Anette                groep:   middenbouw/bovenbouw

Werkvorm:

Improvisatie

 

Doelen:

De leerlingen leren naar elkaar te kijken en op elkaar te reageren.

De leerlingen leren het spel gaande te houden door mee te gaan met de ander.

De leerlingen ervaren hoe een lage en een hoge status aanvoelt.

 

Opstelling/ruimte:

In het klaslokaal.

De tafels zijn aan de kant gezet en de stoelen staan in een hoefijzervorm, zodat er een speelvlak openblijft.

 

Materiaal:

Verhaal: De knecht die goed kon onthouden.

           Uit: Honderd en n sprookjes van de lage landen.

Stoel(en)

Bord en krijt

 

Inleiding:

Ik lees het verhaal: De knecht die goed kon onthouden voor. Bij het voorlezen breng ik een overdreven hoge en lage status aan, zodat de kinderen al tijdens het voorlezen een beeld krijgen van hoe beide statussen er uit kunnen zien.

 

Kern:

Het uitbeelden van een hoge en lage status: de BAAS ( Boer Jan) en de KNECHT (Seppe).

Ieder kind oefent de hoge status zittend op een stoel.

      Voeten naar buiten gedraaid

      Veel ruimte innemend

      Vloeiende bewegingen maken

      Diep in- en uitademen

      Lachen met de tanden bloot

      Lange EUH tijdens het praten

      Krachtige, zelfverzekerde stem

 

Daarna oefent ieder kind de lage status, zittend op een stoel.

      Voeten naar binnen gedraaid

      Weinig ruimte innemend

      Springerige bewegingen maken

      Kort in- en uitademen

      Bescheiden, zenuwachtige lach

      Veel EUH in korte stotende zinnen

      Gespannen, zenuwachtige stem

 

De kinderen kiezen een status ( Baas (A) of Knecht (B) ) Hierna gaan de kinderen van stoel wisselen. Het wisselen gebeurt door het opzoeken van een andere status.

De tekst die ze opzeggen staat op het bord.

A. Goedemorgen                          B. Goedemorgen

A. Hier ben ik                            B. Dat zie ik

Na een aantal keren wisselen van stoel kiezen ze een andere status.

Tenslotte zoeken twee dezelfde statussen elkaar op.

 

 

Afsluiting:

Meester en knecht.

Scnes in drietallen of vijftallen.

De meester zit in het midden, de beide knechten aan weerszijden van hem. De meester controleert of de beide knechten de houding aannemen die bij hen past ( lage status) en corrigeert wanneer nodig.

Daarna stelt de meester vragen over het werk dat gedaan moet worden of al gedaan is en geeft de knechten opdrachten. De opdrachten hoeven niet pers te worden uitgevoerd.

Het spel heeft de vorm van een werkbespreking. De meester mag opstappen of mag de bedienden ontslaan. De stoel wordt dan weer opgevuld door een kind uit het publiek. (inspringen)

 

Pikorde.

Er is een meester en naast hem staan 4 knechten.

De knecht naast de meester ( knecht 1) is weer de baas over knecht 2, knecht 2 is de baas over knecht 3, enz.

De baas geeft een opdracht, de knechten reageren.

Bijlagen:

 

Verhaal: De knecht die goed kon onthouden.

Uit: Honderd en n sprookjes uit de lage landen.

 

Boer Jan had een knecht die nogal dom was. Hij verstond altijd alles verkeerd. Als zijn baas hem om koffie stuurde, kwam Seppe met tabak terug; moest hij pruimen halen, dan bracht hij eksterogenzalf mee, en omgekeerd. Seppe had ’t zo dikwijls mis, dat boer Jan er moe van werd.

“Seppe,” zei boer Jan op een avond, “zo’n domoor als jij ben ik mijn hele leven nog niet tegengekomen.”

“Ik ook niet, baas,” zei Seppe.

“Seppe, dit kan zo niet langer.”

“Dat had ik ook gedacht, “ zei Seppe.

“Ik zal je nog n kans geven. Lukt het je niet, dan pak je morgen je boeltje! “

“Zoals u wilt, baas. Wat moet ik doen?”

“Hou je oren open, en onthoud goed wat ik je ga zeggen. Ik zal je de naam van een paar dingen noemen, en als je die morgen vergeten bent, dan moet je ophoepelen.”

“Ik luister,” zei Seppe.

“Seppe, hoe heet dat wat je daar aan je voeten hebt?”

“Dat zijn klompen, baas.”

“Nee, Seppe, dat heet niet zo; dat zijn pieneninnen.”

“De pieneninnen, baas,” zei Seppe.

En dat, Seppe?”

“Dat is de trap, baas,”zei Seppe.

“Nee, Seppe, dat is de trap niet; dat is de hokkenentjok.”

“Wat zegt u, baas, de hottentjot?”

“De hok-ke-nen-tjok, Seppe!”

“Goed baas, dat heet de hokkenentjok.”

“En dat, Seppe, waar ik op slaap?”

“Wel baas, dat is de zolder.”

“De zolder? Hoe kom je er bij? Nee, dat is het overgezim.”

“O, is dat het overgezwim? Goed baas.”

“En hoe heet dat beest daar, Seppe?”

“Baas, dat moet de hond zijn.”

“Wat vertel je me nu, Seppe! Dat is het taterebakkes.”

“Het taterebakkes? Goed baas.”

“En dat dier daar?”

“Dat is volgens mij de kat, baas.”

“De kat? Waar zit je verstand, Seppe! Dat is het snaterebakkes.”

“Het snaterebakkes, baas, “ zei Seppe.

“En dat, Seppe? “

“Dat is geloof ik het vuur, baas.”

“Het vuur?! Dat is de glorie, Seppe. “

“Aha! De glorie, baas.”

“Goed zo, Seppe. En dit?”

“Me dunkt dat dit de deur is, Baas”

“De deur? Waar haal je het vandaan! Dat is de piepenuite.”

“Dan is het de piepenuite, baas.”

“En dat, Seppe?”

“Je zou zeggen dat het de schuur is, baas. “

“Nee, Seppe, dat is de koreninne.”

 

Toen Seppe de hele les had opgedreund, deed zijn hoofd er pijn van. Hij droomde die nacht alleen maar van innen en uiten.

’s Morgens bij het wakker worden, was de les van gisteren het eerste waar hij aan dacht. Hij stond op, stak het vuur aan, hing de ketel erboven, liet de kat en hond binnen, en begon de vloer te vegen.

Maar de kat en hond kregen ruzie om de broodkorst die Seppe hun toewierp en raakten slaags bij de haard. De kat tuimelde in het vuur, de hond ook, en allebei renden ze verschrikt naar buiten de schuur in. Daar stichtten ze brand, in plaats van hun pels te blussen.

Seppe zag weldra de vlammen uit de schuur slaan. Hij liep naar de zoldertrap en riep:

 

“Baas, baas, doe gauw de piepeninnen aan. En kom langs de hokkenentjok het overgezwim af! Het taterebakkes is met het snaterebakkes slaags geraakt, potverdrie! Ze zijn door de piepenuite naar de koreninne gelopen. En nu staat binnen en buiten alles in volle glorie!”