
HET ORGEL VAN DE NEDERLANDSE HERVORMDE KERK VAN HOLLANDSCHEVELD EN HAAR GESCHIEDENIS
ALBERT METSELAAR
Vanaf de kansel van de oude Nederlandse Hervormde kerk van Hollandscheveld is duidelijk te zien dat het houtwerk en het koperwerk van de lampen van het orgel en de balustrade naast het orgel sterk lijken op het houtwerk en de sierklinken van de houten deurkasten voor de zijdeuren. Door deze deurkasten is binnenin de kerk voor de zijdeuren een extra stel deuren geplaatst, wat de warmte beter binnen gehouden zal hebben. Op het orgel staat met vergulde letters onder meer ‘Anno 1910'. Waarschijnlijk heeft men in 1910, gelijk met het inbouwen van het orgel, de balustrade en de deurkasten voor de zijdeuren aangebracht. De balustrade wordt ogenschijnlijk gedragen door vier geschilderde pilaren. In hoeverre ze echt dragend zijn, is mij niet duidelijk. De pilaren zijn op dusdanige wijze geschilderd, dat ze als zwart marmer moeten ogen. Van de drie lampen aan de balustrade, zit de middelste enigszins in het zicht, als we de namen op het orgel willen lezen. Het zijn de namen van de mensen van de orgelcommissie, die in 1910 ervoor gezorgd hebben dat dit orgel hier werd gebouwd. De commissie van 1910 bestond uit de heren R.H.Giethoorn, G.L. Zwiggelaar, F.E.Klooster, A.A.Mol en P.J.Steenbergen.
Roelof Hendriks Giethoorn was een broer van de eerste dopeling in deze kerk. De huidige organist, Geert Koops, is een nazaat van Geert Roelofs Raak, de voornaamste bewerker van deze kerk en de eerste koster en voorzanger. Een voormoeder van Geert Koops was in haar tweede huwelijk getrouwd met F.E.Klooster. Zo wordt hier een muzikale traditie voortgezet. De commissie van 1910 haalde een al eerder gebruikt orgel in de kerk, op een speelse manier de strakke lijnen en de halfronde vormen van de Waterstaatskerk doorbreekt. Eigenlijk past dit veel sierlijker orgel niet in deze kerk, zouden we van de sierlijke vormen kunnen zeggen. En aan de andere kant is het een speelse onderbreking, zonder storend te zijn. De organist zit hier niet achter het orgel, maar erin. Via een deurtje stapt hij in de orgelkast, waar hij zijn toetsenbord vindt. Achter de orgelkast staat tegen de voormuur van de kerk een oude half afgeblasterde meidenkast, een kast waarin de dienstmeid vroeger haar eigen kleding mocht opbergen. De kast is nu in gebruik door de organist, die er zijn muziekboeken op heeft geborgen. De kast past eigenlijk niet in het interieur van de kerk. Maar vanuit de kerkzaal is de kast niet te zien, en geen mens die er de afgelopen jaren iets van heeft gezegd.
Hier, aan weerszijden van het orgel, staan 2x12 stoelen, voor wie vanaf de balustrade de dienst wil meemaken. Verder is het een plaats voor opslag geweest, in het verleden. De oude boekenkast uit de garderobe beneden, heeft hier vele jaren lang tegen de noordmuur van de kerk gestaan, met erin de oude notulenboeken van de kerk en ander archiefmateriaal. Hier begint ook de hoge, stijle leuningloze trap, welke naar de toren leidt. Ooit heb ik het aangedurfd om in de nok van de kerk te kijken, boven het witgeschilderde plafond. Wat er te zien is, is niet meer dan een stelsel van gekruiste balken, welke het dak draagt. Interessant is, dat op meerdere balken namen te lezen zijn, in 19e-eeuwse lettering. Er wordt van uit gegaan, dat de bouwers van de kerk, mensen uit de omgeving, hier hun namen neer hebben geschreven. Een algemeen gebruik, een stil protest in verband met de namen van de commissieleden, in de gevelstenen op de voormuur van de kerk, of beide? Ook bij de restauratie van de oude Hervormde kerk van Hoogeveen werden namen gevonden. In 1967 vond men in het dak een oude plank met het opschrift "5 juni 1882 Nic.Jonker J.van Aalderen", waarvan aangenomen wordt dat het herinnert aan een reparatie. Eens, als ik de moed heb kunnen vinden, ga ik weer naar boven. Maar dan ga ik verder dan ik ooit ben geweest. Met een zoomlens en een fototoestel op zak, wil ik tot bij de klok klimmen, om te fotograferen wat ik nog nooit van boven heb gezien.
Aanvankelijk werden de diensten in deze kerk in muzikaal opzicht alleen begeleid door een voorzanger. De eerste voorlezer-voorzanger-koster was meester Geert Roelofs Raak, van de Openbare Lagere School bij de kerk. Hij had oorspronkelijk niet eens een aanstelling. De bouwcommissie had hem gevraagd en hij was dit, blijkbaar tot ieders tevredenheid, automatisch blijven doen, zonder dat daar weer over gesproken werd. Op verzoek van Geert Raak werd daarin verandering gebracht, op de gecombineerde vergadering van kerkeraad en kerkvoogden van 11 december 1855. De vergadering werd door de predikant, toentertijd ds.Middendorp, met gebed geopend. Daarop werd medegedeeld dat men moest overgaan om de onderwijzer Geert Roelofs Raak aan te stellen tot vaste voorlezer en voorzanger bij de openbare godsdienstoefeningen en tevens als koster. ‘Want dewijl de schoolonderwijzer raak tot dusver slechts provisioneel in die betrekking was werkzaam geweest, daartoe door de commissie tot het bouwen van kerk en pastorie gekozen, verlangde hij, dat men hem als zodanig voor vast mocht benoemen. Dit geschiedde dan ook met algemene stemmen, doch dewijl de beloning hem daarvoor toegedacht, hem niet hoog genoeg voorkwam (vooral ten gevolge van de werkzaamheden aan het uurwerk) heeft hij de benoeming voor één jaar aangenomen.’ Tot zover de notulen. Geert Raak was dus tevens klokkenluider Hij bleef in functie, ook toen het jaar erop zat.
De eerste organist was Meester Berend Veldkamp, van de Openbare Lagere School bij de kerk. Hij was organist van 1862 tot zijn bedanken, op 23 augustus 1900 door de kerkvoogdij besproken. Tijdens de strubbelingen rond ds.Jansonius nam de organist ontslag, zo is bekend, in de kerkvoogdijnotulen staat vermeld dat het orgel vanaf 19 november 1893 niet meer werd bespeeld, maar meester Veldkamp is nadien gewoon weer aan het werk gegaan. Meester Veldkamp werkte nauw samen met een voorzanger. Na de dood van Geert Roelofs Raak (1860) werd deze als voorzanger opgevolgd door zijn zoon, meester Roelof Raak van de Openbare Lagere School aan het Zuideropgaande. Meester Roelof Raak ontving in 1866 f 50,- als jaartraktement. Organist meester Veldkamp ontving f 18,45. Meester Veldkamp hoefde alleen maar te spelen, het trapwerk werd in 1866 gedaan door orgeltrapper B.ten Caat, die daarvoor op jaarbasis f 10,- ontving. Meester Roelof Raak was voorzanger tot zijn bedanken om gezondheidsredenen, wat 30 januari 1880 door de Kerkvoogdij werd aanvaard. Het salaris voor de organist werd in 1900, met het ontslag nemen van organist meester Veldkamp, vastgesteld op f 80,- per jaar. Op 3 september 1900 werd dhr. H.Engels Wzn. van Noord als opvolger benoemd. Deze vroeg en kreeg ontslag op de vergadering van 3 oktober 1904. Na stemming tussen drie sollicitanten (Visser, Brands en Blanks) werd Geert Blanks Azn. als organist benoemd.
Het huidige orgel van de Hervormde kerk van Hollandscheveld is niet het eerste in deze kerk. Het eerste orgel werd geplaatst in 1862. Het was een gebruikt orgel, afkomstig uit de Grote of St.Clemenskerk te Steenwijk, en op 15 november 1862 in de kerk van Hollandscheveld geplaatst door orgelmaker A.van Bloemen uit Steenwijk. Bij de inwijding werd het orgel bespeeld door J.P. de Groot, organist te Steenwijk, terwijl ds.De Holl de feestrede hield. Er bestaat een bericht uit1865, dat N.A.G. Lohman, orgelmaker te Assen, het orgel vernieuwd zou hebben, bestaande uit de mededeling: ‘1864, Hollandsche Veld, vernieuwing van een klein orgel van 12 stemmen.’ Het maakt ons meteen duidelijk dat het een orgel met een beperkte omvang betrof. Klein en handzaam, maar eigenlijk te zwak van geluid voor de grote kerk. Met dit oude Steenwijkse orgel haalde men een stuk antiek in huis, dat ouder was dan de bevolking van het gebied. De eerste kolonisten aan het Hollandscheveldse Opgaande en Het Hoekje kwamen in de eerste helft van de 18e eeuw. Volgens de voorlopige lijst van monumenten in Nederland deel 2, provincie Drenthe, uit 1909, stond er in de kerk een orgelkast uit het derde kwart van de 17e eeuw. Daarmee stamde het orgel uit de periode 1675-1700!
Antiek of niet, het moest wel werken. In de notulen van de Kerkvoogdij van 26 december 1898 lezen we dat de Algemene Compagnie van 5000 Morgen te Hoogeveen f 400,- subsidie toezei, afkomstig uit het fonds voor School-, Kerk-, en Armenwezen (‘ad pios usus’, de Kerkenkavel) ter restauratie van het orgel. Men wilde het oude orgeltje toen eigenlijk vervangen. Men dacht eerst aan de aanschaf van een zogenaamd serafineorgel of harmonium van Duitse of Amerikaanse makelij, doch een dergelijk orgel zou voor de kerk te zwak zijn. Bovendien zou men het front als sieraad in de kerk missen. Ook het oude orgel had dus een prominente plaats in de kerk. Men besloot een advertentie te plaatsen en het oude orgel in ruil aan te bieden. In het maandblad voor organisten, in no.11 van 15 januari 1899 verscheen de volgende tekst: "Hollandsche Veld. Kerkorgel? Kerkvoogden der Ned. Herv. Gemeente te Hollandsche Veld Drenthe, bieden in ruil aan een oud kerkorgel. Men adresseere zich aan H.Raak, Hollandsche Veld (Drenthe)."
De notulen van de Kerkvoogdij van 10 april 1899 geven het volgende beeld van het vervolg van deze advertentie: Verschillende fabrikanten zijn ingegaan op deze advertentie en deden een aanbod voor het bouwen van een nieuw orgel. Sommigen ook met de aanbieding het orgel te ruilen. Hun prijzen waren echter te hoog. Voor het oude orgel zo men slechts f 100,- terug ontvangen. Toevallig was de heer D.P.Garms uit Leiden, die deskundig bleek, te Hollandscheveld. Deze kwam tot de conclusie dat het oude orgel, wat binnenwerk betreft, over het algemeen beter van kwaliteit was, dan de toentertijd nieuwe orgels. Orgelmaker H.van de Molen uit Steenwijk deed een aanbod om voor f 1000,- een nieuw orgel te plaatse. Dit orgel bleek, na onderzoek, te licht en te zwak van toon te zijn. Toen men echter dezelfde orgelmaker voorstelde het oude orgel van Hollandscheveld te repareren, onder toezicht van dhr. Garms, bleek het dat Van de Molen ‘niet recht voor den draad kwam’, en besloot de Kerkvoogdij van verder contact met deze orgelmaker af te zien. Tenslotte besloot men om orgelmaker J. Doornbos uit Groningen opdracht te geven het oude orgel te repareren. Dit mede omdat hij de laagste in prijs was. Ook nu kreeg dhr. Garms het onderzoek in handen.
Dhr. Doornbos kreeg 1 mei 1899 na overleg met de Kerkvoogdij de orgelreparatie opgedragen. Men sprak toen met hem af over de te verrichten werkzaamheden. In de notulen van de Kerkvoogdij van 16 april 1900 kwamen de rekeningen ter tafel, zodat de reparatie al met al bijna een jaar in beslag heeft genomen. De rekeningen hadden betrekking op advertentiekosten, onderzoek en opzicht door dhr. Garms, reiskosten naar Steenwijk voor dhr. G.Bakker, kosten voor E.Post voor orgeltreden, schilderen door Z.Naber en de aanneemsom van J.Doornbos. Dit laatste was met f 570,- het grootste bedrag van de totale reparatiekosten van f 691,21. Helaas is uit alle rekeningen niet af te leiden wat er precies aan het orgel werd gerepareerd, terwijl er ook geen uitgebreide onderzoeksrapporten bekend zijn. Daardoor is ook onbekend gebleven wat het orgel muzikaal te bieden had.
In het begin van de 20e eeuw stegen de inkomsten van de Kerkvoogdij. Het oude orgel was ‘te zwak en te teer’, werd 17 maart 1909 ter vergadering door de Kerkvoogdij geconstateerd, en nu de inkomsten het mogelijk maakten wilde men een nieuw orgel aanschaffen. Uit eigen middelen werd een bedrag van f 1500,- voor een nieuw orgel uitgetrokken, terwijl ook de opbrengst van de verkoop van het oude orgel aan het nieuwe ten goede zou komen. Verder wilde men weer een beroep doen op de Algemene Compagnie van de 5000 Morgen, voor het resterende deel. Op 2 november 1909 werd het nieuwe orgel verwerkt in de begroting. De benodigde gelden werden ondergebracht in een bedrag, dat de halve kosten plus de opbrengst van het oude orgel zou bedragen. De Kerkvoogdij nam 15 maart 1910 de aanschaf van het orgel voor gezamenlijke verantwoordelijke verantwoordelijkheid van de kerkvoogden. Het houtwerk was gekeurd door H.Jonkman, die het volgens bestek in orde had gevonden. Het pijpwerk werd geacht aan de eisen te voldoen, gezien de 20-jarige garantie van de orgelmaker. Het gehele werk, vooral ten aanzien van de registers, zou worden gekeurd door P.Smit, op voorstel van dhr. Bakker. Eerst wilde men hiervoor dhr. Hammeke verzoeken dit te doen.
Het nieuwe orgel van 1910 werd een balustradeorgel, met de speeltafel aan de rechter zijkant. Het front heeft een indeling die overeenkomt met die van veel orgels van de fa.Van Dam uit Leeuwarden. Ook de orgelmakers Bakker en Timmenga maakten orgels naar dit frontmodel. De muzikale mogelijkheden van het nieuwe orgel, de dispositie, zag er als volgt uit: Hoofdklavier = Bourdon 16', Prestant 8', Holpijp 8', Octaaf 4', Fluit 4', Quint 3', Octaaf 2', Cornet 4 sterk, Mixtuur, Trompet 8' gehalveerd; Bovenklarvier = Roerfluit 8', Viola di Gamba 8', Fluit 4', Quint 2 2/3', Woudfluit 2'; Manuaal-Koppel = Koppeling pedaal - manuaal II, Ventiel. De manualen hebben een omvang van C tot F’‘’, het pedaal gaat van C tot D’.
Smid Frens Klooster leverde in de periode januari-mei 1910 drie haken aan het orgel, de sluiting op de hefboom van de blaasbalg, twee platen op de vleugels van het orgel, versierselen, en een veer aan de pijp van de blaasbalg. In deze periode zal dan ook de bouw, de voorbereiding daarvan en de afwerking van het nieuwe orgel hebben plaats gehad. De bouwer was Jan Proper uit de Oudestraat te Kampen, zoals blijkt uit een opschrift boven het klavier en uit correspondentie. J.Proper stuurde blijkens een schrijven van 10 april 1910 nog twee koperen stangen voor f 10,40 en vroeg om terugzending van het serafineorgel. Dit was het oude orgel van de kerk, dat ingeruild werd, en dat een waarde van f 450,- vertegenwoordigde. Het oude serafineorgel werd nog in april 1910 opgestuurd naar Kampen, waaruit duidelijk wordt dat het nieuwe orgel in april 1910 speelklaar was. We kennen de kosten van het nieuwe orgel, doordat de heren kerkvoogden een rekenfoutje gemaakt lijken te hebben bij de afbetaling. In het archief werd namelijk een brief gevonden van J.Proper, namens zijn ‘Fabriek van Mechanische en Pneumatische Kerkorgels’ en ‘Electrische Inrichting’, ‘Voor het repareeren overal te ontbieden’. De brief was gericht aan scriba Hendrik Raak:
"Waarde Heer Raak! Duid mij niet ten kwade dat ik nogmaals om enige inlichting bij u aanklop aangaande de betaling van het kerkorgel. De vorige keer deed ik dit met ‘t oog op de interest van ‘t vorige jaar, die echter bleek voldaan te zijn, doch kom ik steeds volgens mijn boek maar niet tot een goed resultaat. Mogelijk berust de vergissing bij mijn. Voor mijn tevredenstelling, zou ik zeer gaarne, wanneer het niet te veel van uwe welwillendheid gevergd is, of ge eens zou willen nazien in uwe boeken, en volgens mijn afgegeven quitanties, met vergelijk van het door mij indertijd gegeven contract, hoe de betaling geweest is. De conditie’s volgens overeenkomst luiden a.v: Prijs en betaling. De kosten van bovenomschreven orgel zullen bedragen de somma van drieduizend gulden, waarvande betaling zal geschieden bij aflevering f 1500,- ,‘t oude orgel berekend tegen f 450,- gulden, terwijl het resterende bedrag in twee jaarlijkse termijnen wordt afgelost met f 252,- per jaar, met bijbetaling van 4% ten honderd." Proper eindigde zijn brief met: "Kunt U Ed. Mij enige opheldering geven, dan ben ik ten minste daaromtrent weer gerust. Bij voorbaar mijn beleefden dank en tot wederdienst gaarne bereid. A.s. week komt een onzer ‘t kerkorgel stemmen en nazien, misschien dat ik dan zelf wel even medekom." Onder aan deze brief vinden we enkele aantekeningen, gemaakt te Hollandscheveld, waaruit naar voren komt dat bij het stemmen in 1912 inderdaad nog f 25,- verrekend moest worden, terwijl het stemmen zelf f 15,- kostte.
Het nieuwe orgel heeft vele jaren goede diensten gedaan, zonder noemenswaardige gebreken. In de Tweede Wereldoorlog bleek een grote opknapbeurt echter noodzakelijk. Op 21 april 1944 gingen president-kerkvoogd Aaldert Gruppen en secretaris Koert Vaartjes een contract aan met aannemer K.Doornbos Jzn. uit Groningen, van de Singelweg 58, volgens welk het orgel gerestaureerd zou worden. We vinden in dit contract de volgende artikelen:
Art. 1. De aanbesteder heeft aanbesteed aan de aannemer, gelijk de aannemer verklaart van de aanbesteder te hebben aangenomen, het restaureren en geheel voltooid en speelklaar opleveren van het orgel met 15 stemmen in het kerkgebouw van de aanbesteder, te weten de Hervormde kerk te Hollandscheveld.
Art. 2. Dit orgel zal worden gerestaureerd geheel overeenkomstig onderstaande voorschriften en voor de eindkeuring geheel voltooid worden opgeleverd op dinsdag 1 augustus 1900 vier en veertig (bij overmacht wordt deze datum dienovereenkomstig verschoven). Voor de goede uitvoering der werkzaamheden zal de aannemer ontvangen een bedrag van f 1300,- (zegge dertien honderd gulden), na schriftelijke goedkeuring door de Nederlandse Klokken- en Orgelraad, gevestigd te Amsterdam aan de Reguliersgracht 114, die met de directie van het werk is belast.
Art. 3. De restauratie werkzaamheden zijn de volgende:
a. De toets- en registermechaniek tot aan de windladen dient, waar deze niet geheel geruchtloos functioneert, door bevilting, invoering met laken, vernieuwing der spillen en correcte afregeling weer geruisloos te worden gemaakt.
b. Voorzover plaatsruimte aanwezig, zal in overeenkomende mensuren in het groot en één gestreept octaaf van de Mixtuur een 1-voets koor worden bijgeplaatst, terwijl van c2 tot f3 de 8-voet wordt vervangen door een 2' en een 1 1/3'. De Trompet 8' wordt in het driegestreept octaaf van nieuwe schalbekertjes voorzien in bijpassende mensuren.
c. De Voix céleste 8' wordt vervangen door een doorlopende Woudfluit 2' van 25% tin, met in de bovenrand brede steminsnijdingen tot gl, en van de mensuren:
C c c1 c2 c3
61 38 24 15,5 10
1br. 43,5 27 17 11 7
d. De Aeoline 4' wordt vervangen door een doorlopende Nasard 1 1/3' van 25% tin, met in de bovenrand brede steminsnijdingen tot c’, en van de mensuren:
boven 12 9 6,3 4,5 3,3
bij kern 39 27 17,5 11,5 7,5
1br. 26 19,5 12,5 8 5,3
Wanneer het niet mogelijk zal blijken, de grootste pijpen van de Woudfluit 2' en de Nasard 1 1/3' open te plaatsen, zullen deze gedekt worden gemaakt in zo wijd mogelijke mensuren als de plaatsruimte toelaat.
e. Het orgel wordt geheel schoongemaakt, voor zover het mogelijk is zonder de windladen en grote onderdelen te demonteren.
f. De intonatie wordt krachtiger en als volgt verbeterd en geëgaliseerd:
Praestant 8' de discant wordt krachtiger, doch niet fluitachtig.
Fluit 4' (Man.I) wordt ronder van klank.
Cornet 5 sterk wordt van c2 af sterker.
Trompet 8' wordt geheel opnieuw geïntoneerd in een helder, niet te mager ouderwets klankkarakter, waarbij Cis, D, E en a ongeveer als maatstaf kunnen dienen.
Gamba 8' wordt veel zachter, als milde, vrij volle Salicionaal geïntoneerd.
Woudfluit 2' vol en rond Nachthoornkarakter.
Nasard 1 1/3' weke, goed-versmeltende Gemshoornquint.
g. De stemming van het pijpwerk zal geschieden in de gelijkzwevende temperatuur, a van de Octaaf 4' ingesteld op 870 trillingen bij 15 graden Celsius.
Art. 4. Gedurende de werkzaamheden in het kerkgebouw heeft de aannemer voor zich en zijn bedienden vrij gebruik van licht en electrische stroom.
Art. 5. Tenzij de aannemer overmacht kan aantonen zal een boete van f 4,- worden afgehouden van de aanneemsom voor elke dag overschrijding na de opleveringstermijn. De aannemer ontvang een derde van de aanneemsom bij de aanvang van het werk, en twee derden da algehele schriftelijke goedkeuring door de Nederlandse Klokken- en Orgelraad. Bij afkeuring worden van de aanneemsom afgehouden de vergeefs veroorzaakte reiskosten van de keurmeesters, naar een maatstaf van f 7,50 per uur. Mocht de aannemer er binnen een door de directie naar redelijkheid vast te stellen termijn niet in slagen, de geconstateerde gebreken weg te nemen, dan zal een andere orgelbouwer in de gelegenheid worden gesteld, dit op zijn kosten te doen.
Art. 6. De aannemer verbindt zich tot het geven van een garantie na de restauratie-voltooiing gedurende tien jaren. Hij verplicht zich, alle fouten of gebreken in het orgel of zijn onderdelen, voortkomende uit materiaal, constructie of afwerking, op eerste aanmaning geheel kosteloos en afdoende te herstellen. Gebreken, klaarblijkelijk veroorzaakt door verkeerde of ondeskundige behandeling van derden, natuurlijke slijting, onvoldoende zorg tot onderhoud vanwege de aanbesteder, stof, ongedierte of uiterlijk geweld, vallen buiten de garantie. Deze garantie-verplichting vervalt wanneer tussen de aanbesteder en de aannemer geen onderhoudsovereenkomst bestaat, die tenminste een algehele revisie en stemming per jaar omvat, berekend naar een tarief, dat het tarief van de Bond van Orgelbouwers in Nederland niet te boven gaat.
Art. 7. Geschillen over de uitlegging of uitvoering van deze overeenkomst worden in eerste en hoogste instantie beslist door de Nederlandse Klokken- en Orgelraad, behoudens het beroep van partijen op de bevoegde instanties der rechterlijke macht, op grond, dat de gegeven uitspraak in strijd is met de redelijkheid, billijkheid en goede trouw, die bij de tenuitvoerlegging van overeenkomsten moet worden in acht genomen.
Aldus overeengekomen te Hollandscheveld/Groningen, op 21 april 1944. Volgens voorgaan contract werd de restauratie in 1944 uitgevoerd.
Al in het begin van de 60'er jaren werd de behoefte aan een nieuwe restauratie gevoeld. Orgelmakerij Mense Ruiter zond een 8 februari 1963 aan administrateur-kerkvoogd H.Benjamins van de Riegshoogtendijk een voorstel, met een totaal kostenplaatje van f 16.050,-. In de brief werd onder meer gezegd: ‘Hierbij is ook inbegrepen het veranderen van de toegangsdeuren in de achterwand, om het binnenwerk beter toegankelijk te maken. De kolommen die vlak achter de orgelkast gesteld zijn om de toren te steunen, zijn voor het orgel op die plaats ondingen, en hebben mij heel wat hoofdbrekens gekost. Eigenlijk moeten deze kolommen een halve meter achteruit gezet worden. Er zou dan later ook beter gelegenheid zijn om het pijpwerk van een zelfstandig pedaal op te stellen. Deze kolommen en achterdeuren-constructie zijn er indirect ook de oorzaak van dat door voorgaande personen die aan Uw orgel gewerkt hebben, de pijpen ernstig beschadigd zijn.’ Volgens het oordeel van Mense Ruiter waren de vorige restaurateurs dus verantwoordelijk voor beschadiging van de pijpen. Dat is niet niets, zo’n beschuldiging. Hoe het ook zij, de restauratie ging niet door. In juni 1966 werd contact gezocht met J.A.Steketee. Deze schreef kerkvoogd J.Bijl van de Otto Zomerweg de 20e juli 1966 dat hij door drukke werkzaamheden verhinderd was op korte termijn een uitgebreid onderzoek te verrichten, en hij zou sowieso door de drukte op zijn vroegst eind 1969 aan de restauratie kunnen beginnen. Ook dit contact liep op niets uit. Verder was het de kerkvoogdij onduidelijk waar het vele geld vandaan moest komen.
Pas na de restauratie van de kerk zelf (1974-1976) was het orgel aan de beurt om gerestaureerd te worden. Een uitvoerige beschrijving van het orgel werd opgesteld als voorbereiding op de restauratie: De kast was in imitatie-eiken geschilderd. Bij de restauratie van de kerk werd dit in 1976 opnieuw gedaan. Onderin de kas ligt een magazijnbalg, die voorzien is van twee schepbalgen. Oorspronkelijk kon men door op de balgreden aan te drukken het orgel van lucht voorzien. Later werden de balgtreden verwijderd en in de onderkas bewaard. Een Heidingerwindmachine, met een laag toerental, werd op de balg aangesloten. De machine stond voor de restauratie, niet omhuld, links van het orgel opgesteld. Boven de balg ligt de windlade van het ondermanuaal, met daaronder het bijbehorend wellenraa. Naast deze lade ligt op een iets hoger niveau de lade van het bovenmanuaal, wars geplaatst. Hieronder bevindt zich het wellenbord. Prober paste de methode van een dwarslade wel meer toe, niet alleen bij nieuwe orgels (Zwolle, Doopsgezinde kerk), maar ook als uitbreiding van bestaande eenmanualige instrumenten (Kampen, Lutherse kerk en Zwolle, Waalse kerk). Beide laden zijn mechanische sleepladen. Voor de frontpijpen en de bas van de Bourbon zijn drie pneumatische kegellaatjes op de hoofdlade aangesloten. De bakstukken van de manualen zijn gewelfd. De ondertoetsen zijn voorzien van beenbeleg, de boventoetsen zijn van ebbenhout. Bij verschillende ondertoetsen is later ivoorbeleg aangebracht. Waarschijnlijk is het klavier in een Duitse fabriek gemaakt.
Onder de klavierbak steekt de kas enkele centimeters uit. Het pedaalklavier is voorzien van een voetlijst. Ten opzichte van modernere speeltafels ligt het pedaal tamelijk ver uit de kas. De manuaal- en pedaalknop zijn eenarmig uitgevoerd. De gedraaide registerknoppen zijn 41 mm diep, de diameter is 40 mm. De knoppen zijn van porceleinen naamplaatjes voorzien. Verschillende plaatjes ontbraken, toen er in de 70'er jaren van de 20ste eeuw een restauratie uitgevoerd werd. De registerwellen zijn van smeedijzer. Ze zijn vierkant en zwart gewelfd. Het wellenbord van het bovenmanuaal is van linde- of populierenhout. De nokjes van de wellen waren door houtworm aangetast, moest bij genoemde restauratie worden geconstateerd. De wellen zijn van eiken, de armen deels van hout, deels van metaal. Het pedaalwellenbord heeft metalen wellen en armen. Het wellenraam van het hoofdwerk heeft houten wellen met metalen armen. De windladen zijn van eiken, ook de stokken en roosters. Grote delen van de laden zijn van een transparante, rode laklaag voorzien. De ventielkasten hebben geen pulpeten, maar een doorlopende strip, waar de abstractdraden doorheen gaan. De ventielveren zijn van vertind koper met een vrij klein oog. In de mahoniehouten ventielen zitten messing schroefogen, die via een tussendraadje met de abstractdraden verbonden zijn. De kanalen waren aan de buitenzijde met blauw papier beplakt, werd tijdens genoemde restauratie geconstateerd. In het kanaal naar de lade van manuaal II zit een windlosser, die door middel van een registerknop kan worden bediend.
Even uitgebreid als de kas met alles er op en eraan, werd ook het pijpwerk beschreven. Dit bleek van diverse firma’s afkomstig te zijn. Sommige pijpen, bijvoorbeeld die van de Prestant, waren waarschijnlijk afkomstig uit de fabriek van Laukhuff in Weikersheim, Duitsland. Andere pijpen met handgeschreven inscripties, zoals de Bourbon 16', moet door Proper zelf zijn gemaakt. Er was pijpwerk bij van Stinkens, zoals de Octaaf 2'. De Fluit 2' is waarschijnlijk gemaakt door Busch uit Hersten. Een uitgebreide beschrijving van de pijpen blijft hier achterwege, maar vooral interessant is de Trompet 8'. De beschrijving daarvan is: ‘Gehalveerd in bas en discant. Koppen en stevels van eiken op dezelfde wijze gelakt als de laden. Stevels en koppen, kelen en tongen zijn ouder dan 1910. In het groot octaaf zijn de bekers van zin, c-c’‘’ heeft oude bekers die later van intoneerlappen zijn voorzien. Vanaf cis’‘’ zijn de pijpen van metaal van fabrieksmatige makelij. Zeer waarschijnlijk is de Trompet afkomstig uit een orgel uit de eerste helft der 18e eeuw.’
Het is de moeite waard om hier nog eens een regel uit het restauratie-contract van 1944 terug te halen: "Trompet 8' wordt geheel opnieuw geïntoneerd in een helder, niet te mager ouderwets klankkarakter, waarbij Cis, D, E en a ongeveer als maatstaf kunnen dienen." Wat heeft men in 1944 precies gedaan? Waarschijnlijk heeft men de intonering en het ouderwetse klankkarakter terug weten te halen, door er andere antiek pijpwerk uit oudere orgels in te zetten. Het was een tijd van grondstoffen- en materiaalschaarste, waarin niets verloren mocht gaan, en omruilen van de in 1910 te Hollandscheveld geplaatste Trompet 8' voor een veel ouder exemplaar, zal ook arbeidsuren hebben bespaard. De Trompet kan door deze ingreep zelfs twee eeuwen ouder zijn dan het orgel zelf! De trompet is ouder dan de kanselbijbel en daarmee het oudste object van de hele kerk. Al meer dan twee eeuwen lang heeft het een gemeente toegezongen, ergens in Nederland, voordat het in 1944 deel ging uitmaken van het instrument in de Hervormde kerk van Hollandscheveld. We zullen er wel nooit meer achter komen waar dat is geweest.
Het restauratieplan voor het orgel in de Nederlands hervormde kerk te Hollandscheveld, volgens welk het in de zeventiger jaren werd opgeknapt zag er als volgt uit: "Op korte termijn zal de windvoorziening worden hersteld. De momenteel niet omhulde windmachine zal achter het orgel worden geplaatst in een geluidsdempende kist. Bij de plaatsing zal rekening worden gehouden met de ruimte voor een eventueel toe te voegen vrij pedaal. De magazijn- en twee schepbalgen zullen opnieuw worden beleerd. De houten onderdelen zullen tegen houtworm worden behandeld en waar nodig worden vervangen.
Voor het overige omvat de restauratie de volgende werkzaamheden: De oude balgreden zullen opnieuw worden aangebracht. Op het hoofdkanaal zal een nieuwe remulant worden gemaakt. Een der loze registerknoppen zal hierop worden aangesloten. De windkanalen zullen op lekkage worden nagezien en waar nodig opnieuw beplakt. Alle aansluitpunten zullen opnieuw worden beplakt. De pneumatische hulpplaatjes worden indien noodzakelijk hersteld. De membranen worden vernieuwd. De buizen van de pneumatiek worden waar nodig hersteld. Na demontage van de windladen wordt beslist of hechthouten dekplaten worden aangebracht. Voor het overige zullen de laden geheel worden gerestaureerd. De belering zal ook op de ventielen en in de ventielkasten worden vernieuwd. De laden zullen onder de slepen van ringen worden voorzien om ongewenste windoverloop te voorkomen. De gaten in de pijpenstokken zullen worden uitgebrand. Ook de roostergaten zullen worden behandeld om verdere zuurinwerking op het pijpwerk te voorkomen. De ogen aan ventielen en abstractdraden zullen worden gefestoneerd om de rammel te verminderen. De strippen waar abstractdraden in de ventielkast doorlopen worden in dien nodig vernieuwd. Als de verbetering van de speelaard het noodzakelijk maakt zullen de ventielveren worden vernieuwd. Als de pneumatiek voor de frontpijpen komt te vervallen zullen deze pijpen met metalen conducten worden gevoed.
De registerplaatjes zullen op passende wijze worden aangevuld, afwijkende knoppen zullen naar het voorbeeld van de originele worden vernieuwd. Het beleg van de ondertoetsen zal worden hersteld, het incidenteel aanwezige ivoorbeleg zal worden vervangen door beenbeleg. De speelaard van het ondermanuaal zal worden verbeterd. Eventueel wordt de mechaniek hiertoe gewijzigd, een en ander wordt na demontage nader beslist. Het wellenraam van het ondermanuaal wordt waar nodig hersteld. Het wellenbord van het bovenmanuaal zal van nieuwe nokjes worden voorzien. Welarmen worden waar nodig vernieuwd. Het pedaal wellenbord zal door een nieuw worden vervangen. Het zal inclusief nokken, wellenen armen van eiken worden gemaakt. De huidige pedaalkoppel wordt gehandhaafd en eventueel hersteld. Alle abstracten, draden en stiften zullen op sterkte worden gecontroleerd en waar nodig vervangen. Bestaande invoeringen zullen worden vernieuwd, waar nodig zullen bij te grote rammel nieuwe invoeringen worden gemaakt.
Het pijpwerk zal worden schoongemaakt en waar nodig uitgedeukt. Beschadigingen aan het pijpwerk zullen worden hersteld, het houten pijpwerk zal ook tegen houtworm worden behandeld. De hoogste octaaf van de Holpijp 8' krijgt andere gedekte pijpen uit de voorraad van de orgelmaker. Het tertskoor van de Cornet zal van D’‘’ t/m F’‘’ worden aangevuld. De Trompet 8' zal worden herzien. De bestaande koppen, stevels, kelen en tongen zullen worden gehandhaafd, de stemkrukken zullen worden vernieuwd. De zinken bekers zullen door nieuwe van orgelmetaal worden vervangen, de overige bekers zullen opnieuw worden gebruikt. De vijf hoogste tonen zullen van nieuwe bij het overige passende pijpen worden voorzien. Indien mocht blijken dat de oude bekers niet gehandhaafd kunnen worden, zullen nieuwe van orgelmetaal worden gemaakt. De orgelmaker zal hiervoor apart prijsopgaaf doen. Voor de Trompet zullen nieuwe mahoniehouten hangers worden gemaakt. De houten pijpen van de Roerfluit 8' van het tweede manuaal zullen worden vastgezet aan een nieuw te maken eiken hanger.
Voordat het orgel na de werkzaamheden in de werkplaats zal worden opgebouwd, zal de kas tegen houtworm worden behandeld. Een eventueel toe te voegen vrij pedaal zal de volgende registers bevatte: Subbas 16' van grenenhout, Octaaf 8' van orgelmetaal, wijde mensuur, Octaaf 4' van orgelmetaal, Bazuin 16' houten koppen en stevels, bekers van grenenhout. Het pedaal zal worden geplaatst in een aparte kas achter het orgel. De grootste bekers van de Bazuin zullen voor zover nodig worden gekropt. Het pedaal zal eventueel een eigen windvoorziening krijgen. De registerknoppen zullen worden gemaakt naar het voorbeeld van de oude. Na herbouw van het orgel zal het geheel worden gestemd. Het nieuwe pijpwerk zal een bij het oude gedeelte passende intonatie krijgen. Intonatiegebreken aan het bestaande pijpwerk zullen worden verholpen."
Tot zover het restauratieplan, volgens welk het orgel werd hersteld en aangepast. De restauratie werd uitgevoerd door de firma Reil uit Heerde, en kostte ongeveer f 80.000,-. De gemeente had het orgel enige tijd moeten missen, en kon bij de ingebruikname ervan naar hartelust genieten van de prachtige klanken. De volgende uitnodigingen gingen rond: "Hierbij nodigen wij u uit tot bijwoning van de feestelijke in gebruik neming van het gerestaureerde kerkorgel in de Nederlands Hervormde kerk te Hollandscheveld op Zaterdag 14 oktober a.s. (1978) om 7.30 uur (19.30 uur). Het orgel zal bespeeld worden door de heer van Beek te Zwolle en onze organist de heer Koops. Ons kerkkoor zal medewerking verlening. Na afloop van het concert om ongeveer 9 uur (21.00 uur) zullen we in het Jeugdcentrum, onder het drinken van een kopje koffie, er graag bij stilstaan dat de heer Koops dezer dagen 20 jaar als organist aan onze gemeente is verbonden. Namens het college van kerkvoogden van de Hervormde Gemeente van Hollandscheveld, scriba K.Strijker, Rechtuit 22, Hollandscheveld." We lazen het al. Het was dubbel feest. Het orgel was klaar en de organist vierde zijn jubileum. Dhr. Van Beek, van de firma Reil, en Geert Koop maakten bij de ingebruikname van het orgel bekend dat alles nu weer klonk zoals het hoorde te klinken. Het zelfde orgel en de zelfde organist laten ook nu nog de gemeente van hun klanken genieten.