) en geeft de kinderen een idee wat ze kunnen doen.
Benadruk dat het een voorstel is, dat ze er geluiden bij mogen
verzinnen en dat ze geluiden weg mogen laten.
Voorbeeld van een hoorspelkaart:
ROODKAPJE.
Theedrinken,
afscheid, lopen door het bos, bosgeluiden, wolf, geklop aan de
deur, oma wordt opgegeten, roodkapje binnen, ook opgegeten, schot
van de jager, blijdschap alom.
!
dit zijn tips, je mag er zelf natuurlijk nog geluiden bij
verzinnen.
H. de Nooij