
Er is geen gebied geweest, waarop de Duitsers, vooral
aanvankelijk zo’n vlijtige en hartelijke medewerking van Nederlandse kant
hebben gevonden als juist hier. De nazi’s hadden het geluk, dat ze daarbij
konden speculeren op de burgerlijke minachting voor werkeloosheid en de geheime
nijd en weerzin tegen de zgn. arbeidsschuwen. De secretaris-generaal van
Sociale Zaken, de heer Scholten, werd opgevolgd door Verwey, en als directeur
van het Rijksarbeidsbureau trad op de heer Knetsch. Beide heren hebben hun naam
in de vaderlandse geschiedenis ‘onsterfelijk’ gemaakt, vanwege de trouw en
voortvarendheid waarmee ze onze vijanden aan Nederlandse arbeiders hebben
geholpen.

3
documenten van èèn persoon. 1. Fahrschein Genoemde
persoon heeft voorrang de ´Omnibus´ te gebruiken. Zevenbergen, 16 maart
1944. Afgegeven en ondertekend door W. Wittkamp, SS Untersturmfuhrer und
Stellungs offizier. 2.
Bescheinigung Verklaring genoemd persoon is
ingezet voor ´Stellungbau im Bauabschnitt Standaarbuiten Stampersgat´. 16
maart 1944. Ondertekening door W. Wittkamp als boven. 3. Legitimatiebewijs
Persoon in kwestie hier ingezet bij Bauabschnitt Nord Zevenbergen. Werk in
Noord-Brabant.
Organisatie Todt - OT.
De ‘Organisatie Todt’ bestond voor het merendeel uit formaties
van de NSDAP en leden van het ‘Arbeitsbereich’. Deze laatsten waren
voornamelijk met een revolver bewapende mannen tussen 45 en 65 jaar. Ze waren gekleed in gele uniformen met een rode mouwband waarop een
swastika was afgebeeld, en ze droegen een gele pet. Vanwege hun gele uniformen
kregen ze al gauw de bijnaam ‘geelvinken’ of ‘goudfazanten’. Vanaf herfst 1944
werden ook niet-Duitse mensen toezichthouder. Zij waren gekleed in zwarte
uniformen en hadden boven aan de mouw op hun uniform de naam ‘Organisation
Todt’.
Kop en schotel, v/h Petrus Regout & Co. ‘Ned. Ver. van
Fabrieksarbeiders’. Onderkant gestempeld: N.V. Sjoukes & Zn Amsterdam.
OT staat wellicht voor Organisation Todt. Informatie is welkom.

Hansa.
In Nederland ressorteerde de ‘Organisation Todt’, de zogenaamde
‘Einsatz Holland’ onder de ‘Einsatzgruppe Hansa’ in Bremen. De ‘Hansa’ bestond
uit tien Oberbauleitungen. Voor Nederland was er een hoofdbouwafdeling ‘Noord’
en ‘Zuid’, respectievelijk gevestigd in Zwolle en Lochem. Verbindingsleider in
ons land was de hoofdbouwleider prof dr. Wiendieck. De hoofdbouwafdelingen
waren weer onderverdeeld in bouwafdelingen, hoofdreferaten, referaten en
zaakgebieden. De hoofdbouwafdelingen werden aangeduid met de naam van de
hoofdbouwleiders. Er werd gesproken van een hoofdbouwafdeling dr. Winkler te
Assen, hoofdbouwafdeling Wilde in Lochem en hoofdbouwafdeling Klomp in Zwolle.
Na september 1944 werd de organisatie in Nederland steeds moeilijker. Toen de
‘Einsatzgruppe Hansa’ in Bremen was gesplitst, volgde de ene reorganisatie na
de andere. Uit de brokstukken van diverse O.T.–eenheden kon men later een
hoofdbouwafdeling vormen. Op 5 april 1945 verhuisde de Einsatzleitung van Ommen
naar Winschoten, waarna ze vervolgens op 8 april 1945 naar Duitsland verdween.

Vrijstelling om
voor de O.T. te moeten werken
Arbeidskaart O.T.
Spitters.
Een andere vorm van Duitse mensenjacht was het zgn. spitten voor de vijand. Daaronder wordt verstaan de oproeping van Nederlandse burgers om, hetzij in de eigen gemeente, hetzij aan de uitgebreidere verdedigingslinies in Oost-Nederland, voor kortere of langere tijd mee te werken.
Zelfs jongens van 16 jaar worden door de Duitsers gedwongen voor
de ‘Organisation Todt’ te ‘spitten’ en verdedigingswerken aan te leggen. Zo
komen er steeds meer dwangarbeiders. Er wordt echter zodanig gewerkt, dat men
altijd ‘voor het oog’ wel wat aan het doen is, maar niets opschiet.
Arbeidskaart.
Aan iedere spitter werd een arbeidskaart uitgereikt, die elke
dag s’morgens werd ingenomen en waarop de gewerkte dagen werden aangegeven.
Tegen het einde van de werkdag werd deze arbeidskaart weer aan de arbeider
teruggegeven.
Stempel ‘Bauabschnitt Groningen’ werd gebruikt door het
verzet om de werkkaart/arbeidskaart van de O.T. mee af te stempelen.

Istizin.
Om zich af te laten keuren als O.T. arbeider, nam men ook wel
eens thee met daarin een tablet Istizin. De volgende dag had men als gevolg
daarvan diaree.

Als de Nederlandse kust niet in zo’n sterke staat van
verdediging gebracht was, zou dan de bestorming van de Atlantik Wall toch in
Normandië gebeurd zijn, of zou een onverdedigde Nederlandse kust misschien het
juiste punt hebben opgeleverd om te landen, met het gevolg, dat geheel
Westelijk Nederland verwoest zou zijn geweest? Het is niet erg fraai om
onhoorbaar te mompelen; gelukkig, dat onze kust in zo’n sterke staat van
verdediging gebracht was en hardop te zeggen: sla dood degene, die het gedaan heeft.
Mussert heeft het een zegen voor Nederland gevonden, dat in 1944 en 1945 de
oorlogshandelingen vrijwel geheel buiten ons land om hebben plaats gevonden.
Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok. En een verwoest Normandië ging hem
minder aan het hart dan een verwoest Holland. (Uit Mussert’s verantwoording)
Nederlanders
hebben voor de O.T. ook meegewerkt aan de Westwall en sommigen hebben daarvoor
ook de Westwall medaille uitgereikt gekregen.
W.B.E. Westwall Bau Einsatz. Persoonsbewijzen van
‘spitters’ (mensen die b.v. loopgraven voor de Duitsers moesten graven) kregen
soms een stempel met de letters W.B.E. Dit stempel stond soms ook op een
bescheinigung.
Op 30 augustus 1944 komt het bevel van Hitler om de Westwall
weer in staat van paraatheid te brengen en te verlengen via de IJssel, het
Zwartemeer, de Smildervaart, om Assen heen en verder langs het
Noord-Willemskanaal naar de Eems. Het zogenaamde ‘Putjesgraven’ moet hier
intensief worden aangepakt. Er zullen daartoe burgers worden gedwongen.

De verhuizer werd door het evacuatie bureau toegewezen
Ontruimingsbevel.
Om de verwachte aanval van de geallieerden uit zee het hoofd te
kunnen bieden, beginnen de Duitsers met de aanleg van de Atlantikwall, een
gigantisch stelsel van verdedigingswerken langs de kust van de Atlantische
Oceaan. Schevenigen moet in die ‘stalen muur’ een belangrijk bolwerk worden. Om
dat mogelijk te maken begint in 1942 in Den Haag en Scheveningen een kolossaal
afbraakproces. Huizen moeten plaatsmaken voor de bunkers en de tankgrachten van
de Atlantikwall. Gerekend naar het aantal huizen dat werd gesloopt en de
verdere vernielingen, die door het graven van tankgrachten werden aangericht,
heeft Den Haag wellicht het meest van deze ingreep te lijden gehad. De
Scheveningse pier ging in vlammen op, de Scheveningse Bosjes en de helft van
het Haagse Bos werden gekapt en tussen Wassenaar en Kijkduin werd een strook
van enkele honderden meters breed volkomen kaal geslagen. Alleen in Den Haag
werden in de jaren 1942-1944 ongeveer 28.000 woningen verlaten; een groot
aantal hiervan werd gesloopt om plaats te maken voor kustverdedigingswerken of
om de Duitse kustartillerie schootsveld te verschaffen. Ruim 3000 woningen werden
gesloopt. Meer dan honderdduizend Hagenaars werden gedwongen te verhuizen. Uit
Velsen evacueerden ongeveer 25.000 mensen, uit Zandvoort ruim 8.000. Van Den
Helder tot Zeeuws-Vlaanderen raakten binnen twee jaar als gevolg van deze
evacuaties in totaal zo’n 300.000 mensen op drift. Voor de getroffenen brak een
tijd aan van grote onzekerheid. Waar moesten ze naar toe? Zij die niet voor
eigen onderdak konden zorgen, werden per trein naar de noordelijke provincies
gebracht. Begin december 1942, s’avonds laat, kwam op het station van Hoogezand
een trein aan met ruim 400 van deze evacués uit de duinstreek. Veelal moeders
met kinderen omdat de vaders of gevlucht waren naar Engeland (vissers) of
elders in het arbeidsproces waren ingeschakeld door de Duitsers.
Ook om te
verhuizen had men een vergunning nodig.

Bewaking.
De sabotage van het verkeer heeft geleid
tot de instelling – op last van de vijand – van “bewakingsdiensten”, welke wel
eens het voordeel hadden dat men precies de NSB’ers ter plaatse leerde kennen,
die van zulke diensten waren vrijgesteld. Zij boden bovendien sommige
verzetsstrijders gelegenheid in de “sper-uren” op straat te zijn.
Opdat beschadigingen aan kabels,
wegwijzers, spoorbanen e.d. zouden uitblijven, krijgen de burgemeesters van
talloze gemeenten opdracht bewakingsdiensten te organiseren, waarvoor zij de
nodige mannen uit de bevolking moeten rekruteren.
Oproep om wacht te lopen bij een
dorsmachine. Eén van de
personen in kwestie.
Stro.
Van bijzonder belang was het torpederen
van stro-leveranties aan de vijand: stro diende voor de verpakking van granaten
en er werd cellulose van gemaakt. In vele streken werden dors- en persmachines
verwoest of onklaar gemaakt. In Zeeuws-Vlaanderen durfde geen boer meer voor de
Duitsers te dorsen. En in de nacht van Hitlers verjaardag in april ’44 had de
KP overal in Noord Brabant talloze stro-opslagplaatsen in brand gestoken.

Burgers werden opgeroepen
wacht te lopen.
Bovenstaande
tegels/bordjes werden in serie gemaakt. Het wandplaatje links is van gips. Bij
het tegeltje rechts gaat het om een wit tegeltje dat werd beschilderd. In de
jaren dertig en veertig gebeurde het veelvuldig dat o.a. witte Mosa tegeltjes
werden beschilderd en vervolgens werden verkocht. Zoals uit de voorstellingen
mag blijken, gebeurde het wachtlopen door twee personen.

Deze in opzet ‘foute’ organisatie, opgericht in 1941 naar
analogie van de Technische Nothilfe in Duitsland, was – aldus de toelichting –
te beschouwen ‘als een blijvend orgaan voor belangrijke openbare hulpverlening
van technische aard’. Als een van de taken werd genoemd ‘het beveiligen van
voor den staat en het openbaar leven belangrijke inrichtingen, terwijl
bovendien hulp zal worden verleend bij rampen’. De landelijke leiding van de
Technische Noodhulp was Duits, functionarissen op plaatselijke of
districtsniveau waren in de regel Nederlanders. Het lidmaatschap was op basis
van vrijwilligheid, en na de eerste toevloed van voornamelijk NSB’ers en
Duitsgezinden, hadden ook anderen zich als ‘noodhulpers’ aangemeld, omdat ze in
die hoedanigheid gevrijwaard waren van tewerkstelling in Duitsland. Na de
evacuatie van Arnhem ging de organisatie daar Technische Nooddienst heten.
Tegenover de Duitsers zou dat een voortzetting van de Technische Noodhulp
kunnen suggereren, en tegenover de Nederlanders was er de ‘foute’ bijklank
enigszins mee weggenomen. Veel praktische betekenis had dit overigens niet; in
elk geval voorzag de commandant (Veenstra) zijn briefjes van het stempel
‘Commandant Technische Noodhulp’.
Een Nederlandse M16 helm, voorzien van het embleem van de
Technische Noodhulp aan de ene kant en het rood-wit-blauw aan de andere.
De Technische Noodhulp (TENO) was een verlengstuk van de
brandweer, luchtbescherming, dijkbewaking etc. onder leiding van de NSDAP.

Armband
De leden, moesten contributie betalen en aan wekelijkse
oefeningen deelnemen. In Nederland werd de Technische Noodhulp beschouwd als
een vast hulporgaan van de politie. De leden waren tijdens hun werkzaamheden
onderworpen aan de jurisdictie van het SS- und Polizeigericht.
Document links: Ledenlijst van de E.H.B.O.- en Gasploeg; Plaatselijke groep
NL/86 Assen. Hierop staan de namen van de leider en plaatsvervangende
leider van de E.H.B.O.- en de Gasploeg; 3 ordonnansen en 14 leden. Hieronder het voorlopig legitimatiebewijs en
contributiekaart van een ordonnans. Hij werd lid op 18 maart 1944.

De TN is slechts enkele malen daadwerkelijk ingezet bij redding-
en opruimwerkzaamheden. Het bleef vooral bij oefenen en inspecties.

Sperruren.
Tijdens de ‘Sperrstunden’, mocht niemand op straat lopen. Wie
voor zijn werk tijdens de avondlijke en nachtelijke uren over straat moest had
daarvoor een legitimatiebewijs nodig, ‘Ausweis’ in het Duits, en
‘Sonderausweis’ had helemaal een magische klank.

“Houder dezer is gerechtigd zich van 20.00 uur tot 5.00 uur
in de gemeente Heerenveen in de open lucht te bevinden en wel op weg van (c.q.
naar) zijn/haar woning naar (c.q. van) de plaats van zijn
beroepsbezigheden”.

Armband
‘Strassenerlaubnis’.
Voor de leden van de hulppolitie wordt het steeds moeilijker om
dienst te doen na het ingaan van de ‘Sperrstunde’. Herhaaldelijk wordt door de
Ortskommandant gewezen op de risico’s van het vertoeven buiten, zonder
duidelijk onderscheidingsteken. Aanvankelijk kon worden volstaan met het dragen
van een armband, met het opschrift ‘Politie’, door diegenen die in het bezit
waren van een legitimatiebewijs, afgegeven door de politiechef. Eind 1944 moet
naast de politiearmband nu ook een armband worden gedragen met het opschrift
‘Strassenerlaubnis’. Deze laatste was voorzien van een stempel met adelaar en
hakenkruis .


De inschakeling van arbeidskrachten uit
de bezette gebieden in Duitsland.
De zware verliezen van de Wehrmacht aan mensen aan het Oostfront
en de langere duur van de oorlog noodzaakten de Duitse nazi-leiders steeds meer
Duitsers voor militaire dienst op te roepen. Door het inschakelen van vrouwen
kon het vertrek van de mannen uit het arbeidsproces gedeeltelijk worden
gecompenseerd, maar de Duitse industrie werd in toenemende mate geconfronteerd
met gebrek aan arbeidskrachten. Ondanks schoon klinkende arbeidsvoorwaarden
slaagden de Duitsers er niet in voldoende vrijwilligers uit de bezette gebieden
naar Duitsland te halen om de opengevallen plaatsen op te vullen. Er werd
daarom begin 1942 een grootscheeps plan ontworpen voor gedwongen
tewerkstelling, de ‘Arbeitseinsatz’.

Deze persoon was (voorlopig) vrijgesteld
van de arbeidsinzet en krijgsgevangenschap.
Een beslissende datum in de trieste geschiedenis van de Arbeitseinsatz in Nederland is de dag van 22 maart 1942. Op die datum wordt de verordening nr. 42/1941 betreffende de verplichting tot het verrichten van diensten binnen Nederland gewijzigd. De woorden ‘binnen’ worden geschrapt en daarmee was de ‘wettelijke basis’ gelegd voor de gedwongen uitzending van een onbeperkt aantal Nederlandse arbeiders naar Duitsland en nog oostelijker gebieden.
Door de Duitsers werden speciale commissies gevormd, die een
onderzoek zouden instellen naar arbeiders, die in bepaalde bedrijven gemist
konden worden. De bedrijven zouden worden ‘uitgekamd’, d.w.z. alle overbodige
arbeidskrachten zouden eruit worden verwijderd. Deze commissies bestonden
geheel uit Duitsers: de beruchte Fachberater hadden er een plaats in,
vervolgens – naar nazigewoonte – een Leiter, een ingenieur en een vertegenwoordiger
van de Rüstungsinspektion. Bij dit vieze werk waren dus geen Nederlanders
betrokken, althans zij hadden slechts opdracht de papieren van de slachtoffers,
die gedeporteerd zouden worden, in orde te maken. De Duitsers hoopten op die
manier voor 15 mei 1942 een dertigduizend man te kunnen vangen. De eerste
vordering door middel van het uitkammen van bedrijven werd Holland-Aktion
erstes Programm genoemd, ook wel Sauckel-Aktion, naar de man die in een later
stadium op dit punt in Duitsland en in de bezette gebieden een beangstigende
vermaardheid zou krijgen en daarvoor ook na de oorlog met zijn leven heeft
moeten betalen. Nog in hetzelfde jaar, n.l. 9 september 1942, volgde de
Sonder-Aktion Holland, zweites Programm, waarbij heet contingent was vastgesteld
op veertigduizend man.
Op 6 mei 1943 verscheen de beschikking nr 43/1943, ondertekend
door Schmidt, betreffende de verplichting tot aanmelding voor de Arbeitseinsatz
voor alle mannen van 18 tot 35 jaar. De mannen moesten persoonlijk op het arbeidsbureau
verschijnen en daar een formulier invullen, dat als eerste registratie zou
dienst doen. Na het verschijnen van de oproep in de kranten kregen ze tien
dagen de tijd. Gingen ze zich melden dan werd hun stamkaart (onmisbaar voor het
verkrijgen van distributiebonnen) ingehouden. Wie vrijgesteld werd, omdat hij
bijvoorbeeld in voor Duitsland belangrijke bedrijven werkte, kreeg een stempel
op zijn stamkaart. Wie onder de Arbeitseinsatz viel en zich niet had gemeld
kreeg geen stempel in zijn stamkaart en dus ook geen levensmiddelenkaarten; hij
werd praktisch veroordeeld tot de hongersdood (De stamkaarten moesten worden
afgestempeld). Slechts enkele categorieën waren van deze verplichting
vrijgesteld, n.l. het personeel in overheidsdienst, de spoorwegen en P.T.T.,
personeel van de Nederlandse Bank, de leden van het voormalige Nederlandse
leger, die immers apart werden opgeroepen door Christiansen, en geestelijken.

Aanmelding Arbeidsinzet Verklaring dat
betrokkene is geregistreerd voor de Arbeidsinzet.
Ook NSB’ers
ontkwamen niet aan de arbeidsinzet. De twee documenten hierboven en het
document hiernaast zijn van een NSB’er. Verklaring
van de NSB dat betrokkene, conform de arbeidsinzet, werkzaam is als landarbeider,
bij een NSB boer.
Nederlanders die hun werk in de Arbeitseinsatz apparatuur verrichten, bleven meewerken om tegen te kunnen werken, ze formuleren het zo, dat zij bleven om erger te voorkomen, dat ze bepaalde maatregelen uitvoerden om de uitvoering van andere te kunnen verzachten. Ze leggen de nadruk op hun tegenwerking, op hetgeen ze hebben kunnen redden en voorkomen, terwijl hun critici de nadruk leggen op de zaken waarin ze meewerkten, op de dingen die ze niet hebben kunnen voorkomen en op de gelegenheid, die ze de Duitsers boden, hun plannen uit te voeren. Het was immers een bekend feit, dat de Duitsers noch in eigen land noch onder de hier te lande aanwezige NSB’ers voldoende geschikte krachten konden vinden om hun plannen door te voeren. Zonder de hulp van de vele goede Nederlanders met hun ‘tactische’ overwegingen zouden ze met hun handen in het haar zijn komen te zitten. Arbeidsbureaus, werkgevers, politie bij het opsporen van contractbrekers, distributiekantoren (invoering 2e distributie stamkaart); de Joodse Raad bij de deportatie van joden, overal werd er medegewerkt.
Razzia’s. In 1944 kwam de uitzending van arbeiders naar Duitsland
praktisch tot stilstand. Enerzijds door massaal wordend weigering/verzet,
anderzijds door tegenwerking van Duitse organisaties, die de productie voor
hun bewapeningsdoeleinden in Nederland in stand wilde houden. Na de slag
bij Arnhem verviel dat motief. De kolen uit onze mijnen in Limburg, waar
praktisch de hele industrie op draaide, konden niet meer vervoerd worden.
Nu volgden grote razzia’s in Rotterdam en vele andere plaatsen om de
gevaarlijke geachte ‘weerbare mannen’ (17 t/m 40 jaar) als werkkrachten
naar Duitsland af te voeren.
Dwangarbeiders.
In de laatste maanden van de oorlog speelt de bezetter zijn laatste troef uit: jongens en mannen worden opgeroepen voor arbeid in Duitsland en de lokprijs is voedsel. Tientallen verhongerde jonge kerels bezwijken; met worsten en broden onder de arm trekken zij door de stad, begeleid door Duitse soldaten. Als de vrijwillige aanmelding ondanks het lokaas toch niet voldoende arbeidskrachten oplevert, wordt in januari de algemene arbeidsdienstplicht voor alle mannen van achttien tot veertig jaar afgekondigd en er worden razzia’s op grote schaal georganiseerd.
Op 25 juli 1944 werd Goebbels benoemd tot gevolmachtigde voor de totale oorlogsinspanning (Reichsbevollmächtiger für den totalen Kriegseinsatz). Een van de resultaten van deze nieuwe regeling was de poging om alleen al uit West- Nederland zeshonderdduizend mannen te halen. Tot dat doel werden ook in ons land nieuwe organisaties in het leven geroepen met steeds meedogenlozere kerels aan het hoofd. Eind 1944 kwam hier de Reichsamtleiter Liese aan, die een aparte Arbeitseinsatzstab formeerde, waarmee hij, met behulp van de Wehrmacht, de klopjacht op onze mannen organiseerde. Daarnaast kwam er een steeds grotere behoefte om tegen de oprukkende geallieerde legers stellingen op te werken, waarvoor men opnieuw met behulp van het leger op mensenjacht uittrok. Voor deze zgn. Gemeindeaktionen (zo genoemd omdat ook de burgemeesters werden ingeschakeld en verantwoordelijk gesteld) werd een speciale slavendrijver naar Nederland gezonden, die luisterde naar de schone naam van Schmerbeck.
De algemene gevolmachtigde voor de totale oorlogsinspanning,
Liese, verplichtte bij beschikking van 14 december 1944 alle mannen, geboren in
de jaren 1905 tot en met 1928 en woonachtig in Noord- en Zuid-Holland en
Utrecht, in het kader van de arbeidsinzet te gaan werken. Alleen de mannen, die
volstrekt noodzakelijk waren voor de overheidsdiensten, de voedselvoorziening
en de oorlogsindustrie, konden een bijzonder algemeen geldig bewijs van
vrijstelling krijgen; alle andere tot dan toe uitgereikte bewijzen van
vrijstelling zouden ongeldig worden verklaard. Dank zij een uitdrukkelijke
verklaring van de Nederlandse regering in Londen en de actie van de illegale
pers is deze maatregel algemeen gesaboteerd. Ook de bisschoppen van Utrecht en
Haarlem hebben er het hunne er toe bijgedragen dit eenheidsfront op te bouwen.
Mondeling en schriftelijk hebben zij aan alle functionarissen en aan alle
werkgevers het wachtwoord uitgegeven, zich niet aan te melden en geen
vrijstelling aan te vragen.
Gemeinde
Einsatz.
In oktober 1944 volgden hevige razzia’s,
nadat gebleken was dat aan de oproeping voor de Gemeinde Einsatz onvoldoende
(en eerst onder zware druk) gehoord werd gegeven. (Amersfoort, Utrecht, de Veluwe, Franeker en Harlingen,
het Gooi, Sneek, Leeuwarden), alsook de gijzeling van vooraanstaande burgers
(Lichtenvoorde, Zelhem, Aalten, Winterswijk, Wisch, Doetinchem). In Apeldoorn
werden op 2 oktober zes illegalen en twee geallieerde piloten gefusilleerd en,
opdat de aanmelding voor het “spitten” zou worden gestimuleerd, op de drukste
verkeerspunten neergelegd. Bij wijze van represaille werden steeds vaker, dan
hier, dan daar, gevangenen in het openbaar terechtgesteld.


Proclamatie In opdracht van het “SS Komando” Zevenaar zouden gijzelaars
worden gefusilleerd wanneer de inwoners van Zelhem zich niet zouden melden
voor de vrijwillige tewerkstelling (tot het verrichten van grondwerk in de
provincie Gelderland). Zelhem, NSB’ers werden ook opgeroepen om schanswerk te verrichten in
het frontsector Arnhem. Arbeidsvoorwaarden: Vijf gulden loon per dag plus een uitstekende voeding. Amsterdam, 15 november 1944 H.L.G. Ouwerkerk
Gebit.
Mannen die voor werk in Duitsland werden opgeroepen konden drie maanden
uitstel krijgen door een gebit te laten trekken. Door het bovengebit en
ondergebit, één voor één, te laten trekken kon men zo 6 maanden uitstel krijgen

Gewestelijke
Arbeidsbureaus. Met ingang van 1 mei 1941 voerde de bezetter de Gewestelijke
Arbeidsbureaus in. De oude naam ‘Arbeidsbeurs’ verdween, want een beurs
doet te veel denken aan koopwaar en onze arbeiders waren geen koopwaar. Het
doel van de arbeidsbureaus is, om de mens de arbeid te bezorgen, die hem
ligt, opdat er meer en meer arbeidsvreugde mag komen, zo redeneerden de
Duitsers. Maar het arbeidsbureau was, net als de andere, gewoon een
instelling ten behoeve van de Duitse oorlogsmachine. Een grote steun voor
een slecht doel.
Duizenden werklozen gingen voor de oorlog de grens over om in Hitlers oorlogsindustrie te werken. De Nederlandse overheid ging dat zelfs verplicht stellen. Ongehuwde mannen die weigerden in Duitsland te gaan werken, kregen geen uitkering (steun) meer. Het intrekken van de steun was allesbehalve een onschuldige maatregel. Voor vele gezinnen betekende dit een onmiddellijke bedreiging met brodeloosheid en een onmogelijkheid het gezin in stand te houden. Dus gingen al vóór de oorlog tienduizenden Nederlandse jongens naar Duitsland. Als een soort dwangarbeiders van de eigen regering.
‘Vrijwillige’ arbeid.
In 1940 was de vrijwilligheid om te werken in Duitsland al niet meer dan schijn. Hoewel er nog geen aanmeldingsplicht voor werklozen bestond, konden de ambtenaren van de arbeidsbeurzen werkloze mannen tot arbeid in Duitsland verplichten op straffe van inhouding van de steungelden. Hetzelfde gold voor hen, die van de armenzorg ontvingen. Op 25 juni 1940 werd er een bericht aan alle gemeentebesturen gezonden, dat werk in Duitsland als “passende arbeid” beschouwd diende te worden, arbeid dus, die de gesteunde verplicht was te aanvaarden.
Een circulaire
van het Departement van Sociale Zaken van 25 juni 1940 meldt: “Het weigeren van
werk in Duitsland heeft tot gevolg stopzetting van ondersteuning van plaatsing
bij de werkverschaffing of van uitkering uit de werklozenkas”.
Van de commissarissen der koningin zijn aanmaningen aan de burgemeesters uitgegaan, om volle medewerking aan emigratie naar Duitsland te geven. Bij circulaire van 25 juni 1940 deed de onverdacht goede secretaris-generaal voor Sociale Zaken, mr. Dr. A.L. Scholtens (op 27 augustus daaropvolgend ontslagen) aan de gemeentebesturen weten dat de arbeid in Duitsland in het algemeen voor Nederlanders passend was, met gevolg dat weigeren van werk in Duitsland tot gevolg zou hebben stopzetting van ondersteuning, van plaatsing bij de werkverschaffing of van uitkering uit de werklozenkas, tenzij in bijzondere gevallen anders was beslist. Het sluitstuk op deze regeling bevatte de circulaire van 2 oktober 1940, waarin werd medegedeeld, dat ten aanzien van personen, die hun arbeid in Duitsland hadden verlaten en naar Nederland waren teruggekeerd, in het algemeen moest worden aangenomen, dat zij vrijwillig werkloos waren geworden en deswege niet voor ondersteuning enz. in aanmerking kwamen.
Merkwaardig is dat de gewestelijke arbeidsbureaus in de eerste
naoorlogse jaren hun hele oorlogsadministratie hebben vernietigd.

Paspoort, alleen geldig voor Duitsland Treinkaartjes
Een half miljoen Nederlanders werden, aanvankelijk via administratieve maatregelen van de Gewestelijke Arbeidsbureaus, later ook door wilde klopjachten, ingelijfd in de Duitse oorlogsmachine, als werkkrachten in de fabrieken, bij het aanleggen van verdedigingswerken, enz. enz. Deze jacht op mensen is allengs naar mate de oorlog voortduurde de alles overheersende factor van het Duitse beleid en het Nederlandse leven in bezettingstijd geworden. Alleen tegen deze achtergrond kunnen de gedragingen van ambtenaren, werkgevers en arbeiders beoordeeld worden, is de vorm en de felheid van het ondergrondse verzet te begrijpen en is er iets na te voelen van de schrik en ontsteltenis, die de Duitse bezettingshorden in Nederland hebben gezaaid.
Het was opvallend hoeveel medewerking de Nederlandse
autoriteiten gaven. Normaliter duurde het een hele tijd voor je een pas kreeg,
maar de mensen die in Duitsland moesten gaan werken kregen een pas binnen drie
dagen. Ook de gemeente werkte mee, want je had een verklaring van de
burgerlijke stand nodig en die verscheen prompt, met een handtekening eronder
van een gemeenteambtenaar. En het arbeidsbureau had een keurig arbeidscontract
opgemaakt. Het werd van Nederlandse zijde dus helemaal netjes geregeld.
3
documenten van één persoon. 1. Bunker ausweis.
Alleen op vertoon van dit pasje mocht deze Nederlandse arbeider een
schuilkelder in bij een luchtaanval. Russische dwangarbeiders b.v. werden
niet toegelaten. 12 juni 1944. 2. Mein letzter wille. In
geval van ziekte, verwonding of sterven moest een priester worden geroepen.
3. Legitimatie pasje.
Firma Ruhr Chemie.

Van Honk. Dit was een ‘front’ blaadje dat op sommige plaatsen in
Duitsland onder de Nederlandse arbeiders verspreid werd. In 1942 redigeerde
Ernest Michel in Berlijn het blad voor de Nederlandse arbeiders in
Duitsland. Hij vloog al in november 1941 wegens ondisciplinair denken de
NSB uit. Van Honk had de pretentie ‘als een soort bemiddelaar op te treden
tussen het Duitse volk en de naar Duitsland gekomen Nederlandse werkers’.
Ook al had het weekblad onmiskenbaar een nationaal socialistische
signatuur, voor de Nederlandse arbeiders waren er weinig alternatieven.


Brief van
de ´Krankenkasse´. Deze Nederlander had zich tijdens zijn verlof in Nederland
ziek gemeld. Hem werd te kennen gegeven zich zo spoedig mogelijk te melden
bij zijn werkgever in Duitsland. Wanderpersonalkarte Op deze kaart van een Nederlandse binnenvaartschipper werd
bijgehouden welke artikelen de schipper van de Duitse distributiedienst had
ontvangen.

Een z.g.
‘Vorläufiger Fremdenpass van een Nederlandse kapitein. Getuige de politiefoto
(nummer onder de foto) is deze Nederlander opgepakt in Duitsland; Dresden 1944.
Arbeitsbuch
fur Ausländer. Nederlandse arbeiders in Duitsland
moesten dit identiteitsbewijs bij zich dragen.

Arbeitsbuch van een Nederlander met bedrijfspas in metalen
houder.
Arbeitsbuch.
Personen van Duitse nationaliteit konden vanaf 1939 voortaan
worden verplicht arbeid te verrichten of een vak te leren op een hun door de
overheid aangewezen plaats, dit heette Dienstverpflichtung. Op niet nakomen van
deze verplichting stond boete of gevangenisstraf. De arbeiders gingen naar de
wapenindustrie, de chemische industrie, de auto-industrie en het verkeerswezen.
Vanaf 1939 waren aanstelling en ontslag alleen nog maar mogelijk met
toestemming van de arbeidsbureaus. Elke verandering werd in ieders Arbeitsbuch
genoteerd. Na het uitbreken van de oorlog in 1939 werd de Dienstverpflichtung
een mobilisatiebevel en waren de Duitse arbeiders gelijkgesteld met de
militairen.
Er bestond een wisselwerking tussen front en achterland. Naarmate er ginds meer slachtoffers vielen werd de druk op de achtergeblevenen zwaarder. Steeds weer moesten nieuwe lichtingen opgeroepen worden om de opengevallen plaatsen aan de fronten aan te vullen. Dat betekende tevens dat in de maatschappij zelf een steeds strenger onderscheid gemaakt diende te worden tussen werkzaamheden en bedrijven, die van direct belang waren voor de oorlogsvoering, en de bedrijven, die vanuit dit oogpunt als niet strikt noodzakelijk, dus als luxe beschouwd konden worden. Er ontstond aldus een voortdurende stroom van arbeiders uit de laatstgenoemde soort, n.l. de nicht-kriegswichtige bedrijven, naar de eerste soort, de kriegswichtige bedrijven. De organisatie en uitvoering hiervan vroeg niet alleen een volledige registratie van alle arbeiders, ook hun bewegingen moesten geadministreerd kunnen worden en tevens de bedrijven, waarin ze werkten.
Aangezien Hitler en zijn handlangers vrijwel onmiddellijk na de Machtsübernahme met hun militaire voorbereidingen voor de grote dag begonnen, dateren de eerste maatregelen op het gebied van de arbeidersregistratie dan ook al uit 1934. Op 15 mei 1934 komt tot stand het Gesetz zur Regelung des Arbeitseinsatzes, waarbij aanstelling en ontslag in bepaalde (natuurlijk kriegswichtige) bedrijven slechts met toestemming van hogerhand konden geschieden. Op de dag, dat de Duitsers Polen binnenvielen, werd bij decreet van 1 september 1939 deze aanstelling- en ontslagvergunning voor alle bedrijfstakken ingevoerd. Op deze wijze kon de staat het verloop van arbeidskrachten nauwkeurig volgen. Toen de noodzaak steeds groter werd de arbeiders daar te werk te stellen, waar ze het meest nodig waren, volgde de wet op de dienstverplichting. Een arbeidsboek registreerde van elke arbeider gedrag en veranderingen van betrekking. Ook in Nederland hebben de Duitsers getracht een Arbeidsboek voor elke arbeider in te voeren. De poging is mislukt. Zoals het met de mensen ging, ging het ook met de bedrijven zelf, die eveneens werden geregistreerd en naar goeddunken van hogerhand konden worden gesloten.
Geen menu links in beeld? Klik hieronder