voorbereidingsformulier A • Lesbeschrijving

Voorbeeld

 

              ereidingsformulier A • Lesbeschrijving

 

Student:                                     Dina (Dekker)Mommertz            Mentor:                       Irene Braspenning

Jaargroep :                    1                                             Aantal leerlingen:       22

Groep:                           1x                                            Vak:                            Drama

Begeleidingsdocent:      Connie Hofstee                         Praktijkschool:            Ter Cleeff

Tijdvak:                          april  tot juni 2003                     Datum:                        15 mei  ’03

 

 

Beginsituatie (betekenisverlening, motieven, actueel ontwikkelingsniveau) Voor de kinderen

 

Beginsituatie:. Er wordt op school regelmatig aan drama gedaan. Bij elke projectopening- en sluiting is er een open podium.

Betekenisverlening: door realistische handelingen te gebruiken.

 

 

 

Bedoelingen (brede ontwikkeling, specifieke kennis en vaardigheden) Voor de kinderen

 

Brede ontwikkeling: zich kunnen uiten, improviseren.

Specifieke bedoelingen: De leerlingen kunnen een situatie uitbeelden en herkennen.

 

 

Te oefenen competenties / gedragsindicatoren Voor de student

 

4.2          Overdenkt vooraf probleemsituaties en bereidt zich daarop voor.

4.3          Schept duidelijkheid met regels en routines       

 


 

 

Voorbereidingsformulier A • Lesbeschrijving

 

Activiteitenaanbod

 

I.     P.   W:         Activiteiten van de kinderen:                Activiteiten van de leerkracht:        Tijd:

              

 
 

 

 


i

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

P

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

w

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

w

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De kinderen luisteren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De kinderen beelden uit

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De kinderen vertellen hoe ze het vonden

 

 

 

 

 

Daarvoor maken we wel de volgende afspraken:

Rustig er naar toe lopen, niet rennen geen lawaai.

In het lokaal gaan we allemaal in een kring zitten.

Als iedereen rustig zit zal ik gaan uitleggen wat we gaan doen.

 

Als we in het lokaal blijven, dan zetten we de tafeltjes wat aan de kant.

 

We beginnen met een opwarmspel:

Het doorgeven van een een voorwerp. Ik begin met een grote bal.

Als de bal rond is geweest, dan gaan we het voorwerp veranderen.

Ik begin met een stuk kauwgom onder mijn schoen dat ik doorgeef.

 

 

Ik vertel dat we zometeen gaan oefenen hoe je in een tableau kan gaan staan.

Weet iemand wat dat is?

 

(een soort foto,  of b.v. als je het beeld even stil zet op een video.)

 

Je maakt dan dus geen beweging en geluid meer.

We gaan het oefenen door allemaal boos te gaan zitten. JE BENT WOEDEND. Als ik in mijn handen klap dan bevries je.

Nabespreken: kon je het goed zien? Aan wie het beste?

We oefenen dat met:

Verdrietig-stoer-slaperig.

 

Ik vertel dat ze nu mogen proberen om precies zo te gaan staan als op de foto die ze straks van mij krijgen. Als er meer mensen op staan dan in je groepje dan kies je er een paar uit.

Ik verdeel de klas in vijf groepen d.m.v. van nummers van 1-5.

 

Ik geef ze een foto en wijs een plekje aan waar ze kunnen oefenen. Als ze klaar zijn mogen ze om de beurt hun foto tonen aan de rest.

 

DE FOTO KOMT TOT LEVEN

 

Ik vertel dat ze opnieuw om de beurt in de foto mogen gaan staan. Echter als ik in mijn handen klap komt de foto tot leven. Dan mag je dus wel praten en bewegen.

Als ik weer in mijn handen klap, sta je weer stil.

 

KERN

 

Ieder groepje mag nu gaan bedenken wat er aan de foto is voorafgegaan. Dat hoeft maar een kort verhaaltje te worden. Dat mogen ze daarna naspelen en dan is het de bedoeling dat ze in het tableau eindigen. Ze moeten afspreken wie het klapsignaal geeft om te 'bevriezen'.

 

PRESENTATIE

 

Ieder groepje toont ongeveer 4 minuten het stukje.

 

AFSLUITING

 

Ik spreek met de kinderen de stukjes na

Wat vonden ze  goede uitdrukkingen?

Wat was een goed stuk?

 

 

(als er nog tijd over is, kan het volgende spel nog gespeeld worden als afsluiting)

 

Domino

Je mag niet praten, alleen uitbeelden.

         Straks allemaal een kaartje waar iets op staat wat je moet uitbeelden.

         Goed opletten, want er zijn er twee van

         Heb jij hetzelfde dan ga je meedoen met de anderen

         Dan gaat de ander weg, en beeld je de tweede handeling uit op je kaartje.

         Zo gaat het maar door.

         Ik doe het voor en begin zo.

 

Nabespreken.

Hoe vonden jullie het?

Moeilijk?

 

Inspringspel

 

         Geen pantomime, wel praten

         Begint met 1 speler

         Als ik klap kunnen kinderen hun vinger opsteken om mee te gaan doen.

         B.v. het begint met een dokter, dan een patiŽnt, moeder van een patiŽnt, dokter-assistente.

         Na vijf kinderen stopt het, en begint er weer een nieuwe situatie.

Tot slot weer nabespreken

 

Hoe vonden jullie het?

Moeilijk? Wat was er moeilijk/makkelijk

Keken de kinderen goed naar elkaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5  minuten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

10 min

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

10 min

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

35  minuten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

35 minuten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal: 55

minuten

 

 

  


 

Voorbereidingsformulier A • Lesbeschrijving

 

Bordgebruik

 

n.v.t.

 

Inrichting van klas/ruimte

 

 

Speellokaal, kinderen zitten in een kring.

 

 

 

 

Organisatie (groeperingvormen, leer- en hulpmiddelen, gebruik van ICT-programmatuur, etc.)

 

 

 

 

Betrokkenheid (hoe te realiseren?; hoe vast te houden?; hoe te herstellen?)

 

Door veel te laten doen, zelf te laten verzinnen.

 

 

 

Aandacht voor verschillen (zorgverbreding, NT2, ICO)

 

 

 

 

Zelfevaluatie: (wat deed ik goed?; gedragsindicatoren, wat kan ik verbeteren?; wat is mijn vervolgaanbod?; in

hoeverre heb ik aan mijn competenties gewerkt?)