Drama-activiteiten
Februari 2003
Thema: carnaval

Opwarming
1. Instrumenten uitbeelden
De kinderen zitten in de kring. Om de beurt beelden ze een
muziekinstrument uit door te doen alsof ze erop spelen. De
anderen proberen te raden welk instrument uitgebeeld wordt.
2. De levende piano
Laat de kinderen een carnavalsliedje kiezen (oefen dit
eventueel van te voren).
Een aantal kinderen gaan met de armen vooruit gestoken naast
elkaar staan in een rij. Zij vormen de piano. Elk kind in de rij
krijgt een of meerdere woorden uit het liedje toegewezen. Een
kind gaat de piano bespelen door op de armen van de kinderen te
tikken. Als hij op de armen van een kind tikt, zingt dit kind
zijn woord(en). Uiteraard moet de pianospeler het liedje in de
juiste volgorde spelen. Bouw deze oefening langzaam op, begin
bijvoorbeeld met een zin uit een liedje.
3. Welk instrument ontbreekt?
De kinderen zitten in een kring. Een aantal kinderen krijgt
een instrument (dit kunnen ook zelfgemaakte instrumenten zijn,
als ze maar verschillen in geluid). Om de beurt benoemen de
kinderen hun instrument en laten ze horen hoe het klinkt. Een
kind gaat buiten de kring staan met zijn rug naar de kring toe.
De kinderen laten allemaal tegelijkertijd hun instrument horen
totdat jij aangeeft dat ze moeten stoppen. Het kind buiten de
kring luistert goed. Opnieuw mogen alle kinderen hun instrument
laten horen behalve een kind, dat jij aangewezen hebt. Het kind
buiten de kring moet luisteren welk instrument ontbreekt.
4. Wat was de volgorde?
Een aantal kinderen hebben een instrument. Een kind gaat
buiten de kring staan met zijn rug naar de kring toe. De kinderen
laten om de beurt hun instrument horen in de volgorde die jij
aangeeft. Het kind buiten de kring luistert goed en probeert de
volgorde te benoemen of aan te wijzen.
5. Imitatiespel
Twee groepen kinderen zitten in een rij met de rug naar elkaar
toe. Iedere groep heeft dezelfde instrumenten. Jij laat,
onzichtbaar voor de andere groep, een kind uit de ene groep op
het instrument spelen. Het kind uit de andere groep met hetzelfde
instrument moet op dit geluid antwoorden.
Kernactiviteit
Ik heb een aantal rollen beschreven, die allemaal
verschillende karaktereigenschappen, gedragingen en manieren van
bewegen hebben. Vertel de kinderen over de verschillende rollen
en laat hen de rollen om de beurt of allemaal tegelijk uitbeelden.
Let erop dat de specifieke eigenschappen van de rollen goed
uitgebeeld worden.
Bedenk samen met de kinderen een korte scene (toneelstukje)
waarin drie van de rollen aan bod komen. Dit doe je aan de hand
van de begrippen: wie (welke rollen doen mee?), waar
(waar speelt het zich af?) en wat (wat gebeurt er?). Op
deze manier ontstaat er een kort verhaaltje. Let erop dat de
kinderen slechts een gebeurtenis kiezen bij het begrip wat.
Bijvoorbeeld: de piraat valt in het water.
Laat om de beurt een groepje van drie kinderen de scene
spelen, waarbij er opnieuw gelet wordt op het goed uitbeelden van
de verschillende rollen. Er kunnen meerdere scenes bedacht en
gespeeld worden.
Je kunt er ook voor kiezen de klas in groepjes van drie te
verdelen en ze zelf een scene laten bedenken met de begrippen
wie, waar en wat. De groepjes hebben dan allemaal verschillende
scenes die ze aan elkaar kunnen laten zien.
Het is natuurlijk leuk om in verband met carnaval gebruik te
maken van kleding en/of maskers !
De rollen:
1. Piraat
Eenoog =
klein, maar sterk. Hij heeft echte spierballen en kan wel 10
kisten vol met goud optillen met slechts 1 vinger. Hij heeft een
beetje een kromme rug en loopt daardoor gebogen. Piraat eenoog is
vriendelijk, maar je moet niet aan zijn goud komen, want dan
wordt hij heel boos.
2. Clown
Bassie =
een beetje onhandig. Hij struikelt overal over en moet dan hard
huilen. Maar gelukkig is dat verdriet snel over. Bassie haalt
graag grapjes uit. Een keer heeft hij Piraat Eenoog een kopje
koffie gegeven met wel drie scheppen zout erin. Piraat Eenoog
vond dat niet zo leuk, maar Bassie blijft er een hele dag om
lachen.
3. Prinses
Esmeralda =
een hele mooie prinses. Ze draagt altijd mooie jurken en haar
haren zijn van goud. Op haar hoofd draagt ze een kroontje met
echte diamanten erop. Ze loopt heel langzaam en sierlijk met haar
hoofd zo recht mogelijk, want ze is bang dat ze haar mooie kroon
kwijtraakt.
4. Cowboy Bob
=
een stoere man. Op zijn paard is hij de snelste van het hele land.
Cowboy Bob is een hele slimme cowboy en een echte held. Een keer
heeft hij Prinses Esmeralda gered uit de handen van de gemene
heks. Hij vertelt dit verhaal aan iedereen die het maar horen
wil, want hij is er erg trots op. Op zijn borst draagt hij een
echte medaille en die laat hij maar al te graag zien.
5. De grote
leeuw =
lui. Hij is eigenlijk altijd moe. Als hij wat gegeten heeft is
hij alweer moe en gaat hij slapen. Als iemand hem dan wakker
maakt, brult hij hard. Maar ook daar wordt hij weer moe van en
dus gaat hij maar weer slapen. Als hij ergens naar toe moet,
loopt hij heel sloom en daardoor duurt het heel lang voordat hij
op de juiste plaats aankomt.
6. Tovenaar
Hocus Pocus = een drukke man. Hij
is altijd in de weer met potjes en pannetjes om nieuwe
toverdranken uit te vinden. Doordat hij het altijd heel druk
heeft, let hij niet altijd goed op wat hij doet en dan gaat er
wel eens iets mis. De staart van de grote leeuw is niet voor
niets een beetje korter dan bij een andere leeuw.
7. Heks
Camilla =
een hele gemene heks. Ze is lelijk, heeft een kromme neus,
wratten op haar kin en hele lange nagels. Haar haren lijken wel
van stro. Ze is daarom jaloers op de haren van Prinses Esmeralda.
s Nachts trekt ze er stiekem op uit om de haren van de
prinses te stelen. Dat is haar nog steeds niet gelukt en daar is
ze heel boos over. Heks Camilla is dan ook nooit vrolijk.
Afsluiting
Laat de
kinderen om de beurt een rol uitbeelden. De andere kinderen raden
welke rol uitgebeeld wordt