Hollandgängers

Waarom kwamen veel van onze Duitse voorvaderen naar Nederland?

In de toenmalige Nederduitse staatjes die bestonden uit vele kleine Vorstendommen, Graafschappen en Bisdommen heerste veel armoede onder de boerenbevolking. Het waren de nageboren zonen die het noodlot hadden geen rechtstreekse erfgenaam te kunnen worden of geen erfdochter konden huwen.Het was namelijk gebruikelijk dat slechts de oudste zoon het ouderlijk bedrijf erfde, waardoor werd voorkomen dat een verdeling in kleinere bedrijfjes plaatsvond. De overige erfgenamen moesten dan genoegen nemen met een afkoopsom, die de oudste broer hun direct of na enige jaren moest uitbetalen. Wel kregen ze vaak een voorlopig verblijf toegewezen in een van de boerderij opstallen, bijvoorbeeld het bakhuis of de kookhut, een gedeelte van de stal of een van de schuren. Daar konden ze tijdens het seizoenswerk wonen en hadden ze tenminste een dak boven hun hoofd. Van het verdiende geld konden ze soms later een stukje grond binnen het terrein van de hoeve pachten. Deze arbeiders voor een groot deel dus tweede en volgende zonen waren de zogenaamde “Heuerleute” (Huurlieden). Op het stukje erf bouwden ze zo gauw mogelijk een eenvoudig hutje, dat later wel verder kon worden uitgebouwd. Maar van het begin af aan bleven ze zoveel mogelijk in de nabijheid van de hoeve waartoe ze behoorden. Het gebeurde soms ook wel dat de huurling in een van de kamers van een grotere boerenhoeve woonde, en soms mocht hij tijdelijk met zijn gezin intrek nemen in de zogenaamde “Leibzuchter”. In dat huisje woonden gewoonlijk de door de boer te onderhouden grootouders of ouders, die ”lijftocht” genoten en dus mochten mee eten uit de boerenkeuken. De huurlieden hebben het, een uitzondering daargelaten, niet tot een eigen landbezit ge­bracht. Ze hadden een slecht lot getrokken, hun leven was niet gemakkelijk. De eerste ”Heuerleute” kwamen begin 1600 al naar Nederland.

 

In 1718 overtroffen ze in aantal de al belangrijke grondbezittende erfgenamen en kleine boeren. Wilde een boerenzoon die niet erfde en ook geen mogelijkheid vond een ander stuk land te bewerken, niet als knecht of oom op de boerderij van zijn vader of broer zijn leven slijten maar een familie stichten, dan moest hij zich dus een andere werkkring en woning gaan zoeken.

Arbeid op de boerderijen was er rijkelijk. Bij de geringe ontwikkeling van het geldwezen beloonde de boer hen voornamelijk in natura, met geven van een onderkomen in een kookhuis, schapenstal of schuur en een stukje akkergrond voor bewerking op eigen kosten. De huurplaatsen gingen over van vader op zoon.

De huurlieden vermeerderden zich sneller dan de boeren. Want, de erfgenaam moest gebruike­lijker wijs wachten tot zijn vader het bedrijf vanwege ouderdom of ziekte ging verlaten. De erfgenaam was dan vaak al 30 of 40 jaren oud voor hij trouwen kon. De huurlingenzoon had op die leeftijd vaak al een hele schare kinderen, zodat vele dorpen en nederzettingen overbevolkt waren. De huurlieden konden hun pachtbedrijf alleen lonend maken wanneer ze het gehuurde stuk grond voor weide, turfsteken en zoden afsteken benutten mochten. Degenen die de huurleden als arbeidskracht nodig hadden, moesten dat op de koop toe nemen, ze verboden echter de kleine boeren die in het grensgebied geduld werden, huurlieden in te zetten. De strijd daarom ging daarom door de eeuwen heen. Ook het bisdom greep met verordeningen in en wilde alleen de nakomelingen van de erfgena­men de overname van een huurhuis toestaan. Na 1804 ontdekte men dat meerdere kleine boeren onrechtmatig huurlieden in dienst genomen hadden. Doch alle verzoeken om de huurlieden af te schaffen, en met straf dreigen door de regering haalde niets uit. Niettemin het land wilde deze inwoners uiteindelijk niet meer onderhouden.

Tussen 1600 en 1830 (in de bloeitijd zelfs 25.000) was er een bijzonder hoog aantal aan seizoenarbeiders, die in Nederland als “Hollandgängers” met turfsteken, tichelwerker, grasmaaier(Hanneke maaiers), als tuinders, of metselaars, echter ook in de zeevaart, het geld verdienden. Onder aanvoering van een baas vertrokken ze in groepen, vooral de huurlingen, huislieden en boerenknechten. De boeren met een eigen bedrijf gingen wat onregelmatiger weg, afhankelijk van het werk op de boerderij.

In het voorjaar, gewoonlijk na Pinksteren, verzamelden de “Hollandgängers” zich voor de lange tocht. Elk van hen droeg een ”Ëssensack” (soort plunje­zak), gevuld met een paar grote boerenroggebroden oftewel “pompernikkel”. Verder een groot aantal hardgekookte eieren, wat worsten en niet te vergeten een paar beste repen spek en rauwe ham van het in de vorige herfst geslachte varken. Dit was de mondvoorraad voor de voetreis vanuit hun Heimat, langs zanderige en modderige wegen, door bossen of uitgestrekte venen en heidevelden, richting Nederland.

Zoals gewoonlijk, brachten de vrouwen en kinderen de naar Nederland trekkende vaders een eindje op weg. En de jongemannen kregen van hun meisje uitgeleide. Bij de laatste hoogte in de weg, een eind buiten het dorp, bleef de stoet een ogenblik stilstaan. Daar volgde nog een laatste handdruk en een laatste kus en over en weer klonken groeten als ‘bliev gesund, Vadder’ of ‘denk ok an mi, Willem’. Maar tenslotte maakten de Hollandgängers zich los uit de menigte om op weg te gaan naar het vreemde land. Vooraan de groep klonk na verloop van tijd soms de muziek van een klarinet of van een trekharmonika, want door een lied werden de ge­dachten aan het afscheid een beetje verdreven. Maar zo lang het kon, stonden de vrouwen en meisjes vanuit de verte de vertrekkenden na te kijken. En pas wanneer de laatste mannen uit het gezicht waren verdwenen, keerden ze stil naar het dorp terug. Toch was het afscheid, als altijd, niet gemakkelijk gevallen. Vooral de vrouwen hadden er on­der te doen, want op hen bleef nu de verantwoordelijkheid en de zorg voor het gezin, huis en haard ruste. Onderweg ontmoette men andere groepen die naar hetzelfde doel reisden. Zo zal de stoet een grote uitbreiding hebben gekregen bij de reusachtige zwerfsteen tussen Ankum en Ueffeln, de “Breite Stein”, een bekend verzamelpunt voor trekarbeiders.

De bewoners van de streken waar ze langs kwamen, bemerkten al spoedig dat de trek weer was begonnen. Op bepaalde vaste rustplaatsen langs de marsroute lagen dan ‘als dank voor ‘t aangenaam verpozen’ de duidelijke tekenen daarvan: eierdoppen, spekzwoerden en nog heel wat meer. Ze waren intussen al een paar dagen op pad en de gedrukte stemming bij het afscheid was al lang verdwenen. De hoop om gauw werk te vinden en wat geld te verdienen, maar ook om zich in het gastland weer te kunnen vergapen aan al het mooie en vreemde, hield hun gedachten bezig. Men liep jaar in jaar uit dezelfde weg via dezelfde rustpunten onder dezelfde bomen verder naar het westen, naar de stad Lingen aan de Ems. Misschien had men intussen al gezamenlijk een wagen gehuurd om de zware bagage te vervoeren, misschien zeulde men deze ook nog zelf verder. In Lingen stak men de Ems over, aanvankelijk met een veerpont, maar later via een brug. Het inmiddels tot duizenden arbeiders gegroeide leger trok vervolgens via de Bentheimse plaatsen Neuenhaus en Uelsen naar de Nederlandse grens bij Venebrugge om spoedig in het Overijsselse stadje Hardenberg te arriveren. Vanaf hier ging een groot aantal naar de Drentse venen om daar als veenarbeider aan het werk te gaan.

In Hardenberg zal het een drukte en een dringen van jewelste zijn geweest. ledereen probeerde hier zijn bagage aan voerlieden of Vechtschippers mee te geven om snel het laatste trajekt te kunnen afleggen voor hen die naar het westen gingen. Terwijl de bagage verder de Vecht afzakte gingen de arbeiders linea recta richting Zuiderzee. Dit bete­kende dat ze de “Hessenweg” volgden, ten noorden van de Vechtstadjes Dalfsen en Ommen en juist ten zuiden van het hoogveengebied. Hier ook konden ze te maken krijgen met de concurrentieslag die meestal woedde tussen schippers van vooral Hasselt en Zwolle, maar ook wel andere steden, om hen over de Zuiderzee te zetten. Hasselt was voor deze overtocht het gunstigst gelegen en had verschillende contracten met het Amsterdamse schippersgilde afgesloten ten einde deze overtocht te monopoliseren, dit ten koste van Zwolle en andere Overijsselse plaatsen. De Zwollenaren lieten het er niet bij zitten en probeerden op alle mogelijke manieren de arbeiders op te pikken voor ze Hasselt bereikten. Meestal gebeurde dit door ze in te schepen bij de Berkummer Brug of bij de Noodhaven, ook genaamd het Varkensgat.

In 1733 maakten ze het wel heel erg bont. De Zwolse schippers ontzagen zich toen niet om “in het veld bij Ommen en Dalfsen Palen op te richten met een hand waarop in substanti geschreven stond dat” niemandt sig soude hebben te verstouten een andre weg in te slaan, als dien gem. hand haar aan­wees en die op de Barkumer Brugge en vervolgens tot op bet verkensgat liep, hebbende mede dusdane bellettries op de gemene passage her en daar aange­plakt alles bij sekre poenaliteit”. Toen de arbeiders zich daar niets van aan­trokken, probeerde men hen door middel van soldaten te dwingen naar de Zwolse schepen te lopen, ook dat lukte niet. Ten slotte sloten die van Zwolle met de Hardenbergse praamschippers een geheime overeenkomst dat zij de bagage van de arbeiders niet, zoals afgesproken, naar Hasselt, maar naar het Varkensgat zouden brengen. De arbeiders zullen in het algemeen hun voordeel hebben gedaan met deze concurrentie en dikwijls lagere prijzen dan de officieel vastgestelde hebben kunnen bedingen. We mogen aannemen dat de meeste arbeiders toch naar Hasselt gingen. In dat geval kwamen ze na Dalfsen links te hebben gelaten via het “poepen of pikmaaierspad” en via het sluisje, genaamd “poepestouwe” (nu  het gemaal “Streukeldijk”) bij de hoge noordelijke dijk langs het Zwarte Water. Dan kon men in de verte Hasselt al zien liggen. Vlak voor men het stadje door de Enkpoort binnenging kwam men aan de rechterkant langs een plek die voor rooms-katholieke Hollandgängers een bijzondere betekenis had: de Heilige Stede.

Ze waren dan zo’n acht, soms ook wel veertien dagen, onderweg. De “Essensack” was verder gevuld met de bedrijfsuitrusting. Want behalve hun eigen gereedschap met toebehoren hadden ze wat reservekleding bij zich. Wollen sokken en hemden, een extra paar schoenen en een werkpak.

Degenen die er al vaker op uit waren geweest namen meestal ook een flinke rol van het plaat­selijk geweven linnen mee om te verkopen aan de Nederlandse boerinnen. ‘t Was zodoende een hele vracht die ze meedroegen. De Duitse turfstekers gingen weer naar hun ‘Heimat’ wanneer er naar schatting voldoende turf geproduceerd was. Ook wanneer de voor­raad van het vorige seizoen maar voor een deel was afgevoerd, stuurde de veenbaas zijn arbei­ders eerder weg. Naar gelang de weersomstan­digheden gunstig of slecht waren voor de hooioogst, bleven de Hannekemaaiers van vijf tot zeven weken in dienst. Ze waren dus ge­woonlijk van direct na Pinksteren tot eind juli van huis.

Bijzonder moeizaam was het vervenen, uitbaggeren van de turf, het drogen van de modderige grond, afste­ken van de zoden, het stapelen en omstapelen voor het drogen, en het slapen op slechte strobed­den in de nacht, koude, vochtigheid of zomer­hitte overdag. Daarbij waren echter in veertien weken honderd daalder te verdienen. De Hollandse huisklok­ken, zilveren gespen en kettingen, die de Hol­landgängers meebrachten vindt men nog hier en daar in Duitse huisgezinnen nog terug. Toen de lonen vanwege het overaanbod van de arbeidskrachten in Nederland zakten, week men zelfs uit naar Denemarken, Mecklenburg, Pommeren en Oostpruisen, ja zelfs naar Polen en Rusland. Met de opkomende mechanisering van het land­bouwbedrijf nam het aantal huurlieden af, des te meer omdat de industrie arbeidskrachten aantrok. Steeds meer huurhuizen stonden leeg, maar vlij­tige en spaarzame huurlieden hebben het ook tot een eigen bezit in Nederland gebracht. Het einde van het huurlingenwezen bracht de na de Tweede Wereldoorlog zich ontwikkelende in­dustrie met hoge lonen en de aantrekkings­kracht van de stad. Zo zullen ook ongeveer onze voorouders vanuit Merzen (Dld)naar Nederland zijn getrokken om omstreeks 1805 in de voskuil als veenarbeider aan het werk te gaan. Het is goed mogelijk dat Johann Heinrich Hülsmann hier al eerder als Hollandgänger werkzaam is geweest, en pas later met zijn complete gezin naar de Voskuil is vertrokken.

In Nederland zijn zover bekend vier takken Hülsmann/Hulsman(s)

Een tak van Hendrik Hulsman van oorsprong ook afkomstig uit Uentrop(D) welke in kampen op 29-4-1722 trouwde met Catharina Loomans. Een tweede tak van Hulsmans komt oorspronkelijk uit de omgeving van Mill (Brabant). Een derde tak van Hulsman is afkomstig uit de omgeving van Epe, Vaassen (Gld). Een vierde tak is afkomstig uit de omgeving van Haarle, Hellendoorn (O). Omstreeks 1850 tot 1900 zijn veel “Heuerleute” gemigreerd naar Amerika, waaronder ook menige Hülsmann, zodat heden ten dage in Amerika nog vele Hulsmannen woonachtig zijn.