Voorbeeldles ‘Spel’ in de middenbouw(kan ook goed in de bovenbouw): spreekwoorden.

 

 

Introductie.

Vertel iets over spreekwoorden. Waar zijn ze voor, wie kent er een enzovoort.

 

Inleiding 1 (warming up waarin kernvaardigheden worden getraind).

‘We hebben net een paar spreekwoorden benoemd. Je kunt daar uit kiezen of er zelf nog een kiezen. Speel iets uit dat spreekwoord, het publiek raadt wat het is (d.m.v. het opsteken van vingers)  en uit welk(e) spreekwoord(en) het kan komen’ .

Geef zelf een voorbeeld: je speelt bijvoorbeeld een paard, de kinderen raden wat het is en benoemen het bijbehorende spreekwoord. Daarna komen een aantal kinderen naar voren die zichzelf daarvoor aanbieden.

 

Inleiding 2 (warming up waarin kernvaardigheden worden getraind).

Benodigdheden: voor ieder kind een kaartje/briefje, in totaal 4 of 5 categorieŽn. 

‘Je trekt een kaartje uit deze hoed. Op dat kaartje staat een dier of andere rol uit een bepaald spreekwoord. Je buurman of buurvrouw mag niet weten wat jij op je kaartje hebt. Loop gewoon door de klas. Als ik in mijn handen klap dan speel je lopend wat er op je kaartje staat en zoek je de andere kinderen op die hetzelfde spelen. Ga bij elkaar aan de kant zitten’.

 

Kern (in groepjes werken).

Benodigdheden: 4 of 5 kaartjes met een spreekwoord.

‘Het groepje dat je nu bij elkaar hebt gezocht wordt ook het groepje waar je deze opdracht mee gaat voorbereiden: je krijgt van mij een kaartje met een spreekwoord erop. Bespreek wat het betekent en bedenk een verhaaltje waaruit duidelijk wordt om welk spreekwoord het gaat. Verdeel de rollen en studeer het in.’

 

 

Het werk wordt bekeken en nabesproken.

 

Afsluiting.

‘Je hebt nu de figuurlijke betekenis van het spreekwoord gespeeld. Je krijgt tien tellen de tijd om de letterlijke betekenis in te studeren. Nu mag je dus echt een schaap spelen die over de dam gaat’.

Daarna wordt het snel na elkaar opgevoerd.

 

 

 

 

 

Aandachtsmpunten in de begeleiding (algemeen).

 

 

 

Acteerspel kan men o.a. met de volgende vragen nabespreken.

 

 

 

H. de Nooij