
RECHTSPRAAK EN RECHT IN
HET OUDE HOOGEVEEN
ALBERT METSELAAR
Op dat deel van Hoogeveen dat onder de Heerlijkheid Echtens-Hoogeveen viel, werd in de 17e en de 18e eeuw onderverdeeld in het Noordse Rot en het Hollandse Rot. Het toenmalige Echtens-Hoogeveen was de omgeving van de huidige dorpen Noordscheschut, Elim, Moscou, Noordscheschut, de Wolfsbos en dat dat deel van de plaats Hoogeveen dat ten oosten van de Hoofdstraat en rond het Haagje lag. Voor Echtens-Hoogeveen werden eigen goorspraken gehouden, los van de goorspraken elders in Drenthe. Daar kon de bevolking inbrengen wat er mis was gegaan, wat veroordeeld moest worden of waar een uitspraak over moest komen. De Heer van Echten oefende binnen Echtens-Hoogeveen de zogenaamde lagere rechtspraak uit. Moordzaken en dergelijke gingen rechtstreeks naar de Drentse overheid en wie het niet eens was met uitspraken van de Heer van Echten kon eveneens bij deze overheid in beroep gaan. De Heer van Echten hield zitting in een plaatselijk café. De rechtspraak zag hij als een zaak van hem en God, getuige de op 6 januari 1737 bij de kerk voorgelezen bekendmaking:
"Jan van Echten, Heer tot Echten en van Echtens Hoogeveen, brigadier en colonel van een regiment infanterie ten dienste der Verenigde Nederlanden; Alzo voornemens ben onder Gods hulp het Lotting te houden in de jurisdictie des Huizes Echten ten huize van de weduwe van Klaas ten heuvel, en hetzelfve aangesteld heb om aanvang te nemen op dinsdag den 12 februari 1737, zo wordt zulks door dezen bekend gemaakt opdat ieder aldaar voor rechte iets te doen hebbende zijn zaken landrechtelijk kan instellen, en vervolgens de zaken in tijds laten aantekenen, en daarvan een oordeel winnen, alles bij de poenen en boeten daarop naar landrecht gestatueert. Actum op den Huize Echten den 4 januari 1737." Na de handtekening van de Heer van Echten volgde een aantekening met de handtekening van de toenmalige predikant van Hoogeveen. Florens Caspar de Vriese, luidend: "Gepubliceerd in ‘t Hoogeveen den 6 januari 1737."
De Heer van Echten en zijn schulte waren degenen die te Echtens-Hoogeveen de zondagsrust bewaakten en alles bestraften wat niet in overeenstemming was met de toenmalige opvattingen over de christelijke leer en levenswandel. In Zuidwolder-Hoogeveen, de helft van het kerspel Hoogeveen, werd dit gedaan door een schulte welke onder de jurisdictie van de Landschap Drenthe viel. Tijd om eens kennis te maken met wie deze drie functies tot in de Franse Tijd hebben vervuld:
Heer van Echten:
1. Roelof van Echten tot Echten (1592-1643) was Heer van Echten en Echtens-Hoogeveen vanaf het ontstaan van de heerlijkheid tot zijn dood, in de jaren 1626-1643. Hij was tevens Drost van Drenthe, van 1639-1643, en daarmee ook het hoogste Drentse gezag in Zuidwolder-Hoogeveen.
2. Johan van Echten tot Echten (1618-1661), Heer van Echten en Echtens-Hoogeveen in de periode 1643-1661.
3. Roelof van Echten tot Echten (1648-1735), Drost van Drenthe van 1701-1735 en Heer van Echten en Echtens-Hoogeveen van 1661-1735.
4. Johan van Echten tot Echten (1680-1757), Heer van Echten en Echtens-Hoogeveen in de periode 1731-1757.
5. Roelof van Echten tot Echten (1731-1797), Heer van Echten en Echtens-Hoogeveen in de periode 1757-1795. Met de komst van de Fransen werd hij uit zijn rechten ontzet.
De schulten van Echtens-Hoogeveen hadden een functie waarin de notaris, de burgemeester en de commissaris van politie min of meer gecombineerd waren. Het waren:
1. Ditmar Boelen. Vermeld in 1635 en in functie tot 1642.
2. Coop Luitjens. In functie in 1642 en nog vermeld in 1665.
3. Willem Camerling. Schulte in de periode 1681-1704.
4. Abraham de Vriese. Schulte in de periode 1704-1735.
5. Arend Dannenbergh. Schulte in de periode 1735-1738.
6. Pieter Casper Everhard Calkoen. Schulte in de periode 1738-1748. Voor zover bekend is hij nooit als zodanig opgetreden. Het werk werd gedaan door zijn vader. Hij werd 18 september 1736 te Groningen ingeschreven als student en promoveerde aldaar 29 juni 1741. Toen hij schulte werd, was hij dus nog student te Groningen, en de aanstelling was meer een verzekeren van zijn toekomst dan dat hij daarvoor toentertijd al geschikt was. Waarom hij het ambt nooit heeft opgepakt, is niet bekend. Hij stierf 23 april 1748 te Hoogeveen.
7. Abraham Wilhelm Calkoen. Verwalter-schulte voor zijn zoon Pieter Casper Everhard Calkoen, in de periode 1738-1748. Met de dood van zijn zoon verviel zijn verwalterschap.
8. Ernst Beuker. Schulte in de periode 1748-1777. Aanvankelijk heette hij verwalter-schulte. De Heer van Echten was niet tevreden over zijn functioneren, onder meer omdat Beuker in gerechtelijke zaken niet streng genoeg zou optreden, de heerlijke rechten van de Heren van Echten niet voldoende verdedigde, en in tal van zaken eigenmachtig optrad, waar de Heer van Echten geraadpleegd zou moeten worden. Gevolg was dat in 1752 een andere schulte werd aangesteld, en Beuker eigenlijk terzijde geschoven zou moeten worden. Dit gebeurde echter niet. Beuker deed zijn baas een proces aan, dat sleepte tot 1758, en dat Beuker won. Hij bleef dan ook tot zijn dood in functie.
9. Jan Pieter Lefferts. Benoemd in 1752, met de bedoeling dat hij Ernst Beuker zou vervangen. In 1752 traden zowel Beuker als Lefferts enige tijd naast elkaar als schulte op. Nog dat jaar trad Lefferts terug, maar bleef formeel schulte tot 1758, toen Beuker het proces tegen de Heer van Echten won.
10. Jannes Cremer van Rossen. Schulte in de periode 1777-1787. Afgezet vanwege zijn Patriottische sympathieën, tijdens de omwenteling van 1787.
11. Casper Everhard Carsten. Schulte in de periode 1788-1795. Met de komst van de Fransen verdween hij als zodanig van het toneel.
12. Everhard Jan Witsenborg. Hij trad in 1795 enige tijd als schulte op.
13. Hugo Christiaan Carsten. Schulte in de periode 1795-1811.
Schulten van Zuidwolder-Hoogeveen:
1. Roelof Steenbergen, vermeld in de periode 1604-1630.
2. Arent Steenbergen, vermeld in 1630 en 1631.
3. Lucas Steenbergen, vermeld in de periode 1633-1663.
4. Jan Steenbergen, vermeld in de periode 1664-1666.
5. Willem Camerling. Schulte in de jaren 1666-1704. Vanaf 1681 tevens schulte van Echtens-Hoogeveen.
6. Abraham de Vriese. Hij was in de jaren 1704-1735 zowel schulte van Zuidwolder- als van Echtens-Hoogeveen.
7. Willem Hidding Sr. Schulte in de jaren 1735-1736.
8. Cornelis Steenbergen. Schulte in de periode 1736-1762.
9. Hendrik Jan Carsten. Schulte in de periode 1762-1789.
10. Everhardus Johannes Witsenborg. Schulte in de periodes 1789-1791, 1795-1802 en 1805-1811. Tussentijds oefenden Schukking en Meijer enige jaren het ambt uit.
11. Michael Schukking. Schulte in de periodes 1791-1795 en 1802-1803.
12. Abraham Meijer. Schulte in de periode 1803-1805. Vanaf 1811, als Echtens-Hoogeveen en Zuidwolder-Hoogeveen worden samengevoegd, maire en burgemeester van de gemeente Hoogeveen.
In 1795, toen de Fransen en de Fransgezinde Patriotten het bestuur overnamen, werd formeel een scheiding van kerk en staat gecreëerd. De burgerlijke overheden beriepen zich echter graag op God, wanneer ze daarmee hun gezag konden verstevigen. De bekende Oranjegezinde vervener Hendrik Thijs Thalen werd de 20ste oktober 1798 vanwege zijn politieke keus en de vele ruzies met Patriotten door het Drentse gerechtshof veroordeeld. Na het opsommen van alle door hem gepleegde wandaden, vervolgde de acte van zijn proces met aan het slot onder meer de volgende opmerkelijke slotconclusie: "En vermits dus uit allen dezes is gebleken, dat hij gedetineerde (Hendrik Thijs Thalen) niettegenstaande herhaalde vermaningen aanhoudend en gedurig zijn boos en onverbeterd bestaan heeft aan den dag gelegd, en bij onderscheidene omstandigheden en gelegenheden getoond, wat in zijn boos hart omgaat, welke verschrikkelijke voornemens hij voedt, welk een laster hij uitbraakt tegen en den spot drijft met hun aan wien het roer van regering en de uitoefening van recht door de bestiering van de Goddelijke voorzienigheid is in handen gegeven, ja in allen opzicht heeft openbaar gemaakt, dat hij is een verguizer en vertrapper van ‘s lands wetten en publicatien en een gevaarlijk voorwerp om in de maatschappij te worden geduld." Kortom, ook de Patriotten zeiden recht te spreken omdat God dit zo wilde, en beriepen zich op Hem als het ging om de handhaving van hun gezag.
(Bronnen: Goorspraken (Archief Huize Echten no.842 en 843) en het archief van de Etstoel.)