Informatiecentrum Geschiedenis Hollandscheveld e.o.

© Albert Metselaar, Hoogeveen 1999. Niets uit deze publicatie mag worden vermenigvuldigd, op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van het Informatiecentrum Geschiedenis Hollandscheveld e.o.

Terug naar de hoofdpagina
Naar de bibliotheek!

EEN PREEK VAN ALBERT OTTEN

VOORMALIG LEIDER (VADER) VAN

DE GEMEENTE DES HEEREN

ALBERT METSELAAR

 

Een preek van Albert Otten, naar aanleiding van Jesaja 40: ‘Wie verarmd is en niet heeft te offeren kieze een hout uit dat niet verrotte’, met de hand overgeschreven van band door een oud-lid van de gemeente en gecorrigeerd, uitgewerkt en becommentarieerd door de auteur dezes. Na het zingen van een lied, door de verzamelde Gemeente des Heeren, staat op een middag op een Tweede Pinksterdag aan het eind van de zestiger jaren een oude Albert Otten op, en zegt vanaf het podium, in de Grote Zaal aan de Carstensdijk te Elim: "Een paar woorden wil ik ook eerst wel even zeggen. Er zijn er misschien nog meer, die ook wel een woord willen spreken. En als ik dit even zo beluisterde, van dat lied van Gods Woord, dat dan altijd weer nieuw is, en ook altijd waar is - ook voor die mens op aarde die geen God kent - weet ik als de mensen overtuigd en de toevlucht tot Hem nemen, dat onze God al de mensen aanneemt, en ook wil dat ze straks in het Koninkrijk Gods zullen komen. En dat is ook zo, wat wij ook aan deze plaats menigmaal gezien hebben.

En als ik dat lied hoorde opzingen, dan dacht ik, waar ik wel eens meer over gesproken heb. En ik weet het niet of mensen wel eens in andermans leven in kunnen komen, maar om altijd voor dezelfde mensen te spreken en altijd weer een nieuw woord, hetwelk is toch weer in te Schriften te vinden, dan zeg ik dan ontbreekt de mens de moed wel eens. Maar als ik dat beluisterde, dan dacht ik: Heere God, Gij zijt toch altijd dezelfde, de onveranderlijke, die nooit uw kinderen aan het lot overlaat. En als nu dat woord van onze God waar is, en ik dacht er zo aan wat geschreven staat in Jesaja 40, en dan zegt hij: ‘die verarmd is, die kieze een hout uit dat niet verrotte, en een wijze werkmeester die van hem bereidde een beeld dat niet wankele’. En ik zeg u, ik dacht er zo aan dat op natuurlijk gebied, al heeft de mens ook heel wat van deze aarde, dat er soms maar een klein beetje kan komen, dan is de mens al zijn rijkdommen kwijt, wat wij soms zien kunnen van mensen die heel wat bereikt hebben, heel wat bezitten op natuurlijk gebied. En als er iets komt, dan kan het zo gewezen, dat in een ogenblik al de rijkdommen van de mens vervlogen is.

En als ik daar even zo over nadacht, en ik dacht dan wat ik zo juist gezegd heb, als de mens verarmd is, en niet heeft te offeren, wat wij zo vaak aan deze plaats kunnen zien, dat de mensen dan nog wel zingen en alles wel doen. En als ik dan zo lees in de schriften, welke offers dat onze God van de mens vraagt hier op aarde, en welke offers dat wat onze God aangenaam zijn, dan zeg ik nogmaals, dan moeten wij eens even de laatste dag van het Pinksterfeest eens even de zaak innerlijk goed bekijken. Op natuurlijk gebied, dan kunnen wij zien voornamelijk zakenmensen, die hebben boekhouders en houden de boeken bij en kunnen dan ook zien dat of de zaak voor of achteruit gaat. laten we dat ook eens doen en onszelf eens bekijken vanavond, naar het woord van onze God, hoe het binnen met onzen financiën staat geliefden. Of wij vooruit gegaan zijn of achteruit gegaan zijn. Of onze rijkdommen verminderd zijn of dat onze rijkdommen vermeerderd zijn geworden. Dat kunnen wij toch doen in deze weg. Als de het de mens geen God kent, dan kan hij van deze dingen niet spreken, weet hij ook van deze dingen niets af, geliefden.

Maar wij zijn een bijzonder volk. Wij zijn een volk van onze God verkoren, en als wij op onze hoede zijn, hoeven wij ook niet om te komen. Dat is de wil van onze God niet. En daarom staat er geschreven wat ik gezegd heb: ‘Die verarmd is en niet heeft te offeren.’ Als de offers nogmaals de dankoffers niet in ons hart zijn en wij onze God niet kunnen loven, wat wij ook zo duidelijk kunnen lezen in de Schriften, dan is er iets, geliefden, dat ons van deze dingen afhoud. En daarom zeg ik, laten wij één voor één vanavond aan deze plaats niet zien op buurman links of rechts, wat wij zo vaak gehoord hebben, dat brengt ons niet in het Koninkrijk Gods, al zien wij ook iets in een andermans leven. Het is nog niet zo lang geleden, dan hoorde ik daar iets van zeggen ongeveer. Er was een spreekwoord misschien van de mensen. Ik kan het misschien niet precies meer zeggen, maar in deze zin was het: Als de mens op anderen ziet en de fouten van een ander ziet, och geliefden, ik geloof niet dat die mensen een zuiver oog hebben. Ik geloof ook niet, dat die mensen tot zichzelven inkeren. Maar laten wij deze dag, de laatste dag van het Pinksterfeest, eens even in ons hart kijken hoe dat er bij staat, of wij vooruit gegaan zijn of achteruit. Als ik zo hoorde zingen en ik mijn gedachten daar even over liet gaan, van het begin van de schrift tot het einde. en dat onze God, geliefden, nooit verandert, altijd dezelfde is en aan zijn geduld geen einde komt, en zijn barmhartigheden groot zijn, die niet om zijn uit te spreken. En ik dan gezegd heb: ‘Die verarmd is’. Hoe kwam die man daarbij?

In het oude verbond: ‘Die verarmd is en niet heeft te offeren, kieze een hout uit dat niet verrotte.’ Och, wij kunnen zo aan de taal vernemen, geliefden, als wij tenminste noch leven, God in onze ziel hebben, dat dat niet op natuurlijk gebied bedoeld wordt, maar, geliefden, dat is het een taal die in het nieuwe verbond in vervulling is gegaan. En daarom zeg ik nogmaals: wij aan deze plaats kunnen deze dingen begrijpen. En ik zeg wel, och, ook in de gemeente soms geliefden, ik zie dat wel, dan spannen de mensen zich in om wat van deze wereld te krijgen. Daar wil hij alles voordien, daar staat hij ‘s morgens vroeg voor op, gaat hij ‘s avonds laat voor naar bed, geliefden. En ik weet ook wel, de arbeid moet geschieden, maar dat moet toch ons hoogste niet zijn. Het moet ook ons hoogste niet zijn, geliefden, dat wij wat van deze wereld willen hebben, als dat het hoogste is geliefden. Het is nou eenmaal niet anders naar de Schriften. Wij kunnen God niet dienen en de wereld nemen. En wij kunnen God niet dienen, en wat wij zo vaak gehoord hebben, de mammon dienen. Dan is de liefde van God niet in ons hart. En nu zeg ik, als ik dat beluister, dat lied geliefden, ik heb vroeger in de wereld geleefd en ik ging voor absoluut geen mens opzij. Maar toen ik dit evangelie hoorde, was ik zo weg, opdat er in mijn hart plaats was voor de waarheid, en ik de liefde Gods niet kon weerstaan, en ik mij daarvoor gebogen heb. En wat ik dan gezegd heb, geliefden, als wij dat doorgemaakt hebben, dan zeg ik, dan kunnen wij ook onszelven naspeuren, geen ander naspeuren, onszelven naspeuren geliefden. En ik weet zeker, durf ik wel te zeggen, in de tegenwoordigheid van God, de verst gevorderde vanavond aan deze plaats, en als hij de hand in eigen boezem steekt, geliefden, komt hij nooit meer aan een ander toe.

En nu kan ik u een goede spiegel wijzen, namelijk Jezus Christus. Als wij ons daarin spiegelen, in de volmaakte spiegel, en wij onszelven ontdekt hebben en wij dan geen hoorders des woords zijn, maar daders des woords, geliefden, en wij in die spiegel gekeken hebben, en wij onszelven gezien hebben, dan komen wij nogmaals nooit meer aan een ander toe. En daarom zeg ik nogmaals: laten wij eens eerlijk wezen tegenover onze God. En als ik dat gezegd heb: ‘Die verarmd is en niet heeft te offeren, een hout uitkiezende dat niet verrotte’, dan weten wij wel dat is het huis van Christus, dat ook in onze dagen ook naar de Schriften naar het Woord van onze God zijn waarde heeft behouden. Alles verandert, maar het Woord van onze God, wat hij hebben horen opzingen, dat verandert nooit. Dat is en dat blijft de waarachtigheid. En dan, geliefden, en wat daar dan op volgt, ik wil ook niet lang wezen, maar dan staat er geschreven: ‘En zoeke zich een wijze werkmeester, die van hem bereidde een beeld, dat niet wankele’. Nogmaals, geliefden, ik zie zo vaak dat de mensen vandaag heel wat zijn en morgen tegenovergesteld. Geliefden, verstaan wij wel het Woord van onze God en het evangelie, en doet ons dat wel nut in ons leven?

Wat wij zo vaak kunnen beluisteren, en als wij dan verder lezen niet alleen in het oude verbond, want ook in het nieuwe, en dat is ook voor ons geliefden, en wij dan eens zien op de grote liefde van onze God, ‘Want’, zegt die apostel Paulus en schrijft hij aan de gemeente, ‘Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat hij om uwentwil arm geworden is, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden.’ En als ik dan het leven naspeur van mijn meester, dan kan ik daarin vinden, dat die apostel Paulus precies de waarheid gezegd heeft. Hij heeft de heerlijkheid, wat wij telkens kunnen beluisteren aan deze plaats, bij zijn vader verlaten. Hij is niet zoals de mensen, geliefden, die altijd graag in de hoogte willen wonen, en nogmaals, geliefden, nergens aan denken, alles, geliefden, van deze wereld graag willen hebben. En als er een klein offertje gevraagd wordt, dan schrikken die mensen terug, geliefden. Maar als ik lees van onze meester, die heeft de heerlijkheid verlaten, en het woord dat ik zojuist gesproken heb is waar geworden. En kan ik ook aan deze plaats zeggen, opdat wij met dat evangelie niet onbekend meer zijn, dan durf ik ook te zeggen, dat wij aan deze plaats het zelfde woord vaak wel eens beluisterd en horen spreken hebben.

Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat hij niet arm geworden is om zijnentwil, geliefden, maar dat hij arm geworden is omdat hij onze plaats heeft ingenomen, terwijl hij de Koning der Koningen en de Heere der Heere was. En hij heeft de heerlijkheid bij zijn vader verlaten en is op aarde gekomen en de mensen gelijk geworden. Och, geliefden, de mensen gelijk geworden. Zeker, ik weet wel dat hij de gedaante van een mens heeft aangenomen, maar geliefden, als ik dat andere er bij zal zeggen, dan kan er geen een bij hem in de schaduw staan. Hij die geen zonde gekend heeft, heeft God de almachtige een zonde voor u en voor mij gemaakt, geliefden. Nogmaals, waar blijft dan toch onze roem, geliefden, waar zullen wij ons op beroemen. Toch onder dit evangelie. Als mensen nog wat wezen willen, geliefden, dan zeg ik nogmaals, dan is de Geest van God niet in die mensen, en kan God die mensen nooit gebruiken, geliefden. En als ik soms zie, dat er bijna geen één is, geliefden, dat ik datgene in kan vinden, als ik deze aarde ga verlaten, die de plaats kan innemen. Dan zijn er haast altijd mensen die zichzelve zoeken en zichzelve op het oog hebben en de dingen van de aarde niet verlaten kunnen om Hem, geliefden, wat ik lees in de Schriften. En weet gij wel, waarom dat er wat vanuit ging van die apostelen, wat ik kan lezen geliefden, dat die mensen alles verlaten hadden. En dat ze dan nog gezegd hebben: ‘Wat zal ons dan geworden?’ Nogmaals, geliefden, wij hebben een schoon voorbeeld aan dat boek, waarvan wij hebben horen opzingen, dat dat een getrouw boek was en waar wij alles in kunnen vinden.

Als God ons de ogen geopend heeft, geliefden, dan kunnen wij in die bijbel ons eigen beeld vinden, en geeft op al de vragen een antwoord, geliefden. En daarom zeg ik nogmaals: als op natuurlijk gebied, geliefden, als de mens eens wat bezeten heeft van deze wereld, en arm geworden is, dan zeg ik: dan is er misschien voor zulk een mens wel eens geen kans om nog iets weer te bemachtigen van deze wereld. En, geliefden, geestelijk overgezet, dan zeg ik, geliefden: als wij dat horen opzingen hebben, dat Gods Woord waarachtig en getrouw was, geliefden, en ik dan gezegd heb: als dan de mens in de geestelijke zin verarmd is geworden, en de mensen dit woord beluisteren, van onze God, geliefden, waar ons de rijkdommen van onze God in beschreven staat, geliefden, dat is er nog een kans voor ons ook, geliefden, voor de armsten onder ons vanavond, die in de wereld niet in tel is, geliefden. Wat ik zo vaak kan horen, dat er heel wat mensen zijn, die het veel te min is om bij ons als gewone mensen te zijn...... Maar deze God was het niet te min, geliefden. Ook Zijn zoon was het niet te min. Die is niet gegaan naar de rijken. Ook niet naar de edelen. Ook niet naar de groten van deze aarde. Die is gekomen tot diegene dat niets was, geliefden, en door Gods genade is ons ook dat evangelie verkondigd geworden. En daar kunnen wij winsten mee doen voor de grote eeuwigheid. En daarom zeg ik, is er altijd weer wat te vinden, in welke toestand dat de mens ook komen kan op aarde, geliefden. Dan geeft ons dit woord overal een antwoord op, en daarom nogmaals, dat het tot uw ziel zal doordrinken, en gij ook leven in uw eigen hart kijkt, of het is geliefden, en van de geestelijke toestand van binnen in uw ziel.

En als gij dan eerlijk en oprecht bent en u te doen is, geliefden, dat gij vooruit wilt in uw geestelijk leven, en gij dan de armoede bekend tegenover uwen God, geliefden, dan zeg ik, dan is er hope. De zulken zal hij niet verstoten, geliefden, wat ik ook lees in de Schriften. Dan kunt gij de toevlucht nemen, geliefden, tot het kruis van Christus. Och, als ik het Oude Testament zo lees, ik ben helemaal geen man dat ik naar voren kan brengen, naar dat ik wel weet, geliefden, maar als ik nog zo lees in dat oude verbond en dat volk van Israël uitgetogen was en wij weten voor het Beloofde Land stonden en onze God gesproken heeft tegen die mannen die hij daar over gesteld had, en wat zij doen moesten, geliefden, en als die mensen de zonde gedaan had, welke zonde ook, en zelfs tot de doodslagers toe, geliefden, dan weten wij, dan was er een altaar, geliefden. En als die mensen dan de vlucht namen voor de vijand en zij konden de hoornen van het altaar nog grijpen, geliefden, dan wij weten wij, dan mochten diegenen die hem vervolgden geen kwaad meer doen. Geliefden, dan was hij buiten het bereik gekomen van de vijand, en , geliefden, zo is het ook in de geestelijke zin. Als wij, geliefden, op de aarde verarmd zijn, noch anders wat is, en de toevlucht zullen nemen en de hoornen van het altaar zullen grijpen, met andere woorden de toevlucht zullen nemen tot Hem, geliefden, tot Jezus Christus, en wij onder dat bloed van hem zullen komen, dan kan de vijand ons niets doen, geliefden. Dan zijn wij dan weer veilig en wel bewaard.

 

En daarom zeg ik: als wij nu deze middag aan deze plaats eens even in onze ziel kijken, hoe of als het erbij staat, geliefden. Och daar zijn op natuurlijk gebied wel mensen, geliefden, vandaag is de mens alles en heel anders geworden, maar ik weet nog wel in mijn jonge jaren, dat er heel wat armoede soms was onder de mensenkinderen, en dat de mensen onder elkander hun armoede nog niet naar voren durfden te brengen, en het dan stille armoede was, wat wij misschien wel eens meer beluisterd hebben, geliefden. Laten wij open mensen zijn, ook tegenover onze God, en wij onze armoede zullen kennen en de toevlucht nemen tot Jezus Christus, geliefden. Nogmaals, wat ik zojuist gezegd heb: ‘Die verarmd is en niet heeft te offeren en het hout zal uitkiezen", de toevlucht zal nemen tot het Kruis van Christus, geliefden. Dat wij alles terug kunnen vinden en als wij dat terug gevonden hebben, dan weet ik ook zeker, geliefden, als wij dat zo lezen in de Schriften, als de mens, geliefden, een goede gedachte heeft, kan het wel met een paar woorden zeggen, zichzelves rijk waant, dan heeft hij nergens geen gebrek aan, geliefden. En dan kunnen wij hier neerzitten, wat wij vaak gehoord hebben, en als heide in de wildernis, maar niet vernemen dat het goede over ons komt, geliefden.

En dan zeg ik nogmaals geliefden: als dan de mens eerlijk is en zijn armoede bekent, geliefden, en zo tot Hem komt, dan zeg ik, op grond van de Schriften, de Kruis van Christus nog zijn zelfde kracht behouden heeft, geliefden. En wij willen de ruimte geschelpen worden. En als dat plaats gevonden heeft bij ons geliefden, dan weten wij wat er mee gepaard gaat, geliefden. Dan moet de mens zich buigen aan Zijne voeten, die laten doornagelen heeft voor onze zonden. En dan, geliefden, dan vindt de mens datgene terug, dat hij kwijt geraakt is. En dat weet ik ook zeker, geliefden, dat zulken mens ook, geliefden, eeuwig een wil vinden in zijn leven en die ook kiezen kan van zijn kant, geliefden, die van hem make een beeld dat niet zal wankelen, lees ik in Jesaja 40. Meende ik wel, geliefden, kunnen wij onszelven niet brengen en daarom kan ik ook begrijpen dat onze God zegt: "Ik heb geen lust aan de benen des mans, noch aan het sterkte van het paard, maar die op zijn goedtierenheid hopen, aan de zulken heeft God lust", geliefden.

En ik ben dankbaar in de tegenwoordigheid van God, dat dit evangelie ons deel geworden is. En nu kunnen wij in de gemeente nooit wat worden, maar wat ik gezegd heb, ook onszelves, geliefden, niet wat maken kunnen, ook onszelves niet op kunnen werken in de gemeente. Ik ben dankbaar dat God ons de ogen heeft geopend, ook dat wij het Woord van onze God mogen verstaan, en wij dan lezen in de Schriften: ‘Die zoeke zich een wijze werkmeester, die van hem make een beeld dat niet zal wankelen’. En bekijk nu maar in je eigen leven. Als gij nog wankelt, als gij vandaag, geliefden, boven op de berg zit en morgen kan misschien nog met nog geen zes paarden uit de put kunnen halen, met al de liefde die de mens nu kan bewijzen, nogmaals, geliefden, dan hebt gij nog niet datgene wat wij lezen kunnen in de schriften. Dan hebt gij die wijze werkmeester nog niet gevonden.

En ik zal dat nog een beetje toelichten, opdat wij precies zullen weten hoe dat wij er mee aan moeten, geliefden. Als ik dat zo gelezen heb, geliefden, en de mensen eerst bij het Kruis van Christus moeten komen; als wij daar geweest zijn, geliefden, en wij hebben daar genade voor recht ontvangen, dan spreken wij niet meer uit de hoogte. Dan zijn wij ook niet wat geworden, geliefden. En daarom kan ik ook die apostul Paulus verstaan: die meent iets te zijn is nog nooit iets geweest, geliefden. En als wij vaak hebben opgezongen niets te zijn, slechts zittend aan uw voeten, die mensen, geliefden, daar houd ik van, die niet uit de hoogte spreken, en zichzelves hebben leren kennen. En als wij dan dat eerst heeft gedaan hebben, dan weten, weet ik zeker, dan hebben wij ook de behoefte aan het tweede. Als wij, geliefden, verarmd zijn, niet meer te offeren hebben, de toevlucht genomen hebben tot Jezus Christus, geliefden, zulk een mens is handelbaar, geliefden. En die mens zijn ook de ogen geopend, als de mens verarmd tot hem komt, en hij vindt de rijkdommen bij Christus terug, geliefden, dan is zo’n mens ook dankbaar.

Wat wij wel eens gehoord hebben aan deze plaats van de Psalmist, geliefden, die ook in de angsten ben bekneld was in de banden des doods, geliefden, en wat wij meer van hem kunnen lezen, en geen hoop in zichzelven had, geliefden, maar dat hij dan naar God ging. En als hij dan tot God ging, dan is hem dat altijd geweldig meegevallen, dat onze God de mensen niet verwijt, geliefden, maar dat onze God een vergevend god is, die de mens weer gaarne vergeven. En, geliefden, als ik dan lees van die Psalmist, dan wist hij niet wat hij voor de rijkdommen van God terug zou geven, wat hij God moest geven, geliefden, en dan staat er geschreven: ‘Wat zal ik Hem vergelden voor al Zijne weldaden, die aan mij bewezen zijn.’ Nogmaals, geliefde, als hier vanavond armen in ons midden zijn, en toch graag de rijkdommen van God willen hebben, vliet tot het Kruis van Golgotha. En als gij daar gekomen zijt, zijt gij niet hoog gevoelende. Hebt gij ook geen hoge borst, geliefden, en hebt gij ook geen grote mond over uw naaste. Er zijn soms mensen die zo druk met hun naaste zijn, dat ze zichzelves niet meer zien, en och, het woord van de meester, wat ik gezegd heb, geeft overal een antwoord op geliefden. Die balk die in uw eigen ogen is, die zien we niet en de splinter in andermans oog, die willen ze trachten eruit te doen.

Nogmaals, geliefden, laten wij allen persoonlijk de hand in eigen boezem steken, en wat ik gezegd heb, eens even onze toestand, geliefden, wilt bezien in het licht van onze God. En als wij dan verarmd geworden zijn, wat wij ook wel eens meer gehoord hebben, dan had God tegen die gemeente, dat zij de eerste liefde verlaten hadden. Maar als wij in de liefde van God zijn, geliefden, dan zeg ik, dan hebben wij het niet zo druk met een ander. Dan hebben wij meer dan genoeg aan onszelves. En als dan de mens verarmd is, en de rijkdommen weer terug gevonden heeft, geliefden, dan ziet hij zichzelves en dan, geliefden, kan die mens ook het woord van onze God verstaan, weet ook wat ie doen moet, geliefden. En dan staat er geschreven: ‘Die kieze zich een wijze werkmeester die van hem bereidde een beeld dat niet wankele.’ Och, geliefden gij weet het wel aan deze plaats, ik zal niet iets meer in de Schriften weten, wat wij de mensen niet naar voren gebracht hebben. Wat ook die apostel Paulus aan het eind van zijn leven kon schrijven aan de gemeente, dan heeft hij gezegd: "Ik heb niets achtergehouden van de raad Gods om Uw te verkondigen", geliefden.

Aan deze plaats weten wij ook de raad van onze God, geliefden. Dat hebben wij duidelijk beluisterd aan deze plaats en straks heeft geen een van ons iets in te brengen evenover onze God, geliefden. Dan is alles eigen schuld, als wij om zullen komen. En nog, geliefden, dan is er meer te vinden dan alleen, geliefden, de rijkdommen weer bij Christus te vinden, als wij bij dat hout ons neder gebogen hebben. Ik zal het anders zeggen: als wij ons neder gebogen hebben aan de voeten van Jezus. Want dat Kruis, geliefden, dat hout is wel verrot, maar degene die daar aangehangen heeft, geliefden, Jezus Christus, de Zoon van God, dat werk dat hij gewrocht heeft, dat houdt stand tot in het laatste nageslacht. En dan, geliefden: ‘Die kieze zich een wijze werkmeester, die van hem bereidde een beeld dat niet wankele." En dat is de tweede genade, dat wij deze dagen nogal eens beluistert hebben. Wij kunnen dat evangelie bijna niet meer kwijt aan de mensen. Daar zijn onder ons zovele mensen, die rijk en verrijkt geworden zijn, en aan geen ding gebrek hebben, geliefden. Maar als wij dat woord, wat ik zojuist gezegd heb, en wij hebben onze armoede erkend en de toevlucht hebben genomen tot het Kruis van Christus, en wij daar ons neder gebogen hebben, en wij onszelves gezien en ontdekt hebben, geliefden, dan zeg ik, dan kiezen wij ons een wijze werkmeester, die van ons bereidde een beeld die niet wankele.

Hier zijn wel mensen in de gemeente, och geliefden, die zich nog rijk wanen en een gedacht en een inbeelding hebben, geliefden, en geen leven Gods aan hun ziel hebben, geliefden. En ik zeg nogmaals: laten wij ons onderzoeken bij het licht van onze God, opdat het Leven Gods nog in onze harten is. En als er dat niet meer is, geliefden, dan roep ik u vanavond toe: maak ernst met de zaak. Gij hebt toch zo geen leven, geliefden. Als allen die dit evangelie waarachtig gemaakt hebben, geliefden, die vinden nooit wat in deze wereld weer en als zouden wij nog wat krijgen van de wereld, het is niets anders dan een last voor die mensen, dat als die terug van onze God, geliefden, wat ik lezen kan. Maar willen wij, geliefden, zou het nog vanavond eens precies zo zeggen: willen wij op deze aarde een zegen wezen voor onze God, geliefden, dan moeten wij afstand doen van alles wat van deze wereld is. Ik zeg niet, dat wij niets mogen hebben, maar, geliefden, dat hij ons het hoogste moet wezen. Ik kan ook geen mensen in de bijbel vinden, geliefden, waarvan meer van uitgegaan is, als van de apostelen, geliefden, die hij zo geroepen heeft, en niet tegengesproken hebben. Zou Gods woord ook in onze dagen het zelfde zijn, geliefden, als hij ze geroepen heeft achter de netten weg, dan lees ik in de Schriften, en terstond achter hun schip en de vader verlatende en zijn Hem nagevolgd, geliefden, zonder tegenredenen van die mensen. En zij hebben de voetstappen van hun meester gedrukt, geliefden.

En dan kunnen wij zien dat ook het woord, wat doen de Heere gesproken heeft waar geworden is, in dat leven van die mensen. En dan heeft hij gezegd: ‘Volg mij na, en ik zal u vissers van mensen maken’, geliefden. Wij hebben dat zo vaak beluisterd. Twee mensen die bij de Heere waren, en die hebben gezegd, geliefden: ‘Heere ik zal u volgen, waar de weg ook zal henen gaan.’ Hij heeft gezegd: ‘Laat mij toe dat ik eerst mijn vader begrave’. En de ander zeide: ‘Laat mij toe dat ik afscheid neem van mijn huis.’ De Heere die sprak, geliefden, nogmaals in de tegenwoordigheid van God: ‘Die de hand aan de ploeg slaat en achterom ziet, is niet bekwaam tot het Koninkrijk Gods, en ook niet tot enig goed werk op de aarde.’ Ook niet, geliefden, om een ziel te winnen voor het Koninkrijk der Hemelen. Onze prediking is tevergeefs, daar gaat niets van uit, geliefden, maar ik zeg nogmaals: ‘Als wij om Christus wille alles verlaten, geliefden, en alles van onszelves verkopen zullen, gelijk de koopman in zijn paarlen, in zijn schone paarlen, dan verkocht hij alle paarlen van hemzelves, en hij had precies zoveel dat hij kon de paarle van grote waarde krijgen, geliefden.

Deze aarde is, zeg ik nogmaals, die biedt de mens niets, geliefden, en als de dood komt, gij moet dit alles achterlaten. En vaak hebben wij beluisterd, geliefden, als dan de mens zijn leven weer over zou doen, dan zou hij het anders doen, geliefden. Maar ik zeg nogmaals, vanavond komt even dat evangelie, en dan zal ik hiermee eindigen: die verarmd is, en niet heeft te offeren, zijn God niet kan loven, niet kan prijzen, geliefden, die kieze een hout uit het hout, het Kruis van Christus, dat ook in onze dagen zijn waarde behouden heeft. En dan, geliefden, weet ik zeker, zal het nog eens herhalen, die mens is dan niet meer hoog gevoelende. Neen, geliefden, die denkt ook niet: ben ik hier niet in te kort gekomen en hebben ze mij daarin niet te kort gedaan. Neen, geliefden, ik wil u één ding zeggen: onze eigen tekorten tegenover God, die zijn niet om op te noemen, geliefden. En als de mens dat waarachtig ziet, dan zeg ik: wat hebben wij dan met andermans zijn tekorten te maken. Daarom kan ik God wel dienen, geliefden, en daarom zeg ik nogmaals: ‘Die verarmd is, die kieze het hout en zoeke zich een wijze werkmeester’, hetwelk is de derde persoon in het godswezen, geliefden. Nogmaals: de Heilige Geest, die ons God de Vader verklaart en de Zoon openbaart, geliefden, wat ik lezen kan in het nieuwe verbond, dat lees ik, geliefden, die zal mij verheerlijken. Hij zal uit mij het mijne nemen, en hij zal het u verkondigen. En die mensen die dat doorgemaakt hebben, die kunnen ook een zegen zijn op deze aarde, geliefden. Dan moet de Geest des Almachtigen in ons wonen. En als wij dan de mensen het evangelie brengen, dan kunnen die mensen ook door dat evangelie overtuigd worden, geliefden.

Maar als de mensen met hun verstand spreken, geliefden, ik heb er niets aan. Maar als de mensen spreken door de adem des Almachtigen, geliefden, dan gaat er iets van de mensen uit. Neen, geliefden, ik zeg het niet goed. Dan gaat er iets van onze God door ons uit, geliefden. Dan mogen wij een klein instrumentje wezen in de handen van onze God. En ik zeg nogmaals: het grootste dat is voor de mens, dat hij zichzelves leert kennen. En als wij onszelves leren kennen, dan zeg ik nogmaals, geliefden, komen wij nooit meer aan een ander toe. En heeft het een ander ook niet meer gedaan. Wat ik hier wel eens gezegd heb, geliefden, van mensen die de wereld willen hebben, en als de mensen dan God kwijt zijn, dan heeft het de mens gedaan. Ik in de eerste plaats. Dan zeggen de mensen: mijn persoon staat ernaast.

Als vanavond de mensen waarachtig eerlijk zijn, geliefden, en als ze iets leven in hun ziel hebben, dan kunnen wij toch vernemen welke mensen dat de waarheid spreken en welke mensen die de leugen spreken. Maar ik zeg al die mensen, geliefden, die komen voor eeuwig om. En ook de mensen die er mee samenhokken komen voor eeuwig om, in de tegenwoordigheid van God. Maar ik zeg nogmaals, geliefden, als wij arm zijn, nog niet zo geweldig, dan is er nog hope, geliefden, wat wij lezen kunnen in de Schriften. Dan kunnen wij de toevlucht nog nemen tot Hem die ons rijk wil maken. Niet van goederen van deze wereld. Neen geliefden. Hij heeft wel een hele grote belofte ons gegeven in zijn woord. De godzaligheid is tot alle dingen nut hebbende de belofte van het tegenwoordige en het toekomende. En wat wij op een andere plaats lezen, ook van die apostel Paulus: de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging, geliefden.

Laten wij toch heerlijk wezen, ik begin ook bij mijzelf, als mijn hart uitgaat naar de dingen van de aarde, ben ik dan naar de schrift, of ben ik niet naar de schrift? En nogmaals, hier zal ik mee eindigen, de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging. Dan hebben wij genoeg aan onze God, geliefden, die met ons is in dit leven, met ons gaat door de doods-Jordaan en brengt ons in de haven der eeuwige rustte. Dat wij onze God zullen zien, geliefden, en hem eeuwig zullen loven en zullen prijzen, dat heeft God weggelegd voor de oprechten van hart, geliefden. Amen, Amen."

 

Tot zover Vader Albert Otten. Albert Otten benadrukte de stoffelijke onzekerheid van het leven alsvolgt: "Op natuurlijk gebied, al heeft de mens ook heel wat van deze aarde, kan er soms maar een klein beetje komen, en dan is de mens al zijn rijkdommen kwijt." Geestelijk was er ook veel onzekerheid. De Gemeente des Heeren nam de plaats in als de uitverkorene onder de mensheid, waardoor de geestelijke positie van de mensen veiliger leek: "Wij zijn een bijzonder volk. Wij zijn een volk van onze God verkoren, en als wij op onze hoede zijn, hoeven wij ook niet om te komen." Het gebruik van de woorden ‘onze God’ geeft aan dat er een exclusief recht op God was. Hij was van de Gemeente des Heeren, en de Gemeente des Heeren was van Hem. De anderen, de niet-leden van de Gemeente des Heeren, hoorden bij ‘de wereld’. Albert Otten stuurde er op aan dat de toehoorders uit zijn gemeente zich distantieerden van ‘de wereld’: "Willen wij op deze aarde een zegen wezen voor onze God, geliefden, dan moeten wij afstand doen van alles wat van deze wereld is." ‘De wereld’ keek op hen neer, zo horen we: "Wat ik zo vaak kan horen, dat er heel wat mensen zijn, die het veel te min is om bij ons als gewone mensen te zijn......" Daarmee isoleerde hij zijn gemeente van de ‘buitenwereld’ en gaf hij tevens aan dat de ‘buitenwereld’ hen als minderwaardig beschouwde.

Maar ook binnen de eigen ‘wereld’, de Gemeente des Heeren, moesten de leden geen hoge dunk van zichzelf hebben. Op eigen kracht zou het nooit wat worden met de mensen: "wij kunnen in de gemeente nooit wat worden" en "Wij kunnen ook onszelf niet opwerken in de gemeente". Dat kon alleen via Jezus Christus, die de geestelijk armen kon redden: "Nogmaals, geliefden, als hier vanavond armen in ons midden zijn, en toch graag de rijkdommen van God willen hebben, vliet tot het Kruis van Golgotha. En als gij daar gekomen zijt, zijt gij niet hoog gevoelende. Hebt gij ook geen hoge borst, geliefden, en hebt gij ook geen grote mond over uw naaste." Met andere woorden, al wordt je via Jezus Christus gered, dan nog moet je geen hoge dunk van jezelf hebben. En om gered te blijven van de ondergang dien je ge_soleerd te blijven van de ‘anderen’, ‘de wereld’ of ‘de leugenaars’: "Als vanavond de mensen waarachtig eerlijk zijn, geliefden, en als ze iets leven in hun ziel hebben, dan kunnen wij toch vernemen welke mensen dat de waarheid spreken en welke mensen die de leugen spreken. Maar ik zeg al die mensen (die de leugen spreken), geliefden, die komen voor eeuwig om. En ook de mensen die er mee samenhokken komen voor eeuwig om."

Zo werden de gelovigen gewezen op hun materiële en geestelijke onvolkomenheden, met als enige redding Jezus Christus en de aanvaarding van zijn dood op Golgotha als enige middel om behouden te worden. Men bleef alleen behouden als men zich isoleerde van de anderen, niet-leden van de Gemeente des Heeren, en zelfs dan moest men geen hoge dunk van zichzelf hebben. In de Gemeente des Heeren waren er zelfs maar enkele mensen van wie wat te verwachten viel. De volgende woorden van Albert Otten, over zijn naderend overlijden, zeiden genoeg: "En als ik soms zie, dat er bijna geen één is, geliefden, waar ik datgene in kan vinden, als ik deze aarde ga verlaten, die de plaats kan innemen, dan zijn er haast altijd mensen die zichzelve zoeken en zichzelve op het oog hebben en de dingen van de aarde niet verlaten kunnen om Hem, geliefden." Zo werd zelfs het laatste stukje zelfvertrouwen afgebroken. Vrijwel niemand voldeed aan wat van hem of haar werd gevraagd. Al hoe onvolkomen hijzelf ook was, in ieder geval was Albert Ottens eigen positie beter dan die van zijn gemeente. Op zichzelf achtte hij namelijk de woorden van Paulus van toepassing: "Ik heb niets achtergehouden van de raad Gods om Uw te verkondigen."

De oproep tot isolatie en het volledig ondergraven van het zelfvertrouwen van de mensen, werd door een deel van de aanhang als bijzonder wenselijk ervaren, als enige weg naar Jezus Christus en om behouden te worden. Door dik en dun steunden ze hun profeet, Vader Albert Otten, in dit korte leven op weg naar de eeuwigheid. Ze waren hem zeer dankbaar voor zijn boodschap. Aan zijn indringende woorden, als dienaar van Jezus Christus, dankten ze hun behoud. Daar hadden ze het voor over dat ze veel sociale contacten kwijtraakten. Het ging toch maar om ‘de wereld’, de zondaren, de verworpenen. Anderen konden niet omgaan met de boodschap. Ze haakten af, of raakten psychisch in nood. Soms gebeurde beide. In de ogen van de gemeente hoorden ze dan tot de onbekeerden, tot de mensen die voor ‘de wereld’ hadden gekozen, in plaats van voor ‘Jezus Christus’. Met het verbreken van hun contacten met de gemeente, stonden ze aanvankelijk alleen, omdat tijdens het verblijf in de gemeente de andere contacten waren verwaterd of zelfs helemaal stuk waren gelopen. Daarmee werd het isolement totaal, en moesten ze de kracht vinden om helemaal opnieuw te beginnen in het leven.