Algemeen regels en adviezen (meestal bruikbaar in het middenspel)

 

R. Teichmann: "Schaken is 99% tactiek".

David Bronstein: Een van de moeilijkste problemen in het schaken is om aanvallende zetten te laten coördineren met verdedigende zetten.

 

Sla richting het centrum, als je een keus hebt.

Sla niet automatisch een stuk terug, er zou wel eens een belangrijke tussenzet mogelijk kunnen zijn, vooral als er iets geforceerd kan worden. Het voor de handliggende is vaak onze vijand, - controleer!

Als je een bepaalde zet (bijv. een pion terugslaan) toch een keer moet doen, doe dat dan meteen, in plaats van je kaarten bloot te leggen met een andere zet.

 

Begin geen dubieuze (misschien fraaie) combinatie als er een andere directe weg naar de winst is. De tijd voor een riskante combinatie is pas gekomen als u verloren staat of wanneer u zich al aan een actieplan hebt gebonden.

Zorg primair voor het stuk met de minste activiteit (verbeter zijn positie).

Als je beter staat, moet je niet vrijwillig de spanning opheffen; (dat doe je alleen als je er een permanent voordeel mee kan verwerven).

Stukken werken samen als ze aaneengesloten velden bestrijken.

Methoden voor het inperken van activiteit kan door:

a. actieve stukken = aanvallers ruilen;

b. stukken binden (bijv. pennen) of een verdedigende functie geven;

c. ze insluiten opsluiten of verjagen;

d. spanning handhaven.

 

Eigen kwetsbaarheid verminderen doe je door :

a. pionstructuur verbeteren;

b. alle stukken gedekt houden of extra dekken (uberdecken);

c. zwaktes oplossen (is ook a);

d. spanning opheffen.

 

Een toren achter de vijandelijke linies is een kracht waar je rekening mee moet houden.

Kwetsbaarheid bij tegenstander verhogen door :

a. pionstructuur verslechteren;

b. aanvalsdoelen creëren;

c. verzwakkingen uitlokken;

d. goede verdedigers ruilen;

e. spanning creëren;

Als een vijandelijk stuk weinig mobiel is, zoek dan naar mogelijkheden het definitief op te sluiten.

 

Ken de wegen naar Remise:

a. onvoldoende materiaal voor mat;

b. onvoldoende materiële voorsprong voor mat;

c. eeuwig schaak;

d. eeuwige aanval;

e. pat; 

f. vesting;

g. (3x) zetherhaling;

h. 50-zettenregel.

Ken de standaard remise eindspelen en de plannen om die remise te maken.

 

Tegen het vijandelijke (pionnen)centrum moet u met alle toelaatbare middelen strijden.

 

Als je een openlijn kunt controleren, gebruik deze dan om op de 7e rij binnen te komen waarmee je een aanval op bepaalde punten  kunt voeren welke dan zeer lastig te verdedigen zijn.

 

3 pionnen voor een stuk: als je het extra stuk hebt (en de dames zijn nog op het bord), probeer dan extra krachtig het middenspelinitiatief te krijgen en te behouden. Ieder moment dat hij even kan ademhalen zal voor hem reden zijn, zijn pionnen op te laten rukken. Degene die de pionnen heeft moet proberen naar het eindspel af te wikkelen. M.a.w. in het middenspel neem het extra stuk; In het eindspel de pionnen.

Met het extra stuk moet je de aanval zoeken voordat de pionnen te sterk worden.

David Bronstein meldt nog dat een pion over de middellijn spelen (bijv. e4-e5) vaak zinvol is.

 

Paarden die elkaar (moeten) dekken is een zwakte.

Paarden zijn sterk in het centrum en rondom vijandelijke pionnen.

Paarden kunnen het best in het centrum (op een voorpost = sterk veld met steunpunt) hun werk doen Een paard in het centrum gesteund door een pion en gevrijwaard van aanvallen is sterker dan een loper en soms net zo sterk dan een toren (Tarrasch).

Paarden zijn het sterkst op centrale velden met een steunpunt en torens op (half) open lijnen.

Het paard en de koning zijn sterk in kleine ruimtes.

 

Lopers worden sterker naarmate de stelling meer open is.

Lopers zijn het sterkst langs open diagonalen;

Zijn er weinig belemmeringen dan stijgt de waarde van de loper.

Bij de aanwezigheid van een slechte loper, is het een goede strategie om stukken te ruilen. Het overwicht van het paard neemt daardoor toe.

Bij een gefianchetteerde loper (op bijv.g2) ontstaan er de risico’s van de verzwakkingen h3 en f3 als de loper is verdwenen. De koning kan in gevaar raken. Bijv. de manoeuvre Dame op f3 en pion h5-h4-h3.

 

(Lissyzyn): De Loper is sterker dan het paard omdat:

Ø      bij het ondersteunen van een vrijpion kan de loper dat op afstand doen;

Ø      bij het gelijktijdig tegenhouden van een vrijpion en ondersteunen van een eigen vrijpionnen is de loper meer geschikt;

Ø      bij pionnenketens op de verkeerde (andere) kleur dan de loper, is de activiteit groter;

Ø      bij de strijd tegen pionnen is de loper sterker.

 

(Kottnauer): Twee lopers.

Een of twee lopers zijn het sterkst in open stellingen, waar ze niet in hun beweging worden gehinderd door vijandelijke of de eigen pionnen.

In vastgelopen stellingen (dit is een extreem voorbeeld) zijn ze soms nauwelijks meer waard dan pionnen.

Twee lopers moeten samenwerken: de druk van de ene loper dwingt open lijnen voor de andere af.

Het is verre van gemakkelijk - als de omstandigheden overigens gelijk zijn - te bewijzen, in het bijzonder in een eindspel met lichte stukken, dat het bezit van twee lopers vanzelfsprekend een voordeel betekent. Integendeel, in zulke eindspelen is dikwijls langdurig en subtiel, ja waarlijk grootmeesterlijk, manoeuvreren noodzakelijk voordat iets concreets wordt bereikt.

 

Torens zijn sterk in het eindspel waar ze ruimte krijgen voor rechtstreekse manoeuvres.

Twee torens zijn over het algemeen sterker dan de dame, vooral als een vijandelijk stuk kan worden gebonden. De dame moet compensatie zoeken in de activiteit t.o.v. de massieve werking van de torens.

Als een toren de koning op de 8e rij ‘vasthoudt’ mag gezocht worden naar een matnet.

 

Dame + Paard werken complementair samen en zijn sterker dan Dame + loper en kunnen sterker zijn dan Dame + toren!. Een samenwerking van paard met dame tegen dame met loper is vaak sterk. De techniek van het juist dirigeren van de pionnen is daarbij van belang.

In het midden van het bord kan een paard gesteund door een pion, zo sterk zijn als een toren. Maar aan de rand van het bord werkt een paard niet optimaal.

Zijn er geen zware stukken op het bord, dan wordt de waarde van de koning groter.

 

Ook als je materiaal voorstaat gelden de regels van gezond positieschaak.

De waarde van de beweeglijkheid: pion 1, paard en loper 3, koning 4, toren 5 (4.5), dame 9.

 

Niet gecoördineerde acties op twee vleugels kunnen niet goed zijn als de tegenstander zijn strijdkrachten gecentraliseerd heeft en een voorsprong in ontwikkeling heeft.

Als je overwicht hebt op een vleugel is het verstandig daar je pionnen naar voren te brengen.

 

De controle over centrale velden is van bijzonder belang. Een stuk voorgoed in het centrum kunnen posteren is een groot voordeel.

 

1.   Als je kunt, centraliseer stukken. Het gaat in het schaken om mobiliteit, kwetsbaarheid en coördinatie. Daar moet je gevoel voor opbouwen.

2.   Als 1 stuk slecht staat, staan alle stukken slecht.

3.   Als je een geïsoleerde pion hebt, houdt dan zoveel mogelijk stukken op het bord; Andersom als je tegenstander een geïsoleerde pion heeft, is afruil een methode te profiteren van deze zwakte.

4.   Als je een pionverzwakking op je (konings)vleugel moet toestaan en je kunt kiezen, kies dan voor de verzwakking zover mogelijk van het centrum. Dus bijv. liever h3 dan f4. Val de door h3 (of f3) verzwakte (konings) vleugel aan met g5-g4.

5.   Als het centrum gesloten is, moet je actief worden waar je het meest ruimte hebt. Waar je weinig ruimte hebt moet je niet verzwakken en dus zo min mogelijk doen. Je moet ook snel een lijn openen op de vleugel waar je actief kunt worden.

 

De stijl van Stahlberg (e.a.): Speel geen pionnen op, maak geen verzwakkingen, laat geen enkele agressiviteit zien, maar ruil wel en wees klaar voor het zetten van een tactische grap.

 

Pionnenroof (wat vaak een aantal zetten kost) is alleen verantwoord als je voldoende ontwikkeld bent en zorg dat je de stelling daarna goed beoordeeld hebt.

 

Een algemene strategie is om een zwak punt eerst te isoleren, te omsingelen en dan pas aan te vallen.

Een zwakte kan ook de zwakke positie van een stuk zijn.

 

Het is onmogelijk om te schaken zonder soms strategisch een risico te nemen (zeker met zwart). Vasiliev.

 

1. Opening.

2. Eindspel.

3. Middenspel algemeen.

4. Verdedigen.

5. Ruilen.

6. Velden.

7. Pionnen.

8. Koning.

9. Aanval / Initiatief.

10. Open Lijnen.

11. Positionele Voordelen.

12. Stelling beoordelen.

13. Psychologie.

14. Spelen tegen een sterkere tegenstander.

15. Denken verbeteren.

16. Trainen.

17. Trainingsadviezen.