Informatiecentrum Geschiedenis Hollandscheveld e.o.

© Albert Metselaar, Hoogeveen 1999. Niets uit deze publicatie mag worden vermenigvuldigd, op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van het Informatiecentrum Geschiedenis Hollandscheveld e.o.

Terug naar de hoofdpagina
Naar de bibliotheek!

DE OUDSTE JOODSE BEGRAAFPLAATS TE HOOGEVEEN

ACHTER DE GROTE KERK

ALBERT METSELAAR & HENK TROOST

Even ten zuid-oosten van de Grote Kerk, de oude Hervormde Kerk van Hoogeveen, lag en ligt nog steeds de eerste Joodse begraafplaats van Hoogeveen. Het Jodenkerhof of het Smousenkerkhof, zei men vroeger. Dit ter onderscheiding van het andere kerkhof, het Christenkerkhof Deze lag net ten oosten van de toenmalige christelijke begraafplaats. Deze was in gebruik vanaf omstreeks 1725. Het bordje dat bij de begraafplaats staat geeft als beginjaar 1731 aan. Feit is dat we het niet precies weten, wanneer hier de eerste Joodse dode ter aarde werd besteld. Het zou ook al veel eerder kunnen zijn, want de eerste Joden te Hoogeveen vestigden zich hier al in de laatste jaren van de 17de eeuw. In 1766 is er onderzoek gedaan naar de ouderdom van de begraafplaats. Dat kwam zo: Ette Johannes Meijer had dit stuk grond toentertijd gepacht van schulte Ernst Beuker. Meijer liet het land bewerken, tot grote schrik van de Hoogeveense Joden, die regelmatig kwamen kijken of hun doden niet omgeploegd werden.

In 1766 zette wijnkoper en bierbrouwer Ette Meijer een hek met een slot voor de begraafplaats, met gevolg dat een Joods kind er niet begraven kon worden. Schulte Beuker was van mening dat men hen hun gang moest laten gaan. De Joden eisten dat het hek open zou blijven, of dat men hen een sleutel zou geven. Beuker was zelf niet volledig eigenaar van de door hem aan Meijer verpachte grond. Schulte had de grond weer in erfpacht van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen. Deze had enerzijds de Joden de gelegenheid gegeven hun doden hier te begraven, en anderzijds in de erfpachtsbrief van Ernst Beuker de bepaling opgenomen dat de grond eventueel terug gevorderd kon worden voor de bouw van een kerk, pastorie, kosterij of school. Kortom, voldoende stof tot procederen. Dat gebeurde dan ook, tien jaar lang. Twaalf getuigen, tussen de 61 en 75 jaar oud, gaven in 1766 aan dat ze zich wisten te herinneren datde Joden al 30 tot 40 jaar hier hun doden begroeven, dat ze daarin nooit gehinderd waren, en dat er er nooit een Jood buiten dit kerkhof begraven was. Behalve mogelijk eenmalig op het land van de weduwe Wichers, maar dat was al voor 1700. Vandaar dat we er zo zeker van kunnen zijn dat het kerkhof omstreeks 1725 in gebruik was, en waarschijnlijk al veel eerder.

Het proces bleef trouwens slepen tot 22 december 1776. Pas toen kregen de Joden formeel toestemming om hier hun doden te begraven, voor een gulden per volwassene en tien stuivers per kind, te betalen aan de kerk. Ette Meijer moest de sleutel van het hek deponeren bij de schoolmeester, die tevens koster en doodgraver was. Overigens bleef het een zaak van begraven onder protest. De Hervormde predikanten waren er niet blij mee. Van Ds.Jan Pieter Doornbosch is bekend dat deze in 1797 trachtte het begraven te doen stoppen, want hij was bang dat er, door toename van de Joodse bevolking, uiteindelijk te weinig grond rond zijn pastorie over zou blijven. Dat men bijzonder veel interesse had voor deze grond is nu nog te zien. Het huidige Joodse kerkhof is helemaal ingeklemd tussen een gebouw, een tuin en de straten.

In de eerste helft van de 18de eeuw, waarin de begraafplaats in ieder geval al in gebruik was, lag de grond op de noordkant van het Bentincks Opgaande, beter bekend als het Krakeel, en op de westkant van een dwarswijkje ervan, dat vanuit dit opgaande naar het noorden liep. Beide vaarten zijn nu gedempt en zijn wegen geworden. De grond hoorde bij de kerk, en was onderdeel van de zogenaamde "100 morgen", die door de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen opzij was gezet om kerk, school en armen van een geldelijke bijdrage te voorzien. De grond lag op de zuidkant van de Kruiskerk. Deze Kruiskerk werd later verbouwd en stond op de plaats van de huidige uit 1804 stammende Hervormde kerk, de zogenaamde Grote Kerk. Op de noordkant van de kerk werden de uitgestotenen begraven, dieven, moordenaars, en ander gespuis. De Joden moesten gewoon bij de kerk begraven worden, omdat men geen rekening hield met voorzieningen van niet-christenen, maar werden dus niet bij het gespuis begraven. De uithoek die ze kregen, op de zuidkant van de kerk, was voor christenen minder in trek. Christenen wilden zo dicht mogelijk tegen de zuidelijke kerkmuur begraven worden, kortom liever niet op dat stuk grond dat de Joden kregen.

Dat de Joden hier begraven mochten worden, had minder te maken met acceptatie van deze bevolkingsgroep dan met de zuinigheid van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen. Dit stuk grond was nu eenmaal voorbestemd om te gebruiken als begraafplaats. Ook de Joden moesten hier dus maar begraven worden, in het dorp zelf, en niet zoals elders ver buiten de bebouwde kom. Als dat gebeurd was, dan had de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen voor de Joden een apart stuk grond beschikbaar moeten stellen. Dat stuk grond kon dan niet verkocht worden, noch kon er erfpacht over ontvangen worden. Kortom, dat kostte de Compagnie geld. En de Compagnie was geneigd om steeds voor de goedkoopste oplossing te kiezen.

De oorspronkelijke Joodse begraafplaats was groter dan wat we nu nog kennen. De voormalige pastorie, nu kosterswoning, is geheel of gedeeltelijk gebouwd op oudste Joodse graven, zodat we onder de vloer van het gebouw waarschijnlijk nog stoffelijke resten zouden kunnen aantreffen. Dit blijkt uit de volgende zinsnede, uit een processtuk van 28 november 1799: "……dat het begraven der lijken geschied zou zijn ter plaatse alwaar de pastorie gebouwd en de hof aangelegd was, maar niet op die grond welke de impten (= juridische term) thans benodigd hadden." Het conflict uit 1799, over de grond waarop we nu de laatste twee stenen nog vinden, ging dus over een gedeelte van de Joodse begraafplaats. Het westelijke deel daarvan, direct aansluitend aan de 'christelijke' begraafplaats ten zuiden van de kerk, was in 1799 al niet meer als zodanig in gebruik, en door de pastorie voor nabestaanden ontoegankelijk en onherkenbaar geworden.

De oude Joodse begraafplaats laat niet veel meer zien van wat hier ooit was. Het is een grasveld, met daar omheen een metalen hekwerk, dat net te hoog is om zo even overheen te stappen. Dit laatste wordt ook niet op prijs gesteld. De graven dienen met eerbied benaderd te worden. Ondanks dat er maar twee zerken te zien zijn, op de noordkant van het grasveld, liggen nog steeds overal onder het gras de eerste Joodse medeburgers van Hoogeveen te wachten op de Opstanding. Hoeveel graven er zijn is min of meer na te gaan door simpelweg de stoeptegels te tellen. Drie tegels is ongeveer 95 centimeter, de breedte van een graf, en op de zuidkant tellen we in totaal 63 tegels, is 21 graven in een rij. Hoeveel rijen er zijn, is op te maken door de stoeptegels op de oostkant te tellen. We tellen 70 tegels, is ongeveer tien rijen graven. We kunnen zo een schatting maken van ongeveer 210 graven, op deze oude Joodse begraafplaats. Het kunnen er meer zijn geweest. Mogelijk liggen er ook nog graven onder de stoep, of onder de tuin ten noorden van deze begraafplaats.

Dat er graven liggen tot aan het hek van de begraafplaats, is absoluut zeker. Uit een brief van opperrabbijn J. Tal vernemen we dat er omstreeks 1926 sprake was van het gebruiken van een gedeelte van de oude Joodse begraafplaats voor het verbreden van het pad er naast. Het ging om een strook grond, op de zijde van de huidige Van Echtenstraat. We lezen in zijn brief van 9 juli 1946 aan de gemeente Hoogeveen: "De betrokken begraafplaats, zo het tenminste die zelfde is, herinner ik mij wel. Er is naar ik mij meen te herinneren, een twintig jaar geleden, een vraag van het gemeentebestuur geweest, een strook van het veldje te mogen gebruiken voor de verbreding van het pad naar de er achter gelegen kerk, die toen slechts langs een smal pad te bereiken was; dat pad liep tussen het veldje en de vaart, die zich er naast bevond. Ik ben toen naar Hoogeveen gekomen en door voorzichtig graven, in tegenwoordigheid van een of twee wethouders, enige gemeenteraadsleden etc. , werd onderzocht tot hoever de graven reiken. Er bleken er te liggen tot aan de uiterste rand van het veldje. Men zag toen van het plan af. Het is dus zo, dat het stukje grond vol graven is."

In 1829 kocht de Joodse gemeenschap een eigen begraafplaats in het veld buiten Hoogeveen, aan de latere Zuiderweg, bereikbaar via een pad dat naar de synagoge liep. De Joodse begraafplaats bij de Hervormde kerk van Hoogeveen werd buiten gebruik gesteld. De tweede Joodse begraafplaats wordt nog steeds zo nu en dan gebruikt. De begraafplaats is niet te bezichtigen. De christelijke begraafplaats op de zuidkant van de kerk was vanaf januari 1829 al buiten gebruik. De oude Joodse begraafplaats naast de in de 19de eeuw gebouwde pastorie, nu kosterswoning, is de enige plaats rondom de kerk waar men nog steeds herinnerd wordt aan de oude begraafplaats in het centrum van de huidige plaats Hoogeveen. Ook het grasveld op de zuidkant van de Grote Kerk is in feite nog steeds een begraafplaats, want de graven zijn nooit geruimd, maar daar is niets meer dat aan deze periode herinnert. De Joodse begraafplaats is nog wel als zodanig herkenbaar, door de beide laatste zerken. Mogelijk liggen er onder het gras ook nog enkele overwoekerde zerken, maar dat is niet zeker. De teksten van de beide laatste zerken zijn vertaald in gangbaar Nederlands. We lezen op steen 1, tussen het groen en tegen een muur:

‘G.d, die genade betoont aan zijn erfdeel met blijdschap en welbehagen. Hier rust een eerlijk man, die de wegen der oprechtheid bewandelt en die de waarheid betracht, oud en der dagen zat; het is de weledele heer Elchanan, zoon van de edele heer Jacob, zijn aandenken zij ten zegen; Hij overleed aan de vooravond van de Heilige Sabbatdag, 13 Marchesjwan, Perasja Wajijra (= afdeling van de Torah Genesis 15) van het jaar ‘Hij redde Israël’ (= 5565). TNSBH (= Moge zijn ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven).

Onder de steen rust de 88-jarige Antoni Jacobs van der Wijk. Hij overleed volgens de overlijdensakten van de gemeente Hoogeveen niet in 1804 (5565) maar in 1814, dus 5575. De jaartallen werden in het Hebreeuws weergegeven in letters met cijferwaarden. Het verschil tussen de 6 en de 7 is maar een klein streepje. De steenhouder heeft hier een foutje gemaakt. Antoni Jacobs van der Wijk overleed volgens de overlijdensakten van de gemeente Hoogeveen niet in 1804 maar in 1814, dus 5575. Een tweede steen, meer centraal op het grafveldje, kent enkele speciale symbolen. De symbolen op de steen illustreren dat de overledene een mohel, een kerkelijke besnijder was, en een to-kee-a, iemand die op het nieuwjaarsfeest, op rosj hasjana, blies op de sjofar, de ramshoorn. We lezen op steen 2, meer centraal op het grafveldje:

"Hier rust de man wiens mond zich opende voor wijze woorden en die G.d eer betoonde met zijn keel (= als voorganger). Met zijn handen (volvoerde hij) het bloed van de besnijdenis en giften en weldadigheid deed hij naar vermogen; hij leefde als behoeder der synagoge en als herder van zijn kudde; de weledele heer Simon, zoon van Mesjoelam, zijn aandenken zij ten zegen; hij overleed op de dag van de vooravond van de hielige Sabbat, 28 Siewan (= 5de maand) en hij werd begraven op zondag 5576 (= 1816). TNSBH (= Moge zijn ziel gebundeld worden in de bundel van het eeuwige leven)."

Het is de grafsteen van Simon Salomons Wijnberg. Simon werd in 1754 te Hoogeveen geboren als zoon van Salomon Meijer en Mietje. Zijn moeder werd 12 september 1800 begraven, zijn vader stierf 8 januari 1811. Simon Salomons Meijer was getrouwd met Hendrina Hartog (1746-1839) en het echtpaar kende minstens vijf kinderen, vier zonen en een dochter. Simon Salomons Wijnberg overleed volgens de overlijdensakten van de gemeente Hoogeveen op 21 juni 1816.

In 1946 was er sprake van of het oude Joodse begraafplaatsje niet geruimd zou kunnen worden, omdat het geheel zeer verwilderd was. Vandaar dat contact opgenomen werd met opperrabijn J. Tal. In zijn reeds aangehaalde brief van 9 juli 1946 lezen we: "Nu kan ik zeer begrijpen, dat dit verwaarloosde veld een sterke ontsiering is van de omgeving, en dat het niet aangaat, de omgeving maar zo te laten. Doch het is volgens onze Joodse voorschriften niet geoorloofd, begraven lichamen of de overblijfselen op te graven (tenzij voorwaardelijk begraven of tenzij overmacht dwingt); de piëteit voor de doden eist, te laten rusten, wat we aan Gods natuur-hand hebben terug gegeven. Zou het echter niet mogelijk zijn, dat het gras en het onkruid wordt gemaaid (en verbrand) en dat het perceeltje door een hek of muurtje wordt omgeven, waar het opschrift op wordt aangebracht: "gesloten Joodse (of: Israëlitische) begraafplaats"? Het lijkt mij, dat de kosten daarvan niet zo hoog behoeven te zijn."

Het jaar daarop nam de gemeenteraad van Hoogeveen het volgende besluit, in de vergadering van 20 oktober 1947: "De gemeente Hoogeveen neemt op zich het onderhoud van de gesloten Israëlitische begraafplaats aan de Van Echtenstraat, welke zonder schending der graven tot plantsoen zal worden aangelegd en van een behoorlijke afrastering voorzien, terwijl het publiek niet zal worden toegelaten." Vanaf 1948, toen het plantsoen werd aangelegd, ligt de oude Joodse begraafplaats er bij, zoals we deze vandaag de dag nog kennen. Tussentijds is echter het hekwerk al wel een keer vervangen. In december 1992 besloot de gemeente Hoogeveen in 1995 f 25.000 uit te zullen trekken voor een nieuw hekwerk. Maandag 23 en dinsdag 24 februari 1995 verwijderde een aannemersbedrijf het oude hek. Woensdag 25 januari plaatste de firma Sol uit Eindhoven de vervangende omheining. Een nieuw hekwerk, dat wel, maar met een nostalgische uitstraling.

Maak een trip naar Jeruzalem en lees alles over de......