Taalspelletjes.

 

Benodigdheden: pen en papier, mime estafette kaartjes, bord of fly over.

 

Introductie.

In tweetallen. A speelt dat hij een voorwerp gebruikt, B noemt een beroep dat zo’n voorwerp dagelijks nodig heeft. Daarna noemt A eventueel het beroep dat hij in zijn hoofd had en wisselen de spelers.

Bijvoorbeeld: A speelt dat hij knipt met een schaar, B zegt kapper.

! Je mag het gebruik van wapens niet uitbeelden.

 

Kern.

In een halve kring. Schrijf een woord op het bord, het liefst een waar geen dubbele letters in voor komen. Iedere letter van het woord is de startletter van een te spelen werkwoord. Bespreek welke werkwoorden aardig zijn om uit te beelden en bespreek de betekenis van die werkwoorden. Geef wanneer jij dat nodig acht aan welk soort woorden je straks niet uitgebeeld wilt zien.

Maak groepjes (zie theoriereader) en geef ieder groepje een kaartje met daarop een woord, de woorden op de kaartjes hebben allemaal hetzelfde aantal letters. De kinderen noteren het woord en kiezen werkwoorden uit zoals hierboven staat beschreven.

De groepjes voeren de werkwoorden (die samen het z.g. stamwoord vormen) uit, het publiek noteert de werkwoorden en probeert zo het stamwoord bij elkaar te puzzelen. Het uitvoeren van de werkwoorden gebeurt op “leesvolgorde”, het werkt het beste als steeds één kind een werkwoord uitbeeldt. Pas als alle groepjes hebben uitgevoerd worden de stamwoorden (de door jou opgegeven woorden) besproken.

 

Afsluiting.

Mime Estafette. De helften van de klas zitten in twee rijen tegenover elkaar, aan het hoofd van iedere rij staan twee stoelen haaks op de rijen. Op de buitenste stoelen liggen twee stapels met evenveel kaartjes, op die kaartjes staan werkwoorden. De eersten in de rij pakken een kaartje, lezen die, leggen hem op de andere stoel met de letters naar beneden, gaan naar hun team, mimen hun werkwoord en als het geraden is sluiten ze achter in de rij aan. De tweede pakt een kaartje enz. Welk team is het eerste klaar ?

Werkwoorden: lachen, lopen, zwaaien, slaan, tanden  poetsen, sluipen, dansen, huilen, zingen, fietsen, auto rij­den, paard rijden, zwemmen, timmeren, zagen, tekenen, typen, huppelen, koken,

schie­ten, skiën, tennissen, golfen, touwtje sprin­gen, schrij­ven, dwarsfluit spelen, eten, drinken, vliegen, scheppen, sla­pen, honkballen, viool spelen enz.

 

Let op: mime estafette mag enkel als kernactiviteit gegeven worden als er minimaal twee inleidende oefeningen aan vooraf zijn gegaan.

 

 

 

H. de Nooij