
DE NEDERLANDSE HERVORMDE KERK VAN
HOLLANDSCHEVELD
EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN HET GEBOUW
ALBERT METSELAAR
De geschiedenis van de Hervormde Gemeente van Hollandscheveld begint in 1757, als meester Pieter Jans Steen zich vestigt als onderwijzer aan het Hollandscheveldse Opgaande. Zijn onderwijs is doorspekt met bijbelkennis en catechismus en hij krijgt een officiële aanstelling als oefenaar. Het verhaal van de gemeente en de lange strijd voordat er een kerk in de velden gebouwd kon worden, wordt elders beschreven. In deze studie gaat de aandacht uit naar het gebouw waarin de Hervormde Gemeente ‘s zondags verzamelt is, de grond waarop het staat en de bijzonderheden van de bijgebouwen en de grond er omheen. Al in 1804 was het de bevolking van het Hollandsche Veld duidelijk dat de grond op de kop van het Zuideropgaande, een zandkop in het voormalige veengebied, de plaats van hun kerk zou moeten worden. Daarbij zou de kerk een centrale plaats in de venen ten oosten van het dorp Hoogeveen krijgen, en bereikbaar zijn voor zowel de bevolking van het Hollandsche Veld als het Krakeel.
Op 1 november 1824 nam onderwijzer Geert Roelofs Raak de grond in erfpacht waarop later de Nederlands Hervormde kerk en de bijbehorende pastorie gebouwd zouden worden: "De ondergetekenden, Hoofd- en Mededirecteuren der Algemene Compagnie van de vijfduizend morgens te Echtens Hoogeveen, als direkteuren van de kerk en kerkengoederen te Hoogeveen, bekennen in en mits dezen, in erfpacht te hebben uitgedaan aan G.R.Raak, schoolonderwijzer te Hoogeveen, die door zijn medeondertekening bekend, van de eerstgenoemden op erfpacht te hebben genomen, twee percelen of hoekjes ondergrond, gelegen op de noordkant van Rechtuit, het ene groot drieëndertig roeden en drieëndertig ellen ten westen, en het andere groot zevenen veertig roeden ten oosten van de stege of Allee, lopende van het Zuideropgaande naar de school. Zwettende ten oosten aan de grond van Arend Egberts van de Weide, ten zuiden tot midden in het diep, ten westen Jan Hendriks Kats en ten noorden aan de zuidkant van de kerkenkavel, en zulks voor een jaarlijkse erfpacht ad. Vier gulden en negenen zeventig cent, ‘s jaars St. Martini verschijnende, waarvan het eerste jaar erfpacht zal komen te verschijnen op St. Martini achttienhonderd vijfentwintig."
Als voornoemde grond rond 1830 op de kaarten van het kadaster wordt ingetekend, blijkt dat Geert de grond in gebruik heeft als landbouwgrond. Inmiddels heeft hij ook de oostelijke helft van het huidige park bij de kerk in erfpacht genomen. Dit is in 1830 nog heideveld. De over-dracht van deze grond vond plaats op 1 november 1826. Er werd gesproken over ‘een hoekje ondergrond, gelegen op de zuidkant van de Kerkenkavelwijke, groot ruim dertig roeden, zwettende ten oosten aan de ondergrond behorende aan de kerk te Hoogeveen, ten westen aan de grond behorende aan de gemeenteschool in het Hollandsche Veld, ten zuiden aan de grond welke door de erfpachter ook van de Hoofd- en Mededirecteuren is op erfpacht genomen, en ten noorden aan de Kerkenkavelwijke en zulks voor een jaarlijkse erfpacht ad. Een gulden achttien en een halve cent, ‘s jaars op St. Martini verschijnende". Het contract werd, na het vastleggen van de gebruikelijke bepalingen over belastingen en betalingen ondertekend door Geert Roelofs Raak en de direkteuren: R.O. van Holthe tot Echten, Warner de Jonge, Warner Stoter, en H.J. Carsten.
Wat was Geert van plan met al deze grond? De grond was zeker al vanaf 1804 voor de bevolking van de velden het aangewezen punt waarop een kerk gebouwd zou moeten worden. Maar ook na de bouw van een kerk en de onvermijdelijke pastorie zou er nog veel grond over zijn. Dat was ook in 1826 te bedenken. Geert Roelofs Raak moet in zijn denken uit zijn gegaan van de toentertijd algemeen gangbare situatie van een kerkhof op de zuidzijde van de kerk. Een kerkhof (=kerktuin), bedoeld als begraafplaats. Bij de bouw van de nieuwe kerk, in 1851, is de kerk ook inderdaad zo op het perceel geplaatst, dat er ten zuiden van de kerk een flinke strook overbleef tussen de kerk en het Rechtuit. Ten noorden van de kerk was dit niet van belang, en daar werden later andere gebouwen geplaatst. De hof bij de kerk, is er gekomen volgens eeuwenoude traditie. Op de zuidkant, de zonkant. Maar deze kerktuin werd niet meer gebruikt voor het begraven van doden. Daarvoor werd andere grond gezocht.
Een bouwarchief is niet voorhanden en alles wat we weten van de bouw op zich, moeten we halen uit de schaarse secundaire bronnen. We laten ons leiden door de kerk zelf. "Uit liefdegiften is deze kerk en pastory in den jare 1851 gesticht, onder toezicht van de heeren Mr.H.G.van Holthe tot Echten, Mr. A.H.Witsenborg, J.G.de Jonge, Hk. Berghuis, W.ten Oever, in commissie vereenigd." We lezen het op één van de beide gevelstenen op de voorkant van de kerk. Wat hielden deze liefdegiften in, en wie waren de mannen van de commissie? In 1849 deed Koning Willem II de toezegging, dat Hollandscheveld kon rekenen op een bedrag van f 600,- per jaar uit de kas van het Rijk, op voorwaarde dat men een zelfstandige gemeente, los van de Hervormde Gemeente van Hoogeveen ging stichten. Een commissie (de mensen van de gedenksteen) ging aan het werk en sloeg aan het cijferen. De commissie bestond uit één veldeling, Warner ten Oever, en vier grootgrondbezitters, hoofddirecteur en hoofdparticipanten van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen. Deze compagnie had nog rechten op de aan Geert Raak in erfpacht uitgedane grond.
Opvallend is dat als bepaling in de erfpachtsbrief van Geert Roelofs Raak werd opgenomen, dat in geval de vererfpachters (de Hoofd- en Mededirecteuren) ten dienste van het kerkenfonds gebruik zouden moeten maken van de hoekjes grond, de erfpachter (Geert Roelofs Raak of eventuele rechthebbenden na hem) de grond weer zou moeten afstaan aan de Hoofd- en Mededirekteuren. Dit kerkenfonds beheerde 100 morgen veen en ondergrond in de gemeente Hoogeveen. Uit deze opbrengsten werd eveneens geld voor de kerk beschikbaar gesteld, en dit fonds (de hoofddirekteur en de hoofdparticipanten van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen) was dus in 1851 bij de bouw van de kerk weer eigenaar van de grond. Vandaar dus de namen van de grootgrondbezitters op de gevelsteen. Ze deden goed werk in de periode 1849-1851. Maar ze vertegenwoordigden ook de groep grootgrondbezitters die bijna 90 jaar lang kerkstichting in de velden hadden tegengehouden. In feite trokken ze een regelende rol naar zich toe, op het moment dat de kerk zou komen. Ze hadden zo een bevoogdende rol over de arbeidersbevolking en hun kleine bovenlaag, inclusief meester Geert Roelofs Raak, de mensen die tegen hun zin in de overheid en de kerkelijke besturen er van hadden doordrongen dat de kerk echt nodig was.
De commissie rekende uit, dat voor de bouw van een kerk met pastorie f 13.400,- nodig was. Daarvoor had men dan wel een kerk met een toren en een klok in gedachten, iets wat in de toenmalige gemeente Hoogeveen nog niet bestond. De synode schonk in 1848, 1849 en 1850 jaarlijks f 2000,-. De provincie Drenthe schonk f 2000,- Koning Willem II offerde uit eigen fondsen een bedrag van f 500,-. Een collecte in de provincie en de gemeenten bracht f 961,27² op. Particulieren gaven samen nog een bedrag van f 3.008,27. Daarvan was ruim f 500,- bijeen gebracht door tussenkomst van ds.C.van Schaick, in de jaren 1832-1833 hulpprediker te Hollandscheveld, namens de Hervormde Gemeente van Hoogeveen. Rabijn M.L.Kan uit Coevorden zamelde geld in uit Joodse kringen, door middel van een uitgegeven preek. Dhr. G.B.van Duijl uit Delfshaven sloeg op inspiratie van ds.C.van Schaick aan het dichten. Het boekje ‘Het Hollandsch Veld in Drenthe’ werd over heel Nederland verspreid en leverde overal geld op. Het totaal van al deze liefdegiften was f 12.469, 54². Genoeg om met de bouw te beginnen.
Voor de bevolking was de bouw van de kerk een zaak van bidden en werken. De Hoogeveense predikant ds.De Holl, namens de Hervormde Gemeente van Hoogeveen belast met de zorg voor de velden, leidde samen met Geert Roelofs Raak bidstonden in de school, nu het witte huis ten noorden van het park naast de kerk. Het eerste biduur werd gehouden op 16 mei 1850 en handelde over Mattheus 3:5. De bouw werd op 31 januari 1851 aanbesteed. "De eerste steen gelegd op den 12 mei 1851 door Mr.A.H.Witsenborg, namens de commissie", lezen we in de tweede gedenksteen in de voorgevel van de kerk. Er verrees in gewone lichtrode baksteen een bouwwerk in waterstaatsstijl, dat met zijn lengte-as op het oosten werd gericht. Er staan in Drenthe meerdere zogenaamde waterstaatskerken. Dit was een vrij algemeen bouwstijl in de 19e eeuw. In Nieuw-Buinen en Nieuw-Amsterdam staan kerken met zo op het eerste gezicht grote gelijkenis met de kerk te Hollandscheveld. Het torentje van Hollandscheveld, kan men op tal van andere kerken tegenkomen. Niet alleen de bouwstijl was dus vrij algemeen, zelfs het hele ontwerp van de kerk is niet origineel. Er stond in die dagen min of meer een soort basiskerk op papier, en dit basisontwerp kreeg al naar gelang de behoefte van streek waar hij gebouwd moest worden kleine aanpassingen. Voor de rest werden min of meer gelijke kerken gebouwd. Al beschrijvend hoe de kerk van Hollandscheveld er uit ziet, zal in feite aangegeven worden dat de waterstaatsstijl een kombinatie is van strakke lijnen, bogen en ronde vormen, waarmee een sober en niet al te duur gebouw neer te zetten is, dat door de visuele effecten meer suggereert dan het in werkelijkheid is, maar dat ondanks de soberheid en de kostenbesparingen een eigen schoonheid in zich draagt, dat velen weet te bekoren.
Deze eigen definitie verraadt enige beeldgrapjes in de vormgeving en is meteen een liefdesverklaring voor dit prachtige gebouw. Mijn waardering voor de waterstaatskerk komt voort uit mijn eigen godsdienstige beleving. Ik ben voor kerkdiensten op zoek naar plaatsen waar ik niet alleen auditieve stiltes kan vinden, maar waar dan tevens ook een visuele rust aanwezig is, zodat ik mij kan richten op lied en gebed. De stem van de spreker in mijn oren, en de stem van God in mijn binnenste. Daarnaast zoek ik geschiedenis, feitelijke geschiedenis of in atributen gesymboliseerd verleden, gebeurtenissen die mij raken, en die mij en het voorgeslacht met elkaar verbinden. Dit alles is hier ruim aanwezig. In en rond dit gebouw, overal voel ik de adem van het verleden, de stiltes in het heden en de aanwezigheid van het Hogere.
Op 26 december 1851 werd de kerk ingewijd door ds.C.van Schaick, naar aanleiding van I Samuël 12:24. De feestrede werd nog in 1852 uitgegeven. In 1989 volgde een heruitgifte. Het eerste in de kerk gezongen lied, was: ‘Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort’, zo zegt een overlevering. Geert Roelofs Raak had dit lied jaren tevoren als in een droombeeld horen zingen, toen hij over de zandhoogte liep, waar later de kerk zou verrijzen. Dit droombeeld kan op een door Geert Roelofs Raak doorgegeven verhaal terug gaan, maar dat dit lied als eerste in de kerk werd gezongen, daaruit blijkt niets uit de inwijdingsdienst. Het eerste lied tijdens de inwijdingsdienst was, volgens de uitgegeven feestrede, Psalm 103 vers 1: "Loof, loof den Heer, mijn ziel met alle krachten." Hoe dan ook, de overlevering zal ergens een grond hebben, maar op welke wijze het daarin genoemde lied met de geschiedenis van de kerk in verband staat, is niet meer na te gaan.
De kerk was zo’n centrale plaats in de streek, dat naar Hoogeveens voorbeeld s’ zondags na de kerkdienst buiten de kerk mededelingen afgelezen werden. We vinden deze gewoonte onder meer terug in de notulen van de Vereniging Hollandscheveld van de vergadering van 23 november 1866, waar besloten werd ‘.....bij de kerk af te laten lezen wanneer vergadering zal gehouden worden.’ Daarmee is tevens aangegeven, dat de kerk een centrale functie had, welke uitsteeg boven het belang van de Hervormde Gemeente. Het was toen al een centrum van de streek, het centrale punt in een uitgestrekt veld zonder ander middelpunt, midden tussen de lintbebouwing langs de kanalen. Wat betreft de bouwgeschiedenis, valt er uit deze periode niet veel te melden. Interessant wordt het weer in het begin van de 20e eeuw.
In 1901 werd er een vergaderzaal achter de kerk gebouwd. Deze was nodig, om het nieuw opgestarte verenigingsleven op te kunnen vangen. In 1896 werd de Christelijke Jongemannen Vereniging ‘Gideon’ opgericht. De jongemannen van Gideon hadden vergaderruimte nodig, waarin ze met de Schrift bezig konden zijn en in een gezellige sfeer serieuze onderwerpen konden bespreken. Op 28 november 1901 werd door Leffert Johan Boersma, de zoon van ds. Gerrit Boersma, de eerste steen gelegd voor de vergaderzaal achter de kerk. Een beschadigde gevelsteen in het gebouwtje herinnert eraan. De ‘metselaar’ van de eerste steen was 25 juni 1898 geboren, en tijdens zijn daad nog maar drie jaar en vijf maanden oud. De jongemannen van Gideon zetten zich flink in voor het nieuwe gebouw, en verzetten zoveel werk bij de bouw, dat ze de zaal voortaan voor niets zouden mogen gebruiken. Wat de bouw van het zaaltje architectonisch betekende, zien we als we het achterste gedeelte van de kerk en de bijgebouwen gaan bespreken. In 1910 is er ook het één en ander aan de kerk veranderd. Het huidige orgel werd opgebouwd (de orgelgeschiedenis wordt apart beschreven) en er werd tevens in de kerk nogal wat veranderd.
De Tweede Wereldoorlog greep diep in in het leven van de Hollandschevelders. De eerste jaren waren voor de meesten nog wel te dragen. Ds.Volger, de Hervormde predikant, en het personeel van de Hervormde school, maakten de pastorie en de Hervormde school aan het Zuideropgaande tot centra voor hulp aan onderduikers. In de herfst van 1944 kwam de oorlog akelig dichtbij, doordat de Landstorm Nederland, een SS-eenheid van Nederlandse SS’ers, een opleidingsbataillon in de school naast de kerk huisvestte. Per 7 oktober 1944 moest de Hervormde pastorie ontruimd zijn, om als woning te dienen voor de dienstdoende officieren. Het waren de beruchte SS’ers Van Oort, Hoogendam en Pattist. De kerk was nog slechts bereikbaar via de door soldaten bewaakte Hendrik Raakweg (toen ‘t Allée genoemd), de weg er voorlangs. Langs de oostkant van het gebouw liep een prikkeldraadversperring achter de school en de kerk langs, tot aan het water van het Rechtuit. Het gebied werd door de soldaten nauwlettend in de gaten gehouden. Het Allée, de huidige Hendrik Raakweg, was in principe open, maar men passeerde wel tweemaal wachtposten, op de noord en de zuidkant van het complex. De pastorie, op de westkant van het Allée, was niet met prikkeldraad afgezet, maar werd scherp in de gaten gehouden. Rond de tuin bij de pastorie stond een hek dat voldoende beschermend geacht werd. De toren, de kleine zaaltjes onder de toren, de kosterswoning en het zaaltje achter de kerk en de lijkwagenschuur van de begrafenisvereniging (naast de pastorie, schuin tegenover de kerk) werden in de weken erna gevorderd en voor militaire doeleinden in gebruik genomen. De kerkgang kon ongehinderd doorgang vinden, maar velen voelden zich in deze periode bij de kerk op de drempel van de hel. Belangrijke en/of emotionele herinneringen aan deze periode worden verteld als specifieke ruimtes en gebouwen worden beschreven. Vanaf 10 april 1945, de dag van de bevrijding van Hollandscheveld, was de Hervormde Gemeente weer heer en meester in en rond de eigen gebouwen.
De waarde van de kerk werd erkend door velen, doch weinigen hadden er geld voor beschikbaar. En met het verstrijken der jaren werd groot onderhoud steeds meer nodig. Het dak van de kerk lekte, het orgel was dringend aan hetstel toe, er was overal eigenlijk wel wat mis met de kerk. Het orgel werd uiteindelijk zo lek, dat kerkgangers schertsend constateerden dat je bij " ‘t Hijgend hert, der jacht ontkomen" het hert echt kon horen hijgen. De kerk was inmiddels geplaatst op de lijst met monumenten, ingevolge de Monumentenwet van 22 juni 1961. ‘Je komt vlugger op de lijst van Monumentenzorg, dan dat je voor een subsidie in aanmerking komt’, werd in Hollandscheveld geconstateerd. De Hervormde vrouwenvereniging nam in het midden van de zestiger jaren het voortouw, en riep een restauratiefonds in het leven. Er werd tevens een restauratiecommissie gevormd, die eind 1969 aan de weg begon te timmeren met een kalenderverkoop. Op de kalender stonden fraaie foto’s van het in- en exterieur van de kerk, gemaakt door organist G.Koops.
Er werd enkele jaren een opvallend spel gespeeld, tussen Monumentenzorg en de Kerkvoogdij van Hollandscheveld. Op het eerste verzoek van de Kerkvoogdij van 22 juli 1968 om het verlenen van subsidie bij de restauratie, werd door mr. Jan Korf, hoofddirekteur van de Rijksdienst voor Monumentenzorg op 19 december 1968 als volgt gereageerd: "In antwoord op bovengemelde brief deel ik U mede dat ik voorhands geen termen aanwezig acht het verlenen van een subsidie in de kosten van de herstelwerkzaamheden van Uw kerkgebouw in overweging te nemen. Het merendeel van de werkzaamheden is namelijk aan te merken als uitgesteld onderhoud; door langdurige lekkage van de goot zijn de bovenste lagen van het pleisterwerk gaan afbladderen." Daardoor was een deel van de muren behoorlijk verkankerd. De Kerkvoogdij verzette zich naar buiten toe tegen deze mededeling. Er was geen sprake van achterstallig onderhoud en de verkankering had er niets mee te maken. Het verhaal van de lekkende goten werd achterwege gehouden. Later werd dit gedeelte van de motivatie van Monumentenzorg bevestigd door het rapport van architect Kruithof, waarin eveneens sprake was van lekkende goten als veroorzaker van verkankering en nog veel meer ellende in het inwendige van de kerk. Kortom, de beeldvorming werd door de Kerkvoogdij flink vervormd. Tijdens de restauratie kwam nog veel meer naar voren, wat de Kerkvoogdij en de subsidiërende instanties op extra kosten joeg. Was de restauratie eerder doorgevoerd, en was de verwoestende werking van het water eerder gestopt, dan waren er minder kosten geweest. We volgen nu de publicaties in de pers rondom het restauratie-steekspel en de restauratie zelf.
"De kerkvoogden van de Hervormde Gemeente Hollandscheveld hebben maar één wens", zo bracht de regionale pers op 20 november 1969: "restauratie van het ruim een eeuw oude godshuis!" "Maar wij zijn er helaas nog niet aan toe. Zelf hebben wij er het geld niet voor. Wij zijn afhankelijk van Monumentenzorg", vertelde de scriba, administrateur-kerkvoogd Aaldert Knol. Knol: "Volgens Monumentenzorg zou er sprake zijn van verwaarloosd onderhoud. Onzin. Ze zoeken natuurlijk naar een motief voor een afwijzing. Als de stenen beginnen te verkankeren kun je toch niet spreken van verwaarloosd onderhoud. Er is nu weer een brief weg, maar daar hebben we nog geen antwoord op terug. (--) Eigenlijk is het geen historisch monument, wel karakteristiek. En om de dorpskern te bewaren zeggen ze: die kerk mag er niet meer weg. Zo dacht de kerkvoogdij er ook over. Daarom was er maar één alternatief: restauratie. Maar als wij de kerk zelf op moeten knappen, zou dat een geweldige last voor onze gemeente betekenen. Monumentenzorg geeft zeventig, tachtig of negentig procent subsidie. En zo’n bijdrage mogen wij niet laten varen ten koste van de kerkelijke gemeente Hollandscheveld." Het wachten was op het ja-woord van Monumentenzorg. Knol daarover: "Ik geloof niet in de eerste paar jaar. Maar wij blijven actief. In Hoogeveen werd de subsidie-aanvraag tenslotte ook drie keer geweigerd, voor men toestemming kreeg voor de restauratie". Het antwoord van Monumentenzorg zou eind 1969 voor de tweede keer afwijzend worden en weer werd daarvoor gewezen gewezen op het zogenaamde verwaarloosde onderhoud.
In het Hoogeveensch Dagblad van 15 maart 1971 en dat van 9 februari 1972 stond een soortgelijk artikel, waarin de inmiddels ex-administrateur-kerkvoogd Aaldert Knol de ene wens weer uitte en vergelijkbare toelichting gaf. Eigenlijk viel er niets nieuws te melden, of het moest dan zijn dat de kop van 9 februari 1972 oud nieuws oppoetste: "Monumentenzorg: Onderhoud van kerk is verwaarloosd". Weer werd dit met het commentaar van Knol ontzenuwd. Daarbij kwam ook nog, dat de kerkelijke gemeente op dat moment in grote financiële moeilijkheden verkeerde en alle plaatselijke kerkbesturen sinds 25 november 1971 geen wettelijke bevoegdheid meer hadden. Dit alles vanwege de grote kerkelijke spanningen, tussen de aanhangers van de Gereformeerde Bond, die al enige jaren de grootste invloed binnen de gemeente had, en andersdenkenden. Vanaf 25 november 1971 was de Hervormde Gemeente van Hollandscheveld een ‘Gemeente in herstel’, onder leiding van een door hogere kerkelijke organen ‘Commissie van goede diensten’. Alle aandacht moest uitgaan naar het oplossen van de onderlinge problemen, de restauratie stond op het tweede plan. Scriba Aaldert Knol was 27 november 1972 weer in functie: "Wij hebben nog steeds geen toezegging van Monumentenzorg, hoewel wij er al heel wat jaren op zitten te wachten", kon hij het Hoogeveens Dagblad melden. De krant poetste voor de zoveelste keer oud niets op, en de kop was dan ook: "Argument Monumentenzorg tegen restauratie: Onderhoud Hervormde kerk is verwaarloosd." Knol gaf weer zijn tegenargumenten, waaronder: ‘Als de stenen beginnen te verkankeren kun je toch niet spreken van verwaarloosd onderhoud.’
In 1973 gingen de aanhangers van de Gereformeerde Bond zelfstandig vergaderen. Een kerkscheuring was een feit. Later kwam men weer tot elkaar en ontstond de Bijzondere Wijkgemeente van het dorp. Aaldert Knol werd opgevolgd door scriba Jan Metselaar. In 1974 waren de financiën van de Hervormde Gemeente weer op orde en was er goed nieuws. ‘Restauratie Hervormde kerk Hollandscheveld is in zicht’, was de kop van het Hoogeveens Dagblad van 5 maart 1974. Daarvoor was een begroting gemaakt van ruim vier ton, waarvan 50% verkregen kon worden in de vorm van subsidie in het kader van de werkverruiming. Scriba Metselaar: "Maar wij zijn met andere instellingen nog niet rond, zoals Monumentenzorg, provincie en gemeente Hoogeveen. En dan moeten wij nog een gesprek hebben over het interieur van de kerk. Wat moet daaraan gebeuren? Wij proberen deze hele zaak nu binnen veertien dagen rond te krijgen. (--) De subsidie uit het extra werkgelegenheidsprogramma is plotseling los gekomen. Eind 1973 werd ons gevraagd: kom eens in Assen praten en dien een ontwerp in. Het is allemaal wat overhaast gegaan. Wij zijn nu druk bezig de hele zaak rond te maken."
Eind 1973 gebeurde er meer dan de pers deed vermoeden. De Hervormde kerk van Hollandscheveld was onderdeel geworden van een politiek steekspel. De Provinciale Commissie voor de Werkgelegenheid stuurde een brief, gedateerd 5 december 1973, aan T.Hoogstra te Hoogeveen, contactpersoon van de Kerkvoogdij. Daarin werd meegedeeld dat de restauratie van de kerk op 19 november 1973 was opgenomen in een die dag vastgesteld werkgelegenheidsprogramma. De totale kosten van de restauratie, f 428.571,-, zouden voor de helft door dit programma gesubsidiëerd worden. Grote blijdschap in Hollandscheveld. Twee weken later moest de voorzitter van de zelfde commissie een andere brief schrijven. Op 17 december 1973 ging de mededeling onder de typmachine dat de regering had besloten het voor het extra-werkgelegenheidsprogramma beschikbaar gestelde krediet met 20% te verminderen. "Na ampele overweging hebben wij in verband daarmede besloten ondermeer het navolgende objekt voorshards van bovengenoemd programma af te voeren: restauratie Nederlands Hervormde Kerk Hollandscheveld." De kerk was overgebracht naar een reserve-programma. Teleurstelling in Hollandscheveld. De commissie stelde 18 januari 1974 een aanvullend programma samen, waarin men zoveel mogelijk die objekten trachtte op te nemen, welke in het kader van de beperking van 20% van het oorspronkelijke programma moesten worden afgevoerd. Op 6 februari 1974 werd de brief van de commissie uitgetypt, waarin dhr. Hoogstra werd medegedeeld dat de restauratie in het aanvullende programma was opgenomen. Een eis was wel, dat de restauratie op zeer korte termijn in uitvoering moest kunnen worden genomen. Maar het geld was er, en men kon in Hollandscheveld aan de slag.
De Havelter architect Jan Roelof Kruithof, ook bekend als marathon-schaatser, maakte het ontwerp voor de restauratie. Er was vooraf geen historisch onderzoek uitgevoerd, noch een bouwkundig onderzoek. Hij kon op basis van de hem ter beschikking staande kerk en de wensen van de gemeente tot een voorstel komen. Zijn ongedateerde ‘Rapport met globale kostenraming voor diverse herstel en restauratiewerken’ werd gevoegd bij een stuk van 15 maart 1974, verstuurd door president-kerkvoogd meester K.Bakker aan het College van Gedeputeerde Staten van Drenthe, met als optimistische slotopmerking: "Gaarne komen wij in aanmerking voor een zo hoog mogelijke subsidie. Uw gunstige berichten tegemoet ziende tekenen wij." De in de stukken voorkomende kostenberaming, met een eindbedrag van f 428.571,- is dezelfde als in stukken uit 1973. Het restauratierapport van Kruidhof zal dan ook al in 1973 zijn opgesteld. Daarin vinden we de schade aan de kerk als volgt omschreven:
"Aan het kerkgebouw met daktoren, welke voorkomt op de voorlopige lijst van monumenten van geschiedenis en kunst, dienen dringende herstellingen en verbeteringen uitgevoerd te worden. Toren: De toren, welke later is bekleed met eternithplaten, vertoont op vele plaatsen lekkage, welke oorzaak zijn dat in de bekleding en ondersteuning zwam en verrotting vrij spel hebben gekregen, welke doorloopt tot in de kerkkapen en kerkmuren. Uit te voeren werken aan de toren zullen moeten zijn: 1. Lekvrij maken. 2. Verrot houtwerk verwijderen en vervangen. 3. Herstel hekje omloop. 4. Eternithplaten verwijderen en houten bekleding vernieuwen. 5. Vernieuwen van lood op de omloopvloer. 6. Schilderen. Kerk: Het exterieur van de kerk heeft vooral schade geleden door vocht. De goten en afvoeren vertonene vele lekkage, waardoor het water langs de muren loopt en deze doornat zijn geworden. Panbedekking is op enkele plaatsen, vooral bij de nok, topgevels en dakvoet, ondeugdelijk. Bij een later in te stellen onderzoek naar de kapvoet (er is thans zonder steiger niet bij te komen) zal hier vermoedelijk veel vergaan houtwerk te voorschijn komen. De topgevels, welke later door hout en cement zijn afgedekt, zijn eveneens doorweekt van vocht, zo ook de vooruitstekende muren van de raam en blindnissen. Voegwerk is door het vocht en door bevriezing op vele plaatsen stuk gevroren. Deuromlijsting van stukwerk is gedeeltelijk stuk en afgebrokkeld. Het schilderwerk is in uitermate slechte toestand. Het interieur heeft door het vocht van buitenaf eveneens veel schade geleden. Het gestukadoorde gewelf zal met het riet verwijderd moeten worden, omdat het gehele gewelf scheuren vertoont, en de spijkers met draden zijn doorgeroest. (Het gewelf bestond uit rietmaten, tegen houtwerk aan gespijkerd en afgedekt met stukwerk) De Kerkvoogdij overweegt daarom ook om de diensten niet meer in de kerk te houden, daar het risico te groot is. De gestukadoorde muren zijn op vele plaatsen, vooral waar de goten lek zijn, verkankerd en zullen op deze plaatsen afgehakt dienen te worden. Na herstelwerken zal het inwendige van de kerk gewit moeten worden. Alvorens met dewerkzaamheden begonnen kan worden, zal het orgel en de preekstoel goed en stofdicht omtimmerd moeten worden. De zitbaarheid van de banken is uitermate slecht. Vloeren in de banken zijn zeer slecht. Schilderwerken van ramen, deuren en banken is slecht. Onder de houten vloeren van de banken liggen grijze plavuizen." tot zover Jan Roelof Kruithof.
In april 1967 was in Hoogeveen begonnen met de restauratie van de Hervormde kerk aan de Grote Kerkstraat. Deze restauratie werd uitgevoerd door aannemersbedrijf A.Visscher. Op 7 september 1969 werd het gerestaureerde gebouw weer door de Hervormde Gemeente van Hoogeveen in gebruik genomen. De nauwe en smalle banken van eertijds waren vervangen door comfortabele zitplaatsen. De ervaring die het aannemersbedrijf daarbij had opgedaan, kon men ook goed gebruiken in Hollandscheveld. In juli 1974 begon het Hoogeveense bouwbedrijf Visscher met het plaatsen van de steigers tegen de voorgevel, die helemaal schoon werd gemaakt en opnieuw werd ingevoegd. In de kerk werd meer ruimte gemaakt, doordat er 90 zitplaatsen uit zijn gebroken en doordat de banken 17 centimeter breder werden gemaakt. Vooral dit laatste was een moeilijk karwei, dat veel tijd heeft gekost, maar zeer veel zitgemak opleverde. De moeilijkheidsgraad van dit werk zat hem mede hierin, dat er nogal wat banken een ronde vorm hebben. Over de volle lengte van een bank moest een dikke plank met een breedte van 17 centimeter met deze ronding meelopen en onopvallend op de voorzijde van de zitplank van de bank worden bevestigd. Daarvoor was de afstand tussen de rechte houten rugleuning en de voorzijde van het houten platliggende zitgedeelte van de banken zo klein, dat men om goed te kunnen blijven zitten, stijf tegen de rugleuning gedrukt moest blijven. Daarna was de breedte zover verbeterd, dat men onstspannener de diensten kon volgen. Wat 17 centimeters al niet konden doen. Op 26 augustus 1975 meldde de Hoogeveensche Courant dat men druk bezit was met het verven van de banken, terwijl de voegers de voorgevel onder handen namen.
De centrale verwarming is vernieuwd en de verlichting werd aangepast. Het dakbeschot en de dakpannen werden vervangen. Ook de toren werd grondig onder handen genomen en de spits werd vernieuwd. De oude vloer van de kerk bleef onaangetast, omdat deze deel uitmaakt van het ‘monumentale’ van de kerk. Kort voor het opleveren werd de toren verlicht. Voor verlichting van de wijzerplaten en een vierde wijzerplaat werd een actie gehouden onder de bevolking van geheel Hollandscheveld, waardoor f 12.000,- werd bijeengebracht. In de zomer van 1975 werd de oude kosterswoning naast de kerk afgebroken. Begin november 1975 stonden de eerste muren overeind van een nieuwe kosterswoning voor koster G. Bijl. Aanvankelijk was de verwachting dat het kerkgebouw al met de kerstdagen van 1975 gebruikt kon worden voor kerkdiensten, maar dat viel tegen. Op woensdag 2 april 1976 werd de geheel gerestaureerde Hervormde kerk weer in gebruik genomen. Dit gebeurde tijdens een speciale kerkdienst, waarin de plaatselijke predikant, ds. D.J. Bouwstra voorging. Na afloop van de de dienst was er een receptie in het Jeugdcentrum aan Het Hoekje. De kosten van de restauratie waren uiteindelijk ongeveer f 600.000,-. Daarvan moest een tiende deel door de Hervormde Gemeente zelf worden opgebracht. Iedere maand werd hiervoor een collecte gehouden. Sinds de restauratie is er aan het gebouw zelf niet veel veranderd. Het waren de bijgebouwen die sterke veranderingen ondergingen, zoals we nog zullen zien. Deze bijgebouwen, ook de vergaderzaal uit 1901, zijn buiten de restauratie gebleven. De zaal van 1901 is niet erkend als monument.
De volgende bouwkundige ingrepen hebben allemaal te maken gehad met de bijgebouwen van de kerk. In 1985 wordt in het in 1901 gebouwde vergaderlokaal een mortuarium ingebouwd, in gebruik door de uitvaartvereniging van Hollandscheveld. Om dit te kunnen doen, werd het gebouw inwendig in tweeën gesplitst. Er kwam een ingang op de noordkant, die toegang gaf tot een zaaltje, met muren afgescheiden van het restant van het vergaderlokaal van de kerk. Dit vergaderzaaltje werd minder dan de helft van het oorspronkelijke lokaal. Verder werd een brandkast ingebouwd, waarin de Hervormde Gemeente het archief onderbracht. Tussen de kerkzaal en het vergaderzaaltje en de daarachter gelegen toiletten en garderobe loopt een gang, welke aan de ene kant wordt gevormd door de zuidmuur van het oorspronkelijke lokaal en aan de andere kant door de ingang van de archiefruimte en de muur van het mortuarium. Omdat dit mortuarium niet groot genoeg was, en omdat men ook koelruimten wilde creëren, werd op de noordkant van het in 1901 gebouwde lokaal een extra ruimte gebouwd. Deze ruimte vormt samen met de oorspronkelijke ingebouwde opbaarruimte het nieuwe mortuarium. Het mortuarium van drie rouwkamers en drie koeltafels werd 26 februari 1994 geopend door Aaldert Bijl, oud-aanspreker van de uitvaartvereniging.
(Verder onderzoek, naar een al voor de Tweede Wereldoorlog aangebouwd zaaltje op de oostkant van het in 1901 gebouwde lokaal, en de afbraak daarvan, en de opbouw op die plaats van een nieuw bijgebouw met volop toiletvoorziening en een extra vergaderzaal, moet nog gebeuren.)