Dramales voor groep 3/4

Thema: zomer
Dramawerkvorm: uitbeelden
Ruimte: speellokaal
Materiaal:

Doelen:

- leerlingen kunnen iets uitbeelden in beweging, houding, gebaar en
mimiek
- leerlingen kunnen zelf een verhaal, uitbeelding bedenken en dit toepassen
- leerlingen leren aan de hand van gegevens zelf uitbeeldings mogelijkheden
te gebruiken

Inleiding:
U zit met de kinderen in de kring. U voert een kort gesprekje over 'op
vakantie gaan'.
Wie gaat er op vakantie? Waar naartoe? Wat ga je zoal doen in de vakantie?
Vertel dat u wat gaat uitbeelden wat u in de vakantie gaat doen. Beeld
daarbij een eenvoudige handeling uit, zoals zwemmen, lezen of een kasteel/
museum bezoek enz.
Vraag na afloop of de kinderen konden zien wat het was? Vraag dan aan de
kinderen wie het ook op die manier kan laten zien wat hij/ zij in de
vakantie gaat doen. Er mag slechts één ding per persoon worden uitgebeeld.

Kern:
Vertel aan de kinderen dat u net alsof doet dat u samen met de klas op
vakantie gaat, naar een ver en vreemd land. Eerst moeten er spullen worden
ingepakt. Wat nemen we mee? Noem samen met de kinderen een aantal dingen op.
Waar stoppen we alles in? Bijvoorbeeld in een koffer of rugtas. Welke
kinderen kunnen uitbeelden welke spullen zij in een tas, koffer of iets
anders stoppen. Andere kinderen moeten door de handeling te weten komen wat
er in de tas gaat. Wie kan laten zien met welk vervoermiddel we moeten
reizen? 1 kind kunt u dit voor laten doen, daarna herhaalt de rest van de
klas deze handeling.

Groepjes maken
U zit nog steeds met de kinderen in de kring, u vertelt kort dat niemand de
taal van het land kent. Toch wil je duidelijk maken wat je bedoelt. Je moet
gebruik maken van een soort gebarentaal. Heeft iemand dat wel eens
meegemaakt?
U verdeelt de kinderen in groepjes van 3 of 4 kinderen. Ieder groepje krijgt
één opdracht mee om daar een kort spel van te maken.

* Deze opdrachten zijn te vinden om de bijbehorende kaartjes. Door de
opdrachten moeilijker of makkelijker te maken kunt u variëren. (zo kunnen de
moeilijkere opdrachten misschien beter voor groep 4 worden gebruikt, maar
groep 3 mag ze ook proberen).

Voorbeelden van de opdrachten zijn:
· koop een brood bij de bakker;
· vraag iemand op straat de weg naar het zwembad;
· vraag iemand de weg naar het restaurant;
· bestel in een restaurant een kopje soep;
· bestel in de snackbar een patatje met mayonaise;
· vraag aan vreemde kinderen of ze met jou verstoppertje willen spelen;
· vertel de politie dat je portemonnee is gestolen.

Wat moeilijke opdrachten:
· vraag aan mensen op straat hoe laat het circus begint
· vraag aan mensen op straat tot hoe laat het zwembad open is
· vraag aan iemand op straat de weg naar het museum;
· maak de dokter duidelijk dat je buikpijn hebt en je wilt weten of daar
medicijnen voor zijn
· maak de verkoper van de winkel bij het afrekenen duidelijk dat je, je
portemonnee verloren bent;
· kom terug in de winkel waar je per ongeluk een melkpak hebt gekocht,
terwijl je een melkfles moet hebben
· maak duidelijk dat je een groot ijsje met 3 bolletjes en chocolade wilt
hebben.

Ga als leerkracht langs de verschillende groepjes en bied hulp nodig daar
waar nodig is. Geef aan welke rollen in het spel belangrijk zijn en dat
ieder van de gebarentaal gebruik moet maken.