IdeeŽn voor rollenspelen met de bovenbouw.

 

Ook voor de bovenbouw kunnen onderwerpen uit het dagelijks leven van de kinderen aanleiding zijn voor een rollenspel.

 

Hoe doe jij dat?

Alledaagse problemen.

Een kind heeft bijvoorbeeld ruzie met zijn ouders, omdat hij altijd om zeven uur in bed moet liggen, of niet mag voetballen. Twee spelers spelen de ouders. De hele groep verzint argumenten voor de ouders. Argumenten waarom het kind van hen niet mag voetballen.

 

Schets daarna deze situatie:

Het is tien voor zeven. Pa staat af te wassen en ma komt juist de kamer in. Ze zet de televisie uit, waarvoor je net lekker was gaan zitten. Wat zou jij doen om te zorgen dat je voortaan niet zo vroeg naar bed hoeft?

 

Om beurten speelt iedereen die daar zin in heeft, hoe hij dat zou aanpakken. De twee kinderen die de ouders spelen, geven steeds tegengas met de argumenten die ze hebben gekregen.

Praat na afloop met elkaar over de beste oplossing en waarom die het beste is.

 

Samen uit, samen thuis?

Schets de volgende situatie:

De spelers gaan met zijn vijven naar de bioscoop. Daar aangekomen heeft iemand zijn geld vergeten; de anderen hebben geen extra geld bij zich. Wat gebeurt er?

 

Na het spel mogen eerst de spelers een reactie geven. Daarna wordt het spel in een kringgesprek met de toeschouwers nabesproken. Hierna kan het spel opnieuw gespeeld worden door andere of dezelfde spelers.

 

Klikken of pikken?

Schets de volgende situatie:

Het is kwart voor vier. De school is al uit. In de klas zijn een paar kinderen om de meester (of juf) te helpen met opruimen. “Meester, mag ik nog een tekening maken op het bord?”, vraagt Glenn. De meester vindt het goed. Tanja en Frank zijn druk aan het vegen. Joost loopt wat rond. Hij is de stoere bink, de sterkste van de klas en speelt vaak de baas. Veel kinderen vinden hem aardig en doen wat hij zegt. Frank is zijn vriendje.

“Telefoon!.” Wordt er geroepen. De meester moet de klas uit. Iedereen is nog druk bezig. Op de tafel van de meester ligt geld dat ’s middags op het plein gevonden is. Joost loopt langs de tafel en pakt bliksemsnel een euro weg. Glenn, die net klaar is op het bord, ziet dat. Hij loopt naar Joost toe en zegt zachtjes: “Joh, leg terug, dat is pikken!”

Joost kijkt om zich heen en zegt dan: “Als je niks zegt, krijg je de helft.”

Glenn twijfelt. “Maar je steelt,” zegt hij. Joost reageert:” Je houdt je kop dicht, anders timmer ik je in elkaar en Frank zal me helpen.” Glenn is een beetje bang voor Joost. Dan zwijgen ze allebei, ze horen de meester aankomen. Gauw zetten ze een paar laatste stoelen op de tafel. Dan zegt de meester ineens: “Hť, daarnet lag hier nog 2 euro 30 en nu nog maar 1 euro 30….”

Wat gebeurt er?

Gaat Glenn het vertellen?

Wat zegt de meester?

Hoe zal Frank reageren?

En Joost?

 

Tijdens de herhaling van het spel kan er dit keer door de toeschouwers ingegrepen worden als zij een goede aanvulling, beter tegengas of een nieuwe opening denken te kunnen geven.

Een kind dat wil inspringen komt binnen vanuit een nieuwe rol, roept “Stop” en neemt het over. De inspringer kan een enkele opening maken, maar ook de hele situatie anders laten verlopen.

De mogelijkheid om in te springen moet duidelijk zijn voordat het spel herhaald wordt, zodat iedereen weet waar ze aan toe zijn. Het is belangrijk deze inspringmogelijkheid goed uit te leggen. Iedere speler moet eerst de kans krijgen zelf uit de verf te komen. Het moet de uitspringers duidelijk zijn dat ze alleen inspringen om het spel te verrijken, niet om zichzelf een spelkans te geven.

 

Laat de kinderen daarna een vervolg op het eerste spel voorbereiden en speel het uit. Bijvoorbeeld

ō      Glenn en Joost buiten

ō      Meester roept de vader en moeder van Joost op school

ō      Vader en moeder van Joost thuis.

 

Open rollenspel: Gaan we zondag naar oma?

Schets de volgende situatie:

De spelers vormen de familie Van den Brand: vader, moeder, zoon Maarten en dochter Yvonne. Het is zondag en zoals gewoonlijk bereiden ze zich voor om naar oma te gaan. Oma woont in een flat. Op zondag komen daar altijd de andere ooms en tantes. De kinderen moeten zichzelf bezig houden. Als de familie ’s morgens koffie drinkt, vraagt ťťn van de kinderen: “Gaan we nu alweer naar oma?” Er ontstaat een gesprek dat gespeeld wordt. Laat de spelers eerst de kaartjes lezen waarop de rollen staan.

 

Rol van vader:

Vader is ongeveer veertig jaar. Hij is niet zo actief, hij houdt van zijn zondagsrust en heeft geen zin om gezellige dingen te bedenken.

 

Rol van moeder:

Moeder is ongeveer veertig jaar. Ze vindt dat ze elke zondag naar oma moet gaan. Ze probeert de kinderen over te halen om mee te gaan.

 

Rol van Maarten:

Maarten is acht jaar en wil helemaal niet naar oma. Hij gaat liever met zijn vriendjes spelen.

 

Rol van Yvonne:

Yvonne is twaalf jaar en wil graag met zijn allen op zondag iets leuks doen. Ze vindt niet dat je elke week naar oma hoeft.

 

De nabespreking concentreert zich op reŽle en irreŽle argumenten. Het wordt duidelijk of de groep oplossingen van de spelers accepteert of heel andere mogelijkheden ziet. Het spel kan eventueel opnieuw gespeeld worden door andere kinderen.