
INCIDENTEN IN DE FRANSE TIJD
Albert Metselaar
In november 1813 was het Hoogeveen in rep en roer, toen een volksbeweging de val van het Franse bewind uitbundig vierde. Het feest sloeg uiteindelijk om in intimidatie, vernielingen en diefstal. De beweging werd in eerdere studies erkend als een uiting van Oranjeliefde. De vernielingen en de diefstallen werden door tijdgenoten gezien als het werk van doodgewone misdadigers. Later schoof men het op de ruwe onbehouwen aard van de veldeling, want zij waren het die hierbij op de voorgrond stonden, aangevuld met door conscriptie (verplichte militaire dienst) en andere zaken opgefokte haat. Zelfs het proletarische element van verzet van de arbeider tegen de veenbaas is aangevoerd om het gedrag van de veldeling te verduidelijken. Steeds weer worstelden de auteurs met aan de ene kant het harde gegeven van het onacceptabele gedrag, en aan de andere kant de vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren. Men probeerde logische verklaringen te vinden om het gedrag van de mensen te begrijpen. Een volledig beeld krijgen we pas als we het gedrag van de veldeling bezien binnen het geheel van de ontwikkelingen binnen de velden. We kunnen het niet los zien van eerdere uitingen van anti-Patriottische en anti-Franse sympathieën, terwijl we het ook niet los kunnen zien van de kloof die er langzamerhand was gegroeid tussen de bovenlaag van de bevolking in het dorp Hoogeveen en de bewoners van de velden. Maar dat wordt pas duidelijk als we het verhaal nog vóór de Franse Tijd laten beginnen.
Vóór de Franse Tijd (1795-1813) was de lagere civiele rechtspraak een taak van de heer van Echten. Alle andere zaken werden door de Etstoel, het Drentse rechtscollege, besproken en afgehandeld. Met het opheffen van de heerlijkheid Echtens-Hoogeveen, bij de komst van de Fransen in 1795, was het Hollandsche Veld in alle juridische zaken regelrecht onder de gewone Drentse instanties komen te staan. Eigen lottingen en goorspraken op het Hoogeveen hoorden voor altijd tot het verleden. Met het komen en gaan van Patriottische stromingen wisselden rechtbanken en rechters, werd Drenthe opgeheven, verdeeld over nieuwe gewesten en dan toch maar weer opnieuw als rechtsgebied in het leven geroepen. Het waren al met al roerige politieke tijden. In de gerechtelijke archieven uit de periode 1795-1811 vinden we in totaal een 40-tal inwoners van het Hoogeveen veroordeeld. De veroordeelden woonden redelijk verspreid over het Hoogeveen en geen enkel gebied komt opvallend crimineel naar voren. Het is ook maar de vraag in hoeverre er sprake was van criminaliteit. Veel van de veroordelingen werden gekleurd door de tijd waarin ze uitgesproken werden. Echte duidelijke politieke aktiviteiten zijn er uit het Hollandsche Veld niet bekend, wel politiek gekleurde veroordelingen.
Via de gerechtelijke stukken komen echter nogal wat uitingen van ongenoegen tot ons, waarachter een politieke boodschap schuil is gegaan. Het waren individuele akties van Prinsgezinde veldelingen tegen Patriottische medeburgers, of bedoeld om eigen Prinsgezinde (Orangjegezinde) gevoelens de vrije loop te laten. De uitingen van dit soort ongenoegens, zoals ze terug te vinden zijn in de stukken van de Drentse rechters, zullen slechts het topje van de ijsberg zijn geweest. Wat we weten is enkel datgene wat zoveel beroering wekte, dat men gendarmes inschakelde. Veel zal door de veldelingen onder de dekmantel gehouden zijn. Prinsgezinden onder elkaar gaven elkaar niet aan. Verder kennen we uit de gerechtelijke verslagen enkele incidenten van duidelijke misdadige aard. In dit geval betrof het zaken die de mensen in de velden ook zelf niet accepteerden. Hoewel men veel trachtte te sussen, zorgde men er voor dat de betrokkenen aangegeven werden. In dit geval zal het geen topje van de ijsberg zijn geweest, maar een redelijk overzicht van wat er aan criminaliteit is voorgevallen. Na 1798 werden geen Hollandsche Velders meer veroordeeld voor politiek gekleurde delikten. De berechting van te uitbundige aanhangers van de Prins had dus duidelijk effekt. Men hield zijn gevoelens onder de dekmantel. Het bleef echter broeien. Als in 1813 het bewind van de Patriotten wankelt zal het tot een uitbarsting komen. In dit deel van de speurtocht naar het Hollandsche Veld in de Franse Tijd, houden we ons bezig met de voorgeschiedenis van deze uitbarsting.
HENDRIK THIJS THALEN (LOCHIEN)
Onder deze naam werd hij 12 oktober 1755 op het Hoogeveen gedoopt. Men gebruikte die naam verder enkel in officiële stukken. Voor de veldelingen was hij Lochien. Hij was een zoon van scheepstimmerman/vervener Thijs Jannes Thalen en Annigje Hendriks Schonewille. Zijn vader bezocht de vergaderingen van de De Vriese-Compagnie en moet meer dan 25 morgen veen bezeten hebben. Als kind al maakte Lochien van nabij een botsing tussen veldelingen en de autoriteiten mee. In 1763 gingen er allerlei verhalen over het functioneren van schulte Ernst Beuker. De 2de februari 1763 gingen Lochien's vader, Willem Tijmooij en andere veldelingen naar de kerspel vergadering bij het Kruis, bij de Hollandsche Brug. Thijs Thalen en Willem hebben tijdens deze bijeenkomst heel wat over de schulte te vertellen gehad. Beuker noemde de verhalen "quaadaardige lasteringen en leugens tot nadeel van gemelde scholtea" en ze zouden getracht hebben om hem voor de gemeente verdacht te maken "of deselve veel slegte en schelmagtige dingen tot nadeel van ‘t Carspel zogte uit te voeren of uitvoerde". Volgens Beuker trachtte men zijn eer en goede naam te beledigen. Beuker liet een onderzoek instellen door pander R.H.Kuyper. Als Thijs en Willem berouw hadden van hun woorden, zou hij het hun vergeven. Bleven ze in hun "lasteringen" volharden, zou Beuker gerechtelijk zijn eer en goede naam verdedigen; "zal voorschreven scholtes wel dusdanige middelen weten uit te vinden die het regt hem an de hand geven waar door geinsinueerdens de lust wel benomen zal worden om in 't vervolg zig van diergelike vuile lasteringe niet meer te bedienen".
De 5de februari 1763 bracht pander Kuyper een bezoek aan Lochien's vader en aan Willem Tijmooij om hen schriftelijk van Beuker's voornemens op de hoogte te stellen. Kuyper kwam terug met de mededeling "dat se van de scholte E.Beukers niet anders weetten als Eere en Dueght". Thijs en Willem bonden dus in, maar in besloten kring zal het nog wel even gebroeid hebben. Per slot van rekening was er in wezen niets uitgezocht. Men was enkel een konfrontatie met de autoriteiten uit de weg gegaan en de ongenoegens waren niet weggenomen. Ze waren enkel bedekt met woorden en de dreiging van een kostbaar en slepend conflict, zonder dat de veldelingen opheldering hadden gekregen. Wat voor effect had dit conflict met het gezag en het intimideren van zijn vader daarna op zoon Lochien?
Lochien was aanvankelijk schipper en werd uiteindelijk vervener. Zijn eigen bedrijf werd gesticht in 1782. Op 2 februari 1782 nam hij alle venen van Jan Arents Hartman uit het Haagje over. Het betrof besneden en onbesneden (rauw) veen op de Groot Hendrikswijk, zowel voor als achter de Zwarte Dijk, al Jan Arents Hartmans ondergrond op deze wijk, voor zover niet verkocht aan Hendrik Pieters Duinkerken, en venen met ondergrond in het Noordelijke- en Zuidelijke Ritmeestersblok. Het noordelijke blok lag bij Noordscheschut, het zuidelijke bij Nieuw-Moscou. Hendrik kocht deze venen en gronden voor f 2421,-,-. Het veen lag in het gebied van de afsplitsing van Schoonhovens Compagnie waaraan later de naam werd gegeven ‘Harm Beuker en consorten 2', om deze te kunnen onderscheiden van een eerste compagnie rond Harm Beuker. Volgens de boekhouding van de Hollandsche Compagnie was het bezit van Jan Arents Hartman in 1782 groot 37 morgen en 533 roede. Volgens oudere gegevens uit deze boekhouding zou het gaan om 26 morgen en 247 roede, en het is dan ook mogelijk dat die 37 morgen uit 1782 gedeeltelijk aan een ander toebehoorden. Zeker is in ieder geval dat het minimaal ging om 26 morgen en 247 roede, zodat Hendrik Thijs Thalen vanaf 2 februari 1782 mede-participant was. Hij mocht ter vergadering verschijnen als de kleine compagnie rond Harm Beuker zaken van algemeen belang trachtte te regelen. Het was vooral een papieren-compagnie, waarbinnen gemeenschappelijke rekeningen van een eigen aandeel in de Hoogeveensche Vaart verdeeld en betaald moesten worden. De compagnie had verder vrijwel geen inbreng. Lochien zou zijn venen volgens contract in vier termijnen betalen. Het eerste termijn betaalde hij nog aan Jan Hartman, de andere aan J. van de Wetering. Deze had de schuldbekentenis van Lochien van Jan Hartman overgenomen. Ieder jaar met Sint Maarten moest er afgelost worden. Een deel van deze venen ging verloren in 1792, toen de grens met Overijssel in het voordeel van de Overijsselse boeren werd vastgelegd. Hendrik Thijs Thalen heeft behoorlijk wat financiële schade gelden door deze grenskwestie, wat eveneens een reden kan zijn waarom hij zich nogal fel keerde tegen besturen, waardoor hij zich in de steek gelaten voelde.
Hendrik Thijs Thalen was tweemaal getrouwd. Hij vond zijn eerste vrouw in Janna Derks. Uit dit huwelijk werd een zoontje geboren, dat 22 augustus 1779 werd gedoopt als Thijs Hendriks Thalen. Janna Derks heeft de kraam en de nasleep niet overleefd. Ze stierf kort na de doop en werd 28 augustus 1779 begraven. De kleine Thijs stierf drie maanden later en werd 17 november 1779 begraven. Lochien trouwde nadien met Elsje, de in 1743 geboren dochter van schoolmeester Roelof Lamberts Dodevis. Uit dit huwelijk bleef alleen een dochter Aaltje (geb.1785) in leven. Via Elsje Dodevis raakte hij verwant aan oefenaar en catecheet Peter Steen, Arent Reinders van Oosten en, wat verder weg, aan de groten uit de geslachten Slot, Winkel en Koster. Al met al was hij een kind van de bovenlaag uit de velden. Iemand die gewend was om zijn eigen boontjes to doppen en om eigen baas te zijn. Hij moet ook iemand geweest zijn die er zich niet gemakkelijk bij neer kon leggen als de zaken niet gingen zoals hij zich die uitgedacht had. Gewoonlijk gaf dat geen grote problemen, maar als hij een borrel op had, dan was het mis.
POLITIEKE OMWENTELINGEN
Lochien moest niets hebben van de Patriottische schutterij die in de jaren '80 op het Hoogeveen opgericht was. Voor hem was dat verraad aan zijn geliefde stadhouder. In 1786 liep een ontmoeting met een schutter uit de hand. Tijdens een flinke ruzie sloeg Lochien diens geweer kapot. De strijd tussen de Patriotten en de Prinsgezinden was in deze dagen nog onbeslist, en men kon zijn daad niet door de vingers zien, zonder de onderlinge verhoudingen ernstig te schaden. Het molesteren van een schutter lag tevens zeer gevoelig, doordat de schulte van Echtens-Hoogeveen, Van Rossen, leider was van de schutterij. Schulte Jannis Cremer van Rossen werd 11 december 1729 te Dwingeloo gedoopt als zoon van Willem Boelens van Rossen en Swaantje Jannis, weduwe van Jan Moes. Jannis Cremer van Rossen studeerde rechten en vestigde zich als advocaat te Dwingeloo. Hij is twee keer getrouwd geweest. In 1753 trouwde hij met Johanna Meynen en in 1778 met Catharina Dassen. In 1777 kwam Van Rossen naar Echtens-Hoogeveen, als opvolger van wijlen schulte Ernst Beuker. De felle patriot Van Rossen was de grote promotor van de op het Hoogeveen opgerichte schutterij en had daarbij de rang van kolonel. Lochien werd na de confrontatie met de schutter veroordeeld door een krijgsraad. Hij moest niet alleen 18 gulden voor het vernielde geweer betalen, maar men veroordeelde hem tevens tot verplichte toetreding tot de door hem zo gehate schutterij! Daarmee werd zijn eerste veroordeling meteen een politiek proces, waarbij de rechtsgang op Echtens-Hoogeveen niet meer onpartijdig was, maar de kant koos van en uitgevoerd werd door de Patriotten. Met een felle Patriot als schulte kan men misschien ook niet anders verwachten. Het werd het begin van een persoonlijke vete: Lochien contra Van Rossen.
De 13de september 1787 viel een Pruisisch leger ons land binnen. De koning van Pruisen kwam zijn zwager stadhouder Willem V te hulp en overal werd de macht van de Patriotten gebroken. Schulte Jannis Cremer van Rossen werd uit zijn functie gezet. Op een maandagavond voer Lochien met zijn schuit naar het dorp. Hij was woest op de mensen die hem verplicht hadden Patriot te worden en hij moest zijn 18 gulden terug. Hendrik Temmingh, zijn doelwit, officier van schutterij, probeerde van hem af te komen door te zeggen dat dit geld bij Van Rossen was. Na veel vloeken, schelden, trappen, tergen en stoten door Lochien, betaalde Temmingh het geld maar uit eigen zak, om van alles af te zijn. Lochien was tevreden. Er waren meer ongeregeldheden. De woning van Aaldert ten Klei werd geplunderd, er werden ruiten ingegooid en huizen werden beschadigd. Om rust en orde te herstellen en om de Patriotten te beschermen, werd er de 24ste september een detachement troepen uit Coevorden op het Hoogeveen gelegerd. De troepen werden ingekwartierd bij de bevolking. Een protest tegen deze inkwartiering, waarbij verzocht werd de troepen enkel onder te brengen bij de leden van de vroegere excercitiegenootschappen, volgde al snel. Waarschijnlijk zijn er ook soldaten in het Hollandsche Veld ingekwartierd geweest. Per slot van rekening was de bevolking aldaar nogal Prinsgezind. Nadere gegevens daarover ontbreken.
Op oudejaarsavond 1787 kwam het tussen de soldaten en een groep schippers tot een grote vechtpartij, waarbij aan weerszijden gewonden vielen, waaronder enkele vrij zwaar gekwetsten. Op nieuwjaarsmiddag hield de Patriottische dominee Hein een donderpreek tegen de schippers waarin hij hen verweet schuldig te zijn aan de dood van een zwaar zieke patiënt, omdat deze dokters hulp had moeten ontberen. De schippers hadden namelijk ook de Patriottische dokter Mantingh aangevallen hadden, zodat Mantingh gedwongen was geweest naar huis terug te keren. De schippers protesteerden heftig tegen de verwijten. Een kleine groep trad als vertegenwoordigers van hen op, toen er een rekest aan de Drost van Drenthe opgesteld werd over ds. Hein's preek. De betrokkenheid van veldelingen bij de vechtpartij is zeer waarschijnlijk, gezien de felheid waarmee de veldelingen - zoals we later nog zullen zien - uiting plachten te geven aan hun Oranje-liefde. Daarbij komt ook nog, dat twee van de vier ondertekenaars van het rekest oorspronkelijk afkomstig waren uit het Hollandsche Veld en daar nog steeds hun venen hadden en familie hadden wonen. De vier opstellers en ondertekenaars waren Jan Keur, Johannes Jacobs (Sempel), Aaldert Roelofs (Slot) en Govert Mol.
Aaldert Roelofs noemde zich ook wel Aaldert Roelofs Slot. Hij nam de familienaam van zijn moeder over. Hij was in 1753 in het Hollandsche Veld geboren als zoon van mede-participant Roelof Aalders en Grietien Jans Slot. Aaldert groeide op in de velden en trok naar het dorp, na zijn huwelijk met Albertje Jacobs Sempel. Govert, voluit Govert Faken Mol, was in 1741 geboren als zoon van Fake Jans Mol en Femmigjen Hendriks Hagen. Hij trouwde Lutte Jans Klinkien uit het Hollandsche Veld. Ze woonden enige jaren op de zuidkant van het Hollandsche Veldse Opgaande, even ten oosten van de Kruumte, in de buurt van zijn schoonvader, Jan Alberts Klinkien. Het haardstedenregister van 3 augustus 1786 vermeldt hen hier nog. Dat van 26 juni 1787 vermeldt hen in het Haagje. Kort voor de omwenteling van 1787 zijn ze dus verhuisd, rond mei 1787.
De situatie bleef na de komst van de soldaten nog een tijd gespannen, maar de 25ste maart 1788 achtte men het verantwoord om de troepen van bet Hoogeveen terug te trekken. Zeven jaren verstreken. In januari 1795 rukte een leger van uitgeweken Patriotten en Fransen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden binnen. Overal in de gewesten kwam de macht weer volledig in handen van de Patriotten. En die waren Lochien nog niet vergeten. De 18 gulden van dat vernielde geweer werden hem nog even goed onder de neus gewreven..... en Lochien betaalde opnieuw. In dat stadium werd nog niet ingegaan op zijn confrontatie met Hendrik Temmingh uit 1787, en bleef het bij de vordering van de 18 gulden. Al na een paar maanden ging het gerucht dat er weer een Pruisisch leger klaarstond om de Prinsgezinden te hulp te komen. Dit gerucht moet ook Folker Willems van der Weide ter ore gekomen zijn. Er groeide hoop in zijn hart.
Folker's ouders, Willem Derks van den Weide of Weijdeman en Aaltien Pieters van den Berg, hadden in de jaren '50 in het Vierkante Blok gewoond, in het Hollandsche Veld. In 1764 woonden ze achter de kerk, in het dorp, en het haardstedenregister vermeldt als bijzonderheid: "tapt soopjes nu en dan". Folker van der Weide zelf was met zijn vrouw Lammechien Koerts bewoner van de Krakeler velden. De 5de juli 1795, op een zondag, zat de toen 45-jarige Folker in huis bij Hendrik Wildeboer te "zuipen en te zwelgen", zoals men later zou zeggen. Aangeschoten stapte hij naar buiten, naar de plaats waar het meeste kerkvolk langskwam, ergens in het dorp. Zijn hoed was versierd met oranje linten. Luidkeels riep hij dat hij het oranje al wel acht dagen openlijk gedragen had, hiervoor geen mens rekenschap verschuldigd was, en er geen mens toestemming voor hoefde te vragen. Met een dag of drie zou iedereen oranje moeten dragen. Voor de Patriottische regering had hij geen goed woord over en dat liet hij merken ook.
Zijn gedrag veroorzaakte "onrust en disorders". Men vroeg zich blijkbaar af hoe met zijn gedrag omgegaan moest worden en wat voor konsekwenties dat zou hebben. Voor de een werd de vlam van de hoop aangewakkerd. De ander bekroop een onbehaaglijk gevoel. Folker's vreugde en zijn woorden zaaiden het zaad van de oproer. Helaas. Het was allemaal slechts een gerucht. En wat Folker's bevrijding had moeten worden, werd zijn gevangenschap. Hij had het bevrijdingsfeest 18 jaar te vroeg gevierd. Folker werd ingerekend en 13 dagen later al veroordeeld. De 20ste juli 1795 werd op de Asser lotting bepaald dat hij nog 8x24 uur in de Asser gevangenis zou moeten blijven, gevoed met water en brood.
Het gerucht van de Pruisische troepen was vrij sterk. Klaas Troost uit het Hollandsche Veld, van de Klaas Troostwijk, was veenbaas en schipper. Hij moet een vrij grote praam gehad hebben waarmee hij de Zuiderzee durfde te trotseren. De 7de juli 1795 was de 30-jarige schipper met zijn even oude knecht Albert Hendriks Wierbers te Muiden geweest. Volgens hen waren er die dag al Pruisische kwartiermakers in die plaats geweest. Het zou hen door een gerechtsdienaar bevestigd zijn. Ze namen het nieuws mee terug de Zuiderzee over. In Meppel kwamen de tongen los. Ze verhaalden publiekelijk van de Pruisen. Ze zouden hen niet enkel gezien hebben, maar zelfs met hen gesproken hebben. Hun verhalen zorgden voor veel beroering onder de Meppeler bevolking. Klaas Troost en zijn knecht kwamen er nog goed af. Na het voorarrest kregen ze de 18de juli 1795 een flinke waarschuwing en er werd hen medegedeeld dat er extra op hen gelet zou worden. Ze konden weer naar huis gaan. De verwachtte omwenteling had niet plaats.
VERVOLG INCIDENTEN
Op nieuwjaars avond 1796 brachten Fake Jans ten Kaat, 27, zijn neven Fake Berents ten Kaat, 23, Harm Berends ten Kaat, 21, en andere jongeren, zoals Klaas Prins en Jan Geerts Pander (Zwiers), het Hollandsche Veld in rep en roer. Fake Jans ten Kaat, de leider van het stel, gaf zich uit voor kapitein van de schutterij. Hij zou van regeringswege opdracht gekregen hebben om het huisje van Hendrik Vos omver te halen. Hendrik Harms Vos woonde op de 10de wijk van het oude Vierkante Blok, op de noordkant van het opgaande. Wie aan dat omverhalen mee zou werken, zou volgens Fake een goeie daghuur kunnen verdienen. Met zijn "schutters" trok Fake op naar Hendrik Vos' woning. Blijkbaar was Hendrik zelf niet thuis, want men sprak zijn vrouw aan. Pietertien Willems van der Weide. Fake riep: "Vrouwe, uw huis zal onder de voet! Bergt uw kinderen; als ik driemaal trappe met de voet dan valt mijn volk aan!" Hierna gingen ze naar het huis van Egbert van der Weide, zowel een broer van Pietertien als van de al eerder genoemde Folker Willems van der Weide. Egbert, een arbeider, had een tapperij op de noordkant van het Hollandsche Veldse Opgaande, op de 11de wijk van het Vierkante Blok. Ze vierden het begin van een heel nieuw jaar en trokken weer op naar Hendrik Vos’ huisje. Ze begonnen met stenen te smijten. Ze deden dat volgens de verslagen zo aller geweldigst, dat de stukken van de pannen vlogen en er stenen bij de haard en bij de kinderen op het bed neerkwamen.
Fake trachtte de "binnenmuur" omver te stoten. Was hij via de achterdeur naar binnen gelopen en stond hij misschien al in het achterhuis? Het lukte hem niet de (lemen?) muur omver te krijgen. Na veel baldadigheid lukte het wel om de voormuur omver te krijgen. Na veel schrik doorstaan te hebben werd het gezin nu blootgesteld aan de barre winter die toen heerste, aan het gure weer en de open lucht. Ook schijnt men uit het huisje van Hendrik Vos, alias Dwirrel, gestolen te hebben. Harm Berends ten Kaat stookte de boel nog verder op door zijn mes te trekken en net te doen of hij zijn neef Fake aan wou vallen. Geen echte poging natuurlijk, maar bedoeld om het "feest" luister bij te zetten. Er lijkt op het eerste gezicht sprake te zijn van baldadigheid met een van tevoren uitgedacht plan, zoveel jongkerels bij de weg met zulk agressief gedrag. Gezien de vele deelnemers doet het aan als een waar volksgericht. Maar het was nieuwjaar, en dan was een groep dronken jongkerels niet ongewoon. Hendrik Vos, of Dwirrel, of Schonewille, was een oom van de Ten Kaat’s. Het was waarschijnlijk eerder een door de drank uit de hand gelopen nieuwjaarsvisite, een baldadigheid die men zich dacht te kunnen permitteren, omdat men dacht dat men op zo’n dag nu eenmaal meer mocht dan anders. Ook het bekende ‘slepen’, het weghalen van spullen, is zo’n plaatselijke vorm van tijdelijk verleggen van de grenzen van het toelaatbare. Wat het in ieder geval ook duidelijk was, was een vorm van belachelijk maken van de autoriteiten.
In de processtukken vinden we enkel de veroordelingen van Jan Geerts Pander en Harm Berends ten Kaat. Ze werden veroordeeld om "geduirende den tijd van zes jaaren ten dienste dezes landen in den tegenswoordigen oorlog tegen den vijand dezer Republijcq in den zeedienst geëmplooijeert te worden". Zes jaar verplichte militaire dienst, bij een marine die zich aan de zijde had van de door hen gehate Fransen. De anderen, Klaas Prins, Fake Jans ten Kaat en Fake Berents ten Kaat moeten dezelfde straf ondergaan hebben. Fake Berents ten Kaat vinden we bijvoorbeeld in 1798 duidelijk vermeld als matroos. Hij, zijn vrouw en hun ene kind woonden toen in het Krakeel. Nadien wordt in geen enkel bekend document nog iets van hem vernomen. Fake Berents ten Kaat heeft, voor zover bekend, zijn straf dan ook niet overleefd.
Nog geen week na het nieuwjaars incident kwam er alweer nieuws over een ander incident uit de velden. De 7de januari 1796 had Albert Jans, 21 jaar oud, zijn broer Aaldert Jans geholpen met het laden van een praam turf in het Hollandsche Veld. Na het laden werd de gebruikelijke borrel gedronken, waarna men via het Hollandsche Veldse Opgaande afvoer richting dorp. Albert Jans riep onderweg herhaaldelijk "Oranje boven" en zong "Al is ons prinsje nog zo klein, alevenwel zal hij stadhouder zijn". De Patriottische rechters noemden het later hooggaande misdaden. Toen hij de 9de maart dat jaar te Assen veroordeeld werd, hield men rekening met zijn dronkenschap en het voorarrest en veroordeelde hem tot nog slechts acht dagen hechtenis. Op water en brood. Hij werd veroordeeld in naam van het volk van Drenthe, zoals men zei. Het is maar de vraag wat het volk van Drenthe in werkelijkheid dacht van Albert Jans’ houding. Hij werd in ieder geval niet veroordeeld namens het volk uit de velden. Daar zou men het liefst met hem mee gejuicht hebben.
Een soldaat alleen, op doorreis door het Hollandsche Veld, waagde zich in het hol van de leeuw. Dit ondervond een neef van wijnkoper, later maire, Abraham Meijer, toen hij zich door Harmannus Hoefman door het Hollandsche Veld de weg liet wijzen, op weg naar zijn garnizoen te Hardenberg. Ze stapten op 9 juni 1797 Jan Slots gelagkamer binnen, waar enkele veldelingen achter de borrel zaten. Ze bestelden een mengel bier. Een van de andere gasten was Lochien Thijs Thalen. Hij sloeg het tafereel van op afstand gade en zocht daarop kontakt met de vreemdelingen. Harmannus Hoefman had nog het minst te verduren. Lochien's interesse ging vooral uit naar de soldaat, herkenbaar als een Bataafse Jager. Lochien greep de soldaat in zijn uniform er schudde hem eens goed door elkaar. Hij voegde er aan toe dat als hij een brave kerel wou zijn, hij zijn sabel af moest leggen. Lochien pakte de mengel bier om er uit te drinken, met de woorden "Orange zal booven gaan" en "Orange zal nooijt vergaan". Lochien vroeg de jager of deze met hem op de gezondheid van de Prins wilde drinken. Dat was nog niet het grootste probleem voor de jager. Toen daarop gevraagd werd of hij nu ook met Lochien op de verdoemenis van de Patriotten wilde drinken, weigerde de soldaat. Zo, was hij dan niet voor de Prins? De soldaat had nog amper ‘nee’ gezegd of Lochien gaf hem al een klap met de biermengel op het hoofd. De Bataafse jager was nu vlug uit Jan Slots kroegje verdwenen. Lochien en de zijnen gingen achter hem aan.
De soldaat briefde het gebeurde door. Lochien kwam er goed af. Met het oog op zijn vrouw en kinderen en met het oog op het berouw dat hij tegenover de officiële instanties toonde, kwam hij er vanaf met een belofte. Hij beloofde zich in het vervolg als een rustig en stil ingezetene te zullen gedragen. Op aandrang van Mr. J.C. van Rossen werd nog bepaald dat Lochien een boete van 100 gulden zou moeten betalen. Daarmee was hij niet van het geval af. Als hij opnieuw met de justitie in aanraking zou komen, zou men hem de zaak opnieuw onder de neus wrijven. Van Rossen had de mogelijkheid om de veroordeling te verzwaren, omdat hij bij de omwenteling van 1795 in de politiek was terug gekomen als lid van het bestuur van Drenthe en betrokken was bij de rechtspraak, als president van de rechtbank. De verzwaring van de straf door Van Rossen zal hem ingegeven zijn door de veroordelingen van Lochien, waar hij als schulte van Echtens-Hoogeveen bij betrokken was geweest. Hij wist dat Lochien voor de Patriotten geen goed woord over had.
HENDRIK THIJS THALEN CONTRA HARM ALBERTS KOSTER
Hendrik Thijs Thalen en twee van zijn arbeidsters hadden de 19de februari 1798 de hele dag hard gewerkt, op het veld op de Bennerwijk. Na afloop gingen hij en de dames, Aaltje Otten, de 26 jarige echtgenote van Hendrik Jans Metselaar, en de weduwe van Harm Claas Gauw (Schonewille) nog enkele wijken zuidelijker om een glaasje te drinken in de tapperij van Hendrik Pieters Duinkerken, Grote Hendrik, op Groot Hendrikswijke. Ook Femmegien Geerts, de weduwe van Harm Claas Gauw was nog jong. Ze was nog maar 25 jaar. Het zou interessant zijn te weten waar onder de borrel over gepraat werd. Per slot van rekening hadden Hendrik en Grote Hendrik beiden te maken gehad met grensconflicten tussen de verveners van Echtens-Hoogeveen en de boeren van Lutten en Aane, en hadden ze beiden door de nieuw vastgestelde zuidgrens van Echtens-Hoogeveen verliezen geleden. Machteloos moesten ze toezien hoe de mensen uit Overijssel, gesteund door een door de gewestelijke autoriteiten van Drenthe en Overijssel gerespecteerde uitspraak, veen bewerkten dat ze eigenlijk nog steeds als de hunne. Misschien dat daarom iets teveel gedronken werd? Of was Hendrik in die dagen al ‘gewoon’ drankzuchtig?
Na af te rekenen verlieten ze Groot Hendrikswijke en gingen langs het Zuider opgaande naar het noorden, om op Jan Slotswijke, in de tapperij van Jan Booys Slot nogmaals de droge kelen te bevochtigen. Weer een paar slokken later wandelden ze gedrieën, Hendrik en de beide dames, verder noordwaarts. Verschillende gelagkamers liepen ze voorbij. Misschien had iedere klant ook in die dagen al zijn vaste adresjes. Ze gingen nog iets drinken bij Simon Jans Schonewille, op de zuidkant van het Hollandsche Veldse Opgaande (nu 't Hoekje). Simon had in deze jaren tap in huis. Harm Alberts Koster was reeds bij Simon thuis aanwezig. Lochien en Harm spraken aanvankelijk over huiselijke zaken. Ze waren aangetrouwde neven. Harm Koster uit het 2de Blok was getrouwd met Aaltje, de dochter van wijlen Arent Reinders van Oosten. Onder de borrel ging het gesprek verder en men kwam op het onderwerp ‘veen’. Harm Alberts Koster was direkteur van de Compagnie van de 5000 Morgen. Er werd veel gedronken, zo zeiden de getuigen later. Aaltien Otten en Harm Gauw's weduwe hadden daar geen zin meer in en gingen weg. Harm Koster en Lochien volgden hen vrijwel direkt. Ze liepen de Hollandsche- of Lange Dijk op.
Wie begonnen is kon geen van de getuigen bevestigen, maar toen ze op de Hollandsche Dijk achterop de Berend Jans Kikkerswijke waren, werden ze door de beide dames liggend op de grond aangetroffen, vechtend en wel. Harm lag bovenop Lochien, maar al gauw waren de rollen omgekeerd. De beide dames bevrijdden Harm, die door Lochien al vechtende voor een "dit" en een "dat" kind uitgemaakt was. Harm, bevrijd, trachtte Lochien te ontlopen door de Berend Jans Kikkertswijk in noordelijke richting op te lopen, richting Hollandsche Veldse Opgaande. Lochien trok zijn buis (jas) uit en liep hem na, roepende dat hij staan moest blijven. De dames riepen van "doorlopen Harm", maar Harm bleef staan. Weer rolden ze over de grond. Weer leek eerst Harm te winnen, en al snel lag Lochien weer boven. Lochien gaf Harm een paar klappen "boven" en "onder". De dames schoten opnieuw te hulp en riepen vermanend: "Hendrik Thijs Thalen!".
De strijd was ten einde, want al hoe woest Lochien ook was, hij zou nooit een vrouw slaan of bevechten. Inmiddels was er al weer ander volk bijgekomen, maar het was niet meer nodig. Ook de vader van Aaltien Otten, de 61 jarige Otte Gerrids, was, terugkomend van zijn werk op het veld, op het viertal gestoten. De dames hadden het alleen wel afgekund, zo bleek, jong als ze waren. Harm Alberts Koster liep verder noordwaarts en kwam bij het huis van Berend Jans Kikkert, waar hij diens vrouw Geertruid Klaas trof, toen hij naar binnen liep en "Is er ook volk!" riep. Geertruid Klaas zag zijn bebloed gezicht en vroeg op hij gevallen was. Niet dus. Ze kreeg het hele verhaal te horen. Kort daarop kwam Lochien vloekend bij haar huis, buis uit en stok in de hand, dronken, en Harm uitdagend om naar buiten te komen. Zo niet, dan zou hij wel bij hem komen. Lochien droop even later weer af en ging naar huis. Het was een gedenkwaardige maandag namiddag, waarover nog lang nagepraat werd. Elsje Roelofs Dodevis en haar dochter Aaltje Hendriks Thalen zullen die dag hun handen vol hebben gehad aan vader. Een paar dagen later, de 24ste februari 1798, gaf Harm Alberts Koster het voorval aan. Het gerechtshof van Assen gaf landschrijver Mr.C.E.Carsten opdracht om nadere informatie omtrent dit voorval in te winnen. Mocht men het nodig achten, dan zou de president van de rechtbank, Mr.J.C. van Rossen, Lochien laten arresteren. Het bleek het begin van het einde van Lochien Thijs Thalen's vrije leven.
EEN BEZOEK AAN VAN ROSSEN
In mei 1798 zou Lochien een bezoek aan Van Rossen brengen. Wat was het geval? Toen Borchard Jans Prijs de 18de januari 1787 een praam gekocht had van Van Rossen, had Lochien zich voor hem borg gesteld. Prijs kon zijn schulden niet betalen en de borgen werden in kennis gesteld. Weer kwamen Lochien en Van Rossen in conflict. Sint Maarten 1796 had Lochien vanwege de praam f 176-13-0 (176 gulden, 13 stuivers en 0 duiten) aan Van Rossen moeten betalen. Hij deed het niet. Van Rossen maande hem om alsnog te betalen en dreigde met kerkespraak. Het openbaar in de kerk afkondigen van zijn weigering om te betalen zou de eerste step zijn op weg naar een gerechtelijke inbeslagname van goederen, zodat Van Rossen alsnog zijn geld zou krijgen. Nog betaalde Lochien niet. Hij moet het als bluf van Van Rossen ervaren hebben, want toen de zaak de 6de mei 1798 inderdaad in de kerk afgeroepen werd besloot hij direkt om te betalen.
Na de kerkdienst liep Van Rossen, nog steeds woonachtig op het Hoogeveen, naar het huis van Dr.Carsten. Voor de woning van Jan Farnhout werd hij door Lochien aangesproken. Lochien zei zo rond een uur of 5 of 6 langs te zullen komen om te betalen. Van Rossen weigerde dit. Later zou hij zeggen dat hij geweigerd had omdat Lochien toen teveel gedronken had, maar dit valt te betwijfelen. Zo na de kerkdienst werd wel een borrel gedronken, maar Lochien wist goed waar hij het over had, en hij had niet eens de tijd gehad om zich in zo’n korte tijd helemaal te bezatten. Lochien moest morgen maar langskomen, vond Van Rossen. Een onredelijke vraag, want de andere dag moest Lochien naar het veld en het zou hem een daghuur moeten kosten als hij weer naar het dorp moest. Voor geen dukaat zou hij morgen kunnen komen, werd door Lochien gezegd. Van Rossen zei hem dat hij het geld maar aan pander Coelink moest geven, die het hem morgen dan kon bezorgen, en liep weg. Lochien voelde zich vernederd. In de loop van de dag besloot hij om dan maar zonder afspraak naar Van Rossen te gaan. Voordien dronk hij zich moed in en uitte zijn ongenoegens over de president van de rechtbank. Misschien dat men hem in de tapperij nog heeft opgestookt?
Om 9 uur 's avonds meldde de meid van Van Rossen dat er bezoek voor hem was. Het bleek Lochien te zijn. Lochien wilde hem betalen, maar Van Rossen weigerde. Hij moest maar eens weerkomen als hij nuchter was. Het was nu goed raak. Lochien maakte Van Rossen uit voor een bliksemse schelm, die hem had bedrogen en tekort had gedaan. De in het huis aanwezige vrouw en zuster van Van Rossen raakten door zijn schelden en roepen in paniek. Pander Coelink en een zekere Geert Jacobs werden te hulp geroepen, waarop Lochien alsnog vertrok. Lochien liep Geert Jacobs nog even na en vertelde hem dat wanneer hij Van Rossen daadwerkelijk geholpen zou hebben, hij hem zo getrapt zou hebben "dat hem de stront langs de darmen liep". Lochien voegde er aan toe dat de huidige regering maar niks was. Niet meer dan lappen en lorren. Toen hij zich later voor de schulte en keurnoten moest verantwoorden kwam hij er vanaf met het betuigen van spijt en de verklaring van Van Rossen niet meer te weten dan eer en deugd. Het was een verklaring van een strekking, zoals ook Lochiens vader en Willem Tijmooij vele jaren daarvoor onder druk hadden moeten geven.
Formeel heette het zo te zijn, dat Van Rossen tevreden was met enkel deze verklaring, omdat Van Rossen het gezin van Lochien niet ongelukkig wilde maken, door de man en vader te laten arresteren. Er is echter ook een andere verklaring te bedenken, rekening houdend met de gewoonten van die dagen. Door na de kerkespraak zich bij Van Rossen te melden met de mededeling dat hij zijn schulden wilde betalen, deed Lochien niet anders dan van hem gevraagd werd. Door geen afspraak met Lochien te willen maken voor 5 of 6 uur ‘s middags, maar hem te verwijzen naar de pander, ging Van Rossen met Lochien om op een wijze, die als vernederend ervaren kon worden. Binnen de toenmalige verhoudingen kon men een arbeider doorsturen naar de pander, maar als verveners onder elkaar - en per slot van rekening was Lochien een vervener met een flinke lap ondergrond en veen - handelde men dit soort zaken onderling af. Kortom, Lochien was dan misschien wel helemaal zelf verantwoordelijk voor zijn misdragingen ten huize van Van Rossen, maar Van Rossen zelf had aanleiding gegeven tot ongenoegens. In dit licht is de milde aanpak van Lochien in dit stadium verklaarbaar en niet meer dan rechtvaardig.
JAN ARENTS SNORT, INBREKER
In juni 1798 werd het Hollandsche Veld in rep en roer gebracht door Jan Arents Snort. De volgens zijn eigen zeggen, 31-jarige Hollandsche Velder trok in de morgen van 25 juni 1798 naar het Dwarsgat Rechtuit, nu bekend als het 3de Zandwijkje. Aan dit dwarsgat woonden in deze jaren voornamelijk arme arbeiders en weduwen. Ook de "Prinsesse" woonde hier. Zo werd ze om de één of de andere onbekende reden door de veldelingen genoemd. De wijk waar ze aan woonde werd naar haar genoemd: Prinsessenwijk. We kennen de wijk nu als Boswijk. Haar hut stond op de hoek van die wijk en het dwarsgat, waar we nu de garage van kwekerij Leijssenaar vinden. De ‘Prinsesse’ heette eigenlijk van zichzelf Annegien Reinds Smit ze was de weduwe van Christiaan Alberts Schonewille. Ze was uitermate arm en werd gesteund door de diakonie . Jan Arents Snort vond haar hut gesloten. Aan de buitendeur hing een slot, dat echter wel door Jan te verwijderen viel. Hij stapte naar binnen en doorzocht de kamer. In een kast vond hij enige dubbeltjes en duiten. Uit een vaatje in die kast haalde hij wat jenever. De stokvis die de ‘Prinsesse’ al gaar gekookt in een kast of spintje klaar had staan, nam hij ook mee.
Men moet hem gezien hebben. In ieder geval wist Egbert van der Weide, de schoonzoon van de ‘Prinsesse’ dat hij Jan Arents Snort moest hebben voor deze misdaad. Egbert nam een paar getuigen mee en zocht Jan op. Jan was op dat moment Op ‘t land van Jan Faken ten Kaat, de tapper op de zuidkant van ‘t Rechtuit. Egbert greep Jan beet en pakte zijn beurs. Netjes telde hij uit wat Jan zijn schoonmoeder ontstolen had en gaf hem de beurs en de rest van het geld terug. Jan trakteerde Egbert op een jenevertje en gaf een roggebrood aan zijn vrouw cadeau. Egberts vrouw was namelijk ook meegekomen. Jan Arents Snort was bang geworden. Hij bleef maar vragen of ze het gebeurde toch maar alsjeblieft niet aan wilden geven. Het is een mooi voorbeeld van hoe de veldelingen onder elkaar allerlei voorvallen wisten op te lossen, zonder dat er een rechtzaak van kwam. De zaak leek uitgepraat. Na een laatste borrel stapten ze gezamenlijk weg. De vrouw van Roelof Jonker had zolang op één van Egberts kinderen gepast. Ze riep Geesje Christiaans Schonewille, Egbert's vrouw, want die moest het kind nog weer ophalen. Om harder te kunnen lopen ontdeed Geesje zich van haar onderrok. Ze legde die neer bij het vonder van "Breijders Abbe", waarmee het draaivonder bij de 11de wijk van het oude Vierkant Blok bedoeld moet zijn. Geesje was onvoorzichtig en Jan Arents Snort toonde zich onverbeterlijk. In aanwezigheid van een ander kind van Egbert en Geesje doorzocht Jan de rok en stal er al het geld van Geesje uit. Jan maakte dat hij weg kwam. Egbert van der Weide en Willem Zweep renden hem na en maakten hem opnieuw het gestolene afhandig.
Een paar dagen later, de 26ste of de 27ste juni, wandelde Jan Arents Snort vanaf het Zuider Opgaande de Schutswijk op. Aangekomen bij het huis van Jan Zwiep bleek dat ook hier niemand thuis was. Hij brak de deur open en sloeg het kistje kapot waar ze hun kostbaarheden in bewaarden. Hij stal er vier guldens en enige stuivers uit. Toen Jan later hoorde dat er ruchtbaarheid aan de diefstal gegeven werd, beloofde hij het geld terug te brengen. Jan was niet enkel tuk op verlaten woningen. Hij keek ook uit naar verlaten pramen, die hij ongemerkt dacht te kunnen doorzoeken. In de uitgestrekte velden waren mogelijkheden genoeg om wat van een ander mee te nemen. De sociale kontrole, de angst voor de woede van de bevolking, was voor veel zaken de enige echte beveiliging, omdat sloten nogal eens ontbraken of gemakkelijk te forceren waren. De praam van Roelof Jonker lag juni 1798 in de Jan Kielswijk. De schipper had zijn kostbaarheden in het vooronder liggen en had dat afgesloten met een goed nieuw slot. Jan Arents Snort brak de boel open en haalde er een paar zo goed als nieuwe schoenen uit, een koperen koffieketel, een broodmes, brood, boter en kaas. Het waren de persoonlijke bezittingen van Roelof Jonker, die hij nodig had als hij als schipper naar Zwartsluis voer.
Jan verkocht de schoenen aan Stoffer Harms, voor 1 gulden en een half oord jenever. De zelfde maand werd Jan Gerrits Strijker het slachtoffer. Zijn praam lag in de 9de wijk, de zuidelijkste dwarswijk van de 31ste wijk, net ten noorden van de Kerkenkavel, in de Krakeler venen. Hij verwijderde de kram van de zogenaamde luikeband, voor in de plecht, en kwam zo in het vooronder. Jan haalde er een nieuw hemd uit, dat al eenmaal gedragen was. Verder een stukje spek en voor drie stuivers aan duiten. Het hemd verkocht hij voor 18 stuivers aan Geesje, de vrouw van Egbert van der Weide. Dat Geesje nog zoveel vertrouwen in hem stelde, dat ze spullen van hem wilde kopen! Ook de inbraak in de praam van Carst Jacobs Sempels werd aan Jan Arents Snort toegeschreven. Eerst had iemand geprobeerd het achteronder los te breken, maar dat was niet gelukt. Uit het vooronder lukte het wel om spullen te halen. Verdwenen waren een hemdrokhemd, een zijden doek, drie paar kousen, een bombazijnen broek, een gestreepte onderbroek en een paar schoenen. De goederen waren van Berend Jans Hof geweest, de knecht van Sempels. Men verdacht Jan van de inbraak omdat deze kort daarop rondbazuinde dat hij goed en geld genoeg had en dat hij ook nog hemdrokken, broeken en andere waren had, ergens achter op een wijk.
Jan Arents Snort had het nu te bont gemaakt. De veldelingen hadden hem vermaant om zich van stelen te onthouden, opdat hij niet in de handen van de rechterlijke macht zou vervallen. Men vermaande hem om God to smeken om vergeving van zijn misdaden en zijn hart to beteren. Telkens antwoordde Jan dat hij stelen wilde en als ze hem zouden krijgen, dan kregen ze hem, dat deerde hem niet. God wilde toch geen gedoe meer met hem hebben. De duivel waarschuwde hem telkens. En meer van dat soort uitspraken "waarvoor elk regt geaart Mensch beeft". Jan had het bij de veldelingen volkomen verbruid. Men speelde zijn misdaden door en de 19de oktober 1798 zou hij veroordeeld worden. Hij werd gegeseld en gebrandmerkt. Daarna zou hij nog 20 jaar in het tuchthuis moeten doorbrengen.
HENDRIK THIJS THALEN’S ONDERGANG
Juli 1798 kwam Lochien weer in het nieuws. Abraham Jacobs was een Joodse koopman, die met zijn pak op de rug bij de weg was, en zijn negotie ook in het Hollandsche Veld aan de man of de vrouw trachtte te brengen. In de tapperij van Annegje Harms Schonewille, weduwe van de inmiddels overleden Jan Faken ten Kaat ("Jan Foken" in de volksmond) vroeg hij om een zoopje en bood zijn waren aan. In de gelagkamer zat Lochien met zijn schuitenladers. Eén van hen, Harm Hendriks Booy, had wat voor Abraham te koop: een ruige muts. Abraham, patriot en fuselier bij de compagnie schutters van Hendrik Temmingh, droeg zelf een Patriottenhoed, waaraan men zich in de velden vreselijk ergerde. Abraham ging niet op het aanbod in. Lochien zei tegen Harm Booy: "Slaat den Patriotte met de muts om de ooren". Harm weigerde. Lochien zei tegen Abraham dat hij goed in zijn oren moest knopen dat zijn voorouders dat soort hoeden ook niet gedragen hadden. Daarop haalde Lochien uit, sloeg de hoed van Abrahams hoofd, greep hem bij de haren en smeet Abraham op de grond. De hoed verdween in de askolk en ging in rook op. Abraham vluchtte, het pak met handelswaren achterlatend. Hij vroeg bij Temmingh ontslag van dienst aan. Het incident stond niet op zich en hij kon als Patriot amper meer handeldrijven. Hij had als schutter geen middel van bestaan meer. Men weigerde zijn ontslag. Temmingh, de man van de door Lochien opgeëiste 18 gulden voor het vernielde geweer, had nu een mogelijkheid om Lochien aan te pakken, en de zaak werd bij het gerecht aanhangig gemaakt.
Lochien is in deze periode voor een vergadering naar Assen geweest. Men moet hem ontboden hebben om zijn houding te bespreken. Hij dronk zich met één of meer jenervertjes moed in en zei recht voor zijn raap hoe hij over de zaken dacht. Hij schold op de regering van Drenthe. Van Rossen en landschrijver Carsten waren bliksemse schelmen en het zou niet lang meer duren of er zou weer een omwenteling komen. Toen hij de andere dag via Smilde terugging naar het Hollandsche Veld schoot hij aan bij kastelein Jan Meijering. Er werd gepraat over de slapte in de turfhandel en al gauw kwam het gesprek in het Smildeger kroegje weer op Lochiens Patriottenhaat uit. Lochien geloofde helemaal in de aanstaande omwenteling. En volgens Lochien waren ze in Assen allemaal bang voor hem. Vooral secretaris Vos had zich nogal druk om hem gemaakt. Ze wilden hem grijpen, zei Lochien, omdat hij op de gezondheid van de Prins gedronken had. Maar zoiets mocht hij toch wel doen? Landschrijver Carsten heeft trouwens ooit eens een persoonlijk bezoek van Lochien had. Carsten's meid liet hem binnen. Lochien vertelde dat hij nog iets af wilde rekenen. Carsten antwoordde dat hij maar eens terug moest komen als hij nuchter was. Lochien was woedend. Hij riep Carsten toe dat hij getrouwd geweest was met de dochter van Van Rossen, dat Van Rossen een schelm was en Carsten ook!
De Etstoel hield zich onderwijl ook nog even met een paar andere Hollandsche Velders bezig. In de nacht van zaterdag 4 op zondag 5 augustus 1798 waren Engel Gerrits en zijn zoon Gerrit Engels, de schaapherder, aan het vissen geweest. Ze waren naar het Zuidwolder Opgaande, de "Zuidwoldiger Sloot", getrokken om daar hun geluk te beproeven. Dat was bij het huis van Casper Jans Hagen, de zoon van Jan Hendriks Hagen, de grote vervener uit het Hollandsche Veld van de jaren ‘60 van de 18de eeuw. Toen verondersteld werd dat de Hagen's op bed lagen, begaven ze zich in de boomgaard en deden zich tegoed aan wat appels. Ze zullen nog wat appels meegenomen hebben voor thuis. Mr.J.C.van Rossen had tegen dit soort zaken gewaarschuwd, maar men liet zich daar niet door afschrikken. Het schijnt in die dagen meer en meer voorgekomen te zijn dat fruitoogsten aangetast werden. Men vond het nu nodig dat er een voorbeeld gesteld werd. Engel Gerrits werd voor het hele gebeuren verantwoordelijk gesteld. Hij zou 2x24 uur in ‘s lands gevangenis opgesloten moeten worden, op water en brood. Ook de kosten van zijn proces waren voor hem. De appeltjes van Engel Gerrits zijn met van de duurste geworden uit de geschiedenis van de velden.
Lochien zorgde er voor dat men hem in ieder geval niet vergat. In augustus 1798 was hij aanwezig in de hut van de ‘Prinsesse’ aan het Dwarsgat Rechtuit, in de volksmond ook wel ‘Poepershoek’ genaamd. De arme Prinsesse had een tap in haar hut. Zo verdiende ze nog wat aan de arbeiders en schippers die de venen bevolkten of er alleen ‘s zomers kwamen werken. Ten zuiden van haar hut, ook op de oostkant van het dwarsgat, woonde Fake Jans (ten Kaat). Fake, "Foke" zeiden ze, was die morgen van bed opgestaan en wilde naar het huis van zijn moeder. Toen hij bij de hut van de Prinsesse langskwam werd er op het glas geklopt. Hij wist niet wie daar was of wie hem riep en liep naar binnen, naar Lochien, die zijn schuitenladers bij zich had. Gezamenlijk dronken ze wat. Fake bood aan om ook een half oord rond te laten gaan, maar Lochien wilde daar niets van weten. Lochien stapte even naar buiten. Wie drinkt zal het water ook weer kwijt moeten. Toen hij terugkwam was zijn humeur duidelijk veranderd. Zonder ruzie vooraf, volgens Fake, gooide Lochien hem hard tegen de grond en voegde er aan toe: "Gij zijt een schelm". Fake voelde zich tegenover een overmacht staan. Hij maakte zich zo snel mogelijk uit de voeten.
Hij vluchtte over een vonder, om naar zijn huis te kunnen gaan. Waar we aan het 3de Zandwijkje nu het begin van het Beukersdijkje vinden, lag toentertijd een brede sloot met een vonder erover. Lochien kwam Fake nalopen. Fake besloot hem verder niet meer te ontlopen en bleef staan. Lochien greep Fake in zijn bef en scheurde de bef aan stukken. Fake schopte zijn klompen uit en greep Lochien beet, waarop deze hem tussen de benen trachtte te trappen. "Wil je me kapot maken?", vroeg Fake. De vraag werd door Lochien bevestigend beantwoord. Fake wist los te komen en liep naar huis. Zijn vrouw, Aaltien Harms Schonewille, zag hem bebloed, zonder klompen, jas en hoed binnenkomen. Fake kon haar nog net vertellen dat Lochien hem aangevlogen was, toen deze al voor de deur stond, naar binnenkwam en Fake weer greep. Aaltien kroop snel bij haar man op schoot om te beletten dat Lochien hem buiten de deur trok. Met een mooi praatje wist ze Lochien weer naar buiten te krijgen. Vrouwen deed hij niks. Later ging zij de kleding van haar man zoeken. Lochien zag haar en schold haar uit voor canaille, hoer en bliksemkind. Hoed en doek kreeg ze weer terug, maar de klompen had Lochien in de wijk gegooid.
Fake wist later nog te vertellen dat Lochien het in de tapperij van de Prinsesse nog over Van Rossen had gehad. Lochien had ooit eens bij Albert de Bakker op de bank gezeten toen Mr.J.C. Van Rossen langsgekomen was. Albert zei toen: "Mijnheer Van Rossen zal hier wel bij ons komen". "Ik wed van niet", had Lochien gezegd. En inderdaad, Van Rossen was doorgelopen, blijkbaar Lochien's gezelschap mijdend, waarna deze het verhaal met trots vertelde waar hij er maar gehoor voor vond. Lochien had er in de tapperij van de Prinsesse aan toegevoegd, dat als Van Rossen wel gekomen was, hij van Lochien een pak slaag gekregen zou hebben.
In september 1798 was Jan Alberts Hartman, een man van zo’n 50 jaren oud, met zijn neef bij herbergier Hofman in het Haagje. Hofman stond bekend als een vurig aanhanger van Oranje. Jan Alberts Hartman kwam er om een mengel bier te drinken. Lochien zat aan een tafel achter de jenever, in gezelschap van zijn vrouw Elsje en een schipper. Na enige tijd gezeten te hebben, tergde Lochien hem en vroeg om wat met hem te drinken, wat Jan Hartman om ruzie te voorkomen deed. Blijkbaar kenden ze elkaar. Na even greep Lochien hem voor de borst. Hofman en Elsje Dodevis kwamen er tussen. Kort daarop kwam Gerrit Jochems van de Kikkerij het vertrek binnen. Van het werken was hij goed warm geworden, zo zei hij. Hij legde zijn hoed af en blies zijn warmte uit, waarop Lochien zei: "Hoe blaast gij zoo, gij blaast als een adder, gij blaast het op mij uijt, gij zijt een schelm!". Lochien daagde hem daarna uit tot een potje vechten. Hij smeet een daalder op tafel er zei dat Gerrit Jochems deze kon verdienen als hij Lochien voor de kop durfde te slaan. Weer grepen de omstanders in. Later wist Hofman te vertellen dat Lochien ook eens een rijksdaalder in de hand gehad had, en op het zwaard gewezen had dat in het muntstempel stond. "Die is alle Patriotten de baas!", had Lochien ervan gezegd. Hofman's getuigenis zal hem niet van harte gegaan zijn, want gezien zijn eigen opvattingen was hij even fel tegen de Patriotten als Lochien. Maar goed, als je als getuige opgeroepen werd en je werd met zaken geconfronteerd uit je eigen herberg, kon je er moeilijk onderuit. Toen Lochien na het gesar van Gerrit Jochems Oranjeliederen was beginnen te zingen, was Hofman buiten geweest, zo zei deze later. Lochien had luidkeels gezongen van "Orange dat zal bloeijen" en "Orange dat zal nooijt vergaan". Lochien was daarop toch maar weer met zijn vrouw naar huis gegaan.
Het is opvallend dat de incidenten rond Lochien elkaar na de ruzie met Harm Alberts Koster steeds sneller op lijken te volgen. Vóór 1798 was er maar een enkele confrontatie met de Patriotten en in 1798 zijn de confrontaties er ineens veel meer. In 1798 kwam zijn drankgebruik in de stukken flink op de voorgrond te staan, daarvoor werd het hooguit gesuggereerd, doordat gebeurtenissen zich afspeelden in een tapperij. Verder krijgt Lochien in 1798 ook moeilijkheden met mede-veldelingen. Waarschijnlijk is hij in een vicieuze cirkel terechtgekomen. Hij was een fel Oranjegezinde anti-Patriot, en was vanwege zijn maatschappelijke positie (veeneigenaar en veenbaas) gewend de zaken naar eigen inzicht te regelen. Iedere keer als het mis ging, kwam hij er nog net goed af. Maar na de zaak met Harm Koster werd een diepgaand onderzoek ingesteld, dat nog niet afgerond was. Onderzoek = spanning = drinken = ongeremdheid = confrontaties = spanning = drinken =....... Op zich was hij geen slechte kerel, zo zal men later voor het gerecht bevestigen. Alleen kon hij de situatie waarin hij geplaatst werd niet aan. Hij reageerde als opgejaagd wild, een kat in het nauw, waardoor hij uiteindelijk steeds meer aanleidingen gaf om hem op te pakken. Zijn politieke tegenstanders hoefden eigenlijk alleen maar te wachten, de rest deed Hendrik zelf wel. Hoe anders had het kunnen verlopen als er in de Franse Tijd sprake was geweest van georganiseerd verzet, zoals we dat later in de Tweede Wereldoorlog hebben leren kennen. Dan had hij zijn afkeer en energie op een zinvoller manier kwijt gekund, in overleg met zijn streekgenoten. Maar de Franse Tijd kende geen georganiseerd verzet, en de beelden van de Tweede Wereldoorlog zijn moeilijk toe te passen op de verhoudingen in de Franse Tijd.
Nu was het zo, dat Lochien zelfs ruzie kreeg met zijn familie. Het was enkele dagen voor de goorspraak te Zuidwolde, waarop hij opgepakt zou worden, dat hij de confrontatie met Jannes aanging. Lochien, Jannes (‘Jans’ in de volksmond) en Jans’ vrouw waren op Groot Hendrikswijke De getuigenverklaringen laten doorschemeren dat men het oneens was over op wat voor manier een koe uit een vaartuig gehaald moest worden. Jans stond in een punter en Lochien op de wal. Lochien daagde zijn broer verscheidene keren uit om op de wal te komen (en een pak slaag te komen halen?), wat door Jans met vloeken beantwoord werd. Jans en zijn vrouw vertrokken met de punter. Jan Booys Slot voer net met zijn eigen punter op huis aan, nadat hij aan het plaggensteken geweest was voor Friese bijkers. Jan Booys Slot zag Jans en zijn vrouw bij zijn kroegje aangaan. Jan Booys Slot zag even later Lochien naar binnengaan. In Jan Slots tapkamer ging het mis. Jans Thalen trok zijn mes en Jans vrouw zou Lochien ook wel even aanvallen. Lochien wou niet vechten, want hij had zijn mes niet bij zich en met vrouwen vechten wilde hij helemaal niet. Men trachtte Jans vrouw tot bedaren te brengen, maar het lukte niet. Lochien moest zich wel tegen de vrouw verweren en wierp haar van zich af, waardoor ze tegen de tafel viel en een lap vel van haar arm afscheurde. De aanwezige Marrigjen Peters en haar man Hindrik Stoffers, zouden later als getuigen verhoord worden, evenals Jan Booys Slot, zijn vrouw Jantien Jans Lammers en anderen. Marrigjen Peters had Lochien op een gegeven moment nog een borrel gegeven, om te bedaren, alvorens ze met haar man in de punter naar huis gevaren was. Deze gebeurtenissen en alle andere voorvallen rond Lochien, werden breed uitgemeten op het getuigenverhoor, dat de 3de oktober 1798 op het Hoogeveen gehouden werd.
GEARRESTEERD EN VEROORDEELD
Toen er te Zuidwolde een goorspraak gehouden werd was Lochien er aanwezig. Een goorspraak was een gerechtelijke bijeenkomst, waarop de bevolking van een gebied aan kon geven wat er voor het gevoel van de burgers allemaal bestraft diende te worden. Voor Lochien was het van groot belang op de goorspraak aanwezig te zijn, want hij verwachtte het één en ander in zijn richting. Per slot van rekening liepen er al een onderzoek tegen hem. En daar, in Zuidwolde, maakte hij zijn grootste fout: hij zette de ook aanwezige Van Rossen in het openbaar voor schut. Van Rossen moest nu wel reageren. Wat gebeurde er? Lochien maakte nogal rumoer, die dag. Hij wilde onder meer met alle geweld met Van Rossen drinken. Deze weigerde dat. Van Rossen wist heel goed waar Lochien een toast op uit zou brengen, en als waar Patriot kon hij dat niet maken. Omstanders raadden Lochien aan naar huis te gaan. Hij wilde niet luisteren. Lochien spuide alles wat hij op zijn hart had.
Volgens Lochien was er in de hele regering van Drenthe bijna geen braaf man. Iedere regent zorgde vooral voor zijn eigen beurs. Waar bleef het geld van de overheid? Alle rampen waren toe te schrijven aan de regering en de Patriotten. Vorig jaar had hij 100 gulden moeten betalen omdat hij op de gezondheid van de Prins gedronken had, maar wacht maar, bij de volgende omwenteling zou hij het geld weer op de rechters verhalen. Door de Patriotten was het verderf in de wereld gekomen en hij wenste dat ze allen verbrand mochten worden. Van Rossen was de "schelm uijt alle schelms". Toen die Van Rossen nog schulte was van Echtens-Hoogeveen zou hij wel 30 tot 40 boedels onder zich geslagen hebben, die hij nooit verantwoord had. Hij, Hendrik Thijs Thalen, wou er wel 100 Gouden Rijders onder verwedden dat Van Rossen toch ooit eens rekenschap van zijn daden zou moeten afleggen.
De grote Van Rossen uit het dorp Hoogeveen, één van de belangrijkste leiders van de Drentse Patriotten beweging, werd in het openbaar beschuldigd door Lochien, een aanhanger van de Prins, een "tweederangs burger", uit het eenvoudige Hollandsche Veld. Van Rossen had maar één antwoord: arresteren die man. Lochien reageerde op zijn arrestatie volgens de gerichtschrijver "niet als een mensch maar als een woedend dier". Een zekere Harm Bos was mede belast met de bewaking. Lochien slingerde hem alle mogelijke bedreigingen om de oren. Zo hij zich niet op hem kon wreken, zou Lochien zijn vrouw en kinderen te pakken nemen. En wacht maar, als de omwenteling eenmaal had plaatsgehad. Op een boerenwagen werd Lochien na zijn arrestatie van Zuidwolde naar Assen gebracht. Onderweg, in het Pesserveld, werd de woning van pander Hup aangedaan. Lochien mocht even van de wagen. Hij vroeg Hup onmiddellijk om een oranjeborrel of een borrel met oranjebitter. Toen men hem verzocht om dan maar weer op de wagen te gaan antwoordde hij: "Wel dood maar niet leevendig". De pander wilde hem vast pakken. Lochien greep hem bij de keel. Al zijn woede uitte zich in een vaste, verkrampte greep. Als Hup niet door anderen gered was, had hij het niet overleefd. Men bond Lochien stevig vast en legde hem als een beest op de wagen.
Op 3 oktober 1798 werd er op het Hoogeveen een getuigenverhoor gehouden. Nadien stond als een paal boven water dat er een veroordeling zou volgen. Lochien zelf werd de 15de oktober verhoord. Hij zei aanvankelijk op alles wat ze hem toeschoven, dat hij van niets wist, want hij zou steeds bij alles dronken geweest zijn. Hij kon er ‘dus’ niets aan doen er had er geen herinneringen aan. Maar met het voort schreiden van het verhoor en de doorlopende confrontatie met alles wat ze al van hem wisten, begon hij toch meer zaken toe te geven. De 15de oktober 1798 werd met hem een brief opgesteld waarin hij smeekte om genade en vergiffenis. De brief staat bol van de gezwollen taal, eigen aan die tijd, maar duidelijk zijn de redenen te vinden waarom, hij op vergiffenis aanspraak maakt. Hij zou steeds het slachtoffer van de drank geweest zijn en zijn rechters werden op het verdriet van zijn familie, vrouw en dochter gewezen. Als man van enig vermogen had hij uit hoofde van zijn broodwinning als vervener zeer vele geringe arbeiders goed gedaan. En hij toonde berouw over zijn daden. Berouw dat ook getoond werd in twee brieven, die hij vanuit de gevangenis aan Elsje Roelofs Dodevis schreef. Lochien had niet alleen berouw, maar ook heimwee. In zijn ene brief aan Elsje drukte hij het zo uit:
"Loeft Good boven alle live vrouw Eelssien Roelof Doodvis; Volgen het zeggen dat wij in het verhur zullen anstanden dondag, most gij men swager Kars moet her voor dondag herkomen, dat most gij niet nalaten of men swager Kars sturren, want ijk verlange metleijent. Eelssien Roelof Doodvis scriven mij ens hoe gij met u dingen stat, gij moet mij ens scriven want ijk ben bedroeft. De Here help mij en u. Scriven mij ens hoe het met men vader en men moeder geet, of zij nog gesoent ben. Maar doet alle goedvrinden de groenessen van mij Hendryk Tijes Taalen, dat ijk zer bedroeft ben tot de dood toe. Good help mij en u all garent goed vrouw Eelssen Roelof Doodvis. Scrift het mij ens wat de menscen zeggen van mij, wat doent u van mij of ijk en het Hogeveen komen of neit mije vrou Eelssen. Gat bij alle mensen en het Hogveen dag bij dag. Hoort ens hoe het met mij gan zal, doet dat met vlet, als ijk weder bij u komen den zal het wel gaan".
Hendrik schreef de brief met redelijk vloeiende letters. Hij was de schrijfkunst aardig goed machtig. Maar zijn taalgebruik was Drents, en hij trachtte dit in het Nederlands weer te geven. Daarbij komt ook nog eens dat zijn spelling problemen oplevert. We zouden zijn brief vandaag de dag als volgt kunnen weergeven:
"Loof God boven alles, lieve vrouw Elsje Roelofs Dodevis. Volgens zeggen wordt ik aanstaande donderdag verhoord. Jij of mijn zwager Kars moeten voor donderdag hier komen, dat moet je niet nalaten, of mijn zwager Kars sturen, want ik verlang medeleven. Elsje Roelof Dodevis, schrijf mij eens hoe het met je gaat. Je moet mij eens schrijven, want ik ben bedroefd. De Here helpe mij en jou. Schrijf mij eens hoe het met mijn vader en moeder gaat, of ze nog gezond zijn. Maar doe alle goede vrienden de groeten van mij, Hendrik Thijs Thalen, en zeg dat ik zeer bedroefd ben, tot de dood toe. God helpe mij en jullie allemaal, goede vrouw Elsje Roelofs Dodevis. Schrijf mij eens wat de mensen zeggen van mij. Wat denk je ervan, of ik ooit nog weer naar het Hoogeveen zal komen of niet, mijn vrouw Elsje? Ga bij alle mensen van het Hoogeveen langs, dag na dag. Vraag eens hoe het met mij zal aflopen. Doe dat met vlijt. Als ik weer bij je komen zal, dan zal het wel goed met mij gaan."
De andere brief van Hendrik aan zijn vrouw zag er als volgt uit: "Loeft Good bovenall goed vrouw Eelssen. Saterdagaavent en het verhur gewest maar ijk kan niet scriven. Eelssen Roelof Doodves gij moet ens komen, densdag of wonsdag, want wij komen donderdag en het verhur want ijk verlange metleeij want het sent mij wat dusster to help mij zo vule als gij koemt kuint gat voor al en voor en al bij Harrem van Veen versoek hem om vergefness, want als bij de menscen gen vergeven ijs, wat zal dan Good de mensce vergeven, want wij bent en zonde geboren all menscen, mog Good de menscen har harten bewegen." Vertaald schreef hij: "Loof God boven alles, goede vrouw Elsje. Zaterdagavond ben ik verhoord, maar ik kan daarover niet schrijven. Elsje Roelofs Dodevis, je moet eens komen dinsdag of woensdag, want ik kom donderdag weer onder verhoor, en ik verlang naar medeleven, want het lijkt mij allemaal zo duister toe, en het helpt mij zo veel als je komen kunt. Ga daarvoor vooral naar Harm van Veen en vraag hem vergeving, want als er bij de mensen geen vergeving is, hoe kan dan God de mensen vergeven. Want wij zijn in zonde geboren, alle mensen, en moge God de harten van de mensen beroeren."
Beide brieven waren ondertekend met ‘Hendryk Tyes Taalen’. Elsje stuurde de brieven later door aan de Etstoel en wees in een geschrift van de 17de oktober nogmaals op de drank, die overal de schuld van was. Ze smeekte om genade boven recht te laten gelden. Bij haar verzoekschrift vinden we een lijst met opvallends gegevens. Er was een handtekeningenaktie voor Lochien op touw gezet! Lochien had de sympathie van zijn kennissenkring nog lang niet verloren, zo bleek. Twaalf handtekeningen, van veldelingen en dorpelingen, bevestigden zijn goede gedrag, als hij tenminste nuchter was, en wezen de drank als boosdoener aan. De twaalf steunverleners wezen nogmaals op zijn belangrijke positie als veenbaas, waarin hij veel arbeiders aan werk en brood hielp. De ondertekenaars waren Hendrik Geerts Hofman, de herbergier die zo toch nog wat voor zijn partijgenoot kon doen, Jan Jans Koop, Leendert Kreeft, Arent Bars, Pieter Stoter, Welmer Harms (zette een merk), Klaas Jans Scholten, Jannes Jans, Jan bij 't Logt, Egbert Harms, Jan Hendriks Booij en Hendrik Jans Metselaar. Het waren voornamelijk schippers en/of kleine verveners. De handtekeningenaktie maakt duidelijk dat Elsje inderdaad haar best heeft gedaan voor haar Hendrik. Maar haar hulp en Lochiens berouw en beloften van beterschap hadden geen resultaat.
Ontkennen deed Lochien al niet zo hard meer. Toen hij nogmaals verhoord werd voor de volle vergadering van de Etstoel, gaf hij al steeds meer dingen toe. De Etten bezweken voor geen enkel verzoek om genade en Lochien, Hendrik Thijs Thalen, werd de 20ste oktober 1798 veroordeeld. Na het opsommen van alle door hem gepleegde wandaden, vervolgde de acte van zijn proces met de volgende conclusie: "En vermits dus uit allen dezes is gebleken, dat hij gedetineerde niettegenstaande herhaalde vermaningen aanhoudend en gedurig zijn boos en onverbeterd bestaan heeft aan den dag gelegd, en bij onderscheidene omstandigheden en gelegenheden getoond, wat in zijn boos hart omgaat, welke verschriklijke voornemens hij voed, welke een laster hij uitbraakt tegen en den spot drijft met hun aan wien het roer van regering en de uitoefening van recht door de bestiering van de Goddelijke voorzienigheid is in handen gegeven, ja in allen opzicht heeft openbaar gemaakt, dat hij is een verguizer en vertrapper van ‘s lands wetten en publicatien en een gevaarlijk voorwerp om in de maatschappij te worden geduld.
En daar zoo veelvuldige wandaden door hem gedetineerde bedreven in een land van goede justitie niet kunnen ongestraft blijven maar anderen ten voorbeelde en afschrik moeten worden gestraft, zo is het dat wij Raden in den Etstoel doende recht in naam en van wegens het Bataafsche Volk, hier over hebben gedelibereerd, na examinatie der informatien en verhoor van den gedetineerden H.T. Thalen hem hebben gecondemneerd gelijk hij gecondemneerd word mits dezen om buiten Assen te worden gebragt, ter plaatste alwaar men gewoon is zodanige executie van criminele justitie te doen, aldaar aan een paal gebonden strengelijk gegeezeld, en voor den tijd van 10 jaren in het tuchthuis te Groningen te worden opgesloten, om aldaar met zijner handen arbeid, zoo veel mogelijk den kost te gewinnen, condemnerende hem in de kosten en misen van justitie."
Behalve dat de acte Lochien afschildert als ‘boos en onverbeterlijk’ en een ‘verguizer en vertrapper van ‘s lands wetten en publicatien’, erkent men hem ook als een politiek activist. Er wordt namelijk duidelijk genoemd dat Lochien zich richtte tegen ‘hun aan wien het roer van regering en de uitoefening van recht door de bestiering van de Goddelijke voorzienigheid is in handen gegeven’ en de uitleg van de positie van de Etstoel, ‘doende recht in naam en wegens het Bataafsche Volk.’ Het is een interessant gegeven voor het nageslacht, waardoor zijn positie meteen duidelijk wordt. Maar daar had Lochien op dat moment maar weinig aan. Lochien werd naar een plaats even buiten Assen gebracht, aan een paal gebonden, waarna beul Petrus Fuchten hem krachtig geselde. Na dit afgrijselijke werk werd hij naar Groningen gebracht, waar hij 10 jaar lang in het tuchthuis zou moeten werken om in eigen onderhoud te voorzien. De proceskosten waren voor zijn gezin.
DE ONDERDUIKER
Die tien jaar Groningen gingen niet door. Al in 1799 was Lochien waar op vrije voeten. Dat jaar organiseerden verschillende veroordeelden een uitbraak en Lochien deed met hen mee. Na de ontvluchting ging een ieder zijns weegs en Lochien meldde zich bij zijn Elsje. Lochien's ouders leefden toen nog. De oude Thijs Jannes Thalen en zijn vrouw handelden via curatoren. Thijs moet uiteindelijk failliet gegaan zijn. Van de 6 grote verveners die het Hollandsche Veld in 1774 kende gingen er uiteindelijk maar even drie deze weg. Lochien dook onder in de velden en zo’n 2 jaar lang hoorde men niet meer van hem. Tenminste, niet in Assen. Er waren geen ruzies, geen scheldpartijen, geen dronkemanstoestanden waar mensen het gerecht over inlichtten en niemand verried hem. Onder de veldelingen moeten er mensen geweest zijn, familie, buren en anderen, die van zijn aanwezigheid op de hoogte waren. Men moet hem beschermd hebben, men zweeg over hem, en gaf hem zo de kans uit handen van de justitie te blijven.
De vrijheid van onderduiker Hendrik Thijs Thalen was zo groot, dat hij zelfs nog de kans kreeg om zijn veenderij bijna te verdrievoudigen. Dit gebeurde omstreeks 1800. Lochien had al zes morgen veen en ondergrond bezeten in de in 1774 rond Albert Koster gestichte afsplitsing van Schoonhovens Compagnie. Zijn vader, Thijs Thalen, had 28 morgen binnen deze compagnie bezeten. Deze situatie bestond nog in het begin van 1800. Toen op 5 februari 1801 opnieuw de rekening van deze compagnie wordt opgemaakt, bleek dat Hendrik Thijs Thalen ineens eigenaar was geworden van 62 morgen veen en ondergrond. De 28 morgen van Thijs Thalen bleken opgesplitst te zijn. Hendrik Thijs Thalen kreeg daarvan ongeveer 19 morgen en zijn broer Jannes Thijs Thalen kreeg 9 morgen. Verder had Hendrik 19 morgen overgenomen van Jan Borchard Prijs en 20 morgen van Albert Luinge. Lochien was slim genoeg om niet zelf op de compagnie-vergadering te verschijnen. De zijn vrouw Elsje Roelofs Dodevis tekende de rekening.
Op 22ste mei 1801 werd Lochien opnieuw gearresteerd. Er was geen sprake van misdragingen. Twee maand eerder was algemene amnestie afgekondigd voor diegenen die om hun politieke overtuiging gevangen zaten. Dit plakaat van 25 maart 1801 zal Lochien het idee gegeven hebben dat zijn nachtmerrie nu voorbij was en hij zich weer vrij kon bewegen. Niets was minder waar. Na zijn arrestatie beriep Lochien zich op dit plakaat. Het had geen zin voor hem. Men weigerde hem als een politieke gevangene te zien. Ook in 1802 werd een nieuw verzoek tot amnestie afgewezen. Lochien koos zijn eigen oplossing van het probleem: een zoveelste uitbraakpoging. Toen hij de 30ste maart 1803 de muren van het tuchthuis achter zich liet, was dit al voor de 3de keer sinds zijn veroordeling, zo lezen we in de gerechtelijke stukken. Wanneer de tussenliggende 2de uitbraak heeft plaatsgevonden, weten we niet. In 1803 dook Lochien weer onder in het Hollandsche Veld. Twee lange jaren duurde de onzekerheid. De velden waren in wezen een nieuwe gevangenis voor hem. Zo er ambtsdragers in zicht kwamen, kon hij zich in veen en veld terugtrekken. Zo niet, dan had hij onderdak bij zijn gezin. Iedere ontmoeting met een vreemdeling kon er een met een verrader zijn en iedere stap buiten zijn veilige velden kon zijn laatste step in vrijheid zijn.
Aanvankelijk woonde Lochien met zijn gezin op de 1ste Wijk van het Vierkante Blok, op de noordkant van het Opgaande. Daar woonde hij ook in het voor hem zo belangrijke jaar 1798. Rond 1804 woonde Hendrik op de zuidkant van het opgaande, in het huidige pand Hollandscheveldse Opgaande no. 6. Dit pand werd, afgaand op de haarstedenregisters, in of net voor 1765 gebouwd, door de familie Klinkien. Jan Alberts Klinkien liet er zijn zoon Albert Jans Klinkien wonen. De 11de januari 1793 werd de woning met bijbehorende ondergrond voor f 1140,- verkocht aan Harm Post en Lochien Thijs Thalen. De zwagers gebruikten het pand aanvankelijk waarschijnlijk als meierwoning voor hun arbeiders, want de eerste jaren zou er, volgens de haardstedenregisters, geen van hen beiden gaan wonen. Ergens rond 1800 werd het pand uitgebreid. We vinden dan niet één woning meer vermeld, maar meerdere. Tegen het bestaande boerderijtje werden enkele kleine arbeiderswoningen gebouwd, waardoor één boerderijtje en drie appartementen ontstonden. De oorspronkelijke woning staat er nog steeds. Het gedeelte waar Hendrik Thijs Thalen verbleef is nog intact. Van de drie aangebouwde éénkamerwoningen werden er later twee weggebroken. De derde werd bij het hoofdpand getrokken.
Rond 1804 woonde Hendrik met zijn gezin in het pand Hollandscheveldse Opgaande no. 6. De Thalens deelden de woning met anderen, waaronder Simon Wolters en zijn vrouw. Dit gezin woonde achter de rechter deur en het rechter raam van de huidige woning. Simon sleet zijn dagen op zijn bed. Met een ketting leg hij aan zijn slaapplaats vastgeklonken. Simon Wolters leed aan "sinneloosheid". Hij was geestesziek. Psychiatrische kennis bestond in Simons dagen nog amper, begeleiding was vaak niet meer den opsluiten en medikatie kende men nog helemaal niet. Het gedrag van Simon Wolters heeft waarschijnlijk de medebewoners van het huis voor problemen gesteld. Het moet ook doorgeklonken hebben in dat deel van de woning waar de Thalen's woonden. Alle Thalen's, behalve Lochien, konden verstrooiing buitenshuis zoeken. Lochien kon dat niet. Zijn wereld was klein, vaak niet groter dan de eigen woning, en juist dan zijn voortdurende irritaties moeilijker te dragen. In de middag van de 27ste februari 1805 was Lochien de situatie dermate beu, dat hij Simon vrij wilde laten. Hij stapte Simon’s appartement binnen en vroeg om de "kramme", de sleutel van de praam waarop Roelof Hendriks Smit als schipper had gevaren. Blijkbaar paste deze "kramme" op Simon’s slot. Lochien vroeg Simon of hij los wilde. "Neen", zei Simon. En Lochien vertrok weer. Uit de gebeurtenissen krijgen we de indruk dat Simon doorlopend had liggen roepen dat hij bevrijd wilde worden.
Kort daarop kwam Lochien terug, met de bedoeling om nu door te pakken. Simon's vrouw deed de deur op slot. Lochien pakte een koevoet en trachtte de voordeur en de achterdeur te forceren. Dit had geen resultaat. Dan maar door het venster. Glas en lood vlogen in het rond en Lochien kroop naar binnen. Met dat hij Simon los probeerde te maken riep hij: "Hij zal los, ik wil geen gekken in mijn huis hebben". Tijdens de worsteling werd Simon's schouder ontwricht en gekneusd. Roelof Hendriks Smit, die hem de kramme gegeven had, trachtte Simon te helpen, maar kreeg ook zelf een paar klappen. De toesnellende buren maakten een einde aan de vertoning. Kort na deze gebeurtenis werd Lochien opnieuw gearresteerd. Toeval? Waarschijnlijk niet. De gebeurtenissen rond Simon Wolters zullen voor iemand aanleiding zijn geweest het stilzwijgen rond de onderduiker te verbreken, omdat men zich niet meer veilig bij hem voelde, en de autoriteiten grepen in. Lochien werd teruggebracht naar het Groninger tuchthuis. Er volgde een nieuw proces, gericht op de gebeurtenissen rond Simon Wolters. Alle handelingen en alle woorden passeerden nog eens weer de revue.
De slotakte van dit proces eindigde aldus: ".......behalven welke bewezene wandaden ten laste van de gevangene meer andere verregaande brutaliteiten voorhanden zijn, zodanig dat de gevangene bij herhaling getoond, en door deszelfs gehouden gedrag bewezen heeft, te zijn een verstoorder der algemene rust, welke in de maatschappij, zonder de veiligheid der mede ingezetenen, niet kan worden gedult, terwijl ook zijne herhaalde misdaden, in een land van justitie anderen ten voorbeelde strengelijk behoren te worden gestraft. Welgemelde Etstoel alles nauwkeurig hebbende overwogen, en gelet waarop in dezen, eenigzints te letten stond, doende regt in naam en van wegens het Bataafsche Volk, Condemneerd den gevangene Hendrik Thijs Thalen om voor den tijd zijns levens ten tuchthuize te worden geconfineert om aldaar met zijner handen arbeid, zo veel mogelijk, de kost te gewinen, alles met condemnatie van de gevangene in de kosten en misen van justitie mitsgaders van den processe." Zo werd Hendrik Thijs Thalen op dinsdag 23 april 1805 veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Met arbeid zou hij zoveel mogelijk de eigen kost moeten verdienen en zijn gezin zou de proceskosten nog eens weer moeten dragen. Elsje Roelofs Dodevis heeft haar man nooit weer buiten de gevangenis gezien. Ze stierf in 1806.
DE BEZITTINGEN VAN HENDRIK THUIS THALEN
De boekhoudingen uit de Franse Tijd geven een prachtig beeld van wat Hendrik Thijs Thalen omstreeks 1806/1807 allemaal heeft bezeten. We vinden genoemd:
1. Vier woningen op de 1ste Wijk van het Vierkante Blok, nu Hollandscheveldse Opgaande no. 6. In de toenmalige situatie sprak men van Wijk A, no. 260, 261, 262 en 263, en was er sprake van een huis en hof voor de hoofdbewoner (A 260) en drie aangebouwde éénkamerwoningen, voor arbeiders. De hoofdbewoner had een boerderijtje met zes stukken groenland (1 ² morgen), een stuk zaailand/bouwland van drie morgen en achterop de wijk een stuk heideveld van een morgen. Alles tezamen besloegen deze bezittingen een halve wijk grond. Bij het boerderijtje hoorden twee koeien, een kalf, een varken en acht kippen. (Grondoppervlakte volgens de kadastrale gegevens van omstreeks 1830: 3.74.42 hectare.)
2. Rauw veen zonder ondergrond, op de zuidkant van het Rechtuit, achterop. Het betrof een ongedeeld eigendom, dat Hendrik samen bezat met mr. Albert Steenbergen. Mr. Albert Steenbergen was een voormalige schulte, wonend te Hoogeveen en afgezet in 1795 vanwege zijn Oranjegezinde houding. Hij was de grootvader van de schrijver-kunstschilder Albert Steenbergen.
De helft van dit stuk veen stond, volgens de kadastrale gegevens van omstreeks 1830, gelijk aan 5.26.89 hectare.
3. Rauw veen, zonder ondergrond, op de noordkant van de Oostwijk, samen met Harm Jans Post en mr. Albert Steenbergen. Een derde van dit stuk veen stond, volgens de kadastrale gegevens, gelijk aan 6.97.06 hectare.
4. Een groot deel van de ondergrond op de noordkant van de Groot Hendrikswijk, aldaar zes klinken bes
neden veen, een bosje (weekhout-kreupelhout) en al het rauwe veen op deze halve wijk. Van de zes klinken besneden veen werden er vijf in 1806 beschreven. Het waren drie klinken met een lengte van 14 bonken, een klink van 17 bonken en een grotere klink van 22 bonken. Dit gebied viel onder de grote grond- en veenaankopen van 62 en 26 morgen.5. Alle ondergrond, al het rauwe veen en een klinke besneden veen op de zuidkant van de Groot Hendrikswijk. Ook dit viel onder de grote veen- en grondaankopen van 62 en 26 morgen.
6. Alle ondergrond op dat deel van de Groot Hendrikswijk dat ten westen van het Zuideropgaande ligt. De bezittingen 4, 5 en 6 vielen gedeeltelijk onder de aankoop van 1782 en voor de rest onder de uitbreiding van omstreeks 1800.
7. Alle ondergrond op beide zijden van de Hendrik Thijs Thalenwijk, samen ongeveer zes morgen groot. Op de zuidkant van deze wijk stond een huis en hof, Wijk A no. 211, eveneens eigendom van Hendrik. De bewoner van dit pand heette Groote Jannes. De Hendrik Thijs Thalenwijk lag in het verlengde van de Langewijk, op de westkant van het Zuideropgaande.
8. Enig rauw veen op de zuidkant van de Calkoenswijk, bij Noordscheschut, vallend onder de aankoop uit 1782.
9. Een woning en hofje, gelegen aan de Molendijk, de zuidkant van de huidige Schutstraat, te Hoogeveen. Het pand werd bewoond door Jan Harms Bloemen.
10. Een portie in de ondergrond van de Barswijk.
11. Een derde portie van een half wijkje, in het Kibbelveld, op de Zuidwoldiger Sloot.
Alles bij elkaar mat Hendrik Thijs Thalen’s bezit minstens 115 hectare. Op papier tenminste. Een deel van de venen en ondergronden lag ten zuidoosten van de Zwarte Dijk, in het veengebied dat door Overijsselse boeren werd opgeëist, en dat hen in 1792 was toegewezen. In theorie was Hendrik Thijs Thalen hoofd-participant, maar hij heeft deze status vanwege de grensproblemen nooit gekregen. De Algemene Compagnie van de 5000 Morgen bleef enerzijds in de boekhoudingen uitgaan van de bezittingen vóór 1792, en ging anderzijds accoord met de grenswijziging, door Hendrik geen hoofd-participant te maken.
LAMBERT JANS KUIK, GERRIT JANS DE GRAAF
Niet alleen Hendrik Thijs Thalen wist de aandacht van de bevolking te trekken. Tussendoor ging er ook rond anderen nog wel eens wat mis. In tijden van armoe vervaagt soms de grens tussen het mijn en het dein. Mensen nemen wat van een ander is. Zeker als eigendom onbeheerd op verlaten velden staat, is de verleiding groot. Lambert Jans Kuik bezweek er voor. In het najaar van 1803 haalde Lambert 8-10 stok turf van het veld van Arent Seinen. De turf stookte hij zelf op. Niemand wist waar de Hollandsche Veldse turf gebleven was. Ook toen er veenploeggereedschap, een bijl en een halbreker verdween van het veld van Jan Berghuis op de Okkenswijk, taste men in het duister. Een jaar later, in 1804, verdween er een greep uit een hut op het veld, eigendom van Klaas Prins. Beide keren had Lambert het gereedschap meegenomen en verkocht. Lambert werd betrapt toen hij 10 maart 1806 aan het laden was in het veen van Klaas Troost. Hij had al turf in een kruiwagen staan en wou die net naar een nabijgelegen schuit kruien. Toen Lambert verhoord werd, bekende hij ook de andere diefstallen. Er zal wel eens vaker wat van het veld verdwenen zijn en toen men Lambert eenmaal te pakken had, heeft men hem ook aan de tand gevoeld hebben over andere vermissingen. Lambert werd de 27ste juni 1806 veroordeeld. Men zou een bordje om zijn nek hangen met daarop de letters "Turfdief". Daarna zou hij door de volkrijkste delen van het Hoogeveen worden rondgeleid.
Gerrit Jans de Graaf en Metje Jans ten Kaat waren verloofd. Toen Gerrit zijn Metje met een ander zag omgaan, was dat een hele schok voor hem. De 4de september 1810, op een zondag, kwam hij de zaak "uitpraten". Metje Jans ten Kaat woonde in huis bij Hendrik Roelofs Dodevis, die met haar moeder Annegje Harms Schonewille, de weduwe van Jan Faken ten Kaat getrouwd was, en diens plaatsje betrokken had. Sindsdien noemde men het huidige 2de Zandwijkje "Hendrik Dodeviswijke". Gerrit kwam bij Hendrik Dodevis naar binnen met zijn mes in de hand. Hij zwaaide daarmee zodanig rond dat Metje en haar moeder naar Hendrik Fidom vluchtten. Hendrik Fidom was getrouwd met een zuster van Metje en woonde voorop het Dwarsgat Rechtuit, het 3de Zandwijkje. Gerrit liet het er niet bij zitten. Hij kwam Metje na, maakte een geweldig alarm op de deur en sloeg een paar ruiten in. Hij kwam zo toch binnen, ondanks dat men hem buiten trachtte te sluiten. Hij sloeg bij Hendrik Fidom een steel kapot en trok toen Metje mee naar het huis van haar stiefvader Hendrik Dodevis.
De relatie tussen Gerrit Jans de Graaf en zijn schoonfamilie was nu duidelijk bekoeld. Toen de zaak aangegeven werd, lepelde men ook andere dingen over hem op. Al eerder, in de afgelopen winter zoals men in december 1810 zei, had hij de deur van Hendrik Dodevis los getrapt, terwijl Hendrik Dodevis’ tapperij gesloten was. Een andere keer had hij in de tapperij Harm Schraa geslagen en enige jeneverglazen gebroken. De 13de augustus 1810 had Gerrit ruzie gehad met een neef van Metje, Harm Berends ten Kaat. Dezelfde die ooit tot 6 jaar zeedienst veroordeeld was. Deze 6 jaar hadden geen grote vechter van hem gemaakt. Gerrit deed met hem wat hij wilde. Harm Berends ten Kaat, of Harm Berends Faken, had inmiddels ook een tapperij even verderop. Hij had de tapperij van Koert Harms overgenomen. Deze stond op de oostkant van het Dwarsgat Rechtuit, net ten zuiden van het Rechtuit. Op deze plaats, voorop het huidige 3de Zandwijkje, vinden we nog steeds hoge bomen, herinnerend aan de woning ertussen. In de nabijheid van zijn huis werd Harm door Gerrit met een stok of een stuk lat geslagen en op de grond gesmeten. Harm kreeg nog een paar trappen na en vluchtte. Nog voor hij thuis was, kreeg hij nog een paar klappen van Gerrit. Het uithangbordje van Harm's tapperij werd in stukken geslagen, de deur werd met geweld opengemaakt en Gerrit drong Harm's huis binnen. Harm kreeg weer klappen, het uithangbordje werd nog verder vernield en ook enige borden en glazen moesten het ontgelden. Gerrit heeft zich zo niet erg geliefd gemaakt in de familie. De 7de december 1810 werd Gerrit veroordeeld. Zijn straf was een geldboete van 50 gulden. De boete zal hij er graag voor over hebben gehad, want hoe dan ook, hij had zijn Metje er door terug gekregen. Op 21 april 1811 is hij met haar getrouwd. Op 11 augustus 1811 lieten ze hun eerste kind dopen, hun dochter Anna. De oplettende lezer zal inmiddels weten dat het tussen Gerrit en Metje rond de datum van zijn veroordeling al lang weer koek en ei was..........