Anette                groep:  1 en 2     Uit: Hokus Sprokus

Werkvorm:

 

Vertelpantomime

 

Thema: Dieren, kinderboerderij
Doelen:

De kinderen beelden een verhaal uit dat door de leerkracht verteld wordt, met elk hun eigen rol.

De kinderen begrijpen het verhaal.

 

Opstelling/ruimte:

Speellokaal

De kinderen zitten op bankjes.

 

Materiaal:

Geen

 

Inleiding:

 

Je gaat met de kinderen in de kring of op banken zitten. Vertel dat je een verhaal gaat vertellen over de kinderboerderij. Vraag aan de kinderen welke dieren er op de kinderboerderij wonen, wat voor geluid ze maken, welke bewegingen ze maken. (Eten, slapen, lopen) Spreek met de kinderen af dat alle dieren vandaag op twee poten lopen. Laat enkele kinderen dieren voordoen.

 

Kern:

Vertel de kinderen dat er in het verhaal een boer, een  poes, een varken, een koe, een vogel en een hond voorkomen. Verdeel de rollen. Je kunt per dier meerdere kinderen laten spelen. Leg uit dat de kinderen kunnen horen wanneer ze aan de beurt zijn. Als jij zegt: Dag Boer!, begint de rol van de boer. Als je afscheid neemt van de boer, gaat het kind dat de boer speelt weer zitten.

Ga met de hele groep aan de ene kant van het speelvlak staan en vertel de inleiding van het verhaal, Speel al vertellend zelf mee en stel “onderweg”vragen aan de kinderen.

 

Je kunt het verhaal eventueel een tweede keer spelen, met een nieuwe rolverdeling.

(Het verhaal vind je bij de bijlagen.)

 

 

Afsluiting:

 

Bespreek met de kinderen wat ieder dier en wat de boer deed.

Eventueel kun je na afloop nog het versje van kippetje Ukkepuk aanleren. Maak hierbij de bijpassende gebaren.

 


 


 

Bijlagen:

 

(Je kunt het verhaal eventueel aanpassen in een ander jaargetijde, bv in de winter, hoe ziet het er dan uit op de kinderboerderij?)

 

Het verhaal:

 

We gaan vandaag naar de kinderboerderij. Je hoeft geen jas aan, want het is mooi weer. De zon schijnt. Eerst moeten we oversteken. Kijk goed naar links, dan naar rechts en nog een keer naar links. Komt er niets aan? Mooi, dan kunnen we naar de overkant. Kijk, we moeten over dat bruggetje. Kom eens kijken, er zwemmen allemaal eendjes onder de brug door. Zullen we ze tellen?

Hoeveel zie jij er? En jij? Kom we gaan verder. Zie je daar de kinderboerderij al? Wie doet er even het hek voor ons open? Zo, we zijn er! Ga maar op een bank zitten en luister goed, wie er op de kinderboerderij zijn.

 

Dag boer!

De boer duwt een kruiwagen met stenen. De kruiwagen is erg zwaar. Daarom moet hij heel hard duwen. De boer wordt moe van het duwen. Hij gaat even op een bank zitten om uit te rusten. Hij is zo moe, dat hij in slaap valt.

Slaap lekker boer!

 

Dag poes!

De poes is erg lui. Ze slaapt in de zon. Zullen we haar roepen? “Poes, poes!” De poes knippert met haar ogen. Ze rekt haar voorpoten uit en dan haar achterpoten. Ze gaapt en loopt naar haar schoteltje melk. Ze likt van de melk. Mmm, lekker! Dan gaat ze lekker liggen op een warm plekje in de zon en doet haar ogen dicht. Ze slaapt alweer.

Welterusten,  luie poes!

 

Dag koe!

Terwijl de boer slaapt op de bank en de poes in de zon, loopt de koe in de wei. Ze heeft honger. Ze eet veel gras. Nu heeft de koe geen honger meer, maar er zitten vliegen op haar kop. Dat vindt ze niet leuk. Ze schudt met haar kop om de vliegen weg te jagen. Dan loopt ze naar de bak met water en gaat drinken. Ze drinkt heel veel en kan haast niet meer lopen. Haar buik wordt zo zwaar. “Boe, boe, boe”, zegt ze. Ze gaat in het gras liggen.

Tot ziens, koe. Wij gaan verder kijken.

 

 

Dag varken!

Kijk, daar ligt een varken in de modder. Het varken knort, hoor maar! Ze rolt door de modder, op haar zij, op haar rug, op haar andere zij. Ze vindt het lekker en knort nog eens. Dan doet ze haar ogen dicht en wordt het heel stil.

Slaap lekker, varken.

 

Dag vogel!

Terwijl de koe in het gras ligt en het varken in de modder slaapt, zit de vogel in een boom. Hij springt van tak naar tak en kijkt rond. Is er iets te eten? Ja, daar ziet de vogel een dikke vette worm. Hij trekt met zijn snavel de worm uit de grond. Hij ziet op de grond een stukje brood. Hij pikt het op. Dat is ook lekker. Nu heeft de vogel genoeg gegeten en vliegt weg.

Dag vogel, tot ziens!

 

Dag hond!

De hond komt uit de schuur. Hij zoekt de boer. Hij ziet dat de boer op de bank slaapt. Hij kwispelt met zijn staart. Zijn staart gaat heen en weer, van links naar rechts. Hij loopt naar de boer en blaft: “waf waf!” De boer schrikt wakker. Hij aait de hond over zijn kop. De hond blaft nog eens: “Waf, waf!” De hond heeft honger. Hij heeft trek in hondenbrokken. De boer gaat hondenbrokken zoeken. De hond loopt met hem mee.

Dag boer! Dag hond! Tot ziens!

 

 

Het kippetje Ukkepuk

Dat heeft het altijd druk

Op maandag moet het dweilen

Op dinsdag nageltjes vijlen

Op woensdag wormpjes bakken

Op donderdag houtjes hakken

Op vrijdag kippenpap roeren

Op zaterdag kuikentjes voeren

Alleen op zondag heeft het vrijdag dan legt het een gespikkeld ei