Honden kunnen ziek of geblesseerd worden. Er zijn echter ziekten die rasgebonden zijn, wat zoveel wil zeggen dat ze bij bepaalde rassen meer voorkomen als bij andere rassen.

Hieronder worden een aantal ziekten genoemd die bij border collies meer voorkomen dan bij andere honden, en tevens een aantal andere vervelende kwalen.

    

TNS Trapped Neutrophil Syndrome HD  Heupdysplasie 
CEA  Collie Eye Anomaly Epilepsie
PRA   Progressieve Retina Atrofie Kennelhoest
MDR1-gen Schildklierproblemen
NCL Neuronale ceroid lipofuscinoses Anaalklieren
 
           
                    
 TNS of Trapped  Neutrophil Syndrome    

is een aangeboren erfelijke ziekte van het immuumsysteem bij de border collie. De ziekte werd voor het eerst beschreven in 1996 in Australië en Nieuw-Zeeland. 

Bij gezonde dieren staan witte bloedcellen in voor de bestrijding van infecties. Witte bloedcellen worden aangemaakt in het beenmerg en komen na een rijpingsfase terecht in het bloed. Bij een infectie verplaatsen de witte bloedcellen zich naar de infectiehaard om de infectie te bestrijden. Bij TNS blijft een bepaald type witte bloedcellen, de neutrofielen, gevangen in het beenmerg waar ze geproduceerd worden. Ze komen dus niet in de bloedbaan terecht waardoor het immuunsysteem niet goed functioneert.  

Pups met TNS kunnen een diversiteit aan verschijnselen hebben, welke zich uiten in:

    1) kleiner zijn dan hun nestgenoten

    2) groeien trager en hebben een slechte vachtkwaliteit

    3) Ze hebben heel uiteenlopende klachten: braken en diaree, slechte eetlust, mankheid, gezwollen gewrichten en botontsteking.

    4) Ze zijn vatbaar voor allerhande infecties. Hebben regelmatig koortsaanvallen en reageren slecht op medicatie.

De meeste van deze pups sterven al of worden geëuthaniseerd rond de leeftijd van vier maanden. De oudste hond met TNS is twee jaar en acht maanden oud geworden.

Diagnose

Een border colliepup met steeds terugkerende infecties is verdacht van TNS, ook een te laag aantal neutrofielen in het bloed kan in de richting van TNS wijzen, maar niet alle pups vertonen een te laag aantal neutrofielen. De enige echte diagnostische test is een genetische test die wordt uitgevoerd op een bloedstaal. Deze test gebeurt in Australië aan de universiteit van New South Wales. Aanvraag van alle formulieren kan via een email aan Dr. Alan Wiltin: a.wilton@unsw.edu.au

Ook Laboklin in Bad Kissingen (Duitsland)  en Optigen in Ithaca (New York, U.S.A.) voeren testen uit om TNS zichtbaar te maken.

Met deze test kunnen ook de dragers van TNS worden opgespoord, zodat vooraf in de fok , er rekening mee kan worden gehouden, waardoor uiteindelijk het ideaal beeld gehaald kan worden.......geen TNS meer in de hondenwereld. 

Het is een recessieve ziekte, wat inhoudt dat zowel de reu als ook de teef drager moeten zijn van het TNS-gen, om de ziekte door te kunnen geven aan de pups. Indien één van beide vrij is van TNS, kan de ziekte niet doorgegeven worden. Echter er kunnen wel weer TNS-dragers tussen de pups zitten. Statistisch gezien zal 25% van de pups TNS ontwikkelen, 25% zal TNS-vrij zijn en 50% zal drager van de ziekte zijn. In het belang van de gezondheid van het ras zou de aandoening algemeen gekend moeten zijn en zouden dragers van de aandoening opgespoord moeten worden.

Verwachte resultaten bij het fokken van TNS dragers

 

Ouder 2 Genotype

Normaal/Vrij

Drager

Ziek

Normaal/Vrij

100% = Normaal/Vrij

50% = Normaal/Vrij
50%= Drager

100% = Drager

Drager

50% = Normaal/Vrij
50%= Drager

25% = Normaal/Vrij
50% = Drager
25% = Ziek

50% = Drager
50% = Ziek

Ziek

100% = Drager

50% = Drager
50% = Ziek

100% = Ziek

naar Boven

 

        

 

CEA Collie Eye Anomaly

CEA is een verzamelnaam van een groep aangeboren ontwikkelingsstoornissen aan één of beide ogen, die gedurende het leven  van de  hond in de meeste gevallen stabiel blijft. De pups worden dus met CEA geboren of niet.  CEA veroorzaakt geen pijn voor de hond.

Er bestaan verschillende soorten CEA:

TORT = tortuosity. Dit is de lichtste afwijking die bestaat uit een overmatige kronkeling van de netvliesvaatjes. Er bestaat enig verschil van mening over de vraag of TORT wel bij het CEA-syndroom behoort. TORT geeft geen problemen met het gezichtsvermogen.

CRD = chorioretinale dysplasie. Hierbij zijn kleine gebiedjes netvlies-vaatvlies verkeerd aangelegd. CRD geeft geen problemen met het gezichtsvermogen.

COL = colobomata (sluitingsdefecten). Een coloboma geeft alleen bij hoge uitzondering problemen met het gezichtsvermogen, zelfs als zij erg groot zijn en/of in de papil of blinde vlek liggen.  

De ernstigste typen afwijkingen die horen bij CEA zijn AR = netvliesloslating (kan tijdens het leven enigermate veranderen), IOB = bloedingen in het oog (kan tijdens het leven enigermate veranderen) en HP = hypoplastische papil (onderontwikkelde oogzenuw). Deze vormen hebben vrijwel steeds blindheid van het desbetreffende oog tot gevolg. Het is overigens niet geheel duidelijk of HP inderdaad bij het CEA-syndroom behoort of dat het een aparte afwijking is.  

Er komen ook overgangsvormen voor, waarbij niet zeker is of de hond net wel of net niet als vrij van CEA moet worden beschouwd. Deze honden worden als twijfelgevallen aangemerkt.

In het kader van de bestrijding van CEA is het beste de controle op de afwijking in de 6e levensweek te verrichten, omdat bij de lichtste vormen de plekjes bij de vorming van de reflectorlaag in het oog (7-8e week) worden afgedekt en daardoor aan het oog van de onderzoeker worden onttrokken. Dergelijke honden lijken daardoor later vrij van CEA, terwijl zij bij de nestcontrole niet-vrij zouden hebben gekregen; zogenaamde "go normals". Voor de vaststelling van de overige vormen van CEA is het beter als de oogbol volgroeid is.

  CEA is een erfelijke afwijking, die een enkelvoudig, niet geslachtsgebonden, recessieve wijze van overerven zou vertonen. Toch lijkt het erop, dat er een zekere variatie in de expressie aanwezig is, waardoor het patroon van overerven wat minder simpel is dan bij de PRA-nachtblindheidsvorm.

naar Boven

PRA  Progressieve Retina Atrofie  


Verschrompelen de kegels eerst, dan wordt dit voorafgegaan door Pigment Epitheel Dystrofie (PED). PED wordt gekenmerkt door het optreden van pigmentophopingen in het pigmentepitheel van het netvlies. In een wat verder gevorderd stadium van de ziekte gaan de kegeltjes degenereren. De honden gaan hierdoor, zo tussen de leeftijd 3 tot 5 jaar, overdag duidelijk minder goed zien. Verschrompelen de staafjes het eerst, dan zal eerst nachtblindheid (oude benaming: gegeneraliseerde PRA) optreden. Zijn de staafjes en de kegels beiden geheel verschrompeld, dan is het dier geheel blind. Dit proces treedt aan beide ogen tegelijk op en verloopt beiderzijds in gelijk tempo.

PRA-nachtblindheidsvorm is een progressieve afwijking aan één of beide ogen, die begint met nachtblindheid en daarna verergert, om tenslotte te leiden tot blindheid aan één of beide ogen. Een hond met PRA behoort van de fok te worden uitgesloten.

PRA volgt steeds een niet geslachtsgebonden, enkelvoudig recessief patroon van overerven. Dit wil zeggen dat lijders aan PRA de eigenschap van de vader en de moeder moeten hebben geërfd, beiden moeten dus op zijn minst dragers van de PRA-eigenschap zijn.

PRA komt tot op heden bij de Collie zeer zelden voor. Om te zorgen dat deze ernstige afwijking geen kans krijgt zich binnen het ras te verspreiden, wordt toch een geldig PRA-onderzoek bij de betreffende ouderdieren verplicht gesteld voor het verkrijgen van Pupinfo. De geldigheidsduur van een PRA-onderzoek is momenteel 1 jaar.  

 naar Boven

MDR1-GENDEFECT

MDR staat voor Multi Drug Resistance


Honden met een MDR1 gendefect kunnen de stof P-glycoproteine niet maken, waardoor bepaalde stoffen (veel voorkomend in medicijnen) niet uit de hersencellen geweerd kunnen worden. Hierdoor wordt de concentratie van deze stoffen in de hersencellen zo hoog dat ze giftig kunnen worden en voor problemen zorgen. Dit gendefect zien we bij collies, shelties, bobtails en verschillende type herdershonden.

 naar Boven

CL of NCL  staat voor Neuronale ceroid lipofuscinoses

NCL vormen een groep stofwisselingsziekten met het volgende kenmerk: in de zenuwcellen (neuronen) van hersenen en in andere weefsels, zoals spiercellen, wordt de stof 'ceroidlipofuscine' gestapeld. Bij NCL leidt deze stoornis van de zenuwcellen in het netvlies tot achteruitgang van het gezichtsvermogen. Een gestoorde functie van de zenuwcellen die de spieren besturen, leidt tot motorische problemen, een mild ongecoördineerde gang, met af en toe struikelen of het kruisen van de poten. Het verlies aan coördinatie wordt erger naarmate de ziekte vordert. Ze hebben het vaak moeilijk om ergens op te springen, of om de trap op en af te gaan. In het eindstadium van de ziekte vallen de honden vaak en kunnen maar moeilijk weer overeind komen. 

Er treden daarnaast een soort epileptische verschijnselen en lichte spierschokjes op. Ook kunnen er stoornissen in het geheugen, slaapstoornissen en gedragsproblemen zich ontwikkelen. Gedragsproblemen doen zich voor als de hond met NCL agressiviteit ontwikkelt ten opzichte van mensen en/of andere honden. Honden met deze aandoening lijken vaak nerveus of angstig. Veranderingen in eetgedrag worden ook gerapporteerd. Aangetaste dieren verliezen vaak hun aangeleerde gewoontes.

Afwijkingen in zicht:
Het zicht in het schemerdonker wordt gaandeweg slechter, soms evoluerend tot slecht zicht onder heldere lichtomstandigheden. De pupillen kunnen licht vergroot zijn. Zowel de directe als indirecte pupilreflex (waarbij de pupillen kleiner worden als met fel licht in de ogen wordt geschenen) zijn vertraagd in aangetaste honden.

Veranderingen aan het netvlies:
Oogonderzoek suggereert een traag progressieve degeneratie van het netvlies (retina), afhankelijk van hond tot hond. Vroege tekens van deze retina-degeneratie zijn een lichte toename in weerkaatsing op het tapetum in de midperiferale fundus, alsook een verzwakking van de bloedvaten aan de periferie van het netvlies. Bij sommige honden wordt op het einde van de ziekte een veralgemeende retina-degeneratie vastgesteld.

Electroretinografie (ERG):onderzoek van de elektrische activiteit van het netvlies (retina).
Er is een duidelijke verzwakking in de functie van het netvlies, vooral in het eindstadium van de aandoening. De werking van de staafjescellen is tot 90% verminderd in honden met NCL, hoewel de kegelcellen normaal blijven.

Epileptische aanvallen:
Milde aanvallen, soms niet herkend door de eigenaar, zijn frequent. Soms zijn de aanvallen zelfs ernstig.

Histopathologie: studie van ziekteprocessen in weefsels.
Een massale opstapeling van autofluorescente stapelingslichaampjes komt voor in het volledige centrale zenuwstelsel, waaronder cerebrale cortex, cerebellum (kleine hersenen) en netvlies. De aanwezigheid van stapelingslichaampjes in de gangliacellen van het netvlies is diagnostisch. De structuur van deze stapelingslichaampjes is op electronenmicroscopie verschillend tussen de weefsels, maar bevatten altijd membraanachtige insluitsels..

Voorkomen
NCL komt ook bij de Border collie voor. Via DNA-onderzoek kan getest worden of een hond het defecte gen heeft. Het hoeft niet zo te zijn dat een hond met het defecte gen gelijk de ziekte ontwikkeld. Hiervoor moet hij wel homozygoot zijn, wat wil zeggen dat de hond het defecte gen van beide ouders moet hebben meegekregen.
NCL zijn autosomaal recessief erfelijk en tot nu toe is genezing niet mogelijk.

 naar Boven

Heupdysplasie (HD)   Auteur: Drs C.D. van Zuilen

 

Dit is een aandoening, waarbij er teveel speling aanwezig is in het heupgewricht, waardoor een misvorming van het heupgewricht kan ontstaan. Heupdysplasie komt niet alleen voor bij honden maar ook bij mensen en katten. Honden met heupdysplasie behoren vooral tot de grotere en middelgrote hondenrassen, In het merendeel van de gevallen (93%) zijn beide heupen aangetast, maar HD komt ook wel eens voor aan slechts één heupgewricht.

Bij mensen is heupdysplasie een aangeboren ziekte, hetgeen betekent dat een baby reeds bij de geboorte afwijkende heupgewrichten heeft. Dit in tegenstelling tot de hondenpup die geboren wordt met 'normale heupen'. HD is bij de hond een erfelijke maar geen aangeboren ziekte, waarbij de afwijkingen aan de heupgewrichten zich in het eerste levensjaar zullen ontwikkelen. Naast de erfelijke aanleg die een hond kan hebben voor HD, is er ook een grote omgevingsinvloed op het zich ontwikkelen van HD. 

Voorbeelden van deze omgevingsfactoren zijn: (over)gewicht en bouw van de hond, voeding (mineralen) en overmatige inspanning (denk hierbij ook aan Agility). Omdat deze omgevingsfactoren een belangrijk onderdeel vormen bij zowel het voorkomen als de behandeling van HD zullen we hierop in dit artikel uitgebreid ingaan.

Het ontstaan van HD

Wanneer een pup geboren wordt, heeft deze normale heupen, ongeacht of de hond een erfelijke aanleg heeft voor HD of niet. Het heupgewricht is een kogelgewricht. Het bestaat uit de kop van het dijbeen, die kan draaien in de heupkom. 

Het heupgewricht is een kogelgewricht - 

A is de heupkom 

B is de kop van het dijbeen 

Bij een normaal gezond heupgewicht zit de kop stevig vast in de voldoende diepe heupkom. Het heupgewricht wordt omgeven door het gewrichtskapsel en de daarin aanwezige gewrichtsvloeistof. Deze vloeistof dient als smeermiddel en als voedingsbron voor het gewricht. De stevige aansluiting van de kop in de heupkom zorgt voor een normale ontwikkeling van het heupgewricht. Bij de normale hond wordt de kop in de kom stevig op zijn plaats gehouden door het gewrichtskapsel, de gewrichtsbanden en de spieren van de achterhand. Bij de hond met aanleg voor HD is er sprake van teveel speling in het gewricht, waarbij het gewrichtskapsel en de banden onvoldoende stevigheid en steun geven. De onvoldoende aansluiting van de heupkop met de heupkom geeft bij de opgroeiende hond na verloop van tijd aanleiding tot een afwijkende groei en vorming van het heupgewricht. De misvorming van het heupgewricht (ondiepe heupkom, afgevlakte kop) veroorzaakt daarop weer meer speling, doordat de dijbeenkop en de heupkom nog slechter in elkaar passen. Speling in het heupgewricht en/of het niet goed passen van de kop in de kom, veroorzaakt ook overmatige slijtage van het gewricht. 

Heupdysplasie = misvorming van het heupgewricht  

A ondiepe heupkom 

B afgevlakte kop v/h dijbeen 

De verschijnselen van HD

Vooraf is het belangrijk te onderkennen dat lang niet alle honden met HD ook daadwerkelijk klachten ontwikkelen! Er zijn veel honden waarvan de eigenaar niet weet dat de hond behept is met HD en die nooit verschijnselen van HD zullen vertonen. Hoeveel problemen een hond met HD heeft, is afhankelijk van de ernst van de gewrichtsveranderingen, de leeftijd van de hond, de beweging die de hond krijgt en de individuele pijngevoeligheid van de hond. Honden met HD zijn in te delen in drie verschillende groepen:

1. Honden met HD zonder klachten;

2. Jonge honden (6 - 18 maanden) met HD en pijnklachten;

3. Volwassen honden met HD en pijnklachten.

Deze groepen worden hier apart besproken, omdat de behandeling verschillend is.

1. Honden met HD zonder pijnklachten

Honden met heupdysplasie zonder pijnklachten hebben geen behandeling nodig. Wél is het verstandig om honden waarvan bekend is dat zij HD hebben, niet te zwaar te belasten. Honden met HD kunnen uitstekend functioneren als huishond, maar zware belasting zoals bij de africhting vergroot de kans op pijnklachten. Ook is het beter deze honden niet te zwaar te laten worden, omdat het overgewicht de sterk veranderde heupen extra belast.

2. Jonge honden met HD (6 - 18 maanden) en pijnklachten

Jonge honden met HD kunnen vanaf de leeftijd van 6 maanden geleidelijk aan verschillende symptomen laten zien zoals moeilijk opstaan, heupwiegend lopen, liever niet willen rennen en duidelijke pijn in de achterhand bij het traplopen. Soms zijn de verschijnselen subtieler en lijkt de hond te rustig voor zijn leeftijd (minder speels). De pijnklachten worden dan veroorzaakt, doordat de heupkoppen tijdens het bewegen niet voldoende in de heupkom blijven zitten. Wanneer een jonge hond kreupel loopt of bovengenoemde verschijnselen vertoont, is het verstandig de dierenarts te laten controleren of de heupen 'te los' zitten.

3. VoLwassen honden met HD en pijn

De kreupelheid bij deze honden met pijnklachten ontstaat, doordat de misvormde heupen door de jaren heen steeds meer gewrichtsslijtage hebben opgelopen. Deze gewrichtsslijtage noemen we ook wel arthrose. De kreupelheid is soms slechts aan één poot, maar meestal aan beide achterpoten. Deze honden kunnen verschijnselen vertonen van ochtendstijfheid en/of startkreupelheid. De hond komt 's ochtends moeilijk uit de mand, maar na een langere of kortere periode van bewegen lijkt de hond 'er doorheen' te lopen. Tijdens perioden van wachten of stilstand in een wandeling lijkt de hond liever te gaan zitten dan te staan en komt dan bij het opstaan moeilijk overeind. Ook kan de hond minder enthousiast zijn om te speten met een bal of kan hij achterblijven tijdens het uitlaten. Bij deze categorie patiënten zitten de heupen vaak niet meer Los, omdat er door de gewricht slijtage nieuw bot (botwoekeringen) rond het gewricht werd gevormd en het gewrichtskapsel door de irritatie verdikt is. Deze botwoekeringen zijn goed zichtbaar op een röntgenfoto van de hond. Aan de hand hiervan kan de mate van arthrose worden vastgesteld.

Hoe kom je erachter dat een hond heupdysplasie heeft?

Geen van de hiervoor genoemde verschijnselen zijn specifiek voor H D. Om met zekerheid vast te stellen dat een hond last heeft van HD en niet van een andere ziekte moeten er röntgenfoto's gemaakt worden van de heupgewrichten. Hierdoor kunnen misvormingen van de heupgewrichten worden waargenomen en kan de ernst hiervan worden geïnventariseerd. Alhoewel er niet altijd een duidelijke relatie is tussen de ernst van de misvormingen op de röntgenfoto en de pijnklachten van de hond, zijn de foto's belangrijk voor het bevestigen van de diagnose en het bepalen van de noodzakelijke of (nog) mogelijke behandeling.

Behandeling van HD

Er bestaat geen medicijn waarmee HD te genezen is. Wel zijn er behandelingen (conservatieve en/of chirurgische behandeling) en medicijnen waarmee verergering wordt voorkomen of pijnklachten worden verminderd. De conservatieve behandeling (= niet operatief ) is bruikbaar bij honden met milde symptomen of bij honden die voor het eerst symptomen van kreupelheid vertonen. De behandeling kan bestaan uit aangepaste beweging (rust of juist training), aangepaste voeding en eventueel ontstekingsremmers. Het doel van een chirurgische behandeling kan de vermindering van pijn zijn, de terugkeer naar een zo normaal mogelijk gebruik van het aangetaste gewrichten het voorkomen van arthrose bij de jonge hond met een 'losse heup'. Er zijn meerdere operatietechnieken mogelijk.

 Röntgenfoto heupgewricht heupen zonder aanwijzingen voor HD 

Enkele van deze operatietechnieken zijn:

1.  het kantelen van de heupkom over de heupkop.

Hierdoor ontstaat er een betere aansluiting. Deze operatie wordt uitgevoerd bij jonge honden (ouder dan 8 maanden) met losse heupen zonder vormverandering.

2.  het weghalen van een spier in de lies.

Hiermee wordt bij veranderde heupgewrichten voorkomen dat de kop in de kom wordt getrokken. Deze operatie wordt uitgevoerd bij honden waarbij deze spier is aangespannen en die misvormde heupen hebben.

3.  het weghalen van de heupkop.

Dit gebeurt meestal niet bij grote honden omdat herstel niet zo goed is als bij kleine, lichtere honden.

4.  het plaatsen van een kunstheup.

Dit gebeurt veelal bij honden met zeer pijnlijke heupgewrichten die ernstig misvormd zijn. Of een operatie dan wel een conservatieve behandeling voor een hond het beste is, moet beoordeeld worden door een ervaren of gespecialiseerde orthopedische dierenarts.

Röntgenfoto heupgewricht met ernstige HD  

Er is duidelijk sprake van misvorming van de gewrichten, ondiepe heupkommen en afgevlakte dijbeenkoppen  

Het voorkomen van HD

Het gezegde 'voorkomen is beter dan genezen' gaat zeker op voor HD, daar deze ziekte nooit geheel te genezen is. Het voorkomen van HD kan op twee manieren:  

1.)  het voorkomen van HD bij de individuele hond door de omgevingsomstandigheden voor de jonge opgroeiende hond te optimaliseren;

Bij de gemiddelde jonge hond vindt 80% van de skeletontwikkeling in de eerste 6 maanden plaats. Met name de eerste 60 levensdagen van de pup zijn zeer belangrijk in de ontwikkeling van het gewrichtskapsel en de banden die nodig zijn voor de ondersteuning van het gewricht. In de eerste 6 levensmaanden kan de ontwikkeling van HD tot een minimum beperkt worden door het voorkomen van overbelasting van de banden en het gewrichtskapsel. Doe het daarom in deze periode kalm aan met de pup! Zoals reeds eerder genoemd geeft een goede bespiering van de achterhand ook extra stevigheid aan de verbinding tussen de heupkop en heupkom. Echter, het trainen van de spieren van de achterhand kan beter uitgesteld worden tot een leeftijd van 9-11 maanden, wanneer het bekken geheel is uitgegroeid.

Naast beweging speelt ook de voeding een duidelijke rol bij de ontwikkeling van HD. Uit onderzoek is gebleken, dat het optreden en de ernst van HD kan worden verminderd door de groeisnelheid van puppies te beperken middels vermindering van de voedselopname. Ook de verstrekking van teveel kalk en vitaminen lijkt een ongunstige invloed te hebben op het ziekteproces en geeft bovendien kans op andere orthopedische problemen. Het advies is dan ook om een commercieel hondenvoer (zonder bijvoegingen van kalk of vitaminen) te verstrekken. Wil men zelfbereide voeders geven, dan dienen deze door de dierenarts goed op hun samenstelling te worden gecontroleerd!  

2.)  het voorkomen van HD bij jonge honden van een bepaald ras door het controleren van fokdieren op HD.

       Binnen de verschillende rasverenigingen is in de reglementen opgenomen aan welke eisen fokdieren moeten voldoen om in aanmerking te komen voor een stamboom. Het is aanbevelingswaardig om alleen te fokken met HD-vrije honden om zo de kans op HD bij het nageslacht zo klein mogelijk te maken. Wanneer u overweegt een pup aan te schaffen, kunt u bij de desbetreffende rasvereniging informatie opvragen over de fokreglementen ten aanzien van HD. Een nauwkeurige controle van honden zonder uitwendige klachten is alleen mogelijk met behulp van röntgenfoto's. De röntgenfoto's van de heupen worden bij de dierenarts gemaakt, en dan ter beoordeling opgestuurd  naar de Hirschfeld stichting, waarna de beoordeling wordt afgegeven door de Raad van Beheer.

De beoordeling door de HD commissie van de HD-A status van een patiënt, en dus de codes van de HD-A beoordeling van de voorouders, wordt op de stamboom van de nakomeling weergegeven. Uiteindelijk stellen de rasverenigingen zelf vast, welke foktechnische maatregelen worden genomen ter bestrijding van HD. Door goede fokkerij is de frequentie en de ernst van het vóórkomen van HD al bij veel rassen teruggedrongen. Toch zal iedere fokker en nieuwe eigenaar waakzaam moeten blijven. Voor veel honden is HD tenslotte een vervelende en pijnlijke aandoening.

Ter aanvulling dient vermeld te worden dat de HD waarden anders dan vroeger worden weergegeven. Waar men het  vroeger over HD-, HD-tc of HD+ had, spreekt men nu respectievelijk van: 

HD A = HD vrij Mag ingezet worden in de fokkerij
HD B = Overgangsvorm Mag ingezet worden in de fokkerij
HD C = licht positief Mag alleen ingezet worden in combinatie met HD A of B en in overleg met bestuur
HD D = positief Uitgesloten van fokkerij
HD E =  positief optima forma Uitgesloten van fokkerij

 

 

De Norbergwaarde:

2 x (AB - BC) =2 x  AC

AB = altijd 90 graden

1= het middelpunt v/d heupkop

2= voorste rand heupkom

3= de hoek tussen A en C geeft de Norbergwaarde aan 

A= deze lijnen staan loodrecht t.o.v. lijn B

B = de lijn die ontstaat door de middelpunten v/d heupkoppen met elkaar te verbinden.

C = de lijn die ontstaat door vanuit het middelpunt de lijn langs de voorste rand v/d heupkom te trekken.

De Norbergwaarde

Van beide heupkoppen wordt het middelpunt   (1) bepaald en deze middelpunten worden verbonden met een lijn (B). In beide heupgewrichten wordt vanuit dit middelpunt een lijn C) langs de voorste rand van de heupkom (2) getrokken. De hoek  (3) tussen de lijnen A en C geeft de Norbergwaarde van één gewricht weer.

 De Norbergwaarden van linker en rechter gewricht bij elkaar opgeteld geeft de "som Norbergwaarden", die op het rapport vermeld is.

 

 

Bij een normaal heupgewricht is de Norbergwaarde minstens 15, de som van beide heupen derhalve minstens 30. Honden met een te lage Norbergwaarde hebben dus ondiepe heupkommen en/of een slechte aansluiting van de gewrichtsdelen. Deze honden zullen dus een minder gunstige HD-beoordeling krijgen. Een normale of zelfs hoge Norbergwaarde betekent echter niet zonder meer, dat de betreffende hond goede heupgewrichten heeft. Een combinatie van diepe heupkommen en incongruentie van de gewrichtsspleet (een niet overal even brede gewrichtsspleet) of onvoldoende aansluiting van de gewrichtsdelen kan, zelfs bij een hoge Norbergwaarde, leiden tot een (licht)-HD-positief beoordeling. Op het formulier wordt die aangegeven met "onvoldoende" of "slechte" aansluiting. Ook wordt informatie over de diepte van de heupkommen verkregen door te beoordelen hoe het centrum van de heupkop ligt t.o.v. de bovenrand van de heupkom. Naast de Norbergwaarde, die diepte van de heupkommen en de aansluiting van de gewrichtsdelen, wordt de uitslag ook beïnvloed door de aanwezigheid van "botafwijkingen". er is een rechtstreekse koppeling tussen de ernst (aangegeven met 0, 1, 2, of 3) van de botafwijking en de uitslag: zeer lichte botafwijkingen (1) leiden tot de beoordeling HD Tc, lichte (2) botafwijking leiden tot de beoordeling HD± en ernstige (3) botafwijking leiden tot de beoordeling HD+. De aanduiding "vormveranderingen" betreft meestal een meer of minder duidelijke afvlakking van de voorste rand van de heupkom. De aanwezigheid hiervan wordt wel vermeld, maar heeft indien dit de enige bemerking is over het gewricht, in het algemeen geen doorslaggevende betekenis voor de einduitslag.

Advies

Het is aan te bevelen alleen met HD-vrije honden te fokken, omdat dan de kans op HD bij de nakomelingen (pups) het kleinst is, maar: In de fokkerij van rashonden moet ook rekening gehouden worden met andere erfelijke stoornissen en met speciale ras- en gedragskenmerken. Bij sommige rassen waarin HD vaak voorkomt en bij rassen waarvan maar weinig honden beschikbaar zijn is het daardoor helaas niet altijd mogelijk uitsluitend met HD-vrije honden te fokken.
Door de invloed van uitwendige factoren op het ontstaan van HD is de mate van verandering aan de heupgewrichten niet altijd een goede maat voor de erfelijke status van de hond voor wat betreft HD.
Zelfs wanneer een hond vrij is van HD wil dat nog niet zeggen dat de hond geen erfelijke factoren in zich kan hebben en kan door geven aan zijn of haar nageslacht.
Per ras zullen de fokkers dan ook gezamenlijk (binnen de rasvereniging) moeten vaststellen welke foktechnische maatregelen binnen hun ras mogelijk zijn met betrekking tot de bestrijding van HD.

 

Naar Boven

Kennelhoest


Kennelhoest is een zeer besmettelijke infectie aan de voorste luchtwegen van de hond. Met voorste luchtwegen worden de luchtpijp en hoofdvertakkingen naar de longen bedoeld. Kennelhoest uit zich door een droge, harde hoest. Denk hierbij aan een oude , aan roken verstokte man. Ook kunnen lange hoestbuien voorkomen die gepaard gaan met kokhalzen of braken.

De 'echte' kennelhoest wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren: virussen, bacteriën en stress. De belangrijkste verwekkers zijn de bacterie Bordetella bronchiseptica en het parainfluenzavirus.
Het hoesten kan soms wekenlang aanhouden met als risico dat het chronisch wordt of dat longontsteking als complicatie kan optreden. Met name pups of oudere en zwakke dieren hebben een grotere kans .

Hoe krijgt mijn hond kennelhoest
Hoewel de naam dat wel doet vermoeden, wordt kennelhoest niet alleen in kennels overgedragen Eigenlijk op alle plaatsen waar honden samenkomen (pensions, asiels, shows. hondenscholen,) leveren gevaar op voor uw hond. Kennelhoest wordt overgedragen van hond op hond via minuscuul kleine druppels in de lucht of via direct contact, zoals neus tegen neus.

Behandeling van kennelhoest
Als behandeling direct bij de eerste verschijnselen plaatsvindt, is er een grote kans op succes. Als er te lang wordt gewacht, kan de hoest echter chronisch worden of zich zelfs ontwikkelen tot een longontsteking.
De behandeling is doorgaans met antibiotica en daarnaast aanvullende ondersteunende therapie (b.v. hoestsiroop).

Wat kunt u zelf doen
Goede verzorging van de patiënt en situatie vermijden die hoesten kunnen veroorzaken (goede ventilatie in een warme omgeving, goede en vooral zachte voeding, prikkelende stoffen zoals stof en rook vermijden, blaffen voorkomen, uitlaten met een tuigje of snuitband om geen druk op de luchtpijp uit te oefenen).

Voorkomen is beter dan genezen
Als uw hond regelmatig in contact komt met andere honden kunt u hem/haar het beste laten vaccineren tegen kennelhoest.

Vaccinatie wordt sterk aanbevolen voor honden die naar een pension (veel pensions eisen tegenwoordig een kennelhoest-vaccinatie!) of show gaan of die een hondentraining volgen. Ook de steeds meer gebruikelijke hondenuitlaat-services geven een verhoogd risico op kennelhoest.

 

Naar Boven

 

Anaalklieren

 

Anaalklieren zijn klieren die aan weerszijden van de anus zijn gesitueerd op een 5 en 7 uurs positie. Deze klieren vormen een substantie die gelijktijdig met de ontlasting wordt uitgescheiden, om een duidelijk kenteken van de hond achter te laten. Dit kenteken, ook wel geurvlag genoemd, dient voor de herkenbaarheid van de hond binnen zijn eigen roedel en voor het afbakeren van zijn territorium.

Helaas wil het nogal eens voorkomen dat het legen van de klieren problematisch verloopt, wat ten gevolge heeft, dat deze klieren overvol raken met mogelijke kans op infecties, waardoor een anaalklierontsteking kan ontstaan. Een ernstige ontsteking van de anaalklieren kan tot een fistelend anaalklierabces leiden: naast de anus zien we dan één of meerdere gaten waar ontstekingsvloeistof of pus uitkomt.

Meestal wordt dit vroegtijdig door de eigenaar opgemerkt, daar de hond  probeert zijn last te verlichten door veelvuldig te gaan likken of te bijten naast en/of op de staartbasis. Het overbekende "sleetje rijden" is ook een symptoom om van zijn kwaal af te komen.   

Indien een dier bovengenoemde symptomen heeft onderzoekt de dierenarts natuurlijk de conditie van de anaalklieren en hun inhoud. Maar ook wordt gecontroleerd of er geen sprake is van een vlooienprobleem of vlooienallergie, aangezien daar dezelfde symptomen bij gezien kunnen worden. In ieder geval worden de anaalklieren door de dierenarts geleegd.
Afhankelijk van de bevindingen wordt dit na een week nog een keer herhaald of worden de anaalklieren (indien nodig onder sedatie) met een antibacterieel middel gespoeld . Ook dit spoelen kan enkele keren herhaald worden, totdat de anaalklieren weer een volledig normale omvang en inhoud hebben. Bij ernstige ontstekingen of abcessen worden bovendien antibioticum tabletten voorgeschreven.
Indien ondanks deze grondige aanpak de problemen steeds snel terugkomen, valt het te overwegen om de anaalklieren chirurgisch , dus operatief, te laten verwijderen. Aangezien deze operatie vlak naast de anus plaatsvindt, is er een kleine kans (kleiner dan 5%) dat het dier door de operatie onzindelijk wordt voor ontlasting. Daarom wordt nooit direct voor deze oplossing gekozen.

Naar Boven

 

Schildklier problemen

 

In het lichaam kennen we twee vormen van regelsystemen. 

Het eerste is het snelle, met elektrische impulsen regelend systeem, beter bekend als het zenuwstelsel.

 Het tweede is de wat tragere, maar niet minder belangrijke regelsysteem dat gebruik maakt van hormonen. 

Hormonen zijn chemische stoffen die door verschillende klieren worden afgegeven aan het bloed en die ervoor zorgen dat andere organen en weefsels in werking worden gezet. Denk maar aan de geslachtshormonen die zorgen voor een eisprong of voor de aanmaak van nieuwe zaadcellen of bv.. hormonen die zorgen voor groei. De schildklier is een hormoonklier dat zorgt voor zeg maar de hele "brandstofhuishouding".

De Schildklier is gelegen in de hals en bestaat uit twee ovale lichaampjes aan weerzijde van de luchtpijp. De helften zijn met elkaar verbonden door een weefselband. Aan elk uiteinde van de beide klierhelften zitten in het totaal 4 kleinere lichaampjes, de bijschildklieren.

De schildklier produceert schildklierhormonen uit jodium en  tyrosine. Hieruit wordt thyroxine, oftewel T4 geproduceerd. Als een joodatoom met behulp van een dejodase in de periferie van T4 wordt afgehaald, ontstaat er T3 (tri-joodthyronine). T3 is actiever dan T4, maar komt in mindere mate voor. Beide hormonen beïnvloeden stofwisselingsprocessen.

Het schildklierhormoon stimuleert:

 Door de hypothalamus wordt TRH (Thyroïd-releasing hormone)  afgescheiden.  

De hypofyse wordt door TRH gestimuleerd om thyroïd stimulerend hormoon (TSH) af te geven. 

De schildklier wordt door TSH gestimuleerd om T4 te maken.  T4 wordt in andere delen van het lichaam weer omgezet in T3 .                                                                                                                            De hypothalamus registreert tevens de concentratie T3 in het bloed. Hoe hoger deze concentratie, des te minder TRH de hypothalamus afscheidt. Hierdoor wordt er dus ook minder TSH en  dus ook weer  minder T4 gemaakt en afgescheiden

De Schildklier zelf wordt gestimuleerd door twee andere hormoonklieren. Als er te weinig T3 in het bloed zit grijpt de  hypothalamus (gelegen in de hersenbasis) in en gaat het TRH (Thyroid Releasing Hormoon)  produceren. Dit TRH wordt opgevangen door de Hypofyse (ook gelegen in de hersenen) en deze start dan met de productie van het TSH, het Thyroid Stimulating Hormoon. De Schildklier begint dan met de productie van het schildklierhormoon, Dit is wat  simpel uitgelegd, want in werkelijkheid is het natuurlijk een heel ingewikkeld systeem van controles, tegenwichten, jodiumopname, toename en afname van de productie van T3 en T4 etc etc., maar het is maar om je een idee te geven hoe en waarom de schildklier zo'n beetje werkt.

Het is dus duidelijk, dat als de schildklier zijn werk niet goed doet, de oorzaak hiervan niet alleen in de schildklier zelf, maar eventueel ook een slechte werking van de hypofyse en/of de hypothalamus!  Hormoontesten zullen dit dan moeten uitwijzen.

Vergeleken met de mens produceert de hond vermoedelijk 2 tot 3 maal zoveel schildklierhormoon, maar toch zit er normaal gesproken minder in het bloed. Een groot deel wordt n.l. met de uitwerpselen uitgescheiden en de rest wordt sneller verwerkt.

Een te lage productie van het schildklierhormoon wordt  Hypothyreoïdie genoemd, en een te hoge productie Hyperthyreoïdie. Hyperthyreoïdie komt zelden voor bij de hond. Daar en tegen komt Hypothyreoïdie wel voor.

Het schildklierhormoon zorgt er voor dat cellen brandstof verbranden voor energie zodat zij hun taken kunnen verrichten: voedsel verteren, hormonen produceren, urine filteren, reserves opslaan, afvalstoffen verwerken, etc.

 

Hoe komt de ziekte tot uiting: 

Als de schildklier te weinig hormonen afscheidt ontstaan er dus allerlei problemen in het hele lichaam! De huid bijvoorbeeld zal dunner, minder elastisch, schubbig, korsterig en ontstekinggevoelig worden omdat het hele proces van aanmaak van nieuw en afsterven van oude cellen wordt verstoord.

Er zijn zoveel symptomen te noemen, maar de voornaamste zijn:

slechte huid en vacht, pigmentatieverlies van de haren, (een "zwarte" verkleuring van de huid, maar hoeft niet), slecht genezen van wondjes, sloomheid, depressie, abnormale loopsheid, verlies van geslachtsdrift, teven blijven leeg of voltooien de dracht niet, langzame pols, kouwelijk, dik worden. Een algemene indruk van "niet zichzelf zijn". Sommige honden krijgen ook een "trieste blik" in hun ogen omdat de oogleden gaan hangen en soms dekken ze de pupil half af . Een typische uitdrukking van een "schildklierpatiënt".

Naast deze uiterlijke symptomen zien we af en toe ook een lichte vorm van bloedarmoede door de afname van de aanmaak van rode bloedlichaampjes in het beenmerg. Hoewel dit niet altijd het geval hoeft te zijn, zou een onderzoek hiernaar geen overbodige handeling zijn als er een vermoeden bestaat van Schildklierproblemen.

 

Diagnose stellen:

Mocht je hond allerlei "onduidelijke" verschijnselen hebben en je vermoed een schildklier probleem, dan is de eerste stap een T4 onderzoek. Een bloedonderzoek naar de T4 waarde geeft veelal een duidelijk antwoord op de vraag of een hond schildklierproblemen heeft. De T4 waarde moet tussen de 19 en 46 liggen. Gaat de uitslag ver boven de 46 uit dan kunnen we spreken van een "Hyper" en als de waarde onder de 19 blijkt te zitten hebben we te maken met een "Hypo".

Geeft een T4 onderzoek geen duidelijk (of helemaal geen) antwoord op je vraag dan wordt de diagnose stelling moeilijker want de oorzaak kan ook in de hersenen liggen. Dan moet het TSH bepaalt worden in combinatie met T4:  is het T4 laag en de TSH niet (>1) dan is er sprake van een primaire hypothyreoïdie, maar als deze situatie lang bestaat (en dat weet je niet, want schildklierproblemen sluipen erin)  dan gaat het TSH automatisch naar beneden (hersenen passen zich aan), dus de problemen ontstaan met een lage T4 en een lage tot normale TSH want deze kan of primair zijn of secundair. Tegenwoordig bestaat er geen test meer om dat verschil uit te maken en moet er dus gewoon gestart worden met het geven van een thyroxine of verwijzen naar de faculteit voor het maken van een schildklier opname scan met radioactief jodium.

Een verhoogd cholesterolwaarde (vet niveaus in het bloed) en lichte bloedarmoede kunnen helpen de diagnose te stellen, hoewel deze veranderingen ook kunnen worden veroorzaakt door andere aandoeningen.

 

Behandeling:

Is men tot de conclusie gekomen dat de hond inderdaad een verlaagde schildklierfunctie heeft dan is de behandeling daarvan niet zo moeilijk.  Het schildklierhormoon is n.l. synthetisch na te maken en dient dan dagelijks (liefst 's morgens!) te worden toegediend. Bij honden die al duidelijke klachten hadden zien we vrij snel een herstel optreden zodra met de medicatie gestart is. Het spreekt voor zich dat deze medicatie "voor het leven" is, dus strikt iedere dag, voor de rest van het leven moet worden gegeven.

 

Schildklierproblemen en de fokkerij:

Schildklierafwijkingen komen helaas meestal te laat aan het licht. Een teefje kan al meerdere nesten hebben gehad als de afwijking zich bij haarzelf openbaard of bij meerdere nakomelingen van haar. Dit geldt natuurlijk ook voor een reu, als hij in verschillende combinaties nakomelingen heeft verwekt die een schildklierprobleem krijgen of zelf een schildklierprobleem ontwikkeld.

Het is dan ook  verstandig dit teefje en/of deze reu van verdere fok uit te sluiten. 

Of schildklierafwijkingen erfelijk zijn is helaas nog niet wetenschappelijk aangetoond en helaas moeten we ook tot de conclusie komen dat niet alle dierenartsen zo goed op de hoogte zijn van deze afwijking. In dit laatste geval doe je er verstandig aan om, als je een duidelijk vermoeden hebt dat je hond een schildklierprobleem heeft, direct om een T4/TSH onderzoek te vragen. Dit kost je niet zo veel, maar kan je een hoop ellende en "van het kastje naar de muur rennen" besparen. Het is bovendien aan te raden nooit een teef tijdens haar loopsheid te laten testen, want tijdens deze periode is haar T4 waarde niet betrouwbaar.

Een verantwoorde fokker fokt niet met lijders aan Schildklierafwijkingen.

 

Naar Boven

Epilepsie

Epilepsie is het herhaald optreden van toevallen. Een toeval is een aanval van (zeer) abnormaal gedrag; dit abnormale gedrag moet wel en aantal typische kenmerken hebben. Epilepsie is dus niet meer dan een naam die gegeven wordt aan een verschijnsel: de term epilepsie zegt niets over de oorzaak van de toevallen.

Toevallen ontstaan doordat de functie van de hersencellen verstoord is. De belangrijkste functie van hersencellen is het opwekken, doorgeven en ontvangen van elektrische signalen. Die elektrische activiteit wordt met ingewikkelde systemen in goede banen geleid en tè sterke signalen worden afgezwakt.
Bij een toeval is er sprake van een kortdurende ontsporing van elektrische activiteit van hersencellen. Deze ongecontroleerde elektrische ontladingen verspreiden zich door de hersenen en veroorzaken de verschijnselen die bij een toeval worden waargenomen.

De gestoorde functie van de hersencellen kan veroorzaakt worden door een ziekte of afwijking van de hersenen zelf (een ontsteking, litteken na een hersenschudding, aangeboren afwijking), maar kan ook het gevolg zijn van een ziekte elders in het lichaam, zoals een stofwisseling -  ziekte. Meestal is er echter geen oorzaak voor de toevallen te vinden. In dat geval wordt gesproken van echte of primaire epilepsie.

Primaire (echte) epilepsie, in wetenschappelijke term:idiopathische (zonder bekende oorzaak),  komt regelmatig voor bij alle hondenrassen en bij kruisingen. Bij sommige rassen komt het echter veel vaker voor en wordt vermoed dat het erfelijk is. Bij de volgende rassen komen de genen het vaakst voor: Tervuerense herder, beagle, dashon­den, Duitse herders, keeshonden, boxers, cocker spaniëls, golden retrievers, lerse set­ters, Labrador retrievers, collies, schnauzers, poedels, Dalmatiërs en Sint Bernards.

Epilepsie wordt evenveel bij reuen als bij teven gezien. Bij teven kan het aantal toevallen tijdens de loopsheid toenemen.

Primaire epilepsie is niet te genezen, omdat deze vorm van epilepsie als het ware in het erfe­lijke materiaal van de hond zit geprogram­meerd. Primaire epilepsie treedt meestal voor het eerst op als de hond een leeftijd heeft tussen de 6 maanden en 5 jaar.

Secundaire epilepsie is nogal anders dan pri­maire epilepsie, omdat er meestal een aan­wijsbare oorzaak is die voor de aanvallen zorgt. Het is altijd belangrijk om uit te zoe­ken wat voor soort epilepsie uw hond heeft, omdat in het geval van secundaire epilepsie de behandeling gericht kan zijn op het weg­nemen van de oorzaak. De meest voorko­mende oorzaken van secundaire epilepsie zijn een te laag bloedsuikergehalte (hypogly­cemie), een te lage concentratie aan schild­klierhormonen (hypothyroidie), hersenvlies­ontsteking (encefalitis), lood vergiftiging (bijvoorbeeld bij honden die op geverfd hout hebben gekauwd), vergiftiging met bestrijdingsmiddelen (slakkenkorrels), het eten van chocola, een harde klap tegen het hoofd, parasitaire infecties en hersentumo­ren. Het meest frequent komt secundaire epilepsie voor door hersentumoren en het falen van de lever (hepato encephalopathie). Hersentumoren zijn meestal de oorzaak van secundaire epilepsie bij honden van 5 jaar en ouder. De tumoren kunnen door een die­renarts zichtbaar gemaakt worden door een hersenscan. In Nederland beschikken maar weinig dierenartsen over zo'n scan. Helaas is aan de tumor in de meeste gevallen niets te doen. Hepato ericefalopathie is de leidende oorzaak van secundaire epilepsie bij jonge honden (jonger dan een 1 jaar) en komt soms ook voor bij oudere honden (ouder dan 6 jaar). Bij honden jonger dan een jaar wordt het vaak veroorzaakt door een aange­boren afwijking in de lever, waarbij bepaalde bloedvaten niet goed zijn aangelegd. Hierdoor kan de lever afvalstoffen niet uit het bloed verwijderen, waardoor ammoniak in het bloed achterblijft. Ammoniak zorgt voor gedragsveranderingen, agressie en epi­leptische aanvallen. Bij honden ouder dan zes jaar wordt hepato encefalopathie meestal veroorzaakt door acute ontsteking van de lever met ophoping van ammoniak in het bloed tot gevolg.

Alle aanvallen bij de hond zijn in vier fasen te onderscheiden.

 1) De 'prodrome' fase is de startfase van de aanval.

 De hond wordt onrustig en kan afwijkend gedrag vertonen. In veel gevallen kijkt de hond wat vreemd uit de ogen, krijgt zenuwtrekjes in het gelaat of gaat trekken met een oor. De prodrome kan enkele minuten tot enkele dagen aan­houden

2) 'aura’ fase

 Enkele seconden tot enkele minu­ten voorafgaande aan de feitelijke aanval vindt de zogenaamde 'aura’ fase plaats. Dit is een kortdurende fase van vreemd gedrag, of vreemd kijken van de hond. Soms gaan hon­den zich ook verstoppen tijdens deze fase.

3) De 'ictus' wordt ook wel de werkelijke aanval genoemd.

Hierin zit een tonic en een clonic fase. De tonic fase is de fase waarin de hond zijn bewustzijn verliest, omvalt en ver­krampt. Deze fase duurt meestal niet langer dan 45 seconden. De clonic fase is de fase waarin de hond begint te schokken en met zijn poten kan gaan trappen (het zogenaam­de lopen). In beide fasen kan de hond zijn ontlasting laten lopen (salivatio). In sommi­ge gevallen kan er schuim om de bek ont­staan.

  4) De 'post ictale' fase is de periode na de aanval.                                        

De hond komt weer bij bewustzijn, maar is meestal nog een tijdje de kluts kwijt. Sommige honden hebben extreme honger of dorst. Vaak zien ze slecht, zijn doof en hebben moeite met bewegen. Enkele honden zijn vlak na de aanval overactief en anderen zijn juist geheel uitgeteld. De postictale fase kan enkele minuten tot enkele dagen duren. Bij zowel primaire als secundaire epilepsie kan de hevigheid van een aanval variëren. De hevigheid en de symptomen worden bepaald door de plek in het brein waar de kortsluiting plaats vindt. Grofweg zijn er drie soorten aanvallen te onderscheiden, de 1 primaire', de 'gegeneraliseerde' en de 'atypische aanval'. De eerste soort aanval is de partiële aanval, waarbij slechts delen van het lichaam betrokken zijn, zoals bijvoorbeeld bij stuiptrekken, bij zenuwtrekjes in het gezicht of het trekken met een oor. Bij mensen is aangetoond dat er niet noodzakelijkerwijs spieren betrokken zijn bij een partiële aanval. Er kunnen ook tijdelijk rare flitsen gezien worden, tijdelijk kan smaak, reuk en zicht wegvallen en in extreme gevallen kan tijdelijk schizofrenie of een psychose ontstaan. Of dit ook bij honden gebeurt, is lastig vast te stellen maar wel waarschijnlijk. Soms is de aanval heel lokaal zichtbaar bij honden. Bij partiële aanvallen is slechts in een gelokaliseerd deel van het brein kortsluiting ontstaan. Partiële aanvallen komen voor in de simpele en complexe vorm. Bij de simpele vorm blijft de hond bij bewustzijn, terwijl bij de complexe vorm de hond zijn volledige bewustzijn verliest. De tweede soort aanval is de gegeneraliseerde aanval. Deze aanval wordt 'grand mal' genoemd. De aanval begint vaak met onschuldige signalen, waarbij de hond vraagt om aandacht. Als de hond in de aura fase zit valt het vragen om aandacht vaak het meest op. Hierna zal meestal spoedig de tonic fase intreden en de hond doen verstijven. In enkele gevallen kan in deze fase de ademhaling stoppen. In de clonic fase begint de hond met de poten te trappen, kan ontlasting laten lopen en kan alle haren overeind laten staan (piloerectio). Deze fase duurt zelden langer dan 2 minuten. Het herstel in de postictale fase duurt na zo'n grote aanval, waarbij in grote delen van de hersenen kortsluiting is ontstaan, vaak enkele dagen.

 

Gegeneraliseerde aanvallen komen in verschillende vormen voor. De meest bekende is de gegeneraliseerde cluster aanval. aanval. Dit is wanneer een hond meerdere aanvallen op een dag heeft, omdat in het brein op verschillende plekken na elkaar kortsluiting optreedt. De hond krijgt tussentijds niet de tijd te herstellen. In dit geval dient u uw dierenarts direct in te schakelen, omdat een cluster vaak niet vanzelf stopt, maar met medicijnen per injectie of via rectale toediening doorbroken moet worden. Een andere vorm van een gegeneraliseerde aanval is de status epilepticus. Dit is feitelijk een aanval waarbij de hersenen de kortsluiting niet snel genoeg kunnen repareren. Het gevolg is dat een aanval lang kan aanhouden (langer dan 10 minuten) waarbij de hond niet of nauwelijks bij bewustzijn komt. Elke aanval wordt gevolgd door een nieuwe, waardoor de aanvallen eindeloos door kunnen gaan. Zodra u vermoedt dat uw hond in een status epilepticus verkeert, moet u onmiddellijk diergeneeskundige hulp inroepen, omdat een onbehandelde status epilepticus dodelijk kan zijn. Het derde type aanval, de atypische aanval, is eigenlijk een aanval die niet in te delen valt onder partiële en gegeneraliseerde aanvallen. Dit soort aanvallen komt echter bij dieren zelden voor. Ook de zogenaamde matige 'petit mal' aanvallen, waar bij mensen vaak van gesproken wordt, vallen onder de atypische aanvallen.

Een interressante link over  borders die lijden of hebben geleden aan epilepsie:

 

http://en-epilepsybc.weebly.com/eu.html

Naar Boven