Kijkopdrachten
bij dramalessen.
In een spelles streven we ernaar
alle kinderen actief bij het gebeuren te betrekken.
Kijkopdrachten waarover na afloop iets verteld mag worden, helpen
de toeschouwers zich op het spel te concenteren.Door bij ieder
spel een andere kijkopdracht te geven, houd je de nabespreking
levendig.
Afhankelijk van de vorderingen van
de spelers worden de kijkopdrachten gedetailleerder. Stel open
vragen en wees geïnteresseerd in de mening, ervaring en
ontdekking van het kind. Gesloten vragen kunnen soms helpen bij
de analyse van concrete opdrachten.
Waak ervoor dat er te veel gepraat
en te weinig gespeeld wordt.
Hou de nabespreking positief, zorg
dat het spel niet wordt afgekraakt.

Voorbeelden van
kijkopdrachten:
( om het spel te verbeteren.
Kijkopdrachten over de inhoud zijn afhankelijk van de inhoud en
moeten dus zelf bedacht worden.)
Wie kan er wat zeggen
over het samenspel?
- Wanneer werd er goed
samengespeeld?
- Kwamen alle spelers goed tot
hun recht?
- Hoe is er geprobeerd de stille
spelers naar voren te halen?
- Waren er spelers die de rest
"buiten spel" zetten?
- Waardoor kwam dat?
- Wie speelden er veel samen?
- Tussen wie was er geen
contact?
- Tussen wie zou er meer contact
kunnen zijn?
- Was er ook samenspel zonder
woorden?
Wie kan er wat zeggen
over iedere rol?
- De persoon: Waaraan is
te zien dat deze persoon jong, oud, chic, volks, geleerd,
eenvoudig, verlegen, verwaand (etc.) is? ( denk aan
bewegingen, houdingen, handelingen)
- De stemming: wordt het
duidelijk welke stemming deze persoon heeft? Blijft deze
stemming hetzelfde? Zo niet, waarom verandert die?
Waaraan is dat te merken? ( Denk aan bewegingen,
houdingen, handelingen)
- De spel-kracht: Welk
moment was het sterkst van deze figuur? Hoe speelde zij
haar rol als anderen de aandacht hadden? Welke adviezen
wil je haar geven als ze dadelijk het spel mag herhalen?
Wie kan er wat zeggen
over de opbouw van het verhaal?
- Kan het verhaal in het echt
ook zo verlopen?
- Zitter er onlogische stukjes
in die storen?
- Heeft het een duidelijk begin?
- Heeft het een duidelijk einde?
- Gaat het verhaal meteen van
start of komt het traag op gang?
- Komt het einde op het goede
moment of had het eerder afgelopen kunnen zijn?
- Kent het spel saaie momenten
of blijft de spanning voelbaar?
- Welke stukjes zou je eruit
laten en waarom?
Wie kan er wat zeggen
over het decor en de attributen?
- Het decor: worden alle
mogelijkheden ervan gebruikt? Is het overbodig?
- De attributen: worden
ze echt gebruikt? Zijn ze overbodig?
- De kostuums: versterken
de kleren de rol? Zij de kostuums overbodig? ( Als er
geen kostuums zijn, kunnen we na afloop vragen: "
Vertel eens hoe het kind dat deze rol speelt zich had
kunnen verkleden?" )
Wie kan er wat zeggen
over het technisch spelen?
- De spelers: zijn ze
goed zichtbaar en verstaanbaar?
- Het spel: staan de
kinderen vaak stil als ze praten? Spelen de kinderen
tijdens het gesprek door in handelingen en bewegingen?
- De situatie: is het
duidelijk waar het spel zich afspeelt? Waaraan zie je
dat?
- De spanningsopbouw:
groiet de spanning gedurende het spel? Hoe wordt dat
bereikt? Hoe kan het beter?
Uit: Het rijk der verbeelding
van Lidwine Janssens

