Anette                groep:   middenbouw/bovenbouw  

Werkvorm:

Verhalen vertellen

Doelen:

De leerlingen leren te associėren op een gegeven woord en gevoel.

De leerlingen leren wat djabbertaal is.

 

Opstelling/ruimte:

De leerlingen zitten in een kring. De les wordt gedaan in het klaslokaal.

 

Materiaal:

Geen.

 

Inleiding:

Associatieoefeningen:

Ų      Gedachtesprong op woorden: Start met één woord, de kinderen associėren steeds verder op het laatstgenoemde woord. Bv. Stoel-tafel; tafel-eten; eten-honger; honger-buikpijn; buikpijn-ziek; ziek-ziekenhuis; etc.

Ų      Associatie op gevoelens: Met een zin reageren op een emotie. Daarop verder associėren. Zo ontstaat een verhaal. Bv. Ik ben toch zo moe- Ja ik heb hard gerend- Nu heb ik ook nog pijn aan mijn enkel- Die heb ik verstuikt- Toen moest ik verder kruipen- Dus mijn knieėn doen ook nog pijn- etc.  Je kunt hier diverse gevoelens en emoties voor gebruiken.

 

Kern:

Ų      Djabberen: Onzintaal. Na elkaar wat in djabbertaal zeggen.

Ų      Djabberen op een lied: Je kiest een lied dat de kinderen goed kennen. Je gaat nu met de kinderen het lied in djabbertalk zingen.

Ų      De tolk: Er wordt in drietallen gespeeld. De interviewer, de tolk en de geļnterviewde. De tolk is degene die de vragen en antwoorden in djabbertalk vertaalt. De geļnterviewde djabbert, de tolk vertaalt in Nederlands, de interviewer stelt een vraag, de tolk vertaalt in djabbertalk, de geļnterviewde antwoord in djabbertalk, etc.

 

Afsluiting:

Welk verhaal heb ik in mijn hoofd?:

De leerkracht vertelt dat hij/zij een verhaal wil gaan vertellen. De kinderen moeten raden waar het over gaat. De leerkracht past het verhaal aan aan datgene dat de kinderen bedenken.