Informatiecentrum Geschiedenis Hollandscheveld e.o.

© Albert Metselaar, Hoogeveen 1999. Niets uit deze publicatie mag worden vermenigvuldigd, op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van het Informatiecentrum Geschiedenis Hollandscheveld e.o.

Terug naar de hoofdpagina
Naar de bibliotheek!

DE OUDSTE HOOGEVEENSE BEGRAAFPLAATS,

IN EN ROND DE KRUISKERK

ALBERT METSELAAR

Rond het Kruis, de Schutstraat en de Hoofdstraat, ontstond in de 17e eeuw het begin van het dorp Hoogeveen. Vanaf 1636 was daar vaste bewoning. Tegen het eind van deze eeuw vestigden zich voor het eerst mensen in de velden rond het dorp. De eerste bewoners van het Hollandsche Veld vestigden zich in de tweede helft van de 17de eeuw op het eind van het Haagje en langs de Boekweitensloot, de latere Wolfsbos. In de 18de eeuw werden de velden rond het Hollandscheveldse Opgaande en het Zuideropgaande gekoloniseerd, even als de gebieden rond het Krakeel en het Noordse Opgaande. In de loop van de 19de eeuw volgden ook oostelijker gelegen delen, rondom wat we nu kennen als Elim en Nieuwlande. Tot 1829 waren al deze mensen voor het begraven van hun doden aangewezen op de oude begraafplaats bij de Hoogeveense kerk en tussen 1829 en 1854 op de begraafplaats aan de Zuiderweg. In 1854 werd in het Hollandscheveld een eigen begraafplaats in gebruik genomen.

De eerste begraafplaats van het dorp Hoogeveen lag op de zuidkant van de in 1658 opgeleverde kruiskerk van Hoogeveen. Volgens een gevelsteen werd met de bouw begonnen in 1652. Het was een kerk waar gedurende de 17de eeuw nog voortdurend aan gebouwd moest worden, omdat het lang duurde voor hij echt af was. In, of al voor het jaar 1652, zal deze algemene begraafplaats in gebruik zijn genomen. De zuidzijde van de kerk was de plaats waar de zon kwam en waar de boze geesten, volgens het oude Germaanse geloof, geen macht hadden. Deze geloofstraditie overleefde de kerstening van het gebied. Ruimtegebrek leidde er toe dat uiteindelijk de hele hof rondom de kerk als begraafplaats in gebruik genomen moest worden. De oudste kadastrale kaart van het dorp van 1829 geeft een kerkhof aan, op zowel noord, oost als zuidzijde van de kerk. In de kerk zelf waren koopgraven en huurgraven. Verder had de familie van Echten, stichters van Hoogeveen en hoofd-direkteuren van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen (de verveningsmaatschappij die Echtens-Hoogeveen verveende) een grafkelder op de oostkant van de kerk. De eerste bekende bijzetting in de kerk had plaats in deze kelder, en is van augustus 1661. Johan van Echten tot Echten, heer van Echten, werd geboren op 7 september 1618, en is overleden op 6 augustus 1661. Hij werd begraven in de kelder in de kerk.

Zoals gezegd waren er huurgraven in de kerk en eigen graven. De huurgraven bleven eigendom van de kerk. Enige jaren nadat iemand daarin was bijgezet kon de kerk het graf schudden en opnieuw iemand daarin begraven. Met dit ‘schudden’ wordt bedoeld: het openen van een graf, houtresten van de kist verwijderen, en het gebeente verwijderen, dieper herbegraven of in een knekelgraf leggen. In principe kon ieder graf dat eigendom was van de kerk als huurgraf worden gebruikt, maar kon dat ook worden verkocht. De eigen graven waren eenmaal verkocht aan particulieren en werden vanaf dat moment verhandelbaar en erfrechtelijk door te geven, zonder dat de kerk of de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen (de eigenaar van de kerk) daar nog zicht op hadden. Als er na oproep zich geen erfgenaam of eigenaar meer meldde, kon de kerk zichzelf weer als eigenaar beschouwen. In 1754 werd een lijst gemaakt waarop de eigenaren van de graven van de kerk werden vermeld. Tevens werd getracht daarop een beeld te geven van de bijzettingen in de graven. De lijst werd later nog weer aangevuld, en geeft uiteindelijk een beeld van de situatie van rond 1765. Bij deze beide lijsten hoort een kaart uit november 1761, gemaakt door Jan Hartman. Daarop staan de graven en de oorspronkelijke eigenaren vermeld. De lijsten en de kaart zijn wat betreft de bijzettingen in de graven zeer onvolledig. Uit de namen van de eigenaren krijgen we de indruk dat aanvankelijk in de kerk vrijwel alleen begraven werd in huurgraven, en dat pas op het eind van de 17de eeuw het gebruik van eigen graven in de kerk in zwang begon te komen. De eerste eigenaren van de eigen graven waren voornamelijk gegoede inwoners van het dorp Hoogeveen, die de graven op het eind van de 17de en het begin van de 18de eeuw in eigendom namen, en zo overnamen van de kerk.

De huur- en eigen graven in de kerk lagen oorspronkelijk in de vorm van een kruis. Dit was de grondvorm van de eerste Hervormde kerk van Hoogeveen. In 1766, 1801 en 1804 werd de kerk vergroot en verdween deze grondvorm. Sindsdien werden er ook huurgraven buiten het kruis gebruikt. Voor de vergrotingen van de kerk lagen deze graven buiten de kerkmuren, en betrof het algemene graven, voor iedere ‘gewone’ inwoner van het dorp Hoogeveen en de omliggende velden. Na de vergrotingen waren deze graven binnen de kerkmuren gekomen. Buiten de kruisvorm lag slechts één eigen graf. Helaas kennen we geen kaart of andere sluitende informatie, om aan te geven waar de graven buiten de kruisvorm precies lagen en waar welk nummer lag.

Van een enkel graf is nog over de hele periode van gebruik na te gaan welke familie er eigenaar van was. Een handschrift uit 1823 geeft als informatie over de graven 66 en 67: "Rudolph (Roelof) van Echten, Heere! Tot Echten en ‘t Echtens Hogeveen, in den opslag verkogt te hebben, door den Heer! Schultus, Willem Camerling de grafsteeden, van no.66, en van no. 67, in de kerke van ‘t Echtens veen, in den jaare 1689, den 19 april, aan Jan Jeulen bakker. En is weer overgedraagen, aan Herm Klaas Smit, en Mergjen Jans Jeulen, zijn huisvrouw. En is weederom verkogt, en overgedraagen, deeze boven staande grafsteeden, aan Egbert Jans van Ruinen, en Roelofje, zijn huisvrouwe, in den jaare 1742, en 21 september. In den jaare 1780, is deeze boovenstaande grafsteeden, aan de kinderen, van Jan Bruins Slot overgegaan, als erfgenaam van Egbert Jans van Ruinen. Zoo de Heeren pertiesipanten er de Brief van geliefden te zien liggen en berusten bij: (was getekend) Egbert Bruins Slot." Dit letterlijke citaat van het handschrift geeft een uittreksel weer van diverse koopakten en contracten, toentertijd in het bezit van genoemde Egbert Bruins Slot.

Bij overdracht via een koopcontract was duidelijk wie de eigenaar van een graf was. Een zwak punt in de eigendomskwesties was kon vererfing zijn. Wie was na enkele generaties uiteindelijk eigenaar van het graf, of meerdere graven? Een enkele familie regelde dit met een onderhands scheidingscontract. We lezen mee in een contract uit 1767: "Alzoo oude Jan ten Heuvel heeft bezeeten vijf groefsteden in de kerk alhier op het Echtens Hoogeveen in no 28, 29, 30, 31, 32, en door zeven erfgenamen onder elkander en aan elkander, een en ander parten hebben verkogt, zoo dat nu de tegenwoordige bezitters van die vijf groefsteden zijn: H.Wermels in no. 28 en 29, de scholtinne C.Steenbergen no. 30, 31, en Hk.Ockens no.32. Welke nommers der groefsteden zoo als een ieder bij zijne namen staan uitgedrukt, in eeuwigen eigendom zullen houden, en bezitten, met zijn lusten, en lasten. Tot waarheids oorkonde zijn hier van drie alleensluidende gemaakt, en door de drie bovengenoemde persoonen eigenhandig onderteekend. Echtens Hoogeveen den 8 oktober 1767. H.Wermels. Aleida ten Heuvel, wed.Steenbergen. Hk. Ockens, 1767."

Lusten en lasten. In de praktijk waren het vooral lusten, bestaand uit een familiegraf in de kerk, dat pas geschud werd als er na enige jaren een ander familielid in bijgezet moest worden. Door verschillende bijzettingen op meerdere niveaus te doen plaatshebben, kon men eventueel drie mensen boven elkaar in het familiegraf bijzetten. Werd een graf verkocht, dan kocht de nieuwe eigenaar in feite ook de stoffelijke resten van de vorige familie. Het graf kon dan in zijn geheel geschud worden, en in gebruik worden genomen door de nieuwe eigenaar en zijn verwanten. Van de lasten is niet zoveel bekend. Slechts één keer is dat goed duidelijk geworden. Dat was in 1754. Al bijna een eeuw lang waren er mensen bijgezet in de kerk. Al deze mensen waren begraven in het zand onder de kerkvloer, want van kleine gemetselde keldertjes was geen sprake. Door het vergaan van lichamen en kisten was de kerkvloer onregelmatig geworden en vroeg om groot onderhoud, in de vorm van gelijkmatig ophogen van de totale kerkvloer en het opvullen van alle kuilen met nieuw zand.

Dit werk werd in mei en juli 1754 uitgevoerd. Hendrik Stevens haalde 5 mei 1754 twee schuiten zand en was twee dagen bezig met het laden, vervoeren en bij de kerk weer leegspitten van de schuiten. De beide daghuren leverden hem samen een gulden en zes stuivers op. Voor schuitenhuur kreeg hij tien stuivers. Albert Arens en zijn zoon deden het zelfde werk op één dag, en brachten 22 juli 1754 samen eveneens twee schuiten zand bij de kerk. Ze kregen het zelfde bedrag aan arbeidsloon en schuitenhuur. Er lagen bij de kerk vier schuiten zand te wachten op verwerking. Op 25 juli 1754 begonnen de arbeiders Jan Albers, Jan Prijs, Antonij Prijs en Sijmen Wolters te spitten. De zerken in de kerk werden verwijderd, er werd zand opgebracht en er werd een nieuwe kerkvloer gelegd, met de oude zerken. In de tekst is sprake van ‘sarken’, terwijl voor zover bekend de kerkvloer belegd was met tegels. Deze werden bij de latere restauratie soms terug gevonden. Sommige tegels droegen nummers, waarmee de graven werden aangegeven. Van grote bewerkte natuurstenen grafzerken, met gegevens over de overledene, is voor zover bekend in de kerk van Hoogeveen nooit sprake geweest. Dat was ook niet voor de hand liggend. Als een graf keer op keer werd gebruikt door een familie, zou iedere keer een andere sierlijk uitgebeitelde zerk gekocht moeten worden, wat men dus niet het geval was. Met het woord ‘sarken’, zerken, zal men bij de werkzaamheden van 1754 dan ook gedoeld hebben op de bij de restauratie gevonden tegels.

Jan Alberts was in totaal 8 1/4 dag aan het werk en kreeg 20 stuivers per dag uitbetaald. Hij zal de leiding over het werk hebben gehad. De andere arbeiders kregen 13 stuivers per dag. Jan Prijs was 6 dagen aan het werk, Antonij 8 1/4 dag en Sijmen Wolters het langst, 9 ½ dag. Tussentijds werden ze van drank voorzien door Roelof Nijsinge, op kosten van de kerk. Ze verdronken met elkaar voor drie gulden en acht duiten aan drank. Hij kreeg nog acht duiten en twaalf stuivers aan fooien. Dat was waarschijnlijk voor het brengen van de drank. Zo kostte het verhogen en egaliseren van de kerkvloer in 1754 in totaal f 30,15,0, derig gulden, 15 stuivers en 0 duiten. Van de 123 graven in de toenmalige kruiskerk waren er 56 eigendom van de kerk zelf, en werden gebruikt als huurgraven. Er waren op dat moment 67 graven verkocht aan particulieren. Deze particulieren werden door de kerk aangesproken op een evenredig aandeel in de kosten van het ophogen en egaliseren. Voor ieder graf moest men vijf stuivers betalen. Uit deze tijd stammen de eerder genoemde lijsten van eigenaren, van 1754, opgesteld en bijgehouden om de kosten te kunnen verdelen.

Onder de eigenaren van graven in de kerk, en onder de bijzettingen in huurgraven, vinden we slechts enkele inwoners van het Hollandsche Veld, en niemand uit het Krakeel of het gebied rondom Noordseschut. De enkele Hollandschevelder hoorde niet bij de oudste eigenaren van graven. In de 17de eeuw waren de velden nog vrijwel niet bevolkt. Pas in de 18de eeuw heeft de eerste veldeling een graf in de kerk. Zo is bekend dat veldeling Albert Jacobs Koster, hoofdparticipant van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen, met naar schatting 520 morgen ondergrond en veen in zijn bezit, op 4 augustus 1787 in de kerk werd begraven. Hij is waarschijnlijk bijgezet in graf 26. Graf 26 was enige tijd in het bezit van Jan Doosies Juddik. De armenzorg van de kerk werd door omstandigheden eigenaar van het graf, en verkocht het in 1745 aan Albert Jacobs Koster. Een tweede bijzetting van een veldeling in de kerk had plaats in 1804, toen scheepstimmerman Thijs Jannes Thalen stierf. Deze schaarse gegevens van bijzettingen van veldelingen in de kerk houden in dat vrijwel alle bewoners van de velden rond Hoogeveen hun doden op de algemene begraafplaats rondom en buiten de kerk begroeven. De graven werden geruimd op het moment dat vanwege ruimtegebrek op de begraafplaats op deze plaatsen opnieuw doden ter aarde moesten worden besteld.

Volgens de kerk was het graf van Thijs Thalen in 1824 eigendom van de kerk zelf, en was er sprake van een huurgraf. Voordien was het een eigen graf geweest, maar het eigendomsrecht lag nogal moeilijk. Thijs Thalen was ooit zelf eigenaar van het graf. Hij zou het gekocht hebben van Jan Geerts Bakker, zo zei deze. Jan Geerts Bakker, herbergier, kocht ooit in publieke opslag, gehouden door oud-schulte C.E.Carsten, enige graven. Deze graven waren eigendom geweest van ‘de Mijne Meesters’, een Hoogeveense familie. Hij sprak zelf in 1823 van vier aangekochte graven. Graf 84 had hij voor zichzelf gehouden. Er was volgens zijn zeggen een graf doorverkocht aan Thijs Thalen (begraven in graf 80), een graf ging naar Brouwer van Amsterdam, die destijds was overleden (begraven in graf 82) en er was een graf doorverkocht aan Klaas Berents Kleinmeyer (begraven in graf 83). In zijn eigen ‘grafstede’, graf 84 dus, was volgens zeggen van Jan Geerts Bakker de vrouw van Berend Kleinmeyer begraven. Volgens de administratie van de kerk was ze echter bijgezet in graf 81. Terwijl Jan Geerts Bakker het heeft over vier aangekochte graven, komen we al lezende op vijf graven uit. Jan Geerts Bakker en consorten kregen in 1824 vier geclaimde graven op hun naam, de graven 81-84. Deze waren in het verleden gezamenlijk eigendom geweest van de familie Oldewortel. Het vijfde graf, nummer 80 van Thijs Thalen, werd geclaimd door anderen. De vrouw van P.Koster was in 1823 bijgezet in dit graf, en P.Koster zei het graf toen gekocht te hebben van Rijnder de Jonge. Verwarring alom. Voor de kerk en de Algemene Compagnie van 5000 Morgen was dat geen probleem: wat niet duidelijk aan een eigenaar gekoppeld kon worden, verviel aan de kerk. Aldus gebeurde. Graf 80 werd weer als eigendom van de kerk beschouwd.

De graven 81-84 hadden trouwens voordien ook al eens een onduidelijke positie gehad. In de lijsten uit de periode 1754-1765 staan ze op naam van Rutger Oldewortels erfgenamen. Oorspronkelijk waren ze eigendom geweest van Jan IJbing. Na het opstellen van de lijst van 1754 werd informatie ingewonnen, en naderhand werd een briefje toegevoegd. Daarin lezen we dat de vier graven 81-84 op 25 januari 1700 door heer Roelof van Echten werden uitgegeven. Eigenaar werd Rutger Oldewortel. In 1754 zou Rutger Oldewortels erfgenaam Jan IJbing Oldewortel recht hebben op de graven. Maar Jan IJbing Oldewortel had nog schulden aan de kerk, vanwege achterstallige huur van acht zitplaatsen over de jaren 1730-1735. Iedere zitplaats kostte jaarlijks een halve gulden. Zes jaar acht zitplaatsen, maakte een schuld van f 24,-,-. Jan IJbing Oldewortel is uiteindelijk failliet gegaan. Borghard Prijs werd als volmacht van de kerk er op uit gestuurd om de schulden te innen. Hij had uiteindelijk maar f 4,-,- voor de kerk toegekend gekregen. Dat hield in dat de kerk nog f 20,-,- van de erven Oldewortel zou moeten ontvangen, zo werd in 1754 geredeneerd. Dit restant van de bankenhuur rechtigde de kerk om de eigen graven van de familie weer terug te nemen, zo lezen we op het briefje. De kerk beschouwde zich nadien weer een tijd als eigenaar.

Hoe groter de bevolking van het Hoogeveen werd, hoe kleiner de begraafplaats werd ervaren en hoe minder ruimte er was voor de doden. Iedere vergroting van de kerk snoepte stukken grond weg van de begraafplaats. De uitbreidingen waren nodig in verband met de sterke groei van de bevolking, maar leidden uiteindelijk voor de begraafplaats tot onhoudbare toestanden. Deze werden nog versterkt doordat de mensen hun geliefden zo dicht mogelijk bij kerkmuren wilden begraven. Men geloofde dat de zielen van de overledenen in gewijde aarde minder last van de duivel zouden hebben. Met het verdwijnen van het katholicisme werd een kerkhof niet meer formeel door de kerk gewijd, maar de hof rond de kerk werd nog wel als zodanig ervaren. Hoe dichter bij de kerk, hoe gewijder het graf.

Al in 1800 was het zo erg, dat de plaatselijke overheid in moest grijpen. Men sprak van ‘verregaende disorders en afschuwelykheden’. Op de zondagen 19 en 26 januari 1800 werd door schoolmeester Roelof Pieters Berkenbosch bij de kerk een boodschap voorgelezen van het plaatselijke bestuur. Het kerkhof was tegen de muren zo vol geworden, dat het daar ‘in elkander gedrongen met lyken’ was. Dat was voor velen geen enkel probleem, want men opende daar bestaande graven en ging de lijken ‘verroeren en verdistrueeren, die op lange na niet vergaan zyn’. Dat gebeurde soms tot twee keer of vaker toe, al naar gelang het aantal liefhebbers voor dat plekje. De mensen deden dit onder meer omdat de overledene zo dicht mogelijk bij zijn of haar vrienden begraven moest komen te liggen. Ze beseften blijkbaar niet, zo las meester Berkenbosch, ‘hoe men zyne vrinden hierdoor dikwyls vorroert en op de akelykste wyze hare gebeente vermorselt.’ In de bekendmaking werd gelast, dat men voortaan op de rij af moest begraven, te beginnen op de plaats, die doodgraver Cornelis Bogaart zou aanwijzen.

Uit deze publiekelijke boodschap kunnen we opmaken dat niet alleen de doodgraver lijken begroef. Het begraven was in veel gevallen het werk van de ‘naobers’, de buren, net als alle andere taken rondom de begrafenis. Iedereen kon voordien blijkbaar zelf kiezen waar een graf werd gegraven. Het aanwijzen van het graf door de doodgraver, was de eerste taak die van de naobers werd overgenomen. Er zou streng op worden toegezien dat men zich aan de aangewezen grafplaats hield. Overtreders zouden worden gestraft met een boete van drie gulden, ten voordele van de diaconie. De verkeerd begraven lijken zouden bovendien op kosten van de overtreders op de daarvoor bestemde plaats worden herbegraven. Na deze verordening volgden nog twee verbouwingen van de kerk, zodat het ruimtegebrek steeds nijpender werd.

Zo’n 170 jaar na het begin van de bouw van de kerk, was het voor de eigenaren en beheerders van de kerk volstrekt onduidelijk wie nog recht had op welke graven. Ook de kerkgangers zelf kwamen er soms niet meer uit. De kerk was eigendom van de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen en werd beheerd door de hoofd- en mededirecteuren van deze compagnie. De directeuren besloten op 15 april 1823 om door te pakken. Wie niet kon bewijzen dat hij eigenaar was van een graf, zou geen gebruik meer kunnen maken van een graf, en graven waar zich geen eigenaar van meldde, zouden weer vervallen aan de kerk. Iedereen moest zijn stukken maar laten zien aan de kerkmeester, ook wel rentmeester van de kerk genoemd, degene die namens de directeuren het dagelijkse financiële beheer van de kerk in handen had. Meester Roelof Pieters Berkenbosch deed de kerkespraak, het voorlezen van belangrijke mededelingen in de kerk. Op 20 april 1823 las hij zowel in de voor- als in de namiddagsdienst het volgende:

"De Hoofd- en Mede-Directeuren van de Algemene Compagnie van Vijfduizend Morgens te Echtens Hoogeveen als hebbende de directie en administratie over de kerk en kerkengoederen te Hoogeveen, geinformeerd zijnde dat sommige ingezetenen pretenderen eigenaren te zijn van graven of grafsteden in de kerk, die nochtans als zodanigen bij de kerkmeester niet zijn bekend, doen mits dezen alle ingezetenen welke mochten sastineren een of meer grafsteden in de kerk voornoemd in eigendom te hebben, oproepen dat dezelve voor den eersten mei aanstaande aan den kerkmeester B.van Sloten te Hoogeveen op of aangave zullen moeten doen van de grafstede of grafsteden aan hun eigendom toebehorende, met melding van het nummer of de nummers en met overlegging van de blijken en bescheiden waarop zij hun eigendomsrecht aan dezelve vermenen te gronden, zullende diegene welke mochten nalaten of verzuimen aan deze oproeping binnen den gestelde termijn te voldoen zich zelve te wijten hebben wanneer zij in het vervolg van het gebruik der grafsteden waarop zij aanspraak mochten willen maken zullen verstoken zijn. Voorts maken de Hoofd- en Mede-Directeuren voornoemd bekend dat van nu voortaan, uit hoofde de kerkhof anders te klein is om de lijken te kunnen bevatten, de begraving der lijken op het kerkhof in platte kisten zal moeten plaats hebben, en wel zo dat twee kisten op elkander kunnen worden geplaatst. Hoogeveen den 15 april 1823. (Was getekend) R.O.van Holthe tot Echten, Hoofd Directeur."

Al met al hadden de directeuren goede moed, want ze dachten alles in anderhalve week afgerond te kunnen hebben. Het zou meer dan anderhalf jaar worden, voor de zaak rond was. Tevens lezen we uit de publicatie dat het kerkhof rond de kerk te klein aan het worden was. Men moest het nog steeds doen met een verhoudingsgewijs vrij klein stuk kerkhof, voor een voor die dagen volkrijk gebied. Oude algemene graven moesten doorlopend wijken voor nieuwe, en door de aanwas van de bevolking ging dit proces inmiddels zo snel, dat lichamen niet voldoende tijd kregen om te vergaan, ook al begroef men op plaatsen waar dit werd aangegeven door de grafdelver. Dit staat dan wel niet in de tekst, maar dit moet het achterliggende probleem zijn geweest, dat men probeerde te bezweren door de verordening dat men voortaan twee personen boven elkaar moest begraven, in platte kisten. Dit houdt ook in dat in april 1823 een nieuw type doodskist als standaardkist voor de algemene graven in gebruik werd genomen. Platter is minder hout, is minder werk, is een wat goedkopere kist. Waarschijnlijk was de kist al wel in gebruik, voor de man of vrouw met de kleine beurs. Over deze kist en het twee personen in één graf begraven horen we eerst verder niet meer. Het zal zonder veel problemen ingevoerd zijn. De gegoede bevolking van Hoogeveen ging op zoek naar de eigendomspapieren van de graven, en liet alles zien wat van belang kon zijn.

De briefjes die in deze periode werden ingeleverd zijn nog steeds bewaard. Daaruit blijkt dat men niet alleen naar kerkmeester Berend van Sloten aangaf wat men als eigendom beschouwde, maar dat men ook onderling in overleg ging. Sommige graven werden betwist, en de zichzelf eigenaar noemende personen kwamen er onderling niet uit. Andere graven was goed overleg over. Zo waren er bijvoorbeeld twee graven, de nummers 37 en 38, die op naam stonden van Cornelis Steenbergen. Advocaat en vervener (later wethouder) Cornelis Steenbergen was een kleinzoon van vervener en schulte Cornelis Steenbergen, gedoopt op 5 september 1712 als zoon van Lucas Alberts Steenbergen en Annegien, en overleden op 17 april 1761. Advocaat Cornelis Steenbergen ging er van uit dat de graven 37 en 38 van zijn grootvader waren, en claimde deze voor de familie. Veeneigenaar Jan Warmels, regent van het Armwerkhuis, bleek in het bezit te zijn van een overdrachtsakte van de graven 37 en 38, op naam van Corenlis Steenbergen. Maar dit was niet dezelfde als de grootvader van de advocaat Cornelis Steenbergen. Dat bleek al snel, toen deze de stukken zag. Jan Warmels’ overgrootvader heette eveneens Cornelis Steenbergen. Deze was in het begin van de 18de eeuw bakker te Hoogeveen, en was getrouwd met Aaltje ten Heuvel. Dit was de werkelijke eigenaar van de graven 37 en 38.

Advocaat Cornelis Steenbergen schreef 28 november 1824 een briefje, waarin hij duidelijk maakte dat hij afstand deed van zijn claim, en Jan Warmels de graven gunde: "Alzo J.Warmels, veeneigenaar te Hoogeveen, een koopbrief aan mij heeft vertoond, waar uit geblijkt, dat de grafsteden no. 37 en 38 aan eene Cornelis Steenbergen zijn over gegaan - en aangezien ‘t is gebleken dat gemelde Cornelis Steenbergen niet is de persoon die door de ondergetekende is bedoeld, stemt er in deze dat wat mij betreft de graven op naam van J. Warmels mogen overgetekend worden." De kerk liet het echter zoals het was. De graven bleven op naam van de erven Cornelis Steenbergen, maar de bevolking wist nu tenminste wie dat waren.

In 1823 en 1824 werden de oude lijsten met namen van graf-eigenaren bestudeerd en diverse nieuwe lijsten opgemaakt, zowel van eigenaren van de graven als van bijzettingen, aan de hand van wat in de toenmalige kerk aan gegevens voor handen was en aan de hand van wat de eigenaren van de graven daarover zelf naar voren brachten. De gegevens over de bijzettingen zijn ook uit deze periode onvolledig. We weten dat onder meer doordat er ook nog een notitieboekje bewaard is, met daarin aantekeningen over het begraven in de kerk over de periode september 1806-april 1809, waarin namen voorkomen die we op voornoemde lijsten niet terug vinden. Het komt er dus op neer dat we het met de informatie over de graven in de oude kerk van Hoogeveen voornamelijk moeten met wat er omstreeks 1754/1765 en in de jaren 1823/1824 over verzameld is, en dat de gegevens over de eigenaren uit deze beide perioden vrij compleet zijn, maar dat we wat betreft de bijzettingen een onvolledig beeld houden.

Ze geven echter wel een indicatie van de families die de graven in andere jaren dan 1754/1765 of 1823/1824 in gebruik hadden. We kunnen tevens wel aannemen dat iemand die als eigenaar van één of meer graven wordt genoemd daarin ook zelf is bijgezet, evenals zijn vrouw, mits ze voor 1829 overleden zijn. Daarnaast is het een en ander bekend over de familie van Echten en wie daarvan werd bijgezet in de kelder. Maar ook hier geldt dat de gegevens onvolledig zijn. De gegevens van de begrafenissen rondom de kerk zijn vollediger bewaard gebleven. Dit doordat er betaald moest worden voor het begraven bij de kerk. De boekhouding is van ongeveer 3/4 van de 18de eeuw bewaard gebleven, en is een waardevolle bron voor iedereen die bezig is met de geschiedenis van Hoogeveense families.

Na anderhalf jaar onderzoek kon het eindresultaat van de eigendoms-aktie worden gepresenteerd. Meester Roelof Pieters Berkenbosch las op 1 en 2 januari 1825 het volgende stuk voor: "De Hoofd- en Mede-Directeuren van de Algemene compagnie als hebbende directie en administratie over de kerk en kerkegoederen te Hoogeveen maken bij dezen bekend, dat door hun is opgemaakt een lijst van de nummers der grafsteden in de Hoogeveense kerk aan particulieren in eigendom toebehorende, welke lijst voor de belanghebbenden geduirende de maand januari aanstaande ten huize van de rentmeester van de kerk B.van Sloten ter visie zal worden gelegd, ten einde diegene welke daarop enige aanmerking mochten hebben te maken dezelve gedurende dien tijd schriftelijk bij gemelde rentmeester zullen kunnen inleveren. Hoogeveen den 28 december 1824. (Was getekend) R.O.van Holthe tot Echten."

De lijst met eigenaren van particuliere graven in de kerk, eveneens gedateerd 28 december 1824, is bewaard, en ziet er als volgt uit: "Lijst of notitie van grafsteden in de kerk te Hoogeveen, behorende aan partikuliere eigenaren, opgemaakt door Hoofd- en Mede-Directeuren van de Algemene Compagnie te Echtens Hoogeveen, als met de administratie der kerk en kerkegoederen gechargeerd. Namen der eigenaren, nummers der begraafplaatsen:

Cornelis Warmels, no 2 en 3.

De erven Harm Hendriks ter Stege, no. 10, 11 en 12.

Pieter Bruins Slots Erven, no.13.

Jan Geerts Bakker en consorten, no.14.

Jan Pieters Stoter en consorten, no.15.

Christoffer de Haan, als erfgenaam van Prikke, no.16 en 18.

Jan van Oosten, no.17.

Jan de Vriezen erfgenamen, no.19, 20, 21, 22 en 23.

De weduwe H.van Veen, no.24.

Jacob Alberts Coster, no.25.

De erven Albert Coster, no. 26

Reinder en Ybeling de Jonge, no.27.

De Erven Harm Warmels, no. 28 en 29.

Cornelis Steenbergen en consorten, no.30 en 31.

De erven Cornelis Steenbergen, no. 37 en 38.

De erven H.L.Carsten, no. 39, 40 en 41.

Aaldert ten Kleij, no. 50 en 51.

De erven Hendrik Carsten, no. 52, 53 en 54.

De weduwe Jan van Dalen, Albertien Winkel, no. 57.

Paulus van der Veen, no. 58.

De erven Jan Alberts Coster, no. 59.

De erven Jan Pieter Lefferts, no. 60 en 61.

De erven Jan Bruins Slot, no. 66 en 67.

De erven Harm Beuker, no. 70 en 71.

De erven Hendrik Carsten, no. 78, 79 en 224.

Derk Brandligt, no. 91.

Gerrit Brandligts erven, no. 93 en 94.

Dezelve, no. 102 en 103.

A.van der Veen, no. 104.

Deze lijst en voegen voorschreven door ons Hoofd- en Mede-Directeuren opgemaakt Hoogeveen den 28 december 1824.

(Was getekend:)

R.O.van Holthe tot Echten. W.de Jonge. W.Stoter. H.J.Carsten."

Achterop de lijst werd nog een toevoeging geschreven. De nummers 81, 82, 83 en 84 waren eigendom van R.Veningen en J.G.Bakker en consorten, zo werd uiteindelijk toch nog erkend, nadat de lijst ter lezing had gelegen. In totaal waren 56 graven in de kerk uitgegeven aan particuliere eigenaren en in 1825 nog in hun bezit of in bezit van hun erfgenamen. Diverse andere graven waren inmiddels weer terug gevallen op de kerk, omdat erfgenamen zich nooit hadden gemeld. De lijst met eigenaren van de 56 graven noemt nogal eens ‘de erven’, zonder specifieke aanduiding van de toenmalige gebruikers. Blijkbaar was het iedereen wel duidelijk wie als erfgenamen van H.L.Carsten of Harm Hendriks ter Stege - om zo maar wat voorbeelden te noemen - konden worden beschouwd. Jammer dat dit niet nader werd toegelicht, want dat had voor de geschiedschrijving wat meer duidelijkheid gegeven. Jammer ook dat al die tijd die eigenaren, directeuren, en administrateurs in de lijst hadden gestopt, geen lijst opleverde waarmee men weer jarenlang vooruit kon. Als de lijst ter lezing ligt, is de sluiting van de begraafplaats in en buiten de kerk al dichtbij.

Met de komst van de Fransen in 1795 was een nieuwe wind gaan waaien. Kerk en staat moesten gescheiden worden, en daarmee ook de kerkelijke hoven en de burgerlijke begraafplaats. Het werd verboden om nog langer in kerken en op kerkhoven in de bebouwde kom te begraven. Dit decreet had weinig effect. In den lande werden financiële- en emotionele bezwaren naar voren gebracht. In Hoogeveen veranderde er niets. Er kwam nog geen nieuwe begraafplaats. Het verbod werd in 1797 ingetrokken. Wel werd er een aanmoedigingsbeleid gevoerd, om nieuwe begraafplaatsen voortaan buiten de bebouwde kom aan te leggen. Bij de inlijving van ons land bij het Franse keizerrijk in 1810 werd hier de Franse wetgeving van kracht. Weer werd begraven binnen de bebouwde kom verboden. Nu werd op overtreding van deze regel geldboete en gevangenisstraf in het vooruitzicht gesteld. Ook de nieuwe regels veranderden de bestaande situatie niet. In Hoogeveen bleef rond de kerk begraven worden. In 1813 keerde de zoon van stadhouder Willem V terug naar Nederland, als koning Willem I. Hij vaardigde dat jaar nog een besluit uit, waarin het begraven in kerken tegen betaling van begrafenisrechten weer werd toegestaan. Tevens besloot de koning tot de instelling van een commissie van geneeskundigen, die de schadelijke gevolgen daarvan zouden moeten onderzoeken. Omdat onder meer de provinciale besturen (financiële) bezwaren hadden, kwam de commissie er pas in 1815. Deze concludeerde dat het verblijf in een kerk of op een kerkhof vanwege de daar gelegen lijken kon leiden tot duizeligheid, hoofdpijn en flauwtes, en dat soms verwoestende besmettelijke ziektes daar hun oorsprong vonden. In 1827 bepaalde een nieuw koninklijk besluit dat met ingang van 1829 niemand meer binnen de bebouwde kom begraven mocht worden. Er gold sindsdien alleen een uitzondering voor leden van de koninklijke familie, die bijgezet konden blijven worden in de grafkelders in de Nieuwe Kerk te Delft.

De dodenakker rondom de oude Hervormde kerk van Hoogeveen was met ingang van 1 januari 1829 gesloten. Ook de eigen- en huurgraven in de kerk en de grafkelder van de familie Van Echten werden niet meer gebruikt voor nieuwe bijzettingen. De hof rondom de kerk heeft ook na 1829 nog jarenlang graftekens gekend, in de vorm van houten ‘paaltjes’, geschilderde planken met de namen en gegevens van de doden erop. Nu rest er nog slechts een grasveld. Bij grondwerkzaamheden komen overal in dit grasveld beenderen naar boven. Er is in feite nog steeds sprake van een begraafplaats, een kerkhof in de meest letterlijke zin van het woord, al zou men dit op het oog niet zeggen. De graven in de kerk zelf zijn grotendeels geruimd. De grafkelder van de Van Echtens werd meegenomen in de drie verbouwingen en uitbreidingen, en onder de booggewelven werden alle groten uit het geslacht Van Echten bijgezet. Na 1829 bleef de kelder bijna 140 jaar gesloten. In de periode 1967-1969 werd de kerk gerestaureerd. De kelder van de Van Echtens werd in 1967 geopend. De kelder was vrijwel leeg. De lichamen, het gebeente en de kisten waren vrijwel geheel vergaan.

Ten behoeve van een nieuwe vloer en nieuwe funderingen moest deze kelder verdwijnen. Het laatste gebeente dat nog in de kelder te vinden was, werd verwijderd. De houten vloer in de kerk werd verwijderd en het zand eronder werd uit gegraven, om de fundamenten van de oude kruiskerk bloot te leggen en ten behoeve van de aanleg van verwarmingsbuizen. Er was in het zand nogal eens een donkere rand zichtbaar, een schaduw van de vergane kist. Zo af en toe werd een handvat van een kist gevonden. Van het gebeente was vaak niet veel meer over. De schedels en dijbeenderen waren vaak nog wel herkenbaar, maar andere delen van het skelet waren veelal vergaan tot beenderpoeder. Er waren hooggespannen verwachtingen geweest, bij het openen van de graven. Als dat zou gebeuren, zou er vast heel wat gevonden worden. Maar het bleef bij beenderen. De doden was niets duurzaams meegegeven. Er werden wel enkele zinken munten gevonden, waarschijnlijk tussen de kieren van de planken van de vloer naar beneden gevallen, maar geen duiten uit de 17de of 18de eeuw. Dit duidt erop dat het al niet meer gebruikelijk was om de doden een munt mee te geven. Dit is lang wel zo geweest. Aanvankelijk om de veerman over de rivier naar de onderwereld te kunnen betalen, en later als muntje voor Petrus. In het oude Hoogeveen was men dit gebruik al ontgroeid.

Medewerkers van het Biologisch Archeologisch Instituut in Groningen zijn enkele malen langs geweest, maar het kwam niet tot gericht onderzoek van de skeletten. De arbeiders in de kerk zagen erop toe dat er tijdens het verwijderen van het gebeendte niets werd gestolen. Er waren nogal wat mensen uit op het meenemen van een schedel. In enkele gevallen is dit ook gebeurd. Kruiwagens vol beenderen en schedels werden in de zomer van 1967 verzameld uit het zand onder de verwijderde kerkvloer. De laatste stoffelijke resten van de leden van de Hoogeveense bovenlaag uit de tweede helft van de 17de, de hele 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw, werden samen met die van de Van Echtens bijgezet in een massagraf op de noordzijde van de kerk. De plaats werd willekeurig gekozen. Het massagraf ligt ongeveer half tussen de noordelijke kerkmuur en de Grote Kerkstraat, min of meer ter hoogte van de oostgevel. Waar ook werd gegraven, overal kwamen stoffelijke resten naar boven, zo wisten de werknemers zich te herinneren. Op de noordzijde van de kerk werden traditiegetrouw alleen bedelaars, landlopers, vreemdelingen, soldaten, rondtrekkende handelslieden van onbekende herkomst, zelfmoordenaars en misdadigers begraven. Kortom, iedereen die buiten de samenleving stond. Moordenaars werden nog extra gestraft, door ze op de noordhoek van de kerk, onder de drup van het regenwater te begraven. Zo werd de elite van het oude dorp Hoogeveen in de dood herenigd met het gewone volk, ja zelfs met de in hun dagen meest verachte vertegenwoordigers daarvan.

Een steen in de nieuwe kerkvloer, gelegd bij de restauratie, herinnert nog aan de voormalige grafkelder. Aan de noordmuur van de kerk, boven de plaats waar vroeger de Van Echtensbank stond, hangt nog een herinnering aan het begraven in deze kerk. Het is de zogenaamde rouwkas. Een zwart wapenbord met in het hart drie vliegende adelaars, het wapen van de Van Echtens, en links en rechts ervan zestien familiewapens van de kwartieren (voorouders) van Johan, baron van Echten tot Echten (1680-1757). De rouwkas werd kort na zijn dood in de kerk gehangen en verdween daar in het begin van de Franse Tijd (1795). De familie Van Echten verloor haar Heerlijke rechten en de laatste manlijke Van Echten werd nu ‘burger Van Echten’. Overal in Nederland verdwenen herinneringen aan adellijke families uit kerken, omdat dit teveel eer werd geacht voor deze mensen. Dit ging vaak gepaard met vernielingen. Om te voorkomen dat er wat met deze rouwkas zou gebeuren, liet de familie Van Echten het pronkstuk onmiddellijk op Huize Echten in veiligheid brengen. Daar heeft het 180 jaar gehangen. In juni 1975 werd het door de nazaten, de familie Van Holthe tot Echten, terug gegeven aan de kerk.

De rouwkas herinnert aan Johan van Echten tot Echten, een man die een groot deel van zijn leven niet in Hoogeveen was. Deze achterkleinzoon van de stichter van Hoogeveen en kleinzoon van de stichter van deze kerk had een militaire loopbaan. Hij begon als luitenant-te-paard en was achtereenvolgens ritmeester, kolonel, brigadier, generaal-majoor en luitenant-generaal. Hij moet een aantal jaren gewoond hebben op Den Clarenbergh, het grootste huis van het toenmalige Hoogeveen, dat stond op de plaats waar nu de Raadhuisstraat uit de Hoofdstraat ontspringt. In 1747 moest hij de vesting Meenen tegen de Fransen verdedigen. De vesting moest worden over gegeven. Johan van Echten tot Echten werd beschuldigd van plichtsverzuim, en moest zich daarvoor op 68-jarige leeftijd in 1748 voor de krijgsraad verdedigen. De militair bezat flink wat veen in de gemeente Hoogeveen en was hoofd-directeur van de Compagnie van de 5000 Morgen, net als zijn voorvaderen en zijn zoon, en daarmee hoofdbestuurder en bijna eigenaar van de kerk. De rouwkas is voor de huidige kerk dan ook veel meer dan een herinnering aan Johan van Echten tot Echten. Het symboliseert in deze kerk de overheersende invloed, die de Van Echtens hier bijna 200 jaar hebben gehad.