Tableau Vivant

Letterlijk betekent het: levend schilderij. Het beeld wordt gevormd door een groep mensen die op een bepaalde manier ten opzichte van elkaar liggen, zitten of staan. Het gaat om de compositie. De houdingen die de mensen aannemen, moeten karakteristiek zijn voor de situatie die ze uitbeelden. De bewegingloze uitbeelding heeft tot doel het meest kenmerkende van een bepaald thema, een idee, een scène te isoleren en zichtbaar te maken. Bij tableaus ligt het accent op de vaste spanning in houding zonder beweging en stem. De spieren moeten gespannen worden, anders is de houding leeg en mist uitdrukkingskracht.

Deze werkvorm leert kinderen nadenken over de essentie van zaken, hun lichaamsexpressie en mimiek maximaal te gebruiken. Voordeel is dat de tableaus goed geoefend, herhaald, besproken en gecorrigeerd kunnen worden. Een heldere en veilige oefening om mee te beginnen. Daarnaast zijn tableaus vaak prachtig om te zien en een bruikbare vorm bij presentaties en voorstellingen.


 

Pantomime

Bij deze werkvorm wordt met het hele lichaam uitgebeeld, vooral zonder daarbij de stem te gebruiken of anderszins ondersteunende geluiden te maken. De handeling die wordt uitgebeeld moet nauwkeurig naar de werkelijkheid worden nagebootst en vergroot.

Deelgebieden van de pantomime zijn:

Denkbeeldige voorwerpen: Bv de transformatiekring, waarbij in een kring een voorwerp wordt doorgegeven. De aanpakker houdt eerst duidelijk dezelfde vorm en transformeert naar een ander voorwerp, geeft weer dorr, etc.

Denkbeeldige ruimtes: Bv. een denkbeeldig muurtje of kamer

Denkbeeldige krachten: Bv. touwtrekken en ballonnen

Denkbeeldige personages: Bv. geïnspireerd op dieren een type maken


 

Vertelpantomime

Wanneer een verhaal wordt voorgelezen, is practisch de enige eis die aan het verhaal wordt gesteld dat het aantrekkelijk moet zijn voor kinderen. Bij een vertelpantomime moet het verhaal echter ook uit te beelden zijn. Dat wil zeggen dat het verhaal handelingen moet bevatten voor de spelers. Daarnaast moet de voorlezer de spelers de ruimte geven om de handelingen en de eventuele dialogen uit te beelden.

Het verhaal wordt verteld door een verteller en tegelijkertijd door kinderen uitgebeeld. De vertelpantomome kan door een groepje kinderen worden gespeeld of door de gehele groep. Het is een werkvorm die de kinderen veiligheid biedt, want ze spelen binnen de bescherming van de groep. Ze hoeven ook nooit het gevoel te hebben dat het verkeerd is wat ze doen, want het spel wordt door de verteller aangegeven. Toch kunnen de kinderen binnen deze beperking hun fantasie laten gaan en vorm geven.

Voorwaarden voor een vertelpantomime zijn:

  • Het verhaal moet in de tegenwoordige tijd worden verteld

  • Het moet steeds over één en dezelfde rol of groep gaan, anders weten de kinderen niet welke rol ze moeten kiezen

  • Het verhaal moet vol acties zitten, waardoor de kinderen voortdurend pantomimisch handelen of bewegen

  • De kinderen moeten geen tekst hoeven zeggen, want dat zou de concentratie verstoren en verdere begeleiding onmogelijk maken

  • De verteller moet spontaan en enthousiast vertellen en ingaan op wat de kinderen aan het doen zijn, waardoor het verhaal voortdurend kan veranderen.

  • De structuur van het verhaal moet eenvoudig en kort zijn

  • Het verhaal moet aansluiten bij de beleving van de kinderen


 

Verhalen vertellen

Er zijn veel verschillende soorten verhalen, verhalen hebben verschillende "leidmotieven", ze hebben een opbouw en makene gebruik van de 5 W's, Wie, Wat, Waar, Wanneer en Waarom.

Bij verhalen vertellen kan gebruik gemaakt worden van bestaande verhalen, verhalen n.a.v. iets of ze kunnen volledig aan de fantasie van de verteller(s) zijn ontsproten.

Het vertelde verhaal moet aansluiten bij het gehoor.

Bij verhalen vertellen zijn er oefeningen

  • om de techniek, het instrument te trainen ( stem, emotie, lichaam en beweging)

  • om de manier van vertellen te oefenen ( vanuit een rol, met voorwerpen, spelen in het verhaal, publiekscontact)

  • om de inhoud vorm te leren geven ( opbouw, gebruik 5 W's, fantasie trainen)

  • om samen een verhaal te vertellen ( samenwerken, accepteren)


 

Poppenspel

Verschillende poppen:

  • handpoppen

  • marionetten

  • stokpoppen

  • stangpoppen

  • sokpoppen

  • vingerpoppen

  • gegrimeerde handen

  • flexibele knuffels

  • zelgemaakte of gekochte poppen

  • realistisch, karikaturaal of veel aan de verbeelding over latend

Voor en achter de kast:

Voor de kast kan een poppenspeler ook een rol spelen en is de interactie met het publiek makkelijker. Je ziet elkaar. Achter de kast is de concentratie op het spel groter en kan er gebruik gemaakt worden van decors. Wat je kiest is daarnaast een kwestie van persoonlijke voorkeur. De poppenkast kan een "echte" zijn of iets wat je zelf maakt van het schoolbord of een tafel op zijn kant. Als je niet achter de kast speelt kan je jezelf en je pop ook in een decor zetten. Een scene wordt heel anders als je hem voor het bord, in een mooie pauw-stoel of voor de vensterbank met een woud van planten speelt.

Als je alleen twee of meerdere poppen bespeelt zorg dan voor een verhaal waarin dat praktisch mogelijk is. En voor duidelijk verschillende karakters in beweging en stem.


  Schimmenspel

Schimmenspel is een vormgevingsmiddel om verhalen, scènes of situaties te presenteren aan een publiek. Spelen met een schimmendoek heeft voor kinderen iets magisch, ze zien allerlei figuren, kleuren en vormen en willen meestal meteen iets engs achter het doek doen. Voor sommige kinderen werkt het doek als een plaats waarachter ze zich spelenderwijs kunnen verstoppen.

Schimmenspel is als volgt te verdelen in:

  • Levend schimmenspel: waarbij de schaduwen van de kinderen te zien zijn op een groot doek.
  • Schimmenpoppenspel: waarbij met platte figuren achter een klein doek wordt gespeeld.

Beide vormen zijn zeer geschikt voor presentaties. Zorg er wel voor dat de poppen bij het poppenschimmenspel niet te klein zijn.

Vor het oefenen is het soms mogelijk om meerdere kleine doeken in een aula of speelzaal op te hangen, zodat er met een aantal groepjes tegelijk geoefend kan worden. Er zijn dan ook meer lampen nodig. als de kleine doeken bij de presentatie naast elkaar gehangen worden, vormen zij een groot schimmendoek.

Zorg dat er niet te veel kinderen tegelijk achter het doek spelen, de schaduwen overlappen elkaar en er is dan vrijwel niets meer te onderscheiden.

Als er met één doek gewerkt wordt en de groepjes om beurten een scène moeten oefenen en herhalen, geef de kinderen aan de kant dan bv. een stripboek, zodat ze, als ze uitgekeken zijn, elkaar niet afleiden.

Sta als leerkracht bij de presentaties aan de zijkant van het doek, zoadat u zowel de kinderen voor als achter het doek kunt zien en begeleiden.


  De spelelementen WIE-WAT-WAAR

Dramatiseren is het omzetten en bewerken van een dramatisch oftewl een speelbaar gegeven. Dit materiaal kan een bestaand verhaal zijn, een stukje dialoog, enkele gegeven handelingen, enz.

Voor het bepalen van een dramatische situatie zijn de volgende vragen van belang:

  • WIE komen er in het verhaal voor ? (de personages)
  • WAAR speelt het verhaal zich af?
  • WAT is er aan de hand? (het conflict)

Het conflict brengt de spanning in het verhaal en maakt de toeschouwers benieuwd naar verloop en afloop van het spel.

De spelelementen:

Elk dramatisch spel bestaat uit een aantal spelelementen. Deze zijn:

  • WIE: de personages in het verhaal, de rollen die zij spelen. Deze personages worden uitgedrukt door housing, handelingen, bewegingen, stem, kleding en attributen.
  • WAT: de inhoud van het spel, het verhaal. Dit verhaal bestaat uit een begin, een hoogtepunt ( verwikkeling ) en een einde.
  • WAAR: de plek waar het verhaal zich afspeelt. Dit is vaak een duidelijk omschreven ruimte, zoals een huiskamer, een lift, een restaurant. Decorstukken als tafels en stoelen kunnen helpen om de ruimtye aan te duiden. Maar ook met pantomimisch spel kan een plek worden gesuggereerd; de spelers maken bijvoorbeeld met handelingen en bewegingen duidelijk dat ze in een auto stappen.
  • WAAROM: de oorzaak van de verwikkeling of het conflict in het spel. Voor de spelers moet vooraf helder zijn waarom alles gebeurt, de toeschouwers komen er tijdens het spel achter.
  • WANNEER: het tijdstip waarop het spel zich afspeelt, bijvoorbeeld midden in de nacht. Een tijdstip kan gekozen worden in het verleden, heden of toekomst, of op een bepaald moment in de dag, de week of het jaar.

Voor beginnende spelers zijn de aspecten WAAROM en WANNEER nog te moeilijk.


  Afspreekspelen

In een afspreekspel overleggen de spelers vooraf met elkaar over het spelverloop. Kenmerkend voor afspreekspelen is dat de spelers van te voren afspraken maken over de spelgegevens: rol plaats, tijd, conflict en motieven. Ze bedenken wie ze zijn, waar ze zijn en op welk moment, wat er aan de hand is en hoe ze daarop zullen reageren. Ze spreken af hoe het spel begint en eindigt.

De aanleiding voor een afspreekspel kan heel verschillend zijn: een onderwerp uit een taalles, een thema, een voorwerp, kaartjes met opdrachten of een spelsituatie die wordt aangegeven door de leerkracht.

Het spannendste moment van de les breekt aan wanneer de kinderen hun spel aan elkaar gaan presenteren. Dan moet iedereen zijn rol spelen en moeten de afspraken kloppen. Vaak loopt tijdens de presentatie een en ander toch anders dan van te voren is bedacht.

Waarom werken met afspreekspelen?

Er zijn meerdere redenen om met afspreekspelen te werken in de groep:

  • Een afspreekspel is voor kinderen een overzichtelijke en hanteerbare spelvorm.
  • Kinderen die nog niet zoveel speldurf hebben, zullen het prettig vinden om vooraf te bespreken hoe ze het spel vorm zullen geven voordat ze iets gaan doen.
  • Afspreekspelen stimuleren de fantasie-ontwikkeling; de kinderen kunnen met elkaar de meest onwaarschijnlijke avonturen verzinnen.
  • Afspreekspelen stimuleren samenspel; de kinderen bedenken met elkaar het spel, maken afspraken en voeren die uit.
  • De kinderen leren om een structuur in het verhaal te brengen: een begin, een hoogtepunt en een einde.

Afspreekspelen lenen zich uitstekend voor:

  • werken aan de vaktechnische kant: structuur, trainen van spelvaardigheden
  • Het bevorderen van de sociale ontwikkeling, door de nadruk te leggen op samenwerking
  • Oefensituaties te creeën waarbij spelenderwijs de woordenschat wordt uitgebreid
  • Tegenstellingen uitwerken in karakters van personen.
  • Het uitbeelden van spreekwoorden en gezegden. In het spel laten de kinderen zien of ze de betekenis hebben begrepen.

Opbouw van afspreekspelen.

Afspreekspelen zullen het beste verlopen in de middenbouw en de bovenbouw. Ze zijn geschikt voor kinderen die al wat spelervaring hebben. Het is belangrijk om van te voren na te gaan of de kinderen in staat zijn om onderscheid te maken tussen de verzonnen werkelijkheid van het spel en de dagelijkse realiteit buiten het spel.

Begin, hoogtepunt en einde.

Zoals elk spel moet ook een afspreekspel een duidelijke structuur hebben: een begin, een hoogtepunt en een einde.

  • Aan het begin moeten de rollen en de plaats waar het spel zich afspeelt duidelijk worden.
  • Op het hoogtepunt moet het conflict helder zijn.
  • Het einde moet de ontknoping, de oplossing van het conflict zijn.

De leerkracht heeft bij afspreekspelen een begeleidende rol. Hij/zij speelt bijna niet mee, maar maakt kinderen enthousiast en ondersteund bij de samenwerking.


  Inspringspelen.

Inspringspelen zijn een vorm van geïmproviseerd spel, waarbij de toeschouwers mogen inspringen in het spel als zij mogelijkheden zien het spel verder te brengen. Spelers kunnen ook UIT het spel stappen als ze niets nieuws meer weten te verzinnen voor de verdere ontwikkeling van het spel.

Iemand laat in een spel bijvoorbeeld zien waar hij is. Zodra een andere speler weet waar het zich afspeelt, kan deze gaan meedoen door in te springen.

Waarom werken met inspringspelen?

  • Kinderen worden uitgedaagd meteen op het spel van een ander te reageren. Dit stimuleert de durf om te spelen.
  • Een inspringspel is vaak spannend en kinderen zijn er sterk bij betrokken.
  • Sommige vormen van inspringspel doen een beroep op het logisch denken, bijvoorbeeld wanneer kinderen inspringen op handelingen die worden uitgebeeld.
  • Inspringspelen dragen bij aan het vermogen van kinderen om zich in te leven in verschillende rollen en situaties.

Opbouw van inspringspelen:

Inspringspelen zijn geen eenvoudige spelvorm. Het kijken naar de beginsituatie van de groep is daarom erg belangrijk.

  • Durven de kinderen in hun eentje iets voor de anderen te spelen?
  • Is er voldoende vertrouwen in de groep, durven ze iets uit te proberen?
  • Het moeten inspringen kan bedreigend zijn. Hou het daarom in het bvegin gemakkelijk en speel als leerkracht mee.
  • Afhankelijk van de spelervaring en het onderlinge vertoruwen kan het inspringen aan meer of minder regels gebonden worden. Veel regels vormen een gesloten inspringspel. Dat is voor kinderen eenvoudiger en daarmee kan dan ook het beste begonnen worden.

De leerkracht heeft een begeleidende rol, maar het stimuleert ook goed om zelf eens mee te spelen. Daarmee kun je het spel in een bepaalde richting sturen en nieuwe uitdaging in het spel brengen.


  Improvisatiespelen.

Het belangrijkste kenmerk van improvisatiespelen is dat de spelers een toneelspel maken zonder van te voren met elkaar te overleggen. Het spel wordt op de speelvloer bedacht. Soms weten de spelers van te voren wie ze zijn, waar ze zijn en wat er aan de hand is. Maar het is ook mogelijk improvisaties te spelen waarbij vooraf zeer weinig gegeven is en dus vrijwel alles tijdens het spel bedacht wordt. Door goed naar elkaar te kijken en te luisteren, en door goed op elkaar te reageren, bepalen de spelers met elkaar waar hun spel over gaat.

Er zijn een aantal spelregels waardoor spelers goed op elkaar leren reageren en meer spelplezier krijgen. Omdat improvisaties door de spelers samen gemaakt worden, moeten zij elkaar kunnen ondersteunen en opvangen in het spel.

  • Je moet als speler meewerken om de spelactie verder te ontwikkelen. Dat is het ACCEPTEREN. Spelers oversien soms niet de consequenties van een spelimpuls van een ander en wijzen die daarom af. Dan loopt het spel vast en voelen spelers zich in de kou staan.
  • Je moet als speler goed naar de andere spelers kijken, want improviseren is samenspelen.

In elk toneelspel hebben rollen een bepaalde verhouding tot elkaar, de zogenaamde STATUS.. Je hebt rollen met een hoge status ( koningin, directeur, dokter, kapitein op een schip) en je hebt rollen met een lage status ( lakei, kantoorklerk, patiënt , matroos). De rollen kunnen tijdens het spel veranderen van status. Dit kan allerlei spannende verwikkelingen opleveren. Bijvoorbeeld dat de lakei weigert te doen wat de koningin zegt, of als de patiënt dreigt de arts voor het tuchtcollege te slepen. Dan nemen zij de hoge status over en bepalen het verdere spel.

Waarom werken met improvisatiespelen?

  • Kinderen moeten leren bij improvisatiespelen met beperkte gegevens en een korte voorbereidingstijd een spel te maken. Hierdoor leren kinderen dat er vaak meerdere oplossingen voor een probleem zijn. Naarmate de leerkracht meer ruimte geeft, groeit het improvisatietalent.
  • Improvisatiespelen stimuleren de durf om te spelen.
  • Door in het spel voor onverwachte gebeurtenissen te worden geplaatst en daarvoor oplossinge te verzinnen, wordt het improvisatietalent van kinderen ontwikkeld. een waardevolle kwaliteit die het zelfvertrouwen van kinderen kan vergroten.
  • Kinderen leren samenwerken.

Opbouw van improvisatiespelen:

Improviseren moet stapsgewijs worden opgebouwd. Je kunt beginnen met korte, veilige oefeningen waarin de diverse spelelementen na elkaar worden aangeboden. Daarna leren de kinderen te spelen met combinaties ervan. Het werken met opdrachtkaartjes is een manier om de spelelementen steeds op verschillende wijze met elkaar te combineren.

De rol van de leerkracht is een begeleidende rol. Hij/zij bewaakt de lesdoelen. Ook let hij/zij erop dat iedereen goed onderscheid maakt tussen de dagelijkse realiteit en de spelwerkelijkheid. Ook het in de gaten houden of kinderen zich op hun gemak voelen en er iets veranderd moet worden is erg belangrijk.Kinderen vinden het ook vaak geweldig als de leerkracht meespeelt.


  Rollenspelen

In rollenspelen staat een probleem of een conflict centraal, waarvoor de spelers een oplossing proberen te vinden. Het gaat bij rollenspelen om het onderzoeken van standpunten en het analyseren van gedrag.

Bij rollenspelen krijgen de spelers altijd vooraf informatie over hun rol. Standpunten, manieren van reageren of bepaald gedrag kunnen ook gegeven zijn. In het spel laten de spelers zien wat de gevolgen kunnen zijn van bepaalde standpunten of van bepaald gedrag.

De situatie waarin een probleem zich voordoet, moet heel concreet zijn. De spelers moeten zich goed voor kunnen stellen wat er aan de hand is.

Omdat rollenspelsituaties gemakkelijk kunnen lijken op situaties uit het dagelijks leven, is het belangrijk dat iedereen het onderscheid tussen spel en realiteit kan maken. In een gesprek over het spel en het effect van bepaalde standpunten of reacties staan niet de personen ter discussie, maar alleen het probleem.

Soorten rollenspel:

  • Conflictspel:

Dit is een bijzondere vorm van rollenspel. De opdracht is geschreven in verhaalvorm. De beschreven situatie eindigt in een "conflict". De bedoeling is om oplossingen te bedenken voor het conflict en deze al spelend uit te proberen. Het voordeel is dat de spelers niet om het probleem heen kunnen. Het accent ligt op de gevonden oplossingen. Bovendien biedt het verhaal de mogelijkheid om de aanleiding tot het conflict duidelijk te beschrijven, waardoor de spelers inzicht krijgen in de motieven die tot het conflict leiden.

  • Open rollenspel:

Bij deze vorm van rollenspel geeft de leerkracht iedereen eerst mondeling informatie over het conflict. Bij het conflict zijn vier of vijf rollen betrokken. Ook hierover wordt informatie gegeven. Vervolgens krijgen de vier of vijf spelers een aparte rolopdracht op een kaartje. Daarop staat de naam, de leeftijd, het karakter, de manier van reageren, het standpunt over het probleem, de argumenten daarvoor en de relatie met de anderen. De spelers weten dus van elkaar niet de precieze invulling van de rolopdracht. Ze spreken het spel niet van te voren door. Het spelverloop staat dus niet vast.

Waarom werken met rollenspelen?

  • Rollenspelen stimuleren het zelfstandig denken van kinderen, doordat ze een/hun standpunt in een conflict moeten bepalen.
  • Gesprekken, ervaringen en gebeurtenissen uit het dagelijks leven van kinderen vormen meestal de aanleiding voor rollenspel.Op deze manier kunnen situaties en rollen de spelers uitnodigen om hun eigen "verhaal" en de "verhalen" van anderen om hen heen, te onderzoeken en inzichtelijker te maken, of om gedragswijzen te oefenen en te veranderen.
  • Rollenspelen kunnen de sociale ontwikkeling van kinderen bevorderen, omdat kinderen zich moeten identificeren met de rol. Vanuit die identificatie kunnen kinderen ontdekkingen doen over henzelf en de wereld om hen heen.

Opbouw van rollenspelen:

Kindreren moeten in staat zijn onderscheid tussen spel en werkelijkheid te maken. Ook moeten ze in een spelconflict een eigen standpunt durven spelen.

Het is van belang dat de kinderen geen rollen spelen die ze niet met hun eigen ervaring kunnen invullen. Anders is de kans groot dat de rollen heel clichématig en oppervlakkig worden gespeeld. Het onderwerp van het rollenspel moet direct aansluiten bij de onderwerpen, ervaringen en gebeurtenissen die de kinderen uit een groep echt bezighouden.

De rol van de leerkracht is een begeleidende rol. Hij/zij kan ook soms meespelen in een confronterende rol om het conflict te versterken. Bij beginnende spelers kan de leerkracht de centrale rol spelen, zodat het probleem werkelijk uitgediept en niet te gemakkelijk opgelost wordt.


  Dialoogspelen

In een toneelstuk raken mensen met elkaar aan de praat. Deze gesprekken maken een spel levendig. Wanneer twee mensen samen praten, noemen we dat een dialoog. een monoloog is een gesprek dat iemand met zichzelf voert en dat hardop vertelt.

Het meest interessante dramatische aspect van een dialoog is de motivatie die erachter steekt. Mensen kunnen voor hun plezier met elkaar praten, maar ook een bepaald doel voor ogen hebben, zoals het verkrijgen van informatie of het overtuigen van iemand. Deze achterliggende beweegredenen zij bepalend voor het verloop van een dialoog. Een conflictsituatie vormt vaak de basis voor een spel, waarin het overtuigen, overhalen of oplossen van een probleem centraal staat. Ook bij een spelvorm als poppenspel wordt er van kinderen verwacht dat ze een dialoogje voeren.

Waarom werken met dialoogspelen?

Kinderen worden door spel uitgedaagd om te gaan praten. Bij drama is het taalaanbod veelzijdig. Drama kan een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de taal, ook zeker bij anderstalige kinderen. In dialoogspelen kunnen alledaagse situatie worden geoefend. Kinderen verkennen gespreksmogelijkheden en reageren op elkaar.

Doelstellingen bij het ontwikkelen van de stem en het praten kunnen zijn:

  • Kinderen ontdekken de mogelijkheid om met hun stem gevoelens uit te drukken en ontwikkelen kleur, tempo en sterkte van hun stem
  • Kinderen kunnen verwoorden wat ze voelen, horen en zien
  • Kinderen kunnen taal als communicatiemiddel gebruiken
  • Kinderen leren associëren en fantaseren
  • Kinderen leren om vanuit hun voorstellingsvermogen en beleving te spreken.

Kinderen krijgen zo inzicht in enkele kenmerken en mogelijkheden van hun stem, ontwikkelen hun woordenschat en kunnen daar gericht gebruik van maken.

Opbouw van dialoogspelen:

In elke groep zijn kinderen die moeiteloos een dialoog kunnen verzinnen. Er zijn echter ook kinderen die behoefte hebben aan extra hulp en begeleiding. Het is dan van het grootste belang dat de leerkracht actief deelneemt aan het spel, de voorbereiding en de nabespreking. Als kinderen voor het eerst een dialoog verzinnen, moet de leerkracht zich voornamelijk richten op het versterken van het zelfvertrouwen en het onder woorden brengen van fantasieën. Zeker in het begin kan het helpen om de kinderen, letterlijk, iets in handen te geven, zoals een telefoon. Twee telefoontoestellen in de klas geven veel aanleiding tot het voeren van dialogen. Ook een poppenkast kan de meer verlegen kinderen helpen om tot praten te komen.

In eerste instantie zullen dialoogspelen over concrete en dagelijkse onderwerpen gaan, waarmee de kinderen veel ervaring hebben.

In de onderbouw kunnen de kinderen korte gesprekjes met elkaar voeren aan de hand van het telefoonspel of aanbelspel. Later kunnen ze dialoogjes maken bij een rol die ze spelen of een conlictsituatie uit te spelen.

In de midden- en bovenbouw kunnen kinderen ook met toneelteksten uit het jeugdtheater werken.

Door zelf mee te spelen kan de leerkracht een aanzet geven tot een dialoog in spel. In het begin zijn de dialoogjes niet meer dan een paar zinnen. Bij jongere kinderen zal de leerkracht zelf misschien het meest aan het woord zijn en moet hij/zij de vragen afstemmen op de bereidheid van de kinderen om te praten. Naarmate de kinderen meer ervaring opdoen, verandert de rol van de leerkracht van meespelen naar begeleiden.