Anette                groep:   6                          26       kinderen  

Werkvorm:

Afspreekspel

Beginsituatie:

 

Doelen:

De leerlingen leren een gegeven scène in diverse sferen/emoties uit te beelden.

De leerlingen leren met een gegeven begin, verband en einde een scène te spelen.

 

Opstelling/ruimte:

De les wordt gegeven in de gymzaal.

Het publiek zit op de grond.

 

Materiaal:

Verhaal Toon Tellegen: De eekhoorn en de mossel

Kaartjes met diverse emoties/sferen: bv mopperen, roddelen, zeuren, opscheppen, genieten.

Kaartjes met een begin (geel) en eindsituatie ( rood) en een verband (blauw)

 

Inleiding: 15 min.

De leerkracht leest het verhaal over de eekhoorn en de mossel voor. Daarna krijgen de kinderen per tweetal een kaartje met daarop een bepaalde sfeer/emotie zoals zeuren, mopperen, etc.

Twee aan twee spelen de kinderen zo’n gesprekje tussen twee hoofdpersonen uit het verhaal.

Afspreektijd is 3 minuten.

De groepjes laten hun stukje zien.

 

Kern: 30 min.

Spelen met de verhaalstructuur.

 

Maak groepjes van 4/5 kinderen. Ieder groepje krijgt op kaartjes een begin- en eind situatie van een spel en de opdracht daar een kort verhaal van te maken. Ook krijgen de groepjes een derde kaartje met daarop het verbad tussen de begin- en eindsituatie.

Iedere zin staat op een kaartje: Begin (geel), eind (rood) en verband (blauw).

Afspreektijd is 5 minuten.

De groepjes laten aan de klas hun scène zien.

 

 

 

Afsluiting: 10 min.

Nabespreken van de scènes uit de kern.

(dit kan eventueel ook tijdens de kern na iedere scène)

 

Het publiek krijgt de volgende kijkopdrachten:

Ø      Welke rollen zag je?

Ø      Wat was het probleem?

Ø      Wat was de oplossing?

Ø      Wat begreep je wel/niet?

Ø      Speelden de kinderen goed samen?

Ø      Waaraan herkende je de verschillende rollen?

 


 

Verhaal: De eekhoorn en de mossel    van Toon Tellegen uit Toen niemand iets te doen had.

 

Toen de eekhoorn nog lag te slapen blies de wind een brief onder zijn voordeur door. De eekhoorn hoorde het geritsel van het papier, sprong uit bed en maakte de brief open. Het was een kleine, grijze brief en hij rook een beetje zuur.

De eekhoorn las:

 

Beste eekhoorn,

Hierbij nodig ik je uit voor mijn feest. Het is een heel klein feest. Ik nodig niemand anders uit. Kom je zo meteen?

Mossel

 

De eekhoorn kleedde zich snel aan, pakte een potje gepekelde beukennoten en liep zo snel mogelijk naar het strand. In een inham woonde de mossel. De eekhoorn klopte op zijn schelp.

“St,” hoorde hij binnen fluisteren.

“Ik ben het,” zei de eekhoorn zacht, “de eekhoorn.”

De mossel deed zijn schelp op een kier open en keek de eekhoorn aan.

“O,” zei hij.

“Gefeliciteerd,” zei de eekhoorn. “Ik heb iets bij me.”

“Zet maar neer,” zei de mossel.

De eekhoorn ging zitten. Het warme zeewater golfde rond zijn staart en tegenover hem deinde de mossel heen en weer.

Het was een hele tijd stil. Toen vroeg de mossel: “ Vind je het een leuk feest?”

“Ja hoor,” zei de eekhoorn.

“Weet je,” zei de mossel, “op grote feesten moet je altijd lachen.”

“Ja,” zie de eekhoorn.

Toen was het weer stil. Na een hele tijd pakte de mossel een stukje zoethout onder zijn schelp vandaan.

“Ik heb nog wat lekkers voor je,” zei hij.

“Heerlijk,” zei de eekhoorn en begon op het stuk zoethout te kauwen.

“Ik ben niet jarig, hoor,” zei de mossel even later.

“Nee?” vroeg de eekhoorn.

“Nee,” zei de mossel. “Mijn verjaardag vier ik nooit. Want dan moet je altijd van alles voorbereiden.”

“Ja,” zei de eekhoorn.

“Het is zo maar een feestje.”

“Oh.”

Het was weer lange tijd stil. De mossel keek de eekhoorn onafgebroken aan en de eekhoorn liet de zonnestralen van het water tegen zijn gezicht kaatsen.

“Is het gezellig genoeg?” vroeg hij.

De mossel knikte.

Tegen het eind van de middag zei de mossel: “Nu moet je gaan. Dag.”

Hij deed zijn schelp dicht en liet zich wegdrijven.

“Dank je wel,” zei de eekhoorn nog, maar de mossel hoorde hem al niet meer.

Langzaam en tevreden waadde de eekhoorn naar de kant en wandelde langs het strand terug naar het bos.

 

 

 

 


 

Sferen/emoties

 

Mopperen                                                  Zeuren

Genieten                                                   Opscheppen

Jaloers                                                     Bedroefd

Stoer                                                        Ongeduldig

Zenuwachtig                                              Bang

Sloom                                                         Kattig

Trots                                                          Roddelen

 

Begin- en eindsituatie en een verband tussen beide:

 

Begin

  1. Je rijdt in een auto weg
  2. Je bent aan het eten maar het smaakt je niet
  3. Je bent boswachter en op zoek naar stropers
  4. Je komt thuis met een prachtig rapport
  5. Je bent boodschappen aan het doen in de supermarkt
  6. Je zit fijn naar een film te kijken in de bioscoop

 

Eind

  1. Je komt ’s avonds lopend thuis met een koe
  2. Een uur later lig je in het ziekenhuis
  3. ’s Avonds eet je konijn
  4. Je ouders zijn vreselijk kwaad op je
  5. Je zit op het politiebureau
  6. Je loopt boos de bioscoop uit

 

Verband

  1. Onderweg zie je een koe die naar het slachthuis wordt gebracht
  2. Het eten is bedorven
  3. Je regelt iets met de stroper
  4. Je komt drie uur te laat thuis
  5. Iemand stopt stiekem iets in je jaszak
  6. Voor je zitten een aantal kinderen steeds hardop te praten