Voerense dieksjonnaer - Voerens woordenboek

versie 2.11 van 24 maart 2011 - Inleiding

 

  gebruikte afkortingen       

 

  afkortingen

  du: in het Duits is een vergelijkbaar woord bekend.

  en: in het Engels is een vergelijkbaar woord bekend.

  fr: in het Frans is een vergelijkbaar woord bekend.

  gew. nl: in gewestelijk, regionaal Nederlands is een vergelijkbaar woord bekend.

  nl: in het Nederlands is een vergelijkbaar woord bekend.

  waals: in het Waals is een vergelijkbaar woord bekend.

 .~ (bijv. woo~rd): aanduiding in de beklemtoonde lettergreep voor sleeptoon; ~~ is een lange sleeptoon, /~ is een korte sleeptoon.

 / (bijv. te/rm): aanduiding in de beklemtoonde lettergreep voor stoottoon; ~/ is een lange stoottoon, // is een korte stoottoon.

 [agrar.] : agrarische term, uit veeteelt, landbouw, tuinbouw.

 [anim.]: aanduiding voor een dierennaam.

 [botan.]: aanduiding voor een plantennaam, met benaming volgens Flora van Belgi, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en aangrenzende gebieden door J.E. de Langhe e.a. 1983.

 [conj 2]: aanvoegende wijs, verleden tijd. Wordt soms nog gebruikt in zijn eigen vorm, tegenwoordig steeds meer vervangen door gewone verledentijdsvorm.

 [loc.]: aanduiding voor een toponiem.

 [med.]: medicinale term, ziekte, remedie.

 [vet.]: veterinaire term.

 ae: uitspraak: als in limb: vaer, of het eng. air

 ao: uitspraak als in eng. law of limb. dao

 : uitspraak: als in voerens vr, fr: fleur, vergelijk met

 e: uitspraak als in nl: pet.

 : uitspraak: als in fr mais, elle.

 gk: uitspraak: als de g in fr: garon.

 : uitspraak als in voerens: zn.

 : uitspraak: als in du: Kln.

 u: uitspraak als in nl: put.

 uu: uitspraak met stoottoon als in nl: minuut.

(dpl): afkorting de Plank.

(mod.): afkorting: een modern woord, meestal verlimburgst nederlands, vervangt vaak een origineel gebruikt woord, aangeduid met origineel gebruikt (orig.)

(moe): afkorting Moelingen.

(orig.): afkorting: origineel gebruikt, tegenwoordig dikwijls vervangen door een modern woord, meestal verlimburgst nederlands, aangeduid met modern woord (mod.)

(rem): afkorting Remersdaal.

(sgv): afkorting 's-Gravenvoeren.

(smv): afkorting Sint-Martens-Voeren

(spv): afkorting Sint-Pieters-Voeren

(teu): afkorting Teuven

`s aoves: `s avonds.

`s dags d'r nao: de volgende dag, `s anderendaags.

`s ovves: `s avonds.

`s-Hierewej (moe): [loc.] `s-Herenweide in Moe.

`sj mrges: voor de middag, in de voormiddag, 's morgens.

`t aoves: `s avonds.

`t mrges: voor de middag, in de voormiddag, 's morgens.

a gaons: voorlopig, binnenkort, weldra.

malo: gepikt, in de zak gestoken.

aa: aan.Daobaa, ebaa, oebaa? (Daar naar toe (daar op aan), er naar toe (er op aan), waar naar toe? (waar op aan?)Dao waor niks van aa! (Daar was niks van waar!)Me waed get aod aa (Men wordt wat ouder).

aa: op.Aa g'n aed (Op de grond. fr: terre).

aa sjtrpe, zich (sgv): zich slecht aankleden.

aa tzjele, zich (sgv): zich slecht aankleden.

aa, d'r of dra: eraan.

aabraoje: aanbraden.

aabrenne (aagebraand): aanbranden.

aach: acht

aadoe: aandoen, berokkenen

aadoe: aansteken, aanzetten.Doch 't licht aa (Doe het licht aan).

aadoe: kleren aantrekken.Fie aagedoe (Mooi aangekleed).

aafbranne (brande aaf, aafgebraand): afbranden.

aafbrnne (brnde aaf, aafgebraand): afbranden. D'r baerm aafbrnne (De berm afbranden, de vroegere manier van wegbermreiniging).

aafdrieje: afromen.Aafgedriejde mlk (Afgeroomde melk)

aafdrk (aafdrkske, aafdrkke): afdruk, kopie.

aafdruge (druugde aaf, aafgedruugd): afdrogen.

aafgaank, d'r: [med.] diarree.

aafgoe: naar beneden gaan.

aafgoe: naar huis gaan.

aafhange (hng aaf, aafgehange): afhangen.

aafkalle (orig.): afspreken.

aafkaome (kaam aaf [conj 2: kiem aaf], aafkaome (orig.) of aafgekaome (mod.)): afkomen.

aafkeule (keulde aaf, aafgekeuld): afkoelen.

aaflebsje (lebsjde aaf, aafgelebsjt): ongegeneerd in het openbaar uitvoerig tongzoenen, kussen.

aaflekke (lekde aaf, aafgelek): ongegeneerd in het openbaar uitvoerig tongzoenen, kussen.Dat is 'n aafgelekde botram (Dat is een afgelikte boterham, dat is een meisje dat al iedereen gehad heeft).Dao sjtnge ze zich aaf te lekke (Daar stonden ze zich af te likken, daar stonden ze te tongzoenen).

aaflekke (lekde aaf, aafgelek): aflikken.

aafloekse (aa/floekse): afluizen, van iemand iets bemachtigen, getalenteerd afbieden, aftroggelen.

aafloeze: afluizen, van iemand iets bemachtigen, getalenteerd afbieden, aftroggelen.

aaflope (leep aaf, aafgelope): aflopen.

aafpreugele (preugelde aaf, aafgepreugeld): afranselen, slaag geven.

aafrastering (mod.): afrastering.

aafsjloe (sjlog aaf, aafgesjloe): afslaan.ich sjloon aaf, doe sjlees aaf, hae sjleet aaf, v'r sjleunt aaf, d'r sjloot aaf

aafsjpraeke (mod.): afspreken.

aafsjtaandsbedening: afstandsbediening.

aafsjtrieje: bestrijden, ontkennen.Hae sjtriet 't aaf (Hij ontkent 't).

aaftlle (tlde aaf, aafgetld): aftellen.

aaftlle (tlde aaf, aafgetld): potten, kiezen wie mag beginnen bij een spel.

aaftraeje (trende aaf, aafgetrend): afpassen, afstappen, voetje-voor-voetje.

aaftraeje (trooj aaf, aafgetraoje): aftreden.

aafwaejsj: afwas, vaat.D'r aafwaejsj doe (De vaat wassen).

aafwaejsje (woosj aaf, aafgewaejsje) (mod.): afwassen.

aafwaejsjmesjieng (aafwaejsjmesjienger) (mod.): vaatwasser.

aafweesje: afvegen, schoonmaken, drogen.Weesj dich de wwen aaf (Droog je tranen).Weesj dich d'r moond aaf (Veeg je mond af).D'r moer aafweesje (De muur schoonmaken).

aafweie: grazen, begrazen.

aafzke (zeekde aaf, aafgezkd): afranselen, slaag geven.

aafztte: amputeren.

aafztte (sgv): afzetten.Dan zute [conj 2] ze mich aaf (Dan zouden ze mij afzetten).

aagaeve (goof aa, aagegaeve of aagegaove): toeschrijven.Dat zos t'm neet aagaeve (Dat zou men niet achter hem gaan zoeken).

aagetrowd: aangetrouwd.

aagoe (goong aa, aagegange): benaderen, toespreken, aanspreken.Hae goong mich aa wie e vrke (hij sprak mij toe alsof hij met een varken te doen had).Went ze get nudig hant kunne ze dich fie aagoe (Als ze iets van je willen, kunnen ze je netjes toespreken).

aagt: haagte, buis in kelder voor waterafvoer (Lat. Aquaeductus), onderaardse gang. Goot.

aahange (hng aa, aagehange): aanhangen.V'r motte d'r remork aahange (We moeten de aanhangwagen aanhangen).

aahotte (heel aa, aagehotte): stoppen.du anhalten.

aahotte (heel aa, aagehotte): vasthouden.Haot aahotte (Hout vasthouden, afkloppen, om te voorkomen dat er iets gaat gebeuren, waarvan men net heeft gezegd dat het niet meer gebeurt).

aaie (mod.): aaien.

aakaome (kaam aa, aakaome (orig.) of aagekaome (mod.)): aankomen.

aal: alles.

aalegke: aanleggen, aanpakken.kiek wie ste 't dich aalegks (kijk hoe je het aanpakt).

aalegke: aanleggen, de borst geven, boerstvoeding geven.Die vrow haat dat kind aagelag? (Die vrouw heeft dat kind aangelegd, geeft dat kind de borst).Has te dat bag al aagelag? (Heb je dat big al aangelegd?)

aamake: aansteken.De laamp aamake, 't vuur aamake (de lamp aanmaken, 't vuur aansteken).

aamechtig: allemachtig.

aandnkbeelsje (sgv): bidprentje.

aandersj: anders.

aandesj-um: andersom.

aanee: elkaar.Good aanee zie (Elkaar goed behandelen (niet: elkaar goed gezind zijn).

aanhoeletig (moe-sgv): gastvrij.

aantwaod (aantwd): antwoord.

aap (epke of aepke, aep (orig) of ape (mod)): aap.

aarope (reep aa, aagerope): telefoneren.du: anrufen.Ich roop dich aa (Ik bel je op).

aarope (vero.): uithalen in het voorbijgaan, oppikken.Kom mich aarope (Kom mij uithalen bij het voorbijgaan, dat ik meega).

aasj: aars.Lek mich am aasj (Je kunt me wat).

aasjtieke (mod.): aansteken.

aasjtieker (mod.): aansteker.

aasjtoe (sjtongs aa, aagesjtange): aanstaan, behagen.Doe sjteis mich aa, doe sjtongs mich aa, doe has mich aagesjtange.

aatrkke of aantrkke: aantrekken.Trk 't d'ch-n't aa (Trek 't je niet aan).

aatrkke of aantrkke: voortkweken.Van de btste mos-te aantrkke (De beste moet je voortkweken).

aavange: iets doen wat niet mag, klungelen, uitspoken, uithalen, ernstig verkeerd doen.niet gelijk nl: aanvangen of du: anfangen.Wat vings te mich noe aa? (Wat haal je me nu uit?)Dae haat mich dao ng aagevange (Die heeft me daar wat uitgehaald).

aavesj: naar beneden. in Moe gezegd over alles ten westen van de kerk.

Abbesse de Mouland: [botan.] kersensoort, dik, glanzend zwart, sappig en zeer vast, basterdieke.

abri: abri, schuilplaats, beschutting.

abs: [med.] abces, een hoeveelheid pus (etter) in een niet eerder bestaande holte.

abseluusje : absolutie, vergiffenis.

adie: tot ziens.

aedsje (orig.) (moe-sgv): azijn.

aed, of aerd: grond, vloer, aarde.Aa g'n aed (Op de grond. fr: terre). (orig.) (door de verbinding spreken kinderen wel eens van "de naed").

aed, of aerd: planeet aarde.

aerdvoel: rot, vergaan.

aete (oot, gaete): eten.ich aet, doe its, hae it

aetesjte, d'r: de achterste, de laatste.

aetesjte, 't: het achterste.

aekster: ekster.

ael (ae/l): toch, maar.Korte vorm van evvel.Ael neet (Toch niet).

aensjele (aensjelde, geaensjeld) (orig.): ruzie maken, zich jennen.Zich aensjele (Ruzie maken met elkaar).

aerf (ae~rf): vuil op de huid, zozeer dat 't vergroeid schijnt, maar geen eelt.

aerg: erg.

aerk: erk, molenwatersluis.

aerm (ae~rm) (aermke, aerm (ae/rm)): arm (ledemaat).

aevitere (aeviteerde, ge-aeviteerd): uitnodigen, inviteren.

aezel (aezelke, aezele): ezel.

aezele: Ezelen, kaartspel waarbij telkens alle spelers tegelijk een kaart doorschuiven. Zodra iemand een kwartet heeft geeft die een teken. Elk doet dat teken snel na, de laatste verliest.

aezelsoer (aezelsoere): ezelsoor.

agons: voorlopig, binnenkort.Agons keumt nog g fie waer (Voorlopig komt nog geen mooi weer). Agons waet de keerk geverfd (Binnenkort wordt de kerk geverfd).

akkabaj: paardje rijden: te paard op iemands rug (of schouders) zitten.Akkabaj zitte (Paardje rijden).

akkaod: akkoord.

aks: aks, groot bijl.

aksaent (aksaente): accent.

alcolieker (alcolie/ker): alcoholist, drankzuchtige, drankverslaafde.

Alewies: roepnaam Alois.

algaons (moe): voorlopig, binnenkort.

allebej: allebei.

allegaasje (allegaa~sje): opwinding, herrie, commotie.Dat waor m'ch dao 'n allegaasje (Dat was me daar een herrie).

allegenheenhie (sgv): in de hele omtrek hier.

allelee (allelee~): de moed verloren, om het even, egaal. 't is mich allelee (Het is mij egaal).

allemaol: allemaal.

allenej: allemaal.dae hat ze neet allenej! (Die heeft ze niet allemaal op een rijtje!)

alleng (moe): alleen.Ich bn mer alleng (Ik ben maar alleen, vrijgezel).

allerhaand: allerhande, van alles.

alles: alles.

allewiel: tegenwoordig.

allezelaeve: altijd, een lange periode, allang, zolang me nzich kan heugen.

alling: alleen.

altied: altijd.

alwir: alweer.

amatr: liefhebber, genteresseerde voor overname of aankoop.Bs te amatr? (Heb je interesse?)

amerikaender: amerikaan.

amerikaensje: amerikaanse.

ammezere (ammezeerde, geammezeerd): amuseren.

an ee sjtk (mod.): zonder onderbreking, aan een stuk door.

an eures (sgv): bij jullie thuis.

an hunnes (sgv): bij hen thuis.

an oses (sgv): bij ons thuis.

ander: andere.

ander: volgende.Bies d'ander waek (Tot de volgende week).

anee: aan elkaar vast.

anee: aan het vechten.Ze zunt anee (Ze zijn aan het vechten).

an-n-a (an-n-a~/) (orig.) : zonder onderbreking, aan een stuk door.Ze sjpelde-n ummer mer an-n-a 't geste (Ze speelden altijd maar aan een stuk door hetzelfde).

anger: ander.

angs: angst.

an't oeres: bij jullie thuis.

Aobel: [loc.] Aubel.

belsj of bbels: aubels, van Aubel.

belsje: aubelnaren, aubelois.

belsje of bbelsje berg: [loc.] aubelse berg, ten noorden van Aubel.G'n bbelsje berg op (De aubelse berg op).

aod: oud.Doe waeds aod aa (Je begint oud te worden).

aodmennekeshoes : rusthuis, bejaardentehuis.

aodshr, van: van vroeger.

aolig: olie.

aomezeek (aomezeekske, aomezeeke) (orig.): mier.

pener: opener, fles- of blikopener.

aopenheed: openheid.

pening: opening.

aove (veke, ves): oven.D'r aove sjtaoke (De oven stoken).

ver: over.

veral: overal, op elke plek.

veral (vera~l) (verelke) (mod.): overal, werkkledij.

vergank: overgang.

vermrge: overmorgen.

verzie: overzijde.

ftevlaam: vlaai met gedroogde peren of bakpruimen die weer terug opgeweekt en gepureerd zijn.

Aokergats (sgv): [loc.] in sgv.

lekes (moe-sgv) (orig.): nauwelijks.

aom: adem.

aome (aomde, geaomd): ademen.

aomer (merke, aomere): heet kooltje, houtskool.nl: amer. en: ember.

aomere (aomerde, geaomerd): gloeien, gezegd van vuur dat geen vlammen meer heeft, maar alleen nog gloeiende kooltjes.

aompoel: ampul.fr: ampoule.

aompoel: lamppeer.fr: ampoule.

aon ff (rem): inderdaad, daadwerkelijk.fr: en effet.

aope of aope: open.Aope wn (Open wond).Men zegt niet 'n aope veenster, maar de veenster is op (Men zegt niet een open venster, maar het venster is open).

aopeblaoze: [med.] dotteren (open blazen), ook ballonere.

rm (~rm): arm.

aos: benadrukking.

aos (ao~s) (ske, s): aas.

aos (ao~s) (ske, s): noest.

aos (ster): onnozelaar, scheldwoord.Doe bs mich 'n aos (Jij bent een onnozelaar).Aos, dao houw ich angs (Wat had ik angst).

aotn (ao~tn): antenne.

aove (orig.): boven.du: oben.

aove (orig.): bovenaan als toponiem.du: oben.Aove'n ee Vsj (Bovenaan in Veurs, bijna een toponiem).Aove'n ee g'n deurp (sgv) (Het bovendorp te sgv, zie kadaster Maria Theresia).

aove d'rop (orig.): er bovenop.

aovemoel: ovenmond.Taege n'n aovemoel gape (Tegen een ovenmond gapen).

aovenop (orig.): bovenop, op de verdieping, de slaapkamers.du: oben.Aoven op 'n daak (Boven op het dak).Krieg mich de laamp 'ns aovenop (Haal me de lamp eens op de slaapkamer).Uitgebreider: bovenop de slaapkamer (aovenop 'ne zlder).

aovenum (orig.): langs boven om.

aovermenneke (aovermennekes): kaboutertje in Mennekesput.In Mennekesput woonden tot voor kort de auwelkes of aovermennekes, een soort kabouterkes. Ze kwamen alleen maar naar buiten wanneer het donker was om de mensen wel eens te helpen "hun flatte te sjpreie", hun ketels te schuren of hun koper te poetsen. Ook gebeurde het regelmatig dat zij 's nachts bij volle maan op een open plek in het bos gingen dansen en plezier maken. Ze woonden in holletjes. Als je in die holletjes of konijnspijpen durfde te kijken, dan bliezen ze u een oog of "het licht" uit en kon je blind worden. (uit: Voerense sagen, legenden en andere vertelkselkes door Rob Brouwers in Koenwf nr. 7).

Aozjien: [med.] tonsillitis, een acute ontsteking van de amandelen.fr: Angine.

apaat: apart.

apade: aparte.

apaodesiet (apaodesie/t): [ med.] blindedarmontsteking, appendicitis.

apparei (apparei/): apparaat.fr: appareil.

appel (eppelke, appele): appel.

appelekouw of appelkouw (appelekouwe)  (moe): abrikozen. De naam van een vreemde vrucht werd hier voor een deel vervangen door de naam van een bekende vrucht.Appelkouwe vlaaj (Abrikozenvlaai).

appelkloete-zuvve: scheldnaam.

appentietelik (appentie~telik) (moe): appetijtelijk, smakelijk, smaakvol.

appetaant (sgv): vervelend, irritant.

apraens, apraense of apraensje (aprae~nsje): verwachting, aanstalten.fr: apparence = uitzicht. De ko makt apraense vr te kaove (De koe maakt aanstalte om te kalveren).

apraense, of apraensje (aprae~nsje): drukte, toestand.Dat waor m'ch dao 'n apraense (Dat was me daar een herrie, een vertoning).

aptiek (aptie~k): apotheek.

aptieker (aptie~ker): apotheker.

argel: terdege.spaans: arreglar = in orde zetten (arreglar la habitacion - vgl riejere)Da kries-te ze argel aafgezkt (Dan krijg je een goed pak rammel).

artsj: verwarring, consternatie, ernstige situatie.Dat waor dich dao 'n artsj, doe waor v'r in 'n artsj (Dat was me daar een consternatie, toen waren we in een ernstige situatie).

arties (artie/s): veearts.

artikel (artikelke, artikele): artikel.

asjarnere (asjarneerde, geasjarneerd) (sgv): verbitteren.fr: acharner.Geasjarneerd zie (Verbitterd zijn).

asjtlle, zich (a~sjtlle): drukte maken, opscheppen.

asjtrenge, zich (a~sjtrenge): zich inspannen.du: sich anstrengen.

asseraans: verzekering, assurantie.fr: assurance.

asserant (sgv): astrant, vrijpostig, brutaal.

asseranterik (sgv): vrijpostige, brutale, onbeschroomde, zelfverzekerde.

astrant (moe): astrant, vrijpostig, brutaal.

astrante (moe): vrijpostige, brutale, onbeschroomde, zelfverzekerde.

atasj: trekhaak.fr: attache.

ate of ater: achter.

atedr: achterdeur.

atelaote (leet ate, ate gelaote): achterlaten.

atera en atena: achteraan.Hae sjtng atena (Hij stond achteraan)

ateraaf: achteraf, nadien.

atergroond: achtergrond.

aterhaam (a~terhaa~/m)  (aterhe/mke), aterhame) : achterstuk van het paardsgetuig.De aterhame hangen oet (Er hangen vrouwen(onder)broeken aan de wasdraad).

aterkke: achterkeuken.

aternao: achterna.

ateroet: achteruit.

atervver: achterover.

aterrks: achter de rug om, heimelijk.

ateruver (moe-sgv): achterover.

aterum en atenum: achterom.Van atenum (Langs achterom). Grap: If you want to cum, dan cum van aterum.

aterwaeg (moe): onderweg.

attak (atta/k) (attakske, attakke): [med.] hartaanval, hartinfarct, myocardinfarct of cardioinfarct, Acuut coronair syndroom.fr. attaque.

attak (atta/k) (attakske, attakke): [med.] beroerte, herseninfarct, Cerebro Vasculair Accident, CVA. hersenbloeding.

auwelke (auwelkes): kaboutertje in Mennekesput, aovermenneke.

aversj (moe): [loc.] aversj in moe.

avvans: voordeel, nut.Maak avvans (Maak vooruit, doe voort). 't es gng avans ('t baat niet, 't helpt niet).

avvensere: vooruitgaan.

azien (mod.): azijn.

ba: bah.

baal: bal.

baan: spoorweg.

baank (baenkske, baenk): bank.

baank (sgv): recht.Baank d'r taegenop (Recht ertegen aan).

baar: bar, toog.

baar: stenen kruik, bijvoorbeeld voor zuurkool te bereiden.

baard of baad (brdsje): baard.

baatsj (sgv): bah, vooral tegen kindjes.

badsj: drinkbak voor het vee.

Baen (moe): [loc.] Berneau.

baene (bae~ne) (brn, gebraand): branden.is een oud woord voor braene, en was misschien specifiek voor incendie - vgl. oud-Nederl. bernen. eng: to burn. 't bient, (bie/nt) (het brandt).

baeter: beter.

baeje (mod.): bidden.

baeje, zich (orig.): bidden.

baejwaeg: bidweg, bedevaart.

baekelek: akelig.

baene (bdde, gebd) (teu): bidden.

baene (bende, gebaend) (orig.): bidden.Ich baej mich 'n ozzevader (Ik bid een onzevader).

baer (baerke, baere): beer.

baerevot: dikbil rund.

baerk (sgv): berk

baerm (bae~rm): berm.

baes (baeske) (orig.): zoen, kus.fr: baise.

baeve (bfde, gebfd): beven, bibberen.ich baef, doe befs, hae beft

baf (baffe) (sgv): slaag, klap, draai om de oren.Baffe kriege (Slaag krijgen).

bagere (bage/re) (orig.): verhuizen.waals: Bagere kan zijn: de bagage verplaatsen.

baggele (baggelde, gebaggeld): biggen werpen.

baj (bajke): [anim.] paard, Equus caballus.

baj (orig.): afrastering.

baj (sgv): pacht overeenkomst. 'ne baj tekene (Een overeenkomst tekenen).

bajere (ba~jere): baden, pootje baden.

bajpaol (bajplke, bajpl): weipaal.

bak (bekske, bagke): big.

bak (bekske, bek): bak.

bakke (bakde, gebakke): bakken.ich bak, doe baks, hae bakt.

bakke, 't (mv: de bakke) (orig.): wang.

bakkes: aangezicht.

bakkes: bakhuis.

bakkeszlderke: bakhuiszoldertje, verdiepinkje boven de bakoven waar de fagke (takkenbossen) opgeslagen liggen.

bakproem (bakpruumke, bakproeme): bakpruim, als vlaaivulling.

baktaand (baktendsje, bakteng) (orig.): kies.

bal: juten zak.Dae how de bal um (Die kreeg niets meer voor mekaar, afgemat, uitgeput. Misschien iets te maken met sjolk als voorbehoedmiddel).Bale sjollek (Jute schort).

baladeus: looplamp.fr: une baladeus.

ballonere: dotteren, ook aopeblaoze.

baneberg (smv): spoordijk.

banebrk: spoorbrug.

bang: angst.Has te bang? (Heb je angst? Ben je bang?)

bang (moe): bang.Bies te bang? (Ben je bang?)

bao (bao/) (orig.): bijna.du: bald (andere betekenis).Bao aeve groet (Bijna even groot).Es 't bao gedoe? (Is het nu afgelopen?)

baod: boord, rand.Zoepe wie 'ne karehings en d'rnao koos t'r van hie bis dao in 'n flaesj driete znder 't baod te rake! (Zuipen als een trekpaard en daarna kon hij van hier tot daar in een fles schijten zonder de rand te raken).

bke (orig.): huilen.

Baon, a g'ne: [loc.] Born in Rem.

baosj (bsjke, baosjte): borst.

bsjtel (bsjtelke, bsjtele): borstel.

bsjtele: borstelen, vegen.

bsjtele, zich: ruzie maken, vechten.

baog (bao~g) (bgske, bg): boog.

baoj: bode, veldwachter.

baojem (bjemke): bodem, achterwerk.

Baole: [loc.] Balen.

Baole: [loc.] Baelen, tussen Lumbourg en Eupen. N 50 37.876, E 5 58.558

baom (bao~m) (bmke, bm): achterwerk, bips.Doe has 'ne ferme baom (Jij hebt een flink achterwerk).

baom (bao~m) (bmke, bm): bodem.Zies te d'r baom al? (Zie je de bodem al?)

baor (brke, baore): boor.

brsj (brsjke, brzje) (mod.): beurs, portemonnee, portemonnaie.

baove (bvvesjte): boven.Baove g'n paot (Boven de poort).

bwele: mompelen, bazelen, wauwelen.

baowwer (orig.): eerder.Baowwer es neet (Eerder wel dan niet). Baowwer es andesj kaom ich e zoondig (Ik kom zondag waarschijnlijk).

Barbej: naam van schoolmeester op de lagere school van de Plank rond 1935.

barreer of breer (barrirreke, barrere) : stevig hek, breed genoeg om een kar door te laten. nl (uit fr.): barrire.Dao sjteet 'n ko ee g'n barreer (Daar staat een koe in het hek).

basj: zeildoek.

basklas: tuig, getuig, schorem, uitschot, gespuis, laag volk.fr: basse-classe

baskuul (baskuu/l): weegbalans, weegtoestel, weegbrug, weegschaal.fr: bascule.

bassing: teil, kom.fr: un bassin.

bassing (sgv): grotere kom.fr: bassin.

basterdieke: [botan.] kersensoort, dik, glanzend zwart, sappig en zeer vast, Abbesse de Mouland.

Bat: [loc.] het Bat in Luik, in Eijsden.

bataille: kracht.fr: bataille (gevecht, veldslag).Volle bataille (Op volle kracht).

batraaf: batraaf, kwajongen, deugniet.

bats (betske, batse): bil.Haot zaege, kanne vaege, lmmele make, batse krake (rijmpje tijdens kinderspelletje).

batsj (batsje): bak.

batterie (batterieke, batterieje): accu.De batterie is plat (De accu is leeg).

Bauerd, d'r: [loc.] plein aan de kerk te spv.

bavet: slabbertje.fr.

Bavire: ziekenhuis in Luik.

bazel: prietpraat, zever.

bazele of beuzele (bazelde, gebazeld): bazelen, onzin uitkramen, zeveren.

bazis: basis.

bebbel: kletstante.

bebbel: mond die nooit stil staat.

bed: nageboorte. 't bed is nog neet aafkaome (de nageboorte is nog niet gekomen).

bd (bdsje, bddeke, bdde): bed.Op bdsjes trkke (Gras of hooi in kleine rijen leggen).

bedaanke (bedaankde, bedaank): bedanken.

bddekoetsj (sgv): slaapplaats boven de dieren voor de knecht, in het bijzonder de paardenknecht.

bddele (bddelde, gebddeld): bedelen.

bddele (bddelde, gebddeld): collecteren, voor een goed doel de huizen aflopen (mod.).

bedene (bedeende, bedeend): bedienen.

bedene (bedeende, bedeend): laatste sacramenten van stervenden toedienen.

bdsjke (sgv): bakje, kommetje.vgl. badsj.

bee (bee~)  (bngke, bee (bee/) of bng): been.

beer: bier.

beer, e (birke of birreke, beer): glas bier.

beertn: biervat.

begaie (begaide, begaid): overdadig eten en/of drinken.

begaie (begaide, begaid): vechten, toetakelen.

begaie (begaide, begaid): vies maken.

begajeme (begajemde, begajemd): beslaan, condenseren.

begame (begaamde, begaamd) (sgv): beslaan, condenseren.De roete zunt begaamd (De ramen zijn beslagen).

begaoving: de stuipen.

begieng (begienge): begijn, non, kloosterzuster.Dae sjroeft nog 'n begieng oeteree (Die schroeft zelfs nog een non uit elkaar, is een bedreven knutselaar).Begienge mtte mienge (Nonnen moeten menen. Dooddoener als iemand zegt: ich mieng..).

beginne (begoos, begnne): beginnen.

begreffenis (moe sgv): begrafenis.

begriepe (mod.) (begraep, begraepe): begrijpen.

behj: ophef.Vl behj make (Veel ophef maken).Die hant 'ne behj op zich (Die hebben een air of gaan te goed gekleed).

behjdskriemer (orig.): opschepper, druktemaker.

behjdspiemel (orig.): opschepper, druktemaker.

behjsniep: opschepper, druktemaker.

behange (mod.): behangen.

behof (beho/f): behalve.

beie (beide, gebeid): wachten.

Beiere: [loc.] Beieren.

beise (moe): panieklopen van koeien, met de staarten de lucht in, bij onweer op komst of steekvliegen (prame).Es eng koo beist, beisen ze allemaol (Als een koe begint te lopen, volgen ze allemaal. Als een schaap over de dam is...).

beize (moe): biezen.

beje (booj, geboje) (moe): bieden.

beje of bene (boed, gebao, gebaoje of gebaone): bieden.Ich been, doe buuds, hae buudt, v'r beje, d'r bidt. Doe boets, ze boete.Wievl haat-e gebaoje? (Hoeveel heeft ie geboden?)

bejs (moe): wind.

Bjs, De (moe): [loc.] Bijs moe.

Bjsstraot (moe): [loc.] Bijsstraat moe.

bekaans: bijna.

bekalle : kwaad spreken, roddelen.

bekkele (orig.): benvloeden, op een idee brengen, ompraten.

bekieke (bekie/ke of bekie~ke) (bekaek, bekaeke): bekijken.

bekker (bekkerke, bekkersj of bekkere): bakker.

Bekkesj: familienaam Beckers.

beklopt (beklobde): gek, maf, idioot, dom, betoeterd.du: beklopft.

bekokele (orig.): benvloeden, op een idee brengen, ompraten.

bekwaam: bekwaam, geleerd, ontwikkeld, rijp zijn.Dat reend is al bekwaam genog vr te dkke (Dat rund is al rijp genoeg om te dekken).

belache (belaachde, belaachd): uitlachen.Doe dees dich get belache (Jij maakt je belachelijk).Da belache ze dich ch nog! (Dan lachen ze je ook nog uit! Terwijl je het goed bedoelt).

belaove (belofde, belofd) (mod.): beloven.

belasting (mod.): belasting.Ich mt de belasting nog betale (Ik moet de belasting nog betalen (mod.).

belebsjt: belabberd.Wat zies te dich belebsjt oet (Wat zie jij er belabberd uit).

belfd: beleefd.

belle (belde, gebeld) (mod.): bellen.

belle (belde, gebeld) (mod.): telefoneren.

Belsj: [loc.] Belgi.Hae wnt op 't Belsj (Hij woont in Belgi).

belsj: belgisch

belsj (belsjke, belsje): belg.

bemmele (bemmelde, gebemmeld): bengelen.Hae bemmelt a g'ne sjtoets (Hij bengelt aan de staart, hij is de laatste).

ben: kiepbak. 'n ben van 'n remork  ('n kiepbare laadbak van een aanhangwagen).

benao of bienao (mod.): bijna.

bengel: bengel.

bnj (bnjs): beignet, bv appels in deeg gedrenkt en dan gebakken in  frituurvet. Ook nnnevotte.

benkelik: angstaanjagend.

bnne: binnen.

bnne (orig.): in.Hae zit te bnne (Hij zit erin, hij hoort erbij).Dao zit knoersj bnne (Daar zit knoers in).

bnneste: binnenste.

benujd (moe): benieuwd.

benuujd: benieuwd of het lukt, met licht wantrouwen.Noe bn ich 'ns benuujd of.... (Nu ben ik eens benieuwd of...).

beprutele (beprutelde, bepruteld): verfomfaaien, bijv. van papier.

berate: adviseren.du: beraten.

berechting: laatste sacramenten, bediening.

berf (moe-sgv): kranig, ijverig.  'n berf vrouw (Een kranige vrouw).Dao jaars te berf va (Daar wordt je ijverig van).

berg: berg.G'ne berg op (De berg op).

brg of brk: gesneden, gecastreerd varken.

beriegene (beriegende, beriegend) (sgv): [agrar.] beregenen, besproeien, met name in de fruitteelt ter voorkoming van vorstschade aan de bloesem.

berite goe (orig.): ter communie gaan.

berme (bermde, gebermd): opstapelen, met name balen hooi of stro op de hooiwagen of hooizolder.

Berno (mod.): [loc.] Berneau.

beroste (bero~ste) (berosde, beros): beroesten.

brves: blootvoets, barrevoets.

besjre (besjrde, besjrd): scheuren van het lachen.

besjeed: inlichting, bericht, nieuws.nl: bescheid.Zgk mich van besjeed (Laat me wat weten.).Besjeed gaeve (bericht geven, fr: donner avis).

besjeftigd (sgv): druk bezig, druk bezet.

besjemd: beschaamd.

besjerme (besjermde, besjermd): beschermen.

besjiete (besjie~te) (besjaet, besjaete): beschijten.

besjiete (besjie~te) (besjaet, besjaete): oplichten, bedriegen, benadelen.

besjlaag (orig.): [med.] beroerte, herseninfarct, Cerebro Vasculair Accident, CVA. hersenbloeding.

besjlete (besjlaot, besjlaote): besluiten.

besjlete (besjloet, besjloete) (sgv): besluiten.

besjloeiere (besjloeierde, besjloeierd) (orig.): verwelken.

besjluut (besjluu~t): besluit.

besjpraeke (besjpraok, besjpraoke): bespreken.

besjpraeke (besjpraok, besjpraoke): reserveren.

besjrieve (besjrie~ve) (besjraef, besjraeve): beschrijven.

besjtoe (besjtng, besjtande): bestaan.Ich besjtaon, doe besjtees, hae besjteet

besjtute (besjtu~te) (besjtaot, besjtaote) (orig.): ophemelen.

besjuut: beschuit.

bessem (bessemke, besseme): bezem.

bessemekriemer : bezemverkoper, scheldwoord.

bessemesjtek: bezemsteel.

bsterie (bsterie/): afval, vuilnis, huisvuil, rotzooi.

Bet: roepnaam Elisabeth.

betale (betalde, betald): betalen.doe beteuls.

betkenis: betekenis.

btel (btelke, btele): beitel.

bts: best.

btste: beste. 't btste! (Het beste! afscheidsgroet).

Beumaan (sgv): Boeman, een kruising tussen een man en een aap met haren zo lang en stijf als de haren van een stalborstel.

beunker: bunker.

bevrbeeld: bijvoorbeeld.

bevreeze (bevreesde of bevroerd, bevroere) (sgv): bevriezen.

bevreeze (bevruusde of bevraor, bevraore): bevriezen.Water bevruust (Water bevriest).

bevrieje (bevried): bevrijden.

bewaarsjoel (bewaarsjuulke): kleuterschool.

bewaege (bewgde, bewgd): bewegen.

beware (bewaarde, bewaard): bewaren, behouden.

bewust-zie: bewustzijn.

bezkde: bedrogene.

bezke (bez~ke) (bezeekde, bezkd): bezeiken, bedriegen, oplichten, benadelen.Dae hat zich bezkd (Die heeft zich benadeeld).

bezie: bezien. 't bezie waed (Bezienswaardig).

bezoepe (bezaop, bezaope): bezuipen.

bidng (bidngske, bidnge): jerry can.

bidng (bidngske, bidnge) (orig.): blikken veldfles met beugeldop.

bie (bie~): bij, erbij.

bie, d'r: erbij.

bied: paardje.

bied: voetbad.fr: bidet

biederhaand (sgv): bijdehand.

biederhaendsje (sgv): bijdenhandje.

biedong: drinkbus, jerrycan.

biek (sgv): beek.

Biek, de (sgv): de Beek, zijrivier van de Voer, van Warsage tot sgv.

biene (bie/ne) (biende of biende of biedde, gebiend): baden, betten.Ich bien (L-ST) doe biens (K-ST) v'r, ze biene (L-ST) daer bient (K-ST) biende (K-ST), gebiend (K-ST), baen d'ch.

bier (bierke, biere): varkensbeer.Oongelebste bier (Ongelikte beer).Krmme bier (Kromme beer, scheldwoord).

bierig: door een zeug naar paring verlangend.

Biesbruk (sgv): Biesberg. Mogelijk dat de -bruk toponiemen in sgv ouder zijn dan de -berg top. De -bruk top. liggen korter bij de sjtraote rond het dorp, dus eerder ontgonnen en van een naam voorzien.

bieter (sgv): beter.

biej (bie/j) (biejke, bieje): [anim.] honingbij, Apis mellifera L.

bieje (bie~je) (biejde, gebiejd) (moe-sgv): baden.

biejee of bienee: bijeen.Aal biejee (Alles bijelkaar genomen, goed beschouwd).

biek (bie/k): [agrar.] landbouwwerktuig  met een 10-tal lange tanden om het akkerland open te trekken tot +- 40 cm diepte.

biek (bie/k): pen.merk: bic.

biekke (bie~kke): bijkeuken.

biel (bie~l) (bielsje, bielder): bijl.

bies (bie/s) (sgv): noordewind.

bis (bi/s) of bies: smeerlap, beest, stommerik.fr: biesse.Doe bs 'n bis! (Je bent een smeerlap!).De bies oethange (De beest uithangen).

bies (bie~s): noordewind.

bies of pies (orig.): tot.du: bis.Bies e nuuj kier (tot een volgende keer). Bies oppedaod (Tot zodadelijk).Bies sjtrak of neet bies mrge (Tot straks of anders tot morgen).Bies lts (Tot zodadelijk).

Bies, de: [loc.] de Bies.

bisterie (bi/sterie/): smeerlapperij.

biete (bie~te) (baet, gebaete): bijten.ich biet (bie~t), doe biets (bie/ts), hae biet (bie/t)

bieteke (bie/teke): beetje.

bietsje (bie/tsje): beetje.

bieze (bie/ze) (sgv): biezen.

bieze (bie~ze): biezen, wildlopen van vee, panieklopen van koeien, met de staarten de lucht in, bij onweer op komst of steekvliegen (prame).Went de processie lang kunt, beginne de keu te bieze (Als de processie langskomt, beginnen de koeien te biezen).

bij (bij/) (bije) (moe): [anim.] honingbij, Apis mellifera L.Dae hlt bije (Die houdt bijen, omschrijving voor imker).

bijekrf (bij/ek~rf) (bijekrf (bij/ek/rf) (moe) : bijenkorf.

Billesjtraot, ee g'n: [loc.] Billenstraat in Rem.

billig: goedkoop.

bint (sgv): dubbele schoffel met wiel voor tussen de bieten.

bintte (sgv): schoffelen met een bint tussen de bieten.

binge: binden.Te gek vr te binge (Te gek om te binden, om los te lopen).

binnebier: binnenbeer.

binneboews (sgv): binnen het gebouw.

bittng (bi/ttng): beton.

Bjan (orig.) (sgv): Berneau.

Bjanderroet (sgv): [loc.] Berneauweg in sgv.

Bjanderwieg (sgv): [loc.] Berneauweg in sgv.

Bjn (moe): [loc.] Berneau.

Bjen (smv) (orig.): [loc.] Berneau.

blad (bldsje of blaedsje, blaar of blajer): blad.Voerens Blaedsje (Voerens Blaadje, tijdschrift van de vereniging Heem en Natuur Voeren sinds april 2003).

blao: blauw.

blke: roken van een smeulend vuur of lont.

blkerke (sgv): kleine kandelaar.

blaoze (bloos [conj 2: bleus], geblaoze): blazen.Blaos mich 'ns eng! (Je kunt me wat!)ich blaos, doe blus, hae blust.

bleek: bleek.E blkt, 'ne bleke, 'n bleke (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

bleekwsj: de witte was.

bleend: blind.

blke: bleken.De wsj blke (De was bleken).

bletsje (bletsjde, gebletsjt): blaffen.

bleuj: bloei.

bleuje (bleujde, gebleujd): bloeien.

bleutsj of bltsj (bleutsjke, bleutsje): deuk.Dm bltsj (dom meisje).n Gooj bltsj ('n vrouw die voor iedereen klaar staat om te helpen, te verzorgen en het goed meent).

Bliebrig, op 'ne (Blie/brig): [loc.] Bleiberg, Plombires. N 50 44 16.5, E 5 57 39.9

bliej: blij.

bliej: lood.

blieve (blaef, blaeve (orig.) blaove (moe) of geblaeve (mod.)): blijven.Doed blaeve (Dood gebleven, verongelukt).Ich blief, doe bliefs, hae bliet.

blift, 't (geen infinitief): belieft (van believen), bevalt. 't Blift 'm neet (Het bevalt hem niet).Bies mrge, es God blift (Tot morgen, als God het wil).

blij (moe): blij.

blinge: blinde.

blis (moe): bles.

bloes (bluuske, bloeze) (mod.): blouse.

bloes (bluuske, bloeze) (orig.): blouse.

bloje: bloeden.

blomespot (orig.): bloempot.

blmke: bloemetje.

blomkul: bloemkool.

blmpot (orig.): bloempot.

blood: bloed.Blood pakke (Bloed prikken).

bloodsgraaf (sgv): [loc.] bloedgraaf

bloodwaorsj of bloodwaosj (mod.) (bloodwaorsjke, bloodwrsj): bloedworst.

bloom (blumke, blome): bloem. `t Haat mele op os blome (Er zitten bladluizen op onze bloemen).Sjd water a g'n blome (Schenk water bij de bloemen, geef de bloemen water).

bloompot (mod.): bloempot.

blowwe (mv: blao): blauwe.dao zunt de blao! (Daar zijn de blauwen, de politie) 'ne blowwe : dier van het wit-blauwe vleesras (BBB bleu blanc Belge).

bobbelesjtrtsje (moe): [loc.] barbarastraatje in moe.

bobbie: hond, troetelnaam.

bobieng : bobijn, klos.

boch (bchske, bochte): bocht.

boen (buunke, boene): boon.Ee g'n boene (In de bonen, verstrooid).

boerd (brd) (sgv): boord.

boersj (sgv): borst.

boeve (sgv): boven.

boej (boe/j) (sgv): gebouw. Oud armoedig huis.

boej (boe/j) (sgv): oud armoedig huis.

boek (boe~k) (buukske, buuk): buik.Has te dich in d'r boek gebaete (Heb je je zelf benadeeld).

boeke (boe/ke) (boekde, geboek): bukken.

boekel of poekel: bochel.Ich lach mich eine boekel! (Ik lach me krom!)Kns mich d'r boekel op! (Je kunt me de rug op!)

boeljot: warmwaterzak, warmwaterkruik.fr: bouillotte.

boelong: schroefbout.fr: boulon.

Boemelaer: boemelaar, iemand die graag aan de boemel gaat. lid van de karnavalsvereniging de Boemelaire (hun schrijfwijze) van Sint-Martens-Voeren.

Boemelaere: karnavalsvereniging van smv.

boender: bunder.

Boender, op -: [loc.] Boender rem, v/h Boenraad.

boer (bureke, boere): boer.

boerderiej (boerderieke, boerderieje): boerderij.

boeredeenk: boerending, boerderij.

Boersj (Boe~rsj) (sgv): familienaam Bours.

boesjnge (boe/sjnge): sjtpke broeje (zie sjtop).fr: bouchon = kurk, stop, dop.

bt: [agrar.] een pak stro of hooi.

boet (boe~t): huis, huisje, hut, kot.Haant ze dich de boet gepienzeld? (Hebben ze je huis geverfd?)

boete (mod.) of boetes (boe/tes): buiten.

boeteste (boe/teste): buitenste.

boets: doodlopen.Zich boets laope (Vastlopen in een doodlopende straat).

boewe (boewde, geboewd): bouwen.

boezjere (boezje~re): bewegen, verplaatsen.fr: bouger.

boezjiej (boezjieke) (sgv) (mod.): kaars.

bjsj (bjsjke, bjsje): bos.

bjsjraank (mod.): [botan.] bosrank, Clematis vitalba L.

bokbaard: [botan.] schapegras, zwenkgras, Festuca soorten.

bkkem (bkkeme): bakharing.

Bkkes: [loc.] Bocholz.

Bokriek: Bokrijk, openluchtmuseum in Midden-Limburg.

boks: broek.

bol (bo~l) (blke, bl): bol.Blke (Snoepje).

boldere: bonzen, kloppen, lawaai maken.

blles (sgv): hoofd, kop.Op m'ne blles (Op mijn kop).Ich how dich vr dienge blles (Ik sla je op je kop).

bm (bmme): bom.

bmbardemaent : bombardement.

bon: pet.fr: bonnt.

bonheur: geluk. la bonheur! (Wat een geluk! goed zo!)

book, d'r (bukske, beuk): boek.In de beuk van 'n ander is 't sjlaet laeze (In de boeken van een ander is het moeilijk lezen, je kan niet weten wat de financile toestand van iemand anders is).D'r book is umgedrage (Het boek is omgedragen, je bent te laat. Vroeger stond de priester met de rug naar de kerkgangers. Het epistel las hij links van 't altaar en het evangelie rechts. De misdienaar moest 't boek omdragen, van links naar rechts.Als je in de mis kwam na 't epistel, dan was 't boek omgedragen!

boom: lange zijde van een ladder.

boom (boo~m) (bmke, beum (beu/m)): boom.Sjlaope wie 'ne boom (Heel goed, heel diep slapen.)bmke groet, menneke doed (Boompje groot, mannetje dood. Iemand die een boom plant maakt de volle wasdom ervan niet meer mee).

boomoelje (sgv): slaolie.

Boomsjtraot (sgv): [loc.] Boomstraat.

boomvot: boomstronk.

boord (brd) (moe): boord.

borduur (borduu/r): stoeprand.fr: bordure.

bs (bske, bsse): bus.

Bsjke, a ge: [loc.] Aan het Bosje, tussen het Veursbos en de Tunnel van Veurs. N 50 44.492, E 5 50.812

Bsjule (B/sjule): karnavalsvereniging van teu.

bsjuul (bsjuulke, bsjule): [anim.] bosuil, Strix aluco.

bsjuul (bsjuulke, bsjule): lid van de karnavalsvereniging de Bschuule (hun schrijfwijze) van Teuven.

bsjuul (bsjuulke, bsjule): Teuvenaar.

bssel of bsjel (bsselke, bssele): bos, bussel, schoof graan.

bot (btsje, botte): laars.fr: botte.Doe sjtoets get oet dien bot (Jij stoot wat uit je laars, je verzint maar wat).

botkoel: steenslaggroeve voor verharding van veldwegen.

botram: boterham.

botte: veldweg verharden.

bttele: tuinieren.

bttele, zich: vechten, ruzie maken.Ze zunt zich an 't bttele (Ze zijn aan het vechten).

btter: boter.

bttermlk: karnemelk.

bttertieng: boterton.

bovink: [anim.] vink, boekvink.

box (boxe): luidspreker.

braaf (braver, braafst): braaf.Braaf haat de naas aaf (Braaf is zijn neus kwijt. Hij lijkt wel braaf, maar .... Tevens woordspel met de lange a-stoottoon).b.n.: e braaf keend, braaf luuj, 'ne brave hoond. z.n.: 'ne brave, 'n braaf, e braaft.

braeke (brook, gebraoke): breken.

braeke, zich (brook, gebraoke) (orig.): [med.] overgeven, braken, vomeren, spugen.

braene (brn, gebraand): branden. 't brint of brent (het brandt).

bragkelaer (bragkelaerke, bragkelaere): klungelaar.

brak: oud armoedig huis.

brak (sgv): halfwilde, ongeciviliseerde.Brakke va keender (Kinderen die rondlopen als een brak (jachthond)).

branne (brande, gebraand): branden.

brkde (br/~kde)  (brkske, brkdes): [med.] breuk, liesbreuk, hernia inguinalis.

braoje: braden.

braosjiet (brao~sjie/t) (sgv): [med.] bronchitis.

brasl: armband.fr: bracelet.

bratsj (moe): wondkorst, roof.

breed (brjjer): breed.

breef (brifke, breve): brief.

breie (mod.): breien.

breite (moe): breedte.

brnge (braat [conj 2: braet], braat (orig.) of gebraat (mod.)): brengen.

brnge (brach, brach (orig.) of gebrach (mod.)) (sgv): brengen.

brnne (brnde of brn (moe), gebrnd): branden.

brennietel (brennietelke, brennietele): brandnetel.

brt (breier) (sgv): ligplank, schap, zijkant van een houten kruiwagen.

bret (bretsje, braer): plank, bord.du: Brett (etym. zelfde woordgroep als bord).Naovenant 't bret. Wat sjteet op 't bret? (Naargelang het bord. Wat staat op het bord? Aan de ingang van de markt in Aubel hing vroeger een bord met daarop geschreven de richtprijzen van de waren als boter, kaas, enz.).

bretl: bretel, ophouder van broek, beha, kleed.

bretsig (sgv): geil, vurig.

breuj: brouwsel, goedje, drank, brij.

breuje (breujde, gebreujd): broeden.

breuje (breujde, gebreujd): broeien.Hae breujt.

breul (breu~l): bril.

Breursjke, va -: familienaam Broers.D'r Sjeng va Breursjke (Jean Broers).

brevendraeger: postbode.du: brieftrger.

brieksjlaag (sgv): breekslag, meegaande vertragende beweging bij het opvangen van breekbaar goed om breuk te voorkomen, bijvoorbeeld dakpannen.

briem (briemke, brieme): [botan.] braamstruik, Rubus fruticosus.Dae zow zich och nog 'n briem dr z'n vot trkke (Die zou zich nog een braam door zijn achterwerk trekken, een gierigaard).

briem (briemke, brieme): braam, ruige, oneffen rand.

briek (brie/k) (orig.): aansteker.fr: briquet

brieljaontien (brieljaontie~n): haarvet.fr: Brillantine.

brik: baksteen.

brikt (brik/t) (briktsje, briktte): briket.

brikkebekker (brikkebekkere): bakstenenbakker.

brikkeriej (brikkerie/j): baksteenbakkerij.

brikkeroem: baksteengruis, afval baksteenmateriaal.Roem is verwant met ruimen.

brits: brits,  houten bank als slaapplaats.

broddelaer: knoeier.

broddele: klunswerk leveren.

broebel (brubelke, broebele): [med.] bultje, uitslag, muggebult, neteluitslag.

broed (broe~d): bruid.

broedsrs (sgv): huwelijksreis.

broed (bruudsje, broejer): brood.Fieng bruudsjes bakke (Platte broodjes bakken).

broedsjtiek (sgv): broodsteek, ovenschieter.

broemel of broemel (broemele) (sgv): [botan.] braambes, Rubus fruticosus.

broeke (bruukde, gebroekt) (orig.): gebruiken.Hae broekt.

broelet: bruiloft.

broeljaar (broe~ljaa~r) (sgv): mist.fr: brouillard.

broesje (broe~sje) (broesjde, gebroesjt).: bruisen.

broesjtablt: bruistablet.

broewer (bruuwerke, broewersj): brouwer.

broeweriej: brouwerij.

Broewersj: familienaam Brouwers.

brk (brkske, brgke): brug.Oonder g'n brk (Onder de brug).

Brokersjtraot (sgv): [loc.] straat naar Altenbroek in sgv.

brommel of braomel (brmmelke, brommele of braomele): [botan.] braambes, Rubus fruticosus.du: Brombeere.

brommel of braomel (brmmelke, brommele of braomele): mannelijke geslachtsdelen.

Brook: [loc.] Altenbroek, tussen sgv en noorbeek.

brook (breukske, breuk): broek. 'n zjwatte brook mit galongs (Een zwarte broek met zijden biezen).

broonk: bronkkermis.Op g'n broonk (Op de bronkkermis).

broonkdaag: zondag voor sacramentsdag = zondag na Pinksteren.

broonkmaondig: kermismaandag.

broonkzoondig: kermiszondag.

broor (breurke, breurs): broer.

bros (broske): kapsel van stekelharen.fr: brosse, nl: borstel.

brosj (brsjke, brosje): broche, doekspeld.

brosjt (brosj/t): spies.fr: brochette.

brukde (bru/~kde)  (brukdes) (moe): [med.] breuk, liesbreuk, hernia inguinalis.

bruje (bruujde, gebruujd) (orig.): werpen, smijten, gooien, stoten.nl: bruien (stoten).Ich bruuj dich a g'n dr! (Ik gooi je het huis uit! Ook: ontslagen worden). Dae haat aafgebruujd (Die heeft opgegeven, m.n. een wielrenner. nl: er de brui aan geven).Bruuj 'm dich atereuver! (Gooi 'm achterover. Proost, gezondheid!)En noe bruuje ze 't dao (En nu gooien ze het daar. Het bijltje erbij neergooien,  ook: echtscheiden).Ich bruuj, doe bruujs, hae bruujt of hae bruut

brujje (moe): werpen, smijten, gooien, stoten.

brulle: schreeuwen, huilen, wenen.Brulle wie e vrke (Schreeuwen als een varken).

Bruselt (Bru/selt): [loc.] Brussel.nao g'ne Bruselt goe (naar Brussel gaan).

Bruusjterbsj: [loc.] Bruisterbos in Nederland.

B'rweng (B'rwe/ng) (moe): Berwijn.

B'rwieng (B'rwie/ng): Berwijn.

bursjtel of busjtel (sgv): borstel.

buvesjte of buversjte, op g'ne (sgv): bovenste zolder.

bufft (bufftsje, bufftte): buffet.

bugel (bugelke, bugele): speciaal net om de door een fret opgejaagde konijnen in op te vangen.

bugel (bugelke, bugele): zakje.

bujel of bul: buidel, zakje.

bunzing (mod.): [anim.] bunzing, Mustela putorius.

burgemeister: burgemeester.

buro (bu/ro): bureau.

buuffee: buffet.

buul (buu/l): klootzak.D'r buul van 'ne steer (De zak van een stier).Sjtamp 'm onder zienge buul (Stamp hem onder zijn kloten).

buul (buu/l): zak.Uit buujel = buidel.

buuldozer (buuldozere): bulldozer.

buun (buu~n): toneel, scne.du: Bhne.

buurtsjap: buurtschap, gehucht.

buus (buu~s) (buuske, buze): buis.

buushood of buus: buishoed, hoge hoed

buut (buu/t): carnavalsrede.

bwos (moe): borst.

caracol (caracolke, caracolle): [anim.] wijngaardslak, Helix pomatia.

carrelere: betegelen.fr: carreler.

cartoesj: hagelpatroon, schietpatroon.fr: cartouche.

cavvo (ca/vvo) (moe): grafkelder.

centrifuusj (centrifuusjke, centrifuusje) (mod.): centrifuge.

cirkel: cirkel.

citer (cite/r) (citerke, citerre): beerput, regenwaterput, reservoir.fr: citerne.

classeur: ordner, verzamelband.

Clute (Clu~te): familienaam Cluyten.

Collings: familienaam Collings.

comlesere (comlese/re): ter kommunie gaan.

complemnte (alleen mv.): de groeten.fr: compliment.

confituur (confituu/r): jam.

controlere, (controleerde, gecontroleerd): controleren.

corpaenderke (sgv): appelsoort court-pendu.

Corporatie, de: Landbouw en Voedsel (of Voedings) Corporatie.

Criemer: familienaam Cremers.

cursiest (cursie/st): kursist.

cursus: cursus.

cursus: lesmap.

cursusblaar of cursusblajer: cursusbladeren, lesbladeren.

da of dan: dan.

daag (daa~g) (daegske, daag (daa/g)): dag.

daak (daekske, dake of daker): dak.Op 'n daak (Op het dak).

daakdrp: dakdrup, het overstekende deel van het dak aan de binnenkant van een boerenhoeve. Ook het gangpad op het erf eronder.Drch g'n daakdrp (Door de dakdrup).

daaljas (daaljeske, daaljasse): [botan.] dahlia. De botanische naam is ontleend aan de Zweedse botanicus Andreas Dahl, een leerling van Carl Linnaeus.

daampwaals.: stoomwals.

daansmarieke (daansmariekes): dansmarieke, geuniformeerde karnavalsdanseres.Zing, daans en waggel met de daansmariekes va Voere - Zing daans en waggel met - Ze zunt met de bee in g'n loch geboere - Ze daanse toch zoe sjoen - Ze jare nog 'ns kampioen.(Refrein v.h. liedje v.d. Dansmariekes va Voere).

daas (deske, daes): [anim.] das, Meles meles.

dabbe (dabde, gedabd): dabben, wroeten, (uit)graven.

dabbe (dabde, gedabd): krabben.

dae: die.

daeke (daekes): deken, geestelijke.

daensdig: dinsdag.

daer: jullie.

daer: u.

daem (dae~m) (daemke, daeme (dae/me)): speen, tepel van koe.[vet.] Kol a g'n daeme (Plaksel aan de spenen, een koe heel kort voor het werpen krijgt aan de speenopening druppeltjes die een beetje plakken. Bij een merrie zegt men eerder: Krekele a g'n daeme).

dal (dlke, dalle): betonnen vloerelement.fr: dalle.

dalek of dalik: zodadelijk.

dam: dame in kaartspel of schaakspel.

dam (sgv): poot onder de boom van een kar.

dao: daar.

dao opper of dao oppersj: daar boven. Gezegd in sgv over smv en verder oostelijk, in smv over teuven en oostelijker.

daobnne: erin, erbij.Dae zit daobnne (Die zit erin, die hoort erbij).

daobie: bij.

dn: meidoorn.

daon (dntsje, dn): doorn.

daonhaag: meidoornhaag, meidoornheg.

dre (daosj, gedrd) (orig.): mogen.du: drfen.dr ich mich e keukske kriege? (mag ik (mij) een koekje nemen?)ich dr, doe dsj, hae dt, v'r/ze dre, d'r dt. ich/doe/hae daosj, v'r/ze daosje, d'r daosjt

daoter: dochter.

dgeneet: deugniet.

djer of dlder: eidooier.

dl (dlke [mv. dlkes of dlkere], dle): eidooier.Krieg dich d'r dl van driej jjer (Neem de dooier van drie eieren).

daomit: daarmee.

daomit: zodat.du: damit.

dao-oet: daar uit.

dpe (dpde, gedp): dopen.

dr: [botan.] meidoorn, Crataegus soorten.

dr: deur.A g'n dr (Buiten).Um g'n dre goe (orig.) (huis aan huis collecteren, bedelen, leuren).De dr s p (orig.). De dr s aope (mod.) (De deur is open)

dr: door.Dr-en-dr (Door-en-door).Hast't nog'nt dr? (Heb je het nog niet door (bijv. gezaagd. niet in de betekenis van begrijpen). Komt dr (Kom door, naar een volgende kamer in huis).

dree: [med.] verward, dement.Die's gaans dree (Die ziet ze vliegen).

dree: door elkaar, gemengd, gemiddeld.Dree koste die verke neet zoevl (Gemiddeld kosten die varkens niet zoveel).

drgesjpaan (sgv): deuropening.

drsjiete: [agrar.] doorschieten van gewas, in zaad schieten van bieten, porei, ajuinen.

dao-uver (sgv): daarover.

daovan: daarvan.

daovr: daarom.

daovuur (sgv): daarom.

dartien (sgv): dertien.

dartig: dertig.

dat: dat.

datum: datum.

de, d'r: de.

debarra: bergkast, rommelhok, rommelzolder, achterkeuken.fr: dbarras

deel: deel.

deenjng (deenjungske, deenjnges): misdienaar.

deenk: huis, woning, gebouw.

deenk (dingske, dinger): ding.

deenke (daat, gedaat): denken.

deep, depe: diep, laag. 'n depe koel (Een diepe kuil of poel). 'n-en depe sjtool (Een lage stoel).Dat vleegmasjieng waor deep, waor neer (dat vliegtuig vloog laag).De woke hange deep (De wolken hangen laag).

deepte (moe): diepte.

deer (deerke, dere): dier.

definiejsje (definie~jsje): definitie.

dh: minder vormelijk alstublieft, "daar of hier", in de uitdrukking "d, has t't" (hier heb je 't).

dh: uitroep van verbazing of ontgoocheling.De Zjeuf es doed! Dh da noe, noe zaag ich niks mie (Zjeuf is dood! Maar nu toch, nu weet ik niks meer te zeggen).

deing (moe): jouw.Op 't deingt (Op jouw grond, op jouw erf).

dj (moe): die.

dk of dks (dkker, dkst): vaak, dikwijls.Ich han dich dkker gezie, mer ich kn neet op dich kaome (Ik heb jou vaker gezien, maar ik kan niet op je naam komen. Wordt voor de grap al eens vertaald in "Ik heb jou dikker gezien, maar ik kan niet op je komen").

dkke (dkde, gedkt): dekken.Hae dkt.

dkke (dkkes): deken, kleed.

dl: del, nevenvorm van dal.

Del, a g'n: [loc.] In de Del, ten noorden van de Eeuwigsgats. N 50 44.523, E 5 50.743

Delahaut (de la ho) of lahaut (la ho): [loc.] het kruispunt ten O van Moelingen. (De)lahaut duidt op de naam van de cafhouder aan het kruispunt zlf.Aa Delahaut, aa lahaut (Aan het delahautkruispunt).

dle: delen.

Delle, ee g'n: [loc.] In de Dellen, droogdal tussen Ulvend en de Eiken. N 50 45.271, E 5 49.859

dem: die, hem.Has te dem nog? (Heb je die nog?)

Demolling (Demo/lling): familienaam Demollin.

dempig of dempetig: [vet.] koortsig.

dempig of dempetig: dampig.

den: den.

den: van dennenhout.

dn (sgv): dorsvloer.

dene (dnde, gednd): dienen.

dene (dnde, gednd): in militaire dienst zijn.

drm (d~rm) (drmke, drm (d/rm)): darm.

drm (d~rm) (drmke, drm (d/rm)): slang, rubberslang.

drmase: dermate.

dernao: erna.

dertig (moe): dertig.

desser (sgv): soort kapmes.

deul (deu~l): dol, gek.Dao waeds te deul va (Daar wordt je gek van).

deul (deu~l): duizeling, draaierig.

deu-pjs : mantelpak, twedelig dameskostuum. fr: deux-pices.

deur (moe): duur.

deur (sgv): stier.

deurp (sgv): dorp.

dibde (mod.): laagte in het terrein.nl: diepte.

dich: jij.

dich-en-doe: jijen en jouwen, tutoyeren.

die: die.

dieke (sgv): deken.

dier (sgv): jullie.

dier (sgv): u.

diesdig: dinsdag.Wienie s dat? 'n diesdig (Wanneer is dat? Dinsdag).

diek (die/k): dik.E diekt, 'ne dieke, 'n dieke (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).God zaegent dich mit 'n kar klee geld, da hofs te 't diek neet te wissele (God zegent je met een kar klein geld, dan hoef je het grote niet te wisselen, gezondheidswens na een niesbui).

diek (die~k): dijk.

diekde: dikte.

dieke (diekde, gediekt): dikken, dikker worden, aandikken. Ook: in het kaartspel een kaart met veel punten bijgooien.

dieksjonnaer (dieksjonnaerke, dieksjonnaere): woordenboek.

diekte (moe): dikte.

dieng of dien: uw, je.

Diepelder (teu): [loc.] Diependal bij Beusdaal.

dieskutere (dieskuteerde, gedieskuteerd): discussiren.

diezjokk: DJ disc-jockey.Franse uitspraak van het engelse disc-jockey.

differens (differe~ns): verschil.fr: difference.

different (differe~nt): verschillend.fr: diffrent.

dins: dienst, kerkdienst.

direk: zodadelijk (dus niet direkt).

direk (mod.): direkt.

dis, dizze: deze.Dis waek (Deze week).Dis kier (deze keer).

dit: dit.

Dittrie (Di/ttrie): familienaam Detry, bekend varkensvleesverwerkend bedrijf in Aubel.d'r Funs Detry op e Sjilbrig (Fons Detry van Schilberg).

Djimmer (Djimmerke, Djimmers): lid van de karnavalsvereniging de Djimmers van Moelingen.

Djimmers: karnavalsvereniging van moe.

djr (moe): u.

dbbel: dubbel.Dat is dbbele Kaever (Dat is dubbele Kevers, dat is een huwelijk Kevers-Kevers).

dbbele (dbbelde, gedbbeld): dubbelen, zittenblijven, doubleren.

doe (doe/): toen.

doe (doe~): jij.du: du.In samentrekkingen te, bijv. has te: heb jij.

doe (dng, gedoe): doen.Ich daon, doe dees, hae deet, v'r deunt, d'r doot.Dch mit of dug mit (Doe mee).Wie geet 't? Me deet 't goe (Hoe gaat het? Men doet het gaan....). 't deet niks ('t doet niks, 't is niet erg).

doedebildsje: bidprentje.

doedebreef (doedebreve): doodsbrief.

Doedemong (Doe/demong): familienaam Dodemont.

doen (duun) (moe): doorn.

doer (sgv): door.

does (duuske, doeze): conservenblik.

does (duuske, doeze): doos.

doef (duufke, doeve): [anim.] duif, Columbidae, diverse soorten.

doef, de: Die Fliegende Taube, Aubelse krant, 1848.

doej (doe~j) (doeje): dode.

doem (doe/m) (duumke, doeme): duim.

doeme (doe/me): duimen.

does (doe~s) (duuske, doeze) (moe): conservenblik.

does (doe~s) (duuske, doeze) (moe): doos.

doevemiensj (doe/vemiensj) (sgv): duivenmelker.

doevesjtoeter: [anim.] stootvogel, roofvogel, buizerd,sperwer, havik, kiekedief.

doezend: duizend.

doge: deugen.

dokter (dkterke, dktersj of dktesj): [med.] dokter.Nao d'r dokter (Naar de dokter).

dokteres (doktereske, dokteresse): [med.] vrouwelijke dokter.

doktoer (doktoe/r) (doktuursj) (sgv): [med.] dokter, arts.

dl: gek.Dlle gek (Gek (eerder goedmoedig bedoeld).E dlt, 'ne dlle, 'n dl (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

dlle (dl (d/l)): gek.Doe bs 'ne dlle (Jij bent een gek. Veel onvriendelijker dan dlle gek).Die gedrage zich wie de dl (Die gedragen zich als de gekken).

dlsje (orig.): [anim.] kauw, Corvus monedula.du: Dohle.

dnderkiel: belemniet.

dnderwaer: onweer.

dnnesjdig: donderdag.

dontiest (dontie/st): tandarts.fr: dentiste.

dook (deukske, deuk): doek, laken.Op g'n deuk (Op de lakens, bedlegerig, aan het ziekbed gekluisterd. Maar ook niet van huis kunnen wegens een niet zo ernstige ziekte).

doomp: damp.

dppe : onhandig meisje (oorspronkelijk is dppe een stenen potje. pke, dpke, roezespke enz.).

dppe-sjrger: (letterlijk: 'ne potjes-kramer) = een onhandig iemand. (te vergelijken met 'ne hoddeler en 'ne taperer).

dpsel: doopsel.Ich houw dich vr d'n dpsel, dat dich 't vrmsel aa g'n nak aaflpt.(Ik sla je voor je doospel (voorhoofd) dat je het vormsel (bedoeld is het bloed) de nek afloopt).

drch: door.Drch-en-drch (Door-en-door).

drchdat: doordat.

drchgaank (drchgengske, drchgeng): doorgang tussen weilanden. Op deze plaats is de bodem meestal modderig, door het trappen van de koeien.[med.] Prat ee g'ne drchgaank (Modder in de doorgang, maanstonden, menstruatie).

drdat: doordat.

dore (doorde,  gedoord): duren.

drp (drpke, drper): dorp.Um 't drp (Rond het dorp).Luuj oet g'n drp (Mensen van het dorp).Loester nao luuj oet 't drp (Luister naar mensen uit het dorp).nge oet g'n/'t drp jage (Iemand uit het dorp jagen).

Drp, aoven ee g'n: [loc.] Boven in het dorp Veurs,  oostelijk deel. Hieruit blijkt dat Veurs vroeger, meer dan nu, als een dorp gezien werd. N 50 44.188, E 5 50.949

drp, ee g'n: [loc.] Dorpstraat in Rem

drpssjtraot: dorpsstraat.Drch g'n drpssjtraot (Door de dorpsstraat).

dsj: tafel.nl: dis, du: tisch.Ee 's Gravevoere velt Septemberkeermes altied der zoondeg nao 21 september, Sint Matheus (Mathieu), want Matheus maog neet mit aa g'n dsj, - an de kirmesnoon - aasjuve(In 's Gravenvoeren valt septemberkermis altijd op de zondag na 21 september, Sint Matheus, want Matheus mag niet mee aan tafel - aan het kermismiddagmaal - aanschuiven).

douwf (moe): duif.

dow (sgv): de dikke takken van fruitboom.

d'r ginnige: degene.

d'r Iezere Peerboom: [loc.] spv.

drage (gedrage): dragen.Hae dreugt.

draod (drdsje, drd of drj): draad.

drappo (dra/ppo): vaandel, vlag.fr: drapeau.

dras: koffiedik.

drasje (sgv): stortregenen.

d'rate: erachter.

d'r-bie: erbij.

d'rbie (d'rbie~): erbij.

d'ree: er in.

dreenk: drinkplaats voor het vee.

Dreesj: [loc.] Drees, straat in sgv.

Dreesjberg: [loc.] St-Maartensstraat (smv) de straat vanaf 't huidige postkantoor, omhoog langsheen 't Tongers huis, tot aan de Vogelstang.D'r Dreesjberg op.

Dreesje, op 'n -: [loc.] Driesen in Rem.

drek: aarde, grond.

drssig (rem): dertig.

dreum (drmke, dreume): droom.

dreume (drmde, gedrmd): dromen.

dreuvig: droevig.

dreuvige: Piper verkenningsvliegtuig in WO2.

d'rhee: er naar toe.Gees te d'rhee? (Ga je er naar toe?)Get d'rhee make (Van zijn neus maken).

Drie sjouwe, a g'n : [loc.] kruispunt gewestweg met de weg van Elbele naar de Hey.Hier zijn geen schouwen, maar vroeger een kruising met 3 wegjes. Onjuiste vertaling van 't franse 3 chemins.

driedaem: [vet.] een driespeen-koe, n speen niet meer melkgevend, verloren door ontsteking.

drien (drienke, driene): draai, bocht.In d'r drien van d'r waeg ater 't hoes van d'r Lejeune (In de draai van de weg achter het huis van Lejeune).

driene (driende, gedrnd) of drieje: draaien.D'r mond drient um g'n aed (De maan draait om de aarde).

drienhk (mod.): draaihek, tourniquet.

driej: drie.

driejknninge: driekoningen.

Driejkuninge (sgv): driekoningen.

driejvrder: [agrar.] drieschaarploeg.

driekkes : scheldnaam.nl: hendrik.

drie-maol-twientigers (drie-maol-twie/ntigers): 60 plussers.

Driesjke, op 'n: [loc.] Op 't Drieske, ten oosten van Op de Domen, tussen de twee parallelle veldwegen van Veurs naar St.-Pieters-Voeren. N 50 44.32, E 5 50.155

driet of driet (drie~t): schijt.

driete (drie~te) (draet, gedraete): schijten.Went 'r dat hei gewete, hei Henske ee g'n brook gedraete (Als hij dat had geweten, had Hansje in zijn broek gescheten).Doe bes dieng mam gedraete (Jij bent je moeder gescheten, jij lijkt als twee druppels water op je moeder).

drietes (drie/tes): schijthuis, toilet.

drinkbatsj: drinkbak voor het vee.

drinke (droonk, gedroonke): drinken.

droekknaop  (droekkneupke, droekkneup): drukknoop.du: Druckknopf.

drkke (drkde, gedrkt): drukken.

droof (sgv): duig, tonplank.

drpke: jonge klare, jenever.

drtien (teu-rem): dertien.

druge (dru/ge) (druugde, gedruugd): drogen.

druug (druu/g): droog.

duvel (sgv): duivel.

duje (duujde, geduujd): duwen.[vet.] Die koo haat zich 't lief aafgeduujd (Die koe heeft (zich) het lijf afgeduwd, die koe heeft de baarmoeder uitgeworpen, reden van opruiming).Duuj nog mer get d'r op (Duw er nog maar wat op, leg nog maar wat de nadruk op mijn fouten).

dun: dun.

Dusens (Du/sens): familienaam Duysens.

duujt, 't: het beduidt, er is een probleem, 't is van betekenis.Wat duujt 't? (Heb je een probleem?)Wat duujt dat? (wat betekent dat?)Dat duujt m'ch get (Dat heeft me wat te betekenen!)

duur: duur.

duuster: duister, donker.In d'r duuster (In het donker).

duutelich: duidelijk.

Duutsj (Duu/tsj): Duits.

Duutsj (Duu/tsj): Duitsland.Op 't Duutsj (In Duitsland).

Duutsjer (Duu/tsj) (Duutsje): Duitser.

Duutsjlaand (Duu/tsjlaand): Duitsland.

duvel (duvelke, duvele): duivel.A gaen zie (va) d'r duvel (Aan de andere kant van de duivel, god weet niet waar, in the middle of nowhere).D'r duvel mit d'r sjtoets trkke (Op zwart zaad zitten).D'r duvel sjiet ummer op de groetste haop ('t is altijd bij de rijke dat het terecht komt).

dwaesj: dwars.in 't dwaesj (of 'ntwaesj?, als ontstaan uit "ont-dwars",zoals ont-moeten)

dweel (dweelke, dwele) of dwel (mod.): dweil.

dzju (orig.): verdomme, vloek, in Gods naam.fr: nom de Dieu

e ba: naar toe.Oe ba? (Waar naar toe?)

e bae: stopwoord: goed.fr: bien

eder: iedere, elke.

edernge: iedereen.

edesjkier of jedesjkier (e/desjkier): elke keer.du: jedesmal

ee: binnen.Km ee (Kom binnen.)

ee: in.

ee: een.

ee: elkaar (mit ee, bie ee).

eegrave (eegegrave): ingraven.

eej (jke [mv. jkes], jjer): ei, kippenei.Dao verdins te nog neet 't zaot mit op 'n eej (Daar verdien je nog niet het zout op een ei mee).Doe has nog vl kook van een eej (Jij verkoopt nogal veel last).

eek (eekske, eeke): [botan.] eik, eikenboom, Quercus soorten.

eek of ke: eiken, van eikenhout.

eekhaon (eekhntsje, eekhn): [anim.] eekhoorn, Sciurus vulgaris.

eelane, (laande ee, eegelane): inladen.

eelaote (leet ee, eegelaote): binnen laten.

eelaote (leet ee, eegelaote): omgaan met verkeerde zaken of mensen.

Eesde: [loc.] Eijsden.

Esden: [loc.] Eisden in Rem.Nao g'n Esden op (Naar Eisden).

eeviesje: inwikkelen met verband of luierdoek.

eevoge: invoegen.

eewoener (sgv): inwoner.

effe: even.

ge: eigen.Da's va mien ge (Dat is van mij, van me zelf).

egener (egenerke, egenerre): eigenaar.

ges (orig.): zelf.ges gemakde kompot (Zelfgemaakte compote). Zich ges (Zichzelf).

geste (orig.): zelfde.

egterlik: achterlijk.Die haant 'n egterlijk keend (Die hebben een achterlijk kind).

eiertaat: eiertaart, een rest deeg waarvoor moeder geen beleg meer had. Oplossing was een paar eitjes met wat suiker.

jjersjaal (jjersjale): eierschalen.

ke, g'n of de: [loc.] De Eiken bij de Plank.

ekel (ekelke, ekele): eikel.

eker (eker~): iedereen.

kkelder: [loc.] Eckelrade.

kske, a g'n: [loc.] bedevaartplaats en ziekenhuis in Moresnet, geboorteplaats van veel oost-voerenaars in de 20ste eeuw.

ekspater of ekstierpater: cultivator, grondbewerker met lange verende tanden die diepte werk (10-15cm) kan verrichten.

ekspres: met opzet.

ekster (mod.): Boterham met stroop en platte kaas, makkei.

ekster (mod.): ekster.

Elbele (E/lbele): [loc.] Aubin Neufchteau (Dalhem).Fort van Elbele (fort van Aubin Neuf Chateau).

elber (elberke, elbere): aardbei.elber, erbel: de L noemt Weynen Etymologisch Dialectwoordenboek een gevolg van dissimilatie.

elend (e~lend): ellende.

lend (sgv): ellende.

llektriek (llektrie/k): elektriciteit, stroom.Dat geet mit d'r llektriek (dat gaat op stroom). 'ne paol van d'r llektriek (een elektriciteitspaal).

elter: altaar.

Elven: [loc.] Elven in moe aan de Maas.fr: Navagne. Volgens Boileau 1971 p. 364, het verband tussen Elven en Navagne: Elven heeft als Romaanse vorm Aivagne. En Aivagne (in Elven) wordt tot Naivagne, Navagne)

Emiel (E~miel): eigennaam Emiel.

en: en.

end: [anim.] eend, algemene naam voor een aantal soorten vogels uit de familie van eendachtigen (Anatidae).s die laam end de ur? (Is die lamme eend de uwe? Grap: snel uitgesproken lijkt het onverstaanbaar frans: Estilamentr?).

enervere: enerveren.

eng (moe, sgv): een.

nge: een, ene, iemand.E-zelang ze nge nudig hant (zolang ze iemand nodig hebben).Doe bs mich nge (Jij bent me er eentje).

nnig: enig.

nnige: enige.

ensjele (e/nsjele) (ensjelde, gensjeld): kibbelen, ruzie maken.Zich ensjele (Ruzie maken met elkaar).

entaege, antaege of ontaege (orig.): tegenmoet.nl: ont-moeten, du: ent-gegen.Hae kaam 'm entaege (Hij kwam hem tegemoet).V'r gunt 'm entaege (Wij gaan hem tegemoet).

periabel: lange regenjas.fr: impermable.

erbees (moe): aardbei

erbel of aerbel: aardbei.Zie elber.

erf: hoeve.

ermeburo: Armen Bureau, het huidige OCMW. Voor veel zelfstandigen en boeren was dit de ultieme vernedering, zich hiertoe moeten wenden voor geld of hulp. Zelfs nu nog is het voor veel ouderen uitgesloten. Geen poetshulp of maaltijd aan huis.

ermzieligheed: armzaligheid.

rpel (rpelke, rpele) (mod.): aardappel.Ich mt de rpel goe aafsjdde (Ik moet de aardappelen gaan afschudden, hevig moeten gaan plassen).

errr: vergissing.fr: erreur.

rt (rtsje, rte): erwt.

rtesop: erwtensoep.

erve (erfde, georve): erven.

es: dan, als.

es: er. 't haat 's vl die ... of: 't haat 'r vl die ...  (Er zijn er veel die).

sj: es.

esj of essje: as.

sjberg, op 'n: [loc.] Op de Esberg, ten oosten van de weg van de Eiken naar Ulvend. N 50 45.332, E 5 50.068

sje: van essenhout.

Esjgoonsdig: Aswoensdag.

essereus (essereuske, essereuze) (orig.): centrifuge.

essig (orig.): azijn.

esteblf: alsjeblieft.

ester (orig.): ekster.

euch: u, jullie.

euverlaop (euverlpke): overloop.

eur: uw, jullie.Hier pasjtoer, is dat eure hood? (Heer pastoor, is dat uw hoed?)

eurges (sgv): ergens.

eurtje (sgv): een ijzeren of met wilgentakjes gevlochten vlaaischotel, vlaaibord. Een onderlegger voor de vlaai.

euver: over.Hl euver trl (Hals over kop).

euverlope: overlopen (water uit emmer).

veldig (ve/ldig) (orig.): kinderachtig, snoevend, ingebeeld, aanstellerig, eigenzinnig, eigenwijs.du: einfltig.

veldige (ve/ldige) (orig.): onnozelaar, kinderachtige, iemand die zich meer meent dan hij in werkelijkheid is, dus bij misplaatste trots. Zeer afdoende afsnauwing!veldige piemel (Kinderachtige aansteller).

veldigheed (ve/ldigheed) (orig.): kinderachtigheid.

evoj: weg.Waals.Maak dich evoj (Maak dat je weg bent).Hae is evoj (Hij is verdwenen, hij is weg).

evvel (e/vvel): toch, maar, echter."Keuls: vver (Em Winter, dann schneit et, em Winter e et kalt. ()

vver em Mai, dann wed et widder grn. Jupp Schmitz - Klsche Karnevalshit 1965)."Evvel neet (Toch niet).

eweg (ewe/g) (orig.): weg.Hae gong gaans sjtil eweg! (Hij ging er stillekes vandoor!)Gaank eweg (Ga weg! 't is niet waar!)

explikere: uitleggen, ophelderen, uiteenzetten, ontvouwen, expliqueren.

e-zelang: zolang.

faar (fare): groot licht, schijnwerper.fr: phare.Ich vaar mit de faren op (Ik rij met groot licht).

faat (moe): fout.

faat (moe): schuld.

fabriek (fabriekske, fabrieke): fabriek

fael (sgv): gebrek.

faele (faelde, gefld): mankeren, ontbreken.du: fehlen.

faeler: fout.du: fehler

faet (fae~t): feest.fr: fte

fagk (fgkske, fagke): takkenbos voor het stoken van een houtoven, bos rijshout.

fagkedraod: dunne ijzerdraad om fagke te binden. De draad verbrandt bij het stoken van de oven.

faktr (fakt/r): postbode.fr: facteur.

famielje: familie

familiesjtk: familiestuk

fanfaar (fanfaa/r): fanfare

fao: vals.Doe ds fao (Jij doet vals).

fao: valserik, valsaard.Doe bs 'ne fao (Jij bent een valsaard , valserik).

faones: onnozelaar, scheldnaam, sterker dan toepes.faon, ten N van Maastricht = penis

faom (moe): mengsel van mergel en kolengruis als briket.

faot (ftsje, faote): fout.

faot (ftsje, faote): schuld.Da's mieng faot (Dat is mijn schuld).

faradjie: plagen, jennen, pesten

farizeier (sgv): huichelaar.

feike: een (lief) klein meisje.fr: fille.

flderke (moe): klein lichamelijk ongemak, klacht.du: Fehler.

feng (moe): mooi.

fttig: veertig.

fibrewari: februari

fie (fie~) (orig.) (fienger (fie/nger), fiengste (fie/ngste)): mooi, niet fijn!Fie waer (Mooi weer).

fieber (fie/ber) (orig.): [med.] koorts.

fies: feest.

fieke: een (lief) klein jongetje.fr: fils.

fieloer (fie~loe~r) (sgv): huichelaar.

fieng (sgv, smv): mooi.E fiengt, 'ne fienge, 'n fieng (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

fies of fis: [anim.] bunzing, Mustela putorius.Visweg in Noorbeek mogelijk in deze betekenis.

fiesj: stroomstekker.fr: fiche.

fiets (fietske, fietse) (mod.): fiets.

fiezel (sgv): motregen.

fiezele (sgv): motregenen.

fikke (mv): vingers.Ich how dich op dien fikke (Ik sla je op je vingers).

filoe: plantrekker.

filoe: valsspeler.

fioel (fiuulke, fiuulkes) (orig.): [botan.] viooltje.

fisternle of fisternlle: klungelig, soms geheimzinnig, knutselen.

fjaer (sgv): fier, trots.fr: fier.

flab of flabbes: scheldnaam, lummel, dommerik, idioot, gek, raar figuur.

flaesj (flae~sj) (flaesjke, flaesje): fles.

flammae: scheldnaam voor Vlaming.

flammender (flammenderke, flammendere): vlaming, nogal misprijzend tegenwoordig. De vlaamsgezinden zullen zelf liever vlaming zeggen.

flamsj: vlaams.

flaopoedding: flanpudding.

flaovlaam: flamvlaai.

flat (flatte): koeienflat.Flatte sjpreie mit de flattesjp (Koeienvlaaien in de wei met een platte schop uitspreiden).

flattesjp: een driehoekige, puntige, licht gebogen schop waarmee de verse (nog niet droge) koeievlaaien werden uitgesmeerd.

flebiet: [med.] aderontsteking.lat: flebitis.

fleer: [botan.] vlier, Sambucus soorten.

fleerblome: vlierbloesem, vlierbloemen.

flem (sgv): een inzinking, niet veel zin hebben, niet gemotiveerd zijn.Ich heb de flem huuj (Ik heb vandaag niet veel zin).

flerentee: vlierthee, vlierbloesemthee.

fleures: [med.] longontsteking.

fleut (fleu~t): een dom meisje (zoals dom blondje).

fleut (fleu~t) (fltsje, fleute (fleu~te)): fluit.

fleute (fleu~te) (floot, gefloote): fluiten.Ich fleut, doe flts, hae flt.

floem (floe/m): fluim.

floep: angst.

floepe (floepde, gefloept): lukken, fiksen.t is 'm gefloept ('t is hem gelukt).Wie geet e dat floepe (Hoe gaat ie dat fiksen).

floer: velours, fluweel.

floerebrook: broek van velours.

floes (floe~s) (sgv): grote haarstrik.

floetsj : vrouw die niet veel in heeft, niet erg werkzaam is.

floetsje (floetsjde, gefloetsjd): floepen.

floewieng, foewing of fwing: [anim.] fluwijn, steenmarter, Martes foina, of boommarter, Martes martes.fr: fouine.

flkkes: een onbehouwen iemand die ongepast handelt.

flt: vlot, snel, vlug.Vlt lope (Vlug lopen, rennen).

fltte: [med.] diarree.

foenes (sgv): scheldnaam.

foelaar: halsdoek, hoofddoek.fr: foulard.

foemel: gek gedrag.

foemele: heimelijk knuffelen, stiekem vrijen.

foemele (moe): knuffelen, ook naar kinderen toe.

foesje (foesjde, gefoesjd): stiekem iets knutselen.

foetbal, d'r: de voetbal.

foetbal, d'r: het voetballen, de wedstrijd.

foetballe: voetballen

foetele (foetelde, gefoeteld): vals spelen.

foetsjie: foetsjie, verdwenen

foi: foei.Foi, foi, foi, wat 'n deenk (Foei, foei, foei, wat 'n toestand).

fom (fomme) (sgv): mengsel van mergel en kolengruis als briket.Aeges gemakde fomme (Zelf gemaakte kolengruisbriketten).

fombak of faombak (moe): bak naast de haard met kolenslik.Groeselt: fom = briket.

forneus: fornuis, stoof, oven.

forsj of fosj: fors, hard, groot.Forsj wirke (Hard werken).

forsjt of foersjt: vork.fr: fourchette.

fsternelle (moe): knutselen, prullen.

ftt: foto.

Fraankrich: Frankrijk.

fraans: frans.

fraes (fraezeke, fraeze): aardbei.fr: fraise.

frak (frekske, frakke): jas, ruitersjas,  jacquet, pandjesjas.D'r frak driene (De jas omdraaien, binnenste buiten keren: overlopen, verraden, van partij veranderen).

frakkendriener (frakkendrienerke, frakkendrieners): overloper, ne frakkendriener keert figuurlijk zijn jasje gewoon binnenste buiten en bekent daarmee kleur. du: Frack.

francofon: franstalige.

frang (frengske, frang of frange): frank, Belgische betaalmunt tot de euro ingevoerd werd in 2001.Dao veel mienge frang (Daar viel mijn frank, toen begreep ik het).

fransoes (fransoe/s) (fransuuske, fransoeze): fransoos.

freng (frengske, frenge): rem.fr: frein.

frenge (frengde, gefrengd): remmen.fr: freiner.

friekasej : spek met eieren.fr: Fricasse.Ich hb mich dizze mrge 'n goj ouwerwtse friekasej dree gehouwe (Ik heb deze ochtend een goede ouderwetse omelet met spek gegeten).

Friensj: familienaam Frijns.

friesco (frie/sco): ijsje.merknaam frisco.

friet (frietsje, friete): friet.

frieteboet (frieteboe~t): frituur, frietkot.

Friets (Frietske): roepnaam Frits.Ienne-mienne-mietske, doe bs Frietske, ienne-mienne-maus, en doe bs d'raus (Aftelrijmpje).

friettuur (friettuu/r) (friettuurke, frietture): friture, frietkot.

frigo (fri/go): diepvries.

Frings: familienaam Frijns.

froont: front.

Fruiter: [loc.] Froidthier.

Funs: roepnaam Fons.

fut (mod.): fut.

gaan (gaensje) (orig.): garen.

gaank: gang.

gaans: heel, gans, zeer.

gaar: gaar.

gaar: gulp.Dienge gaar sjteet op (Je gulp staat open).

gaar (gerreke, gare) (orig.): hek voor voetganger.nl: gaar = draaiende sluitboom.

gaar (orig.): helemaal.du: gar.Dat is gaar (of gaarets of gaaroets) neet waor! (Dat is helemaal niet waar!)

gaar of gaard (orig.): tuin, moestuin.nl: gaard (bijv. in boomgaard), du: Garten, en: garden, fr: jardin.Ee g'ne gaard (In de tuin).

gaas: gas.Gaas a fong (Plankgas). fr: gaz au fond.

gabardien: lichte regenjas. fr: gabardine.

gaeche: hijgen.D'r hoond loog te gaeche (De hond lag te hijgen).

gaed, gaerd, gaerd of gard: staak voor bonen of hoogstamfruit.Ze mager es 'n gaed (Zo mager als een bonenstaak).

gaed, gaerd, gaerd of gard: vrouw van grote gestalte.

gaene (gaede, gegaed): wieden

gaesj: gerst.

gaesjtemael: gerstemeel.

gaegend: streek, omgeving.

gael (gae~l): geel.D'r gaele (De gele. bijnaam Houbiers (moe)).[anim.] Gaele goetsj (Geelgors, Emberiza citrinella).[med.] Gael verf (Gele verf, geelzucht, icterus).

gael (gae~l): koop.

gaeld: geld.

gaele (orig.) (gool, gegwwe): kopen.ich gael, doe gils, hae gilt, v'r gaele, d'r gaelt. Ich gool, doe gools, hae gool, d'r goolt. Soms hoort men als verl.tijd: ich gaot, doe gaots, hae, gaot, d'r gaot.

gaen: gene, andere.A gaen zie (Aan de andere kant, aan gene zijde).Nao gaen zie goe (Dood gaan, sterven).Va gaen zie (Van de andere kant (van de grens), Hollands, Nederlands)

gaen: steunbroek onder de kleding gedragen, rondgeweven korsetje, step in.

gaere: gistendu: gren.

gaeve (goof of gaof, gegaove): geven, verstrekken, aanreiken (mod.)

gaffel: hooivork.

gais (gaize) (moe): gans.

Gaizewej (moe): [loc.] Ganzenweide in moe

gajem (sgv): condens, adem op glas.

gajem of gaam (sgv): wasem.

Gallinge Kruuske: zandstenen veldkruis; spanwijdte 41 cm; voorkant: een corpus en een zespunt; achterkant: op een schildje "ma..." (maria); vleugels in de hoeken zoals rond Keulen ca. 1600.

galosj (galosje) (uitspr: fr. g): soldatenschoeisel, leren overschoen.fr: galoche.

gamel (game/l) (gamelke, gamelle): soldateneetbakje, eetketeltje, gamel.

gammasj (gammesjke, gammasje) (uitspr: fr. g): beenkappen.

gamming (gammingske of gammaeke (gammae~ke), gamminge): jongen, kwajongen.fr: gamin.

gan: graag, gaarne.Ich han dich ezeu gan (Ik heb je zo graag, ik hou zoveel van jou).Die man mag ik graag (Dae miensj han ich gan).Zich mit nge of mit get neet gan ha (Iemand of een situatie niet graag hebben).Ich han d'r hik, ich han d'r pik, ich han 'm gan, ich gaef 'm gan (Een versje om de hik kwijt te raken met ademtechniek: opzeggen zonder onderbreken).

gaod: goud.

gaos (gs): gans.

gape (ga~pe) (gaapde, gegaapt): gapen, geeuwen.

garaasj: garage.A g'n garaasj (Bij de garage).

garazjiest (garazjie/st): garagehouder, autoonderhoudsmonteur.

gard: boswachter, bewaker.fr: garde.

garderoob (garderoo/b): garderobe.

gare (mod.): garen.

garetig: ernstig zieke koe, tuberculosekoe.nl: gortig.

garre (sgv): verlangen naar iets lekkers.

garsj (sgv): garstig, rans, ranzig, bitter.

gasp: gesp.

gats: garstig, rans, ranzig, bitter.

Gats (Getske): [loc.] in moe: steeg tussen Drieschstraat en Kerkplein.

gats (getske): steeg.du: Gasse.

gats (sgv): lastig persoon.

gatto (ga/tto): taart, koek.fr: gateau.

g of gng: geen.

ge, g'n, g'ne: de, het.

gebre (gebrde, gebrd): gebeuren.

gebeet of gebt: gebit.

gebiere (orig.): letten op, notie nemen van, aandacht schenken aan.Dao ms-te neet nao gebiere (Daar moet je geen aandacht aan schenken).

geboere (geboe~re) (sgv): geboren.

geboerte (sgv): geboorte.

geboew (geboe~w) (gebuuwke): gebouw.

gebraod: gebraad, lekker stuk gebakken vlees.

gebreurs: gebroers.

gebroek: gebruik.

gebroeke of gebruke (mod.): gebruiken.

gechte (sgv): hijgen, snel op en neer ademen van een hond.

gedoe: klaar.

gedoons (moe): gedoe.

gee: geen.

Geensterberg: [loc.] Aan de Ginsterberg, ten zuiden van Ulvend, ten zuiden van de Priejekoele. N 50 45.3, E 5 49.898

geet (gtsje, geter): [anim.] geit, Capra hircus.

geiselik: geestelijke.

gejare laote (sgv) (orig.): bezig laten, met rust laten.

geje (sgv): schoffelen.An 't geje (Aan het schoffelen).

gek: gek, dwaas.

gekaoks, get: het gekookte.

geklmmel: gepruts.

gekoekel: slappe lach.

gekrsj (orig.): hoofdkaas.

gekuum (gekuu~m): gekreun, gesteun, gezucht.

gelachter (sgv): op meter gezaagd hout.

gelaegenigheed: gelegenheid.

gelaeje (sgv): geleden.

geleier (sgv): karrespoor.

geleuve (gelufde [moe: gloch], gelufd) (sgv): geloven.

geliek: zodadelijk.

geliek (gelie~k): gelijkenis.Dat zies'te aan 't geliek (Dat zie je aan de gelijkenis).

gelieke (gelaek, gelaeke): lijken.

gelle (moe): kopen.

gelk: geluk.Me meus e bietsje gelk haa (Men zou een beetje geluk moeten hebben).

gelkzllig: gelukzalig.Gelkzllig Nuujjaor (Gelukzalig, Gelukkig Nieuwjaar).

gelps, 't: het geloop.

gelpsj (sgv): fris, jong.Gelpsj graas (Jong gras).

gemaak: gemak.

gemaekelik: gemakkelijk.

gemeentelich: gewoonlijk.

gemeentelik (sgv): gewoonlijk.

gemet: rij waar met zeis gras is gemaaid.

gemiekelik (sgv): gemakkelijk.

gemies (sgv): maaisel, het gemaaide.

gemingde (gemingdes): gemeente.

gemingdehoes: gemeentehuis.

gemingdesikkretaer: gemeentesecretaris.

genaeve: neven van elkaar.

gne: niemand.

geng (moe): geen.

genge, aan 't (gengde, gegengd) (moe): ijsberen, nerveus doelloos rondgaan of niet vinden wat men lang zoekt.

genichte: nichten vanelkaar.

genog: genoeg.

geraempsj (geraempsje, geraempsje): geraamte.

geraje: normaal.du: gerade.E geraje keend (Een normaal kind).

gereedsjap (mod.): gereedschap.

gericht: gerecht, rechtbank.

grtje: een ijzeren of met wilgentakjes gevlochten vlaaischotel, vlaaibord. Een onderlegger voor de vlaai.

gesjef (gesjefke, gesjefte): zaak.

gesjeft (sgv): werk.

gesjeftigd (sgv): bezet, druk bezig.

gesjlicht (sgv): geslecht, genivelleerd.

gesjliepene (sgv): geslepen persoon.

gesjpikkeld: gespikkeld.

gesjtiedig (sgv): voortdurend, gestadig.

gesjtriek (gesjtrie/k) (moe): gebreide trui.

gesjtruuks: struiken.

gesselig: vrijgezel.

get: beetje, iets.Get wie (Zoiets als).Get d'rhee make (Van zijn neus maken).

get: even.Waad get (Wacht even.)

getaal (getelke, getalle): getal.

getieje, mit: getijden, op z'n tijd, af en toe.

gets: steeg, wegje.du: Gasse.

getuge (getu/ge) (getuugde, getuugd): getuigen.

getuug (getuu/g) (getuge): getuige.

getuug (getuu~g): BH.

getuug (getuu~g): harnachement van een paard.

getuug (getuu~g) (moe): tuig, getuig, schorem, uitschot, gespuis, laag volk.Die van Ternejje, da's getuug (Die van Ternaaien, dat is getuig).

getuug (getuu~g) (orig.): gereedschap. 'ne boer haat van alle plaatsje vr getuug te beware (Een boer heeft verschillende ruimtes om gereedschap  te bewaren).

gevaerlich: gevaarlijk.

gevelligs: alstublieft.

gevolg (gevolge): gevolg.

gewaar: bewust.

gewaer (gewaerke, gewaere): geweer.

gewaende of gewnde: gewoonte.

gewaene (gewaende, gewaend): gewennen.

gewaere of gewaere laote (orig.): met rust laten, bezig laten.

gewiere laote (sgv): met rust laten, bezig laten.

gewiet (gewietsje, gewiete): gewicht.

gewieksde: gewiekste, geslepene, doortrapte, slimme.

gewiekst: gewiekst, geslepen, doortrapt, slim.

gewoon: gewoon.

gezmers: het bijeen vergaarde materiaal.

gezmers: het verzamelde.

gezgde (gezgdes): gezegde.

gezks: gezeik.

gezet: krant.

gezind: gezind.

gezjwank: lenig.

gezjwens kriege: pak slaag krijgen.

gezn: gezonde.

gezoond (gezoo~nd): gezond.

gezoont, e (gezoo/nt): een gezond (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz.).

gezsters: gezusters.

gezwjl (gezwj~l) (gezwjlke, gezwjlle): [med.] gezwel.

Gieberg (Gie~berg): [loc.] Gijberg in sgv.

giedp (sgv): nooddoop.

gieve of gieve (gaof, gegieve) (sgv): geven.

gievel (sgv): gevel.

giele (gie/le): sterk en aanhoudend naar iets verlangen. Je kan iemand "krte" met een ijsje. Die ander gaat dan "giele".nl: verwant met "geil"?

Gielessesjtraot: [loc.] zijstraat van Drees in sgv.

gielis (gie~lis) (moe): lijf, buik, maag.Dae huit zich get oet ziene gieles (Die vertelt onzin).Dae sjd zich get in d'r gieles (Die drinkt veel).

Gieljom (Gie/ljom): roepnaam Guillaume.

Giesl (Gie/sl): roepnaam Ghislain.

Gieveldsjtraot: [loc.] Gieveldstraat, Teuven, in 1845 Teuvenderberg. Van N 50 46.095, E 5 52.955 tot N 50 45.108, E 5 52.55

giftig: giftig.

ging (sgv): geen.

gister: gisteren.

givvel (givvelke, givvele): gevel.

gjan (moe-sgv) (orig.): graag, gaarne.

gjard (sgv): staak, roede, lange buigzame stok.du: gerte.

gjrd (moe): staak, lange smalle stok.

gjve (moe): geven.

gkt (gktte): slobkous, beenkap, beenwindsel, beenbeschermer boven de schoenen gedragen.fr: gutre.

glaas (gleske, glazer): glas.

glve (glaot): geloven.

gledsbaan (moe): ijsbaan.

gleenstere (gleensterde, gegleensterd): glinsteren.

gleuje (gleujde, gegleujd): gloeien.

gloes (moe): glas.

god: god.Hier m'ne God van Aoke, wie zit dat keend die bee! (Heer mijn God van Aken, hoe zet dat kind die benen. Een uitbreiding van "mijn god!")Es God blift (Als God het belieft).

godgeklaag: godgeklaagd, ergerlijk.

godsdal of godsd'l (orig.): [loc.] abdij bij Aubel, Val Dieu. N 50 41 52.5, E 5 48 20.3

goedrong (goe/drong): teer.fr: goudron

goe (goong [conj 2: gung], gegange): gaan.Van oe gees-te? (orig.) Lans oe gees-te? (mod.) vver S'nt-Piter, neet vver Vsj (Langs waar ga je? Via spv, niet via Veurs).Ten offere goe (HV kw17) (Ten offer gaan). (zie offergaank)ich goon, doe gees, hae geet, v'r gunt, daer goot, zie gunt. Gaank! (Ga!)

goe (goong [conj 2: gung], gegange): lopen, wandelen.

goemmie (goemmieke, goemmies) (orig.): vlakgom, gum, rubber.du: Gummi

goerd: metalen veldkan waarmee koffie mee naar ?het veld werd genomen.

goetsj (goetsje, guutsjke): goot, slok.nl: gieten

goetsj (moe sgv): twijg, wis.

gj: goede.Dat zunt gj, wts te! (dat zijn goede! gezegd van goede etenswaar).Dat zunt de gj (Dat zijn de goede. Gezegd van personages in de film, de helden tegenover de bandieten. Die noemt men dan de sjlchte).De gj kamer, de gj plaatsj (De goede, beste kamer. Een sjieke woonkamer die enkel bij feestelijke gelegenheden of hoog bezoek gebruikt werd).

gojegheed: goedheid.

glle (moe): gulden, Nederlandse oude betaalmunt.

gom (mod.): vlakgom, gum, rubber.

Gmmelich: [loc.] Gemmenich.

good: goed.Good keend, go vrow, goje maan (Goed kind, vrouw, man).

gool: doelpunt, goal. 'n gool vr d'r matsj ('n doelpunt voor de wedstrijd, ongehuwd zwanger).

goonsdig: woensdag.

gt (mod.): goot.G'n gt aaf (Langs de goot af).

gouws (gske, gws of gs): gans.

gozet: gebakje met spijs, appelflap.fr: une gosette.

graaf (graa/f): uitgediepte berm, talud.Hae liet in d'r graaf (Hij ligt langs de kant van de weg, in de talud).

graaf (L-SL): graf.Hae liet in 't graaf (Hij ligt in het graf).

graaf (L-ST): graaf.

Graaf, ee g'ne: [loc.] Graef in Rem.

Graaf, op 'ne: [loc.] Op de Graaf, ten westen van Ulvend, tussen de grensweg van Ulvend naar Kattenroth en de weg van Ulvend naar St-Martens-Voeren. N 50 45.508, E 5 49.424

graafsjp: graafschop, spade.

Graafsjp, a g'n: [loc.] Aan de Graafschup, tussen Varnberg en Veursbos. N 50 44.601, E 5 50.866

graafsjtee: grafsteen

graam: [med.] schor, hees.Ich bn al driej daag graam (Ik ben al drie dagen hees).

graas (graeske): gras.

graasmesjien: grasmaaier, grasmachine.

graasstroef (graasstroeve): hoger gras waar de koeien niet grazen... rond de koeienvlaaien. Daarom werden paarden of schapen bij  of na koeien als begrazer van dit gras gebruikt.

gram (gremke, gramme): gram.

grammatika: grammatika.

graod (grao~d) (graode) (sgv): graad.

graos (moe): gras. 'ne waas graos (Een graszode).

graozelnaot (moe): [botan.] hazelnoot.

graozendrier (moe): een in het gras van de wei gedraaide hoop dierenuitwerpsel.

graof (grao/f): grove.

graof (grao~f): grof.

graoma of grama, gramaer: grootmoeder, oma.

grmel (grmelke, grmele): kruimel.

graopa of grapa, grapaer: grootvader, opa.

grapa: grootvader, opa.

grapeer: grootvader.

grauwele (grauwelde, gegrauweld): grommen, brommen, knorren, snauwen, mopperen.eng: to growl.

grave: graven.

grejnslache (mod.): grijnslachen.

grellig (1, e3, KST): zeer, zeer groot.nl: grillig of gruwelijk? 'ne grellige sjlaag (Een zeer harde klap). 't is grellig kaod (Het is heel erg koud). 'ne grellig gevaerliche waeg (Een zeer gevaarlijke weg).

grens (grenze): grens.Heej a g'n grens (Hier aan de grens).

greuje (greujde, gegreujd) (mod.): groeien.

greun: gierig. 'ne kael wie 'ne boom, neet ze groet, waal ze greun (Een kerel als een boom, niet zo groot, maar wel zo groen, gezegd over een gierigaard).

greun: groen.E greunt, 'ne greune, 'n greun (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr.). Voor de -t bij e greunt, vergelijk met de -s in het Duits: es ist (het is), das ist (dat is), ein grnes Blatt: ein Grnes: E greunt. Ontstaan uit: e greun-het.

greun moos: boerenkool.

greune: gierigaard.

Greunewjeg, aan d'r (moe): [loc.] Groeneweg in moe.

greuns: gewas.

greuns: groens.

griemele (orig.): grijnslachen.

grienge (orig.): grienen, wenen, huilen, janken.

gries (grie~s): grijs.

griesrentte (grie~srentte) (moe): boskoop appelsoort.

Griezze Graaf: [loc.] Grieze Graaf.

griffele: griffelen, enten.

griotte: [botan.] noordkriek, zure kers, morel.fr.

Grizaar (Gri/zaar): familienaam Grisard.

grodzele: koffiedik.

groet: groot.E groet, 'ne groete, 'n groete (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

groetbrnge (braat groet, groetbraat): opvoeden.

groetmodder: grootmoeder, oma.

groetoddesj: grootouders.

groetsjtool: leunstoel.

groetvader: grootvader.

grffelsnagel (1 o2, K-SL; 3 e3, L-ST) (grffelsnaegelke, grffelsnaegel): [botan.] Kruidnagel.

grolle (grolde, gegrold): tegenstaan.du: grollen (wrokken).

gromend (gro~mend) (sgv): nagras, het nieuwe gelp gras dat groeit nadat het vorige gemaaid en weggehaald werd als kuilvoeder of als hooi, de nagroei. Etgras, etgroen.du: Grummet. Lett: het groen na het maaien.

grommele (sgv): koffiedik.

grommet: nagras, het nieuwe gelp gras dat groeit nadat het vorige gemaaid en weggehaald werd als kuilvoeder of als hooi, de nagroei. Etgras, etgroen.du: Grummet. Lett: het groen na het maaien.Zeker als de boer nog extra bemesting toedient, is dit het jonge, eiwitrijke gras waar de koeien zich te barsten aan eten en 'buik'- of beter penspijn en 't schijt van krijgen. (cfr. vers gebakken brood).

groond: landeigendom.Dae haat veul groond (Die heeft veel grond, landeigendom).

groond (mod.): grond, vloer, aarde.Op 'ne groond, op d'r groond (mod.) (Op de grond).Go groond (Goeie grond, bebouwbare aarde).

grosks: dikke trom.fr. la grosse caisse.Op de grosks houwe (Op de dikke trom slaan).Vr de groete broonk houwe ze in Sint Pieter ng grosks op raar (Voor de grote processie hadden ze in Sint-Pieters-Voeren een dikke trom op wielen).

grudde: grootte.

grutsj: trots.

grute (gru~te) (moe): grootte.

gruul (gruu/l) (sgv): pot, kom, aardewerk.

Gulp, Ten: [loc.] Gulpen.

Gulpens ziegel: [loc.] Gulpens zegel in moe.

gunne, zich (gunde, gegund): zich amuseren, plezier maken.

gurgele (gurgelde, gegurgeld): gorgelen.

Guus: roepnaam Guus, August.

ha (how, gehad): hebben.ich han, doe has, hae hat of haat, v'r hant, d'r haat, 't haat, haaj't?,v'r hant, ich how, doe hows, v'r hjje

haag (haegske, hage): heg, haag.

haagsjoel: waar de kwajongens zaten in plaats van naar school te gaan (de spijbelplaats ergens in het veld, bos of struikgewas).

haam: haam, juk, trekpaardenjuk.

haam (moe): (stropers)visnet.

haamfel (sgv): handvol.

haamsj: [botan.] maretak, vogellijm, Viscum album.

haan (haenke, hane): haan.

haand (henneke [mv. hennekere] of hensje [mv. hensjere], han): hand.Ee g'n han (In de handen).

haand (henneke of hensje, heng): hand.Me is neet zoe aod wie de heng, m wie de teng (Men is niet zou oud als de handen, maar als de tanden).

haanddook : handdoek, vaatdoek.

haarpeen (sgv): pin van gehard ijzer waarmee een snijblad geslepen kan worden.

haas: [anim.] haas, Lepus europaeus.Van d'r haas gepoept ('ne hele snelle, snel uit de voeten maken).

haas (haa~s) (hase) (moe): handschoen.

hae of hae: hij.

haene: hersenen.

hael: hard.E hael sjtk laer (Een hard stuk leer)Hael kalle (Hard spreken, ook figuurlijk).

haelop: hardop.

haerhotte: bewust moedig ondergaan

haeve of hffe (heef, gehaove): heffen, tillen.ich haef, doe hifs, hae hift

haeve of hffe (heef, gehaove): slaan.Hae sjnapde zich 'ne kuul en heef nao die ntse priej (Hij pakte snel een stok en sloeg naar dat vieze beest).

haffel (hffelke, haffele): handvol.

haffele: gretig grabbelen, graaien

hagelnuuj: hagelnieuw.du: nagelneu.

Hagelster: [loc.] Hagelstein, mogelijk gevormd uit Hagersdl. N 50 42 59.9, E 5 51 56.9

hagendrieter (hagendrieterke, hagendrietere): douanier, grensbewaker. lett: iemand die achter de haag zit te schijten. De houding van een douanier die zich verstopt, om op het gepaste moment tevoorschijn te springen en iemand staande te houden.

Hai: roepnaam Harry.

Haj (moe): roepnaam Henri.

hak: hak.

hakke (hakde, gehakt): hakken.ich hak, doe haks, hae hakt.

hakkesjoon (hakkesjeun): hakschoen.

halt (haltte): Raamwerk aan de voor- en achterkant van een hooiwagen om te beletten dat hooi- of strobalen er af vallen en om te kunnen stapelen.Men wedijverde om ter mooist te stapelen en zeker in een goed verband, zodat de geladen wagen de soms hobbelige weg naar huis overleefde.

halfwin (vero.): halfwin, spotnaam voor iemand die het wel goed doet, maar toch niet helemaal. bijvoorbeeld iemand die te laat binnenkomt.De halfwin baatte een (kasteel)hoeve uit met verdeling van de opbrengst tussen de heer en de uitbater.

halkottie (ha~lkottie): onbekwame ambachtsman.

halkottie (ha~lkottie): scheldnaam.

hallei (ha/llei) (moe): allee, weg met bomen.

halt: halt.

halter: halter, kopstuk van het harnas van een paard.

hamer (haemerke, haemersj): hamer.Mit hamer en btel (Met hamer en beitel).

hamer (haemerke, hiemer) (sgv): hamer.

hampeleman: harlekijn, poppetje waarvan de ledematen door het trekken aan een touwtje bewogen kunnen worden.du: Hampelmann van hampeln = onrustig heen en weer bewegen

hampeleman: klungelaar, onnozelaar, hansworst, stuntelaar.

hamsj (orig.): [botan.] Maretak, vogellijm, Viscum album L.

handele (handelde, gehandeld): handelen.

hanekaamp: hanekam.

hanekappe: hanekappen, folkloristisch spel, oorspronkelijk een dankfeestritueel na de oogst. Wordt in moe nog gedaan tijdens de kermis. Vroeger een levende haan, nu een dode gans.

hange: hangen.Doe hings (Jij hangt).

hannes: scheldnaam.nl: Johannes.

hanskasper (sgv): niksnut, onhandige. Niet zo kwaad bedoeld.

Hanskroef : zwarte piet.

hansmoef: zwarte piet.

Haoboer (mod.): [loc.] Hombourg. N 50 43 22.3, E 5 55 14.8

haomer (hao/mer) (moe): hamer.

haon (hnsje, hn): hoorn, gewei.Wie ouwer d'r bok, wie heller 't haon (Hoe ouder de bok, hoe harder het gewei)."Ieme op zieng hn gaeve (Iemand aftroeven, slaag geven). Es te neet maks das te voet kms hou ich dich op dieng hn (Als je niet maakt dat je weg komt, sla ik je op je kop).

"

haop (hpke, hp): hoop.E kl hpke (Een klein hoopje, een klein lief kindje).

haope (hopde, gehaopt): hopen.

haort (hrtsje of hrtsje, vooral in kleinvoud gebruikt): een ijzeren of met wilgentakjes gevlochten vlaaischotel, vlaaibord. Een onderlegger voor de vlaai.

haof: half, halverwege.

haof (hao~f) (hfke, hf): boerenhof, hoeve.

hfke (sgv): een halfje, een halve litermaat.

haok (hkske, hk): haak.Tssje hkskes (Tussen haakjes).Dat liekt in wiej hk (Dat ligt (hangt) in verre haken. Dat is nog lang niet zeker, er kan nog van alles veranderen).

haoke (mod.): haken.

haokemaan (haokemenneke): hakenmannetje, een akelig waterwezen in de Voer, die de kinderen  met een lange mesthaak tot in het diepste van het water trok, hen aldaar het bloed uitzoog en hun ziel onder een omgekeerde pot opsloot. Pas wanneer deze pot omviel kwam de ziel weer vrij.

haol: gierig.

haole (haolde, gehaold): halen.Ich haol, doe heuls, hae heult

Haole Graaf: [loc.] Haole Graaf

hm: hem, hij.

hpe (hpde, gehpt): hopen, een massa worden.Dan hpt 't zich (Dan wordt het meer).

hr: haar

haor (hrke, haore): haar, haren.Ee g'n haor (In de haren).

haori-sjapel (haori-sjape/l) (mod.): [loc.] Hendrik-Kapelle, plaats ten zuiden van Remersdaal, Henri-Chapelle.

hrtsje : gevlochten wissen dienblad voor vlaai.

hrtsje : eierkarton.

haos (hao/s) (haoze): kous, sok.du: Hose (broek), deens: hose (kous).Haoze sjtoppe (Sokken stoppen).

haos (hao~s) (hske, hs): hals.rreme haos (Arme hals, zielepoot).

haot (hltsje, hter): stuk hout.Dae lpt um 't/g'n hltsje (Die loopt om het houtje, een beetje dom).

hare: Haren, met hamer kloppend het zeisblad scherpen en dunner maken.du: herb (scherp).

Harie: roepnaam Harrie.

harmonie: harmonie.

hart (hetsje, harte): hart.

hatte of harte: harten (kaartspel).

haver (moe): haver.

havver: haver.

hazebrudsje: [botan.] Witte klaverzuring, Oxalis acetosella L.

hee!: hee!

heej: hier.

heel: genezen, geheeld.

heem (orig.): huis, thuis.V'r geunt nao heem, v'r geunt op heem a (orig.) (We gaan naar huis).

heemet (sgv): thuis, heem.du: Heimat.

heen (mod.): heen.

heer (hee~r) (moe): hij.

heesj: hees.

heet: heet.

heevesj of heeversj (orig.): naar huis.lett: heimwaarts.

hffe, of hffe: gist, bakkersgist.nl: hef, heffe, du: Hefe.

heirkracht: heerkracht, heirkracht, overmacht.

hjbessem: Een bezempje van 20 cm, gemaakt van dunne wortel bijeen gebonden. Dit voorwerp diende vooral om het melkgerief schoon te maken.

Hjjerot: [loc.] Heijenrath tussen Slenaken en Epen. N 50 46.567, E 5 52.453

hk (hkske, hkke) (mod.): hek.

hkele (hkelde, gehkeld) (orig.): haken.

heksel: gehakt stro.

heksele (hekselde, gehekseld): hakselen.

hel: hard. 'ne helle knao (Een harde klont, klonter, kluit). 'n hel paer (een harde peer).Dat is e helt (Dat is een meisje met een hard karakter).

hl: heel, zeer.Hl vlot (Heel snel).

hl (moe): hel.

helle (helde, geheld): rennen.

helle (helde, geheld) (sgv): doen, zwoegen.Hel mich dat nog 'ns (Doe dat nog eens voor mij).Dao heb ich op geheld (Daar heb ik op gezwoegd).

hellef: helft.

hllig: heilig.Hllige nach (Heilige nacht, Kerstavond, de avond voor Kertmis)

hllige: heilige.

hlligehuuske: heiligenhuisje, kapelletje, tijdelijk bidaltaar voor tijdens de bronkprocessie.

helpe (helpkes): bretellen.Op g'n Plaank drage ze helpe a g'n brook (Op de Plank dragen ze bretellen aan de broek. Als je steeds maar vraagt voor gratis hulp kent men het woord helpen op het laatst niet meer, krijg je geen hulp meer).

helpe (hoolp, gehoolpe): helpen.

helsj (sgv): begerig.Helsj zie (Begerig zijn).

hmd of himd (hmdsje, hmde): hemd.

heng: handen.

hennig (henniger) (sgv): fors, flink.

hensjele (1, ST) (hensjelde, gehensjeld) (sgv): kibbelen, ruzie maken.Zich hensjele (Ruzie maken met elkaar).

Henske: roepnaam Hansje.

hergod, herregod: god.

herinnere (herinnerde, herinnerd): herinneren.

herres: herfst.Ee d'r herres (In de herfst).

hersenbloeding (mod.): [med.] beroerte, herseninfarct, Cerebro Vasculair Accident, CVA. hersenbloeding.

hsj (h~sj) (hsjke (h/sjke), hsje): handschoen.

hsje (hoosj, gehsje): heten.

hsje (hoosj, gehsje): noemen

hsselr (sgv): [botan.] hazelaar, hazelnotenstruik, Corylus avellana L.

het: het.

het: zij (vrouw, meisje)

hts: hitte.du: hitze.

heuje: hoeden, beschermen.

heuje (sgv): vee hoeden.

heulenter of hllender (orig.): [botan.] vlier, Sambucus soorten.du: Holunder. De uitgang -ter betekent boom gelijk dendro en het eng. tree.

heult: van hout.

Heussje: familienaam Heusschen

heversj (moe): huiswaarts.

hevig: hevig.

hevige, 'ne: fanatiekeling.

Hey, de: [loc.] la Heydt.

hie (hie~): hier.

hie (sgv): hij.

hielemaol (mod.): helemaal.

hiemel: baldakijn waaronder priester met monstrans loopt tijdens de processie.

hiemel of hiemel: hemel.Hiemelse geet (orig.) hooiwagen, Phalangium opilio, een spinachtige, maar dikwijls ook gezegd tegen de langpootmug, Tipula soorten, en tegen de trilspin, Pholcidae soorten.

hiemel-en-aed: hemel-en-aarde, hete bliksem: Stamppot van drie delen aardappelen, n deel appelen en n deel gebakken uien.

hiemelriek, ee g'n (hiemelrie~k): [loc.] In 't Hemelrijk, ten noorden van de Voer bij Ottegroeven. N 50 45.013, E 5 48.332

hiemelvaartdaag: 15 augustus, Maria hemelvaart, Maria tenhemelopneming.

hier (hierke, hiere): heer, mijnheer, meneer.

hies (hieze) (sgv): knieholte.

hiel (hie//l) (moe): heel, zeer, erg.

hiel (hielke, hiele) (mod.): hiel.

hiel of hiel (mod.): heel, gans.

hiemele: doodgaan.

hie-oonder: hieronder.

himdeknpkes: [botan.] Moederkruid, Tanacetum parthenium L.

hingel (sgv): oor aan een kop.

hinger: hinder.V'r sjtunt hie in d'r hinger (We staan hier in de weg).

hingere: hinderen.

hings: hengst.

hingstig: door een merrie naar paring verlangend.

hjne of jne (moe): hersenen.

ho! how!: stop! Uitroep.

hbbe (houw, gehad): hebben.Haj 't nog? 't haat nog! (Zijn er nog? er zijn er nog!).Ich hb, doe has, hae haet, d'r hbt

Hocks: familienaam Hocks.Hockse driete ee g'n bokse (Hocksen schijten in hun broek, kinderscheldrijm).

hoddel (hoddelke, hoddele): vod, lomp.

hoddele (hoddelde, gehoddeld): bengelen, bungelen, los hangen.

hoddele (hoddelde, gehoddeld): knoeiwerk leveren.

hoddeler: knoeier.

Hoebaer (Hoe/baer): roepnaam Hubert.

Hoebertes: roepnaam Hubertus.

Hoebiersj: familienaam Houbiers.

hoebiets (hoe/biets): roepnaam Hubert.

Hoebrk (moe): [loc.] Hoogbrug te moe.

hoed (hoe~d) (huudsje): huid.

hoeg: hoog.

hoegdaag (hoegdaag): hoogdag, feestdag.

hoegmood: hoogmoed.

hoems: hoogmis.

hoemzeek (hoemzeekske, hoemzeeke) (sgv): mier.

hoeret: waarheid.

hoevlt (sgv): [loc.] hoogveld in sgv.

hoeke: hurken.Op g'n hoeke (Op de hurken).

hoelahoep: hoelahoepel, speeltuigring.

hoemel: hommel.

hoempelaer: hompelaar.

hoempele: hompelen.

hoes (hoe~s) (huuske, hoezer): huis.Ee g'n hoes, um g'n hoes, ater g'n hoes (In huis, om het huis, achter het huis).Nao g'n hoes eroet goe (Naar buiten gaan).

hoes (hoe~s) (sgv): woonkamer.

Hoes, 't: [loc.] Hoes te rem.

hoesdr (orig.): voordeur.

hoeshddel (orig.): dweil.

hoesjert: huishouden.

hoesjert: huisraad.

hoesklok (hoe~sklok): klok, slingeruurwerk.Mienge vinger klopt wie 'n hoesklok (Mijn vinger klopt als een huisklok, bij een ontstoken vinger).

hoeslmmel (orig.): dweil.

hoesmsj : huismus, iemand die liever thuis blijft.

hoeswei: huiswei.

hoetsiploe: [loc.] Onbekende, denkbeeldige locatie. bijv. stuurt men u naar hoetsiploe of als men niet weet waar iemand is zegt men hij is in hoetsiploe.fr: coute s'il pleut, de molenaar van een watermolen vraagt zijn zoon luister eens of het regent. Want dan komt er weer voldoende water om de molen te doen draaien. In Belgi en Frankrijk zijn er vele plaatsnamen als Hout-si-plout.

hoevaat (orig.): hovaardij, hovaardigheid, trots, hoogmoed, opschepperij.Vl hoevaat op 'ne zak (Veel gepronk).

hoevaerdigheed (mod.): hovaardij, hovaardigheid, trots, hoogmoed, opschepperij.Hoevaerdigheed brink dich dk vl elend (Opschepperij mondt dikwijls uit in ellende).

hoeve (hofde, gehofd): hoeven.

hoezaar (hoezaarke, hoezare): huzaar.

Hoffesjtraot: [loc.] Hoffertstraat in sgv.

hfke (hfkes): Maat met een inhoud van een halve liter.verkleinwoord van haof.

hj: hooi.

hjje (hjde, gehjd): hooien, hooi  binnenhalen.

hjsjnoep (sgv): hooikoorts.

hjt (sgv): voorhoofd.Blaos mich op 't hjt (Je kunt me wat).

hjthee: hooithee, aangenaam geurend waterig aftreksel van hooi, gebruikt tegen de diarree bij kalveren. Een bos hooi in een emmer kokend water en een half uur laten trekken. Drie maal daags een emmer in plaats van de melk. Ook nadat er medicijnen beschikbaar kwamen, werd het advies nog dikwijls gegeven.

hjtvleesj (mod.): hoofdkaas.

hjtvleesj (sgv): hoofdkaas.

hjwage (mod.): hooiwagen.

hjwage of hjwagel  (mod.): hooiwagen, Phalangium opilio, een spinachtige, maar dikwijls ook gezegd tegen de langpootmug, Tipula soorten, en tegen de trilspin, Pholcidae soorten.

hok (hkske): hok.

Hkkelberg (veroud.): [loc.] Hokkelbach, bij Hendrik-Kapelle.

hl: hel.

holderdebolder: halsoverkop.

hllef: helft.

hollender (ho/llender) (hollenderke, hollendere): nederlander, hollander.Hollender, braobender, sjpekvraeter, koekoek! (Hollander, Brabander, spekvreter, koekoek! kinderscheldrijmpje).

Hollensj: [loc.] Nederland, Holland.Hae wnt op 't Hollensj (Hij woont in Nederland).

hollensj (ho/llensj): nederlands, hollands.

homel (heumelke, homele): hommel.

hommel (mod.): hommel.

Hmmerig, op (orig.): [loc.] hombourg. N 50 43 22.3, E 5 55 14.8

hondsvot: scheldwoord.

honesjtel: kippenstal.A g'n honestel (Bij de kippenstal).

hontjesweg: rue de Honj, [loc.] moe

hood (hudsje, heud of heuj): hoed. 'n bloom op 'ne hood (Een bloem op de hoed). 'ne sjtru hood (Een strohoed).

hook (heukske, heuk): hoek.D'r hook um (De hoek om).

hookpaol (hookplke, hookpl): hoekpaal , meestal dikker en steviger en dieper geplant.

hool uver trool (sgv): halsoverkop.

hoon (heunke, hoondere): [anim.] hoen, kip.Gaef 't an de hoondere (Geef 't aan de kippen).Ater de hoonder a (Achter de kippen aan).

hoond of hoonk (hunneke of hundsje, hn (orig.) of hun (mod.)): hond.Zoe kraank wie enne hoonk (Zo ziek als een hond).Wen's te bie d'r hoond sjlps, dan vings te de vlu (FJ) (Als je bij de hond slaapt, loop je de vlooien op. Slapen onder n deken, geeft dezelfde streken).Op d'r hoond kaome (Zich in zijn plan vergist hebben en de gevolgen dragen).An d'r hoond (Aan de hond, maar ook: bij het hondenhok).

hoonderd: honderd.

hoondersjtaal  (hoondersjtlke, hoondersjtl): [agrar.] kippenhok.

hoor (heurke, hore): hoer, publieke vrouw.

hppel (hppelke, hppele) (sgv): hooihoop.

hppele (hppelde, gehppeld): hooihopen van ongeveer 2 meter hoog maken.

horreek (horrke): [anim.] hoornaar, een soort wesp, Vespa crabro.

hrrt (orig.): [anim.] hoornaar, een soort wesp, Vespa crabro.E zn dieke wsp (Zo'n dikke wesp. Tegenwoordige omschrijving van de hoornaar, omdat men de naam van het insect niet meer kent).

horzel (mod.): [anim.] horzel.

hos (sgv): haast, bijna.

Hsj: familienaam Heusschen.D'r Hsj (Aanduiding van een persoon met de naam Heusschen).

hsjtel: hooizolder.

hospitaal: ziekenhuis.

hotte (heel, gehotte): houden.

hotte, zich (heel, gehotte): zich houden, gezond blijven.Hod dich, hod uch good (Hou je, hou u goed). Hod dich good gezaote (Hou je goed gezouten).

houwe (heef, gehouwe): houwen, slaan.ich houw, doe hts, hae ht of hae huiwt.

hovverwaeg (hovverwae~g): halverwege.

h'r: haar.

huge (hugde, gehugd): hogen, ophogen, verhogen.de krmpiere huge en huge op 'ne verkaop (de aardappelen aanaarden en hoger bieden op een veiling, openbare verkoop).

hugsel: verhoging van de wanden van een kar of wagen om meer te kunnen laden en hoger te kunnen stapelen.

hule (sgv): dommerik.nl: vrouw holle (?)

hulentr (sgv): [botan.] vlier, Sambucus soorten.

hugde (sgv): hoogte.

hule (huulde, gehuuld): huilen van de wind, een kachel.Hae wirkt dat 't huult en mlt (Hij werkt dat de stukken er af vliegen) (JN).

huls (mod.): [botan.] hulst, Ilex aquifolium L.

huls (sgv): [botan.] hulst, Ilex aquifolium L.

hulte: houten, van hout.

humme (hummeke, hummes) (sgv): hemd.

hun: hun.

hunne: hun.

hure (hurde, gehurd) (moe): horen, vernemen.

hure (huurde, gehuurd) (sgv): horen, vernemen.

huud (huu~d) (huudsje): huid.

huugde: hoogte.

huure of hure (hoed [conj 2: haod], gehoed (orig.), gehuurd (mod.)): horen.Doe huurs of doe huusj. Dan laot ich dich get huure. (Dan laat ik je wat weten).Huurt hie. (Luister eens hier (du: hren sie mal)).

huuf (huufke, huve) (orig.): knikker.

huuf op: opnieuw.

huugte (moe): hoogte.

huuj: vandaag.Huuj d'r daag (Heden ten dage, zie allewiel).Huuj aach daag (Vandaag over 'n week (= 8 dagen, inclusief heden). wat v'r 'nen daag hant v'r huuj? Diesdeg (Wat voor een dag is het vandaag? Dinsdag). d'r wievlste zeunt v'r huuj? (De hoeveelste is het vandaag?) 't haat-er die zage.... (Er zijn er die zeggen.... fr: il y en a).

huujdegesdags: heden ten dage.

huuske (orig.): toilet, wc

huuskespapier (orig.): toiletpapier

huve (sgv): knikkeren.

ich: ik.

iedei (ie~dei): idee.Dat wuur nog 'ns 'n gooi iedei (Dat was nog eens een goed idee.

ieder: vroeger, langer geleden.

ieder (mod.): eerder.

iegel (iegelke, iegele): [anim.] egel, Erinaceus europaeus.Onder de boeren is er onzekerheid over het feit of deze dieren "an de keu zoeke" (bij de koeien melk zuigen).

ieme of iemes (sgv): iemand.

Iepe: [loc.] Epen.

iergister: eergisteren.

ierlik: eerlijk.

iete (oot, giete) (sgv): eten.doe its, hae it. Iete make (Eten klaarmaken). Noon make (middageten klaarmaken).

iew (iewe): eeuw.

iezel (iezelke, iezele) (sgv): ezel.

iellege: talrijke.

iemelek: jammerlijk.

iemeutig (ie~meutig) (moe): [med.] wee, misselijkmakend.

Ieng, a g'n -: [loc.] Einde te smv.

iers (moe): eerst.

iersjte (moe): eerste.

ies (ie~s): ijs.Op 'n ies (Op het ijs).

iesbraeker: ijsbreker.Zie Tunnis.

ieske (ie/ske) (mod.): ijsje.

iesmaeker: ijsmaker.

iessjtole (ie~ssjtole): sleetje rijden, sleen.

iessjtool (ie~ssjtool) (iessjteulke, iessjteul): slee.

Iewesgets: [loc.] De eeuwigsgats, veldweg van de Krindaal naar de tunnel van Veurs. N 50 44.704, E 5 50.377

iezer (ie~zer): ijzer.

iezer (ie~zer): ijzeren gebruiksvoorwerp.

iezerappel (iezerppelke, iezerppel): ijzerappel, appelsoort? net als ijzerpeer?

iezerekriemer: oudijzerman.

iezerewaeg: spoorweg.

iezerewagen: trein.

iezerpaer: ijzerpeer, peersoort? net als ijzerappel?

ieziemo: isolatiemateriaal.merknaam

Ing, a g'n: [loc.] Aan 't Einde, wijk in het westen van Veurs, richting Crutzberg. N 50 44.354, E 5 50.179

Ing, g'n: [loc.] kruispunt bij Reijmerstok.A g'n Ing (aan het Einde).

Ingerveld, 't: [loc.] Het Einderveld, ten zuiden van St.-Martens-Voeren. N 50 44.641, E 5 48.384

inox: roestvrij staal.merknaam

installaasje (installaasjes): installatie.

interessere (interesseerde, genteressereerd): interesseren.

ja: ja.

jaad: jacht, het jagen. 'n jaad hn (Een roedel honden).Op de jaad goe (Op jacht gaan).De jaad s op (De jacht is open).

jaad (jaa~d) (sgv): waard.Da's niks mie jaad (Dat is niks meer waard).

Jaan: roepnaam Jan.Zich get van z'ne Jaan make (Veel ophef maken).

jaard (sgv): waard.

jaardappel (jaardappele) (sgv): aardappel.

jaas (jske, js) (sgv-moe): jas.

Jaas (sgv): [loc.] Warsage.

Jaasterroet (3) (sgv): [loc.] weg op Warsage te sgv.

Jaastervaeld (sgv): [loc.] weersterveld.

jaeger (jaegerke, jaegers): jager.

jage (joet (orig.) jaagde (mod.), gejaagd): jagen.ich jaag, doe jugs (orig.), doe jags (mod.), hae jeut (orig.), hae jagt (mod.), v'r jage, d'r jaat, zie jage.

jane (sgv): hersenen.mnl: herne, harne

jao: ja.

jke (jkte, gejkt): jeuken.

jvergank (moe): overgang.

jaor (jrke, jaore of jaor): jaar. 'n nuuj jaor (orig.), volgend jaor (mod.) (Volgend jaar).

jarbel (ja/rbel)  (jerbelke, jarbele) (sgv): aardbei.

jare (gejare of woerde) (sgv): worden.

jarpel (ja/rpel)  (jerpelke, jarpele) (sgv): aardappel.Hebs te jarpele geplaant? (Heb je aardappelen geplant? Commentaar als je je schoenen uit doet en de dikke teen komt door de sok heen).

jas (jske, js) (mod.): jas.Dae jas ziet oet of went d'r hoond 'm ee g'n koont hj gehad (Die jas ziet er uit alsof de hond 'm in z'n kont heeft gehad).

jatse (sgv): gejaagd heen en weer vliegen, rondcrossen.Op de jats zie (Op stap zijn).

jeansbrook: jeans, spijkerbroek.

jerpel (jerpelke, jerpele) (moe): aardappel.

Jetteke: Jetteke Haccourt-Weustenraad, kruidenierster in Veurs.

Jetteke: roepnaam Henritte.

jeulenterre (jeulenterre) (moe): [botan.] vlier, Sambucus soorten.

jeug of jeugd: jeugd.

joechele (joechelede, gejoecheld): roepen, hinneken, janken, jodelen,  typische uitroep om iemand uit het veld naar huis te roepen: een hoog en snel oewoewoew.

joemmi: gummi.

joenke (joenkde, gejoenk): janken.

Jolet, ee g'n: [loc.] Jolettestraat in sgv.

jng (jungske, jnges): jongen.mienge leeve jng! (mijn lieve jongen!)

jng (jungske, jnges): zoon.

joonk: jong.Wie-te joonk waor (Toen hij jong was).

joonkheed: jonkheid, groep jongemannen die o.a. het kermisfeest organiseren.

joonkman: vrijgezel.

Judas: Judas.Gt va Judas nao Pilates lope (Wat van Judas naar Pilatus gaan, doelloos van hier naar daar gaan, rondtoeren).

juu: halt uitroep.

juub (juubke, jube): kip, humoristisch gezegd.

juub-juub-juub of jieb-jieb-jieb: roep om de kippen te lokken, liefst gepaard met het strooien van voer.

juud (juudsje, jude): jood.

juufrouw: onderwijzeres, schooljuffrouw.

Juupke: roepnaam Jozef.

juus (juu/s): juist, net.

kaal: kaal.

kaal: praat.Dmme kaal (Domme praat).Kaal van de luuj (Kletspraat).Fienge kaal (Mooipraterij).Loeze kaal (Praat om iemand om de tuin te leiden).

kaamp: kam.

kaankert: kanker.

kaant: kant.

kaar: bijenkorf

kaar (kerke, kare): kar.

kaargelei: karrespoor.

kaarring: ijzeren ring rond houten karrenwiel.

kaas of kaast (kske, ks of kaaste) (mod.): kast.

kaat of kaart (ketsje, kate): kaart.

kaat of kaart (kiertsje) (sgv): kaart.

kabaenes (kabae/nes): groot exemplaar, misschien eerder van levende wezens, b.v. een extra zware stier.

kabberdaol: koprol.

kabbint: werkkamer.

kabien (kabie/n): transformatorgebouw.fr. cabine

kado (ka/do) (kadoke, kadoos): cadeau, geschenk.

kael (kaelke, kaels): kerel.

kaen (kaene): kersenpit.

Kaen, op 'ne: [loc.] Op de Kern, ten oosten van de veldweg van Veurs naar Vrouwenhof. N 50 44.096, E 5 50.202

kaesjmis: kerstmis.

kaetel (kaetelke, kaetele of kaetels): kookpan.

kaets (ktske, ktse): kaars.

kaek (kae~k): staande petroleumlamp.fr/waals: quinquet.

kaere (kaerde, gekaerd): keren, vegen, bezemen. 't hoes kaere (het huis vegen).

kaffee (ka/ffee): caf.

kaffee (ka/ffee): koffie.Sjtrange kaffee (Sterke koffie).

kaffeesgroond (ka/ffeesgroond): koffiedik.

kaffespot (ka/ffespot): koffiepot, koffiekan.

kajee (kajee/): schrift.fr: cahier.

kajute: huilen, jammeren van de pijn.

kakao (ka/kao): cacao.

kakkesjtool (kakkesjteulke, kakkesjteul) (orig.): toiletstoel, verkleinvorm: kinderstoel.

kal (kalle): wielblok, wielklem.fr: cale.

kalder (moe): kelder.

kalender (kale/nder): kalender.

kalender (kale/nder), of galender (uitspr: fr. g): leuning, balustrade.du: Gelnder. 'ne sjeve trappekalender (Een scheve trapleuning: een bouwsel dat werkelijk op niets trekt, helemaal krom en scheef).

kalere (kalere, gekaleerd): vastzetten, steunen, stabiliseren.fr: caler.

kalksjtee: kalksteen.

kalle (kalde, gekald) (orig.): praten, spreken, kallen (veroud. nl.) Niet: spreken voor een gehoor. Dan eerder sjpraeke (mod.).en: to call.Kalle wie die va Voere of wie ee Voere (Spreken zoals die van 's-Gravenvoeren of zoals in 's-Gravenvoeren). Mit kalle versjteet me zich (Met spreken krijgt men een goede verstandhouding).Ich kal, doe kals, hae kalt.

kallot (2): pet, muts. Neutraler dan "kap" dat misschien een beetje denigrerend is.

kalsong: onderbroek met lange pijpen.fr: calson.

kamaow (kamao~w) (orig.): fut.Hae haat gnge kamaow ee (Hij heeft geen fut).

kamer: kamer.De gooi kamer (De goede kamer

kamer: metalen kruitpot om tot ontploffing te brengen bij de bronk.

kamjonet: busje.

kamjnt (orig.) (kamjn/t): kleine vrachtwagen, bestelwagen.fr. camionette.

kamjng (orig.) (1): vrachtwagen.fr: camion

kammeraod (kammerdsje, kammeraote): kameraad, vriend.

kammezaol of kammezol (kammezlke of kammezlke, kammezaole): kamizool, trui, gilet.

kamoek of kafoek (orig.): fut.

kamouw: moed, durf, levendigheid, energie.Hae haat neet vl kamouw ee (Hij is niet erg levendig).Dat is inge dae haat kamouw ee (Dat is iemand die moed heeft).

kampzjeng (moe): spottend voor kampbewoner.

Kanada: [loc.] Canada.

kanada, op 'ne: [loc.] Vrouwenhof, in het Vrouwenbos nabij Kies, kanada genoemd vanwege de veraf gelegen locatie.

kanaj: boefje, ondeugend iemand.fr: canaille.

kandelaer (kandelaerke, kandelaere of kandelaers): kandelaar.

kaniel: kaneel.

kanief: knipmes, zakmes.fr: canif.

kanien (kanie~n) (kaneng) (moe): [anim.] konijn, Oryctolagus cuniculus.

kannedas (kannedasse): [botan.] canadapopulieren, Populus x canadensis.

kanteneer: kantonnier, wegwerker.

kantien (kantie/n): kantine.

kantien, de (kantie/n): Caf, feestzaaltje, kantine bij camping Rusticana in Moelingen.

kanzjel: dakgoot.zwits: (dach)knnel.

kaod (kao~d): koud.`t waedt kaod-a (orig.), 't begint kaod te waede (mod.) (Het begint koud te worden).

kaodvuur: [med.] koudvuur, nat gangreen. Infectie na eenverwonding waarbij veel avitaal weefsel ontstaat (b.v. schotwonden, pletwonden), door contact met grond of mest. Met risico op amputatie.

kaod (kdsje, kd): koord.vver de kaod sjtoe (Over de koord staan, dwars liggen. Komt van het beeld van een aangebonden koe die onwillig met een poot over het zeel aan de voorkant gaat staan, buiten haar terrein).

kke: keuken.

kaokmaal (orig.): kookketel, waterketel.

kaokmoor: kookketel, waterketel.

kaon: koren, graan.

kaonwoof : [anim.] hamster, korenwolf. Deze naam schijnt te wijzenop de "hebzucht" van het diertje de veldhamster. Men vergelijke met het Nederlandse "Geldwolf".

kaosj (ksjke, kaosjte): korst.

kaot (moe): kaart.

ktbie: kortbij.

Kte Kiere, a g'n: [loc.] ten westen van de Leemberg op Schilberg. N 50 45.784, E 5 50.323

kaoter (moe): kater.

kterbie: korterbij.

kaof (kao~f) (kfke (k/fke), kaover (kao~ver)): kalf.

kaolebaon: bron van het waterwegske in smv.

kaolemt (kao~lem~t) (kaolemte) (sgv): kolenkit.

kaolesjp: kolenschop.

kaolesjp (sgv): kolenschop.

kaolputter (moe): mijnwerker.

kaom (kao~m) (orig.): amper, nauwelijks, bijna niet.du: kaum

kaome (kaam [conj 2: kiem], kaome (orig.) of gekaome (mod.)): komen.kaom een! (kom binnen!)Kiem hae mer! (Kwam hij maar!). Hae zaat hae kiem (Hij zei (dat) hij kwam, hij zei dat ie zou komen).  (conj 2. Du. kme)Ich kaom, doe kms, hae kmt, v'r kaome, d'r kaomt.

Kaomerig: [loc.] Komberg te smv.

kaonkoer (kao~koe~r) (moe): wedstrijd, concours.

kre (krde, gekrd): keuren.

kre (krde, gekrd) (orig.): aaien.nl: (lief)kozen.

kaore (orig.): proeven.du: kosten.

kring: keuring.

kt (orig.) of kt (orig.): kort.Km neet te kt (Kom niet te kortbij).

kaotbtel (kaotbtelke, kaotbtele): soort beitel.

kts (orig.) of keuts (orig.): koorts.

kaove (kofde, gekofd): kalven, kalveren.

kaoverblad (kaoverblaar): [botan.] Ridderzuring, Rumex obtusifolius L.

kaoverbloom (orig.): [botan.] Pinksterbloem, Cardamine pratensis L.

kaoverwei: kalverenwei.

kaozjee (kao~zjee): vakantie.fr: cong.

kap: muts, misschien een beetje denigrerend. Kalot is neutraler.Dch de kap aaf (Zet je muts af).

kapel (kapelke, kapelle): kapel.

Kapel, op (orig.): [loc.] Hendrik-Kapelle, plaats ten zuidoosten van Remersdaal, Henri-Chapelle. N 50 40.609, E 5 55.712

kapeldr, aan de -: klets na de mis voor de deur van de St. Rochuskapel op de Plank.

kapjs (kapjze) (moe): perzik.

kapjzeboom  (moe): perzikboom.

kaplaon (kaplnke, kaplns): kapelaan.Went 't rent bie d'r pasjtoer, drppelt 't bie d'r kaplaon (Wanneer het regent bij de pastoor, druppelt het bij de kapelaan, de een heeft voordeel van de voorspoed van een ander).

kapoele: recht gesneden haarfront, pony, pagekop.

kapot: dood.Val kapot! (Val dood!)

kapot: kapot.

kappe (kapde, gekap): kappen, snoeien, kortwieken, van uitsteeksel vrijmaken.[vet.] De poete of de klauwe vaege, sjnieje of kappe (De poten snoeien, bij de koe moeten de tenen recht gemaakt worden. Aan de voorpoot groeit de binnenste teen harder en krom, aan de achterpoten is dat de buitenste teen).

kappuusj (kappuu/sj) (moe): capuchon, vaste kap aan een jas.

kapsjtok: magere koe met uitstekende bekken.

kapsjtok (kapsjtkske, kapsjtk): kapstok.

karbuur: carbid. fr. Carbure.

karbuurkanon : carbidkanon."E karbuurkanon vr 't verjage van de sjpriewe (Een carbidkanon voor het verjagen van de spreeuwen).

"

karbuurlaamp: carbidlamp.

karehings: karhenst, trekpaard.

karessere (karesseerde, gekaresseerd) (orig.): kennis hebben.

karnoefele (moe): knuffelen, vrijen.

kas (keske, kaste) (mod.): kast.

kas (mod.) (moe): kast.

kas of kaske: helm, bromfietshelm, motorhelm.fr: casque

kasjpoesjaer: stofjas.

kasjtaanjel (kasjtaanjelke, kasjtaanjele): kastanje.

kasjtiel (kasjtielke, kasjtiele): kasteel.Kasjtiele make (Kastelen maken, als er regen in de lucht hing tijdens de hooitijd, werd het hooi op kleine hoopjes (ca.0,75m hoog) bijeengeharkt. Zo werd enkel het bovenste deel nat, en droogde dan ook weer snel op).

kasrol (kasro/l)  (kasrolle): kookpot.fr: casserole.

kastaar (kastaa/r): groot exemplaar, levend of niet: en stier, een tractor.

kat (ktteke, katte): kat.

kate (kade, gekaat): kaarten.ich kaat, doe kaats, hae kaat.

kater: kater.

katrienewiel: [med.] ringworm.

Kattegraaf (sgv): [loc.] in sgv.

katteliek (kattelie/k) (kattelieke): katholiek.

kattepoekele: verzet, misbaar, discussie.Mak toch neet zoevl kattepoekele (maak toch niet zoveel moeilijkheden, doe toch niet zo moeilijk).

katterot: [loc.] Kattenrot, op de hoogte tussen Vitchen en Ulvend.

kavejjer of kaveier: iets fors, iets enorms.

kavejjer of kaveier: kwajongen.

Kavie (Kavieke) (moe): roepnaam Octavie.

kaw (moe): kou.

kaw (moe): verkoudheid.

ka-wee: regenjas.merknaam

Keel, de: [loc.] een "sjloont" in moe.

keem: kwam.

keend (keender) (sgv): kind.

keend (kinneke [mv: (kinnekes of (kinnekere] of kindsje [mv: kindsjes of kindsjere], kinger): kind.Kinger Gods! (Kinderen toch!)Krm kinger pese ch! (Scheve zaken deugen ook).

keendersjtool (keendersjteulke, keendersjteul) (mod.): kinderstoel.

keenkbrik (orig.): [loc.] kinkenberg in sgv.

keenkeberg (mod.): [loc.] kinkenberg in sgv.

keenkers: Kinkers, lastpaardjes met aan weerszijden een mand. oorsprong van toponiemen.

Keer: [loc.] Keer in Cadier en Keer.

keerk (keerkske, keerke): kerk.

keerkgaank (sgv): offergang, zie offergaank (smv).Ee 's-Gravevoere nao 'n geboerte waor dat neuge daag ee ge bd, daonao gong de vrow heure keerkgaank doe, ummer der ierste kier dat ze op g'n sjtraot kaom.(In 's-Gravenvoeren na een geboorte was dat negen dagen in het bed, daarna ging de vrouw haar kerkgang doen, steeds de eerste keer als ze op straat kwam).

kees (keeske, keeste): kist.

kets (moe): kaars.Doe bs 'n groete kets, mer doe gefs gee leech (Jij bent een grote kaars, maar je geeft geen licht, gezegde tegen iemand die je in het licht staat.)

kelder: kelder.Ee g'ne kelder (In de kelder), d'r kelder ee (De kelder in).Kelders i genne Pley, wijnmerk van Jean-Marie Ernon uit sgv.

kemmen (kemde, gekemd): kammen.

kemsel: kamsel, bijeengeharkt materiaal, bijvoorbeeld hooi.

knne (koes [conj 2: keus], gekaand): kunnen.ich kn, doe kuns of kns en knste.  't keus zie ('t kan zijn).

knne (koes, gekaand): kennen.ich kn, doe kuns of kns en knste.

kerkesvolk: tuig, getuig, schorem, uitschot, gespuis, laag volk.

kerme: kermen, weeklagen, kreunen

ketsj: adamsappel.

ketsj: klokhuis.

ktsje: de pulp na het uitpersen van gekookte appelen en peren bij de stroopbereiding. Dient dan nog als koeienvoer.

ktte: ketting.

Ktte, ee g'n (sgv): [loc.] Kettenstraat in sgv

Kttelemaan: Kettingenman: In de Stashaag zwierf een spook helemaal omhangen met lange koekettingen.

ketzoet!: kat d'ruit!

keule (keulde, gekeuld): koelen.hae keult

Keunkel, an d'r: [loc.] aan de Koebeek te SPV, vlakbij woning 43a, waar de beek een hoek van 90 maakt.Vroeger was er een wegje naar toe om water te gaan halen. Dit wegje lag in 't verlengde van de "Loesberggets" en men noemde het "de Keunkelgets".

Keunkelgets: [loc.] aan de Koebeek te SPV

keze (gekaoze): kiezen.

kiel (sgv): kerel.

Kier: [loc.] Keer in Cadier en Keer.

kier: keer.Op 'ne vieze kier (Eens heel onverwacht).

kies: kaas.

kies (kiese) (moe): [botan.] kers, Prunus soorten.

kiesetied: kersentijd.

kiesj (kiesjke, kiesje): [botan.] kers, Prunus soorten.

kiesjevlaam: kersenvlaai.

kieskop (kieskpke, kieskp): kaaskop, scheldnaam voor Hollander, Nederlander.

kiesmieske (orig.): [anim.] koolmees, Parus major.

kietel (kietelke, kietele of kietels): kookpan.kietelemenneke, kietelemichiels (ketelmannetje, ketelmichiels, ketelhandelaar in sgv).

kiek (kie~k): inzicht. `ne klaore kiek (Een helder inzicht).

kieke (kaek, gekaeke): kijken.

kieke (kaek, gekaeke): letten op.Dao han ich neet mie nao gekaeke (Daar heb ik niet meer op gelet).

kiel (kielke, kiele): stalen wig om boomstronken te splijten.

kielbaog: boog om pijlen mee te schieten.

kielefiets: hufter.

kiene (kiende, gekiend): kienen.

kies (kie~s) (moe): kaas.

kies (kieske, kieze) (mod.): kies.

Kies, ge: [loc.] Kies, tussen Veurs en Hagelstein.

kiet (kie/t) (kietsje, kieter): korrel, greintje.E kiet havver (Een korrel haver).Hae krg zich e kiet of drie, gee kiet (Hij nam zich een korrel of drie, helemaal niks).Gee kiet vertroewe (Geen greintje vertrouwen).

kietel: stofjas, de varkens- en kalverkoopman hadden zo een typische zwarte kietel aan. du: Kittel.

kietsoet: sliepuit, uitroep bij het over elkaar strijken van de wijsvingers om een verliezer te plagen.

kievief: alert.fr: qui-vive.Blief op dienge kievief (Blijf op je hoede).

kiezel: kiezel.

kilo: kilo.

kilometer: kilometer.

kimme: wangen.

kinnis (kinniske, kinnise): kennis.Kinnis ha (mod.) (Kennis hebben).

kipkap (mod.): hoofdkaas.

kippes (orig.): hoofdkaas.

kirk (kirkske, kirke): kerk.

kirkesjltel (kirkesjltelke, kirkesjltele): [botan.] sleutelbloem, Primula soorten.

kirkfabriek: kerkfabriek, kerkeraad.

kirmes: Kermis in betekenis verruimd: familiefeest.Da hot v'r kirmes (dan houden we een familiefeest (onafhankellijk van de dorpskermis).Vr de kommuunje van d'r Zjaak zeet 'r op d'r kirmes gerope (Met de communie van Jaak zijn jullie voor het feest uitgenodigd).Kirmes ee g'n hl (Kermis in de hel, als de zon schijnt terwijl het regent).Nao de kirmes (naar de kermis).

kirmes (moe): kermis. 't is allemaol get zaag Bet, en gaof de geet get. Ze liet 't kaof sjtoon, want 't waor tied veur nao de kirmes te goon.(Het is allemaal wat zei Bet, (het is me wat), en gaf de geit wat, ze liet het kalf staan, want het was tijd om naar de kermis te gaan, een versje (moe) dat al eens gezegd wordt in gezelschap als men even stil valt met praten).Kirmes in de hl (Kermis in de hel, als de zon schijnt terwijl het regent).

kirmesmiensj: kermisklant.

kjaan (sgv): kern, pit.

kjaars (kjaarse) (orig.) (sgv): kaars.

kjaas (kjase) (sgv): [botan.] kers, Prunus soorten.

kjaas (kjase) (sgv): [botan.] kers, Prunus soorten.

kjaasmis (sgv): kerstmis.

kjke (moe): keuken.

kjs (kjske, kjse) (moe): [botan.] kers, Prunus soorten.

kjts (moe): kaars.

kjl (moe): kerel.

klaank (klaanke): klank.

Klabatter: [loc.] Clabater. Langs gewestweg nabij Hagelstein, 200m richting Magis.

klabatter: het houten hamerinstrument dat door de misdienaren gebruikt werd in plaats van belgerinkel tijdens de vasten.

klabberdows: plotsklaps.Klabberdows, dao laog ich (Plots lag ik daar).

klaene (klaende, geklaend) (orig.): slaan, gooien, werpen, smijten.E-weg klaene (orig.) (Hard weglopen).

klam (klamme): kram.Klamme vr sjtacheledraod a g'ne paol te naegele (Krammen om prikkeldraad een aan paal te nagelen).

klammatsj: hefboomtang.

klandere: keuvelen.

klaor: duidelijk, klaar.Da's gaans klaor! (Dat spreekt vanzelf!)

klaor: licht, klaar, helder.

klaor (mod): klaar, gereed.

kls: stumper.

klaosmaan (klaosmenneke, klaosmander): speculaaspop.

klapper: klapper, ringmap.

klappere: klapperen, fladderen.

klaproes (klapruuske, klaproeze) (mod.): [botan.] klaproos, Papaver soorten.

klats of kletsj (klatse of kletsje): klappen, slaag.Dalik kries te klatse op dien batse (Dalijk krijg je klappen op je billen).

klatsj: kaal hoofd.

klatsje, (klatsjde, geklatsj): klappen, slaan, applaudiseren.

klatspapier (sgv): zilverpapier, zilverfolie.etym: glad papier?

klauw (klauwe): handen, voeten.Pierre, zt de klauwe ee g'n aed, 't geit neet vroet!(Madam Vreuls van g'n Eiken zei dat vroeger tegen haar man als ze de kruiwagen langs de holle weg omhoog duwde en hij de kar trok).D'r klauw van e mlkmassjieng (De klauw is het onderdeel waaraan de vier zuigspenen zitten).

klauw (klauwe): dikke steen, vuursteen, silex.Dieke klauwe (Dikke, zware stenen).op 'ne waeg mit puur sjerpe klauwe knste flot krevere (Op een weg met overwegend scherpe stenen kun je snel lekrijden).

klavere: klauteren.

klee: klein.E klngt, 'ne klnge, 'n klng (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

kleed: kleed.

kleenk (kleenke): klink.

kleenke: kettingen waarmee de paarden voor de kar gespannen worden.

Kleenkewej  (moe): [loc.] Kleenkewej in moe.

kleesper: tenger (vrouwtje).E kleesper wiefke, vrwke, menneke (Een tenger wijfje, vrouwtje, mannetje. Bijna een staande uitdrukking).

kleiaasj (moe): kleding.

kleie (kleide, gekleid): kleden.

klijing: kleding.

kljer: kleren.Zoondigse kljer, gooj kljer (Zondagse kleren).Dr de waekse kljer, wirkkljer (Door de weekse kleren, werkkleren).

kljerhaot: klerenhanger, kapstok.

klng (moe): klein.

klngegheed: kleinigheid.

klepkow (moe): klapkooi. Vogels werden gevangen met een getralied bakje, waarvan het deksel kon dichtklappen.

kleppe (geklept): slaan, tikken tegen een kerkklok.

klet: [botan.] kleefkruid, Galium aparine L.

klet: [botan.] klis of klit, Arctium soorten.

kletsje: klappen, slaan, applaudiseren.Ee g'n heng kletsje en op de batse of op de vot kletsje (In de handen klappen en op de billen of het achterwerk slaan).

kletsjkop: kaalkop.

kleuj: planken vloer waar kalveren wat comfortabeler op kunnen liggen, in plaats van op een bakstenen ondergrond.

kleur: kleur.

kleutsje (kleutsjde, gekleutsjt): klutsen, kloppen.

klie: [botan.] klaver, bijv. Trifolium soorten.

klie (klies): klaveren (kaartspel).

klienjotr (klienjot~r): knipperlicht, richtingaanwijzer.fr: clignoteur

klietsj (rem): klink.

kliettsj: klapkooi. Vogels werden gevangen met een getralied bakje, waarvan het deksel kon dichtklappen.

kliettsj (moe): mestkar.

klikwke  (sgv): klapkooi. Vogels werden gevangen met een getralied bakje, waarvan het deksel kon dichtklappen.

kling (sgv): klein.

klits (klitse): dikke knikker.

kloester (kluusterke, kloestere of kloestersj): klooster.

kloet (klutsje, kloete): kloot, testikel.En ich de kloete n'op (En ik maakte dat ik weg kwam).

kloet (klutsje, kloete): zielepoot.D'n rreme kloet (De arme zielepoot).

kloek: [anim.] klokhen.

kloeksjpule (sgv): verstoppertje spelen.

kloester (kloe~ster): hangslot, kluister.

kloester (kloe~ster) (moe): klooster.

kloetsj: geut.

kloetsje (kloetsjde, gekloetsj): klotsen.De mlk kloetsjt in zienge boek (De melk klotst in zijn buik).

klmmel: prul, onding.[med.] Ze haat d'r klmmel (Ze heeft haar maanstonden).

klmmele (klimmelde, geklmmeld): prutsen.

klook: goed uitziend, mooi gekleed, netjes.du: klug, nl: kloek.Sjnook, sjpook, driet in d'n brook, da bs te zoondegs klook! of: Senterklaos, pees ee g'n haos, sjiet in d'n brook, da bs te zoondegs klook! (Kinderrijmpjes).

kloomp (kleumpke, kloompe of kleump): klomp.

klophings: [vet.] klophengst.

klppe (klpde, geklp): kloppen.

kls: stumper.

kloster: klooster.

klts: kluiten.

klowwe (klowde, geklowd): stelen.

klunkske (klunkskes): [anim.] vroedmeesterpad.

klutendrek: as van sjlam, van kolenslik.

klutsj (3, K-SL): grappig voor hoofd.Dch d'ch get op d'ne klutsj (Zet wat op je hoofd).

kluut: gehaktbrood.

knab (knebke, knabbe): boterham.nl: verwant aan knapzak? Hierin komt knap van het middelnl. cnappen = stukbijten met de tanden.

knab (knebke, knabbe): stuk hout.Laeg knabbe ater g'n raar (Leg stukken hout achter de wielen).

knabbs (kna/bbs): knalbus, proppenschieter uit vlierhout.nl: buks, du: Bchse.Uitgehold stuk tak, waarin een houten pin past, en waarin vooraan een stop word gestoken. Bij comprimeren van de lucht in de buis door vooruitstoten van de pin ontstaat een overdruk. Als de stop het niet meer houdt ontstaat een knal.

knaeje: kneden.

knao (knke, kn of knj): brok.

knaokendokter: orthopedisch arts, chirurg.

knaok (knkske, knk): handen.Ich sjtoet mich ming knk aope (Ik stoot me mijn handen kapot).

knaok (knkske, knk): knook, bot, been.Zjwieg, doe owwe! - Wt? Ich bruuj nog mit dieng knk de paeren oet g'ne boom (Zwijg jij ouwe! - Wat? Ik gooi nog met jouw botten de peren uit de boom).

knaop (knpke, knp): knoop.

Knap, op de: [loc.] Knap te smv.Nao g'n Knap op.

knats: recht.

knatsjgek: knettergek.

knee of kneej (kneeke, knee): knie.

kneip: angst.

knele (kneelde, gekneeld): knielen.

knepke: een muntstuk van vijf centiem.Da bruje ze e knepke ee g'n sjaol (Dan smijten ze een vijf centiemstuk in de schaal, bij de collecte in de mis).

knien (knie~n) (knienke, knieng (knie/ng)): [anim.] konijn, Oryctolagus cuniculus.Wen's te 'ne knien wils vange, mos te 'm zaot op d'r sjtoets liegke (Als je een konijn wilt vangen, moet je hem zout op de staart leggen. Als je zover geraakt, kun je hem ook zo pakken, dus als je mensen of taken behoedzaam benadert, lukt het dikwijls gemakkelijker om iets voor elkaar te krijgen).

Kniengshaag, a g'n, of Knienshaag: [loc.] Aan de Konijnshaag, ten noordoosten van Boven in het dorp Veurs. N 50 44.243, E 5 51.093

kniep (knie~p) (kniepke, kniepe): zakmes, knipmes.

knikker (mod.): knikker.

knipke, op e: [loc.] Knipke te smv. Percelen links en rechts van de de Knipkesweg, van Verloren Kost naar Kwinten. N 50 45 11.9, E 5 49 21.6 en N 50 45 0.8, E 5 49 9.4

knistele: (niet erg vakkundig) knutselen.

knddelaer (knddelaerke, knddelaere): knoeilap.

knddele: knoeien.

knoek (knukske, knuk) (sgv): hand.

knoek (knukske, knuk) (sgv): knook, bot, been.Doer merg en knoek (Door merg en been).

knok (kneukske, kneuk) (moe): knook, bot, been.

knokebraeker (moe): begrafenisondernemer bottenbreker.

knoersj of knoesj: knoers, kraakbeen, pezenvlees.

knoevel (knuvelke, knoevele) (moe): hand.

knoevele: knuffelen.

knppel (knppelke, knppele): knuppel.

knospel: modder/mest die in de haren vande billen van een koe brokken vormen.

knttere (kntterde, gekntterd): grommen, brommen, knorren, snauwen, mopperen, reclameren, preutelen.Doe kuns get knttere (Jij kan wat mopperen).

kntterpt (kntterptsje, kntterpt): preutelaar, zeurpiet.Ouwe kntterpt (Oude zeurpiet).

knuiwele (knuiwelde, geknuiweld): kauwen.

knuul (knuu/l) (knuulsje of knuulke, knule): stuk hout.Bruuj get knule n'op 'e vuur (Smijt wat stukken hout op 't vuur).

kobbich: [loc.] koebeek in spv. Plaatsaanduiding en n woning, vlak achter het vroegere schooltje/gemeentehuis, weg die naar Klots en Blauveld gaat.

Kobes (ee g'ne -): [loc.] Cobus in Rem.

kchin: kookster.

kode (kodes): kode.

koed (sgv): kwaad.Tsje twellef en eng, is aal 't koed op geng (sgv) (Tussen twaalf en een is al het kwaad op gang, na middernacht gebeuren de slechte dingen).

koedele: handelen, sjacheren.

koed: kwaad.

koek (koe~~k) (moe): de kok van dienst op kamp, in een gaarkeuken.

koele: kolen.

koelich of koelik: flauw.

koellef (orig.): moestuin, groentetuin.nl: "koolhof".

koellefsgaar: moestuinhek.

koelmies (koelmieske): [anim.] koolmees, Parus major.

koeme (sgv): komen.

koen (sgv): koren, graan.

koenwoof (sgv): [anim.] hamster, korenwolf. Deze naam schijnt te wijzenop de "hebzucht" van het diertje de veldhamster. Men vergelijke met het Nederlandse "Geldwolf".

koenwf, d'r (sgv): titel van het jaarboek van Heem en Natuur Voeren (eigen schrijfwijze).

koersj (koersjte) (sgv): korst.

koerts (mod.): koorts.

koejng (koejungske, koejnges): kwajongen, deugniet.

koejnge (-de, gekoejngd): het kaartspel kwajongen (spelen).

koekele: lachen, slap lachen.

koekepiep: piepekoek, kiekeboe.

koekoek: vreemdganger, zoals de koekoek zijn ei in een vreemd nest legt.

koekversjtaeke : verstoppertje spelen.

koel (kuulke, koele): groeve.

koel (kuulke, koele): kuil.

koel (kuulke, koele): poel.

koeleboets (koeleboetske, koeleboetse): [anim.] dikkop, kikkervisje.

koelekop (koelekpke, mv: koelekpkes, koelekp): [anim.] dikkop, kikkervisje.

koelekop (koelekpke, mv: koelekpkes, koelekp): [anim.] rivierdonderpad, Cottus soorten.

koenjak (1, ST) (koenjakske): cognac.

koer (koe~r): binnenplaats.fr: cour

koerang: inwijden, aanleren.Is actiever dan fr: mettre au courant (op de hoogte stellen).Ieme'n op koerang zitte (Iemand iets aanleren).

koerjng (koerjungske, koerjnges): misdienaar.

koerrao: elektriciteit, stroom.fr: courant

koers (koe/rs): wedstrijd.Koers vare (Wedstrijd rijden, met name fietsenrennen).

koerse (koe/rse): wedstrijdrijden, racen.

koesj: rustig, stil.fr: se coucher.Hod dich koesj (Hou je rustig).

koet (koe~t): snottebel.

koetnaas (koe~tnaas) (koetnaeske, koetnaze): snotneus.

koetsj (kuutsjke, koetsje): kinderwagen, kinderkoets.

koetsj (kuutsjke, koetsje): koets.

koezjele (koezjelde, gekoezjeld): koesteren, nestelen, knuffelen.du: kuscheln

koezze (orig.): slachten.

Kokeleboom: koprol.Kokeleboom sjloe (De koprol doen).

kokkeleraol: koprol.

Kokkerel: speeltol.Kokkerel mit sjmik (Speeltol met zweep).

kolbloom (orig.): [botan.] klaproos, Papaver soorten.

koliek (kolieke): [med.] koliek, kramp.

koljee: collier, halsketting.

kollaos (mv): panty's.fr: collants

Klle: [loc.] Keulen.

klle (klde, gekld): foppen, voor de gek houden, kullen.Hae klt.

kollef (ko/llef) (kllefke, kolleve): moestuin, groentetuin, koolhof.

kombien: maaidorser. combine.

komiek: raar.

komkommer: komkommer.

komkommer (moe): augurk.

kommanderie: kommanderij, kasteel in spv. N 50 44.189, E 5 49.321

kmmel: fruitmand, kom.

kmmelesere (orig.): ter communie gaan.

kommersj (2, ST) (sgv): zaak, handel, winkel.

kmmies (kmmieske, kmmieze): douanier.D'r bro van de kmmieze (Douanekantoor, grenskantoor).

kommunie (mod.): communie.Te kommunie goe (mod.) (Ter communnie gaan).

kompot: compote, moes, meestal appelmoes.fr: compote.

kndersjtee: kunrader steen.

konkernole (sgv): [botan.] kornoelje, met name de gele kornoelje, cornus mas.Konkernolehaag (Kornoeljehaag).Wat haas te noe wr agevange, konkernool? Dat mos te neet doe, mie konkerneulke (Wat heb je nu weer gedaan, deugniet? Dat moet je niet doen, mijn deugnietje).

konkernool (konkerneulke, konkernoele (sgv): kornoeljevrucht.

Knnebsj, op 'ne:  [loc.] Conenbos of Konenbos, bij de Plank. N 50 44.762, E 5 50.969

knning of knnig: koning.Ich goon oe d'r knning te voot geit (Ik ga waar de koning te voet gaat, naar het toilet).[vet.] Der knnig laote zie (De koning laten zien. Als de hoogdrachtige koe bij het liggen de binnenkant van de vagina uitstulpte (besmettingsgevaar!)).

konsonnaant : konsonnant.

koo (keuke, keu of keuj): [anim.] koe, Bos taurus.

kook (geen mv): geperst droogvoer.

kook (keukske, keuk): koek, taart.Aet dich e sjtk kook, krieg ich mich nog e keukske (Eet (je) een stuk taart, neem ik (mij) nog een koekje).

koomp: kom.

koont: kont, achterwerk.

koontekroeper (koontekroeperke, koontekroeperte): hielenlikker.

koontergewich (koontergewichter): tegengewicht.fr: contre-poids.

koontrebuusje: contributie, bijdrage.

koontrebuusje (orig.): belasting.ich moot de koontrebuusje nog betale (ik moet de belasting nog betalen (orig.)).

koonzert (orig.): toneel.

kooserel: [botan.] Ridderzuring, Rumex obtusifolius L.

kootng: [botan.] Ridderzuring, Rumex obtusifolius L.

kop (kp, kpke): kop, hoofd.

kope (mod.) (koch, gekaot): kopen.

koppieng: hoofdpijn.

kpsj: koppig.

kopvrdel: de zone aan beide uiteinden van een lange ploegvoor, waar de tractor de ploeg lift en keert. Het wordt nadien geploegd dwars op de langsvoor. Ook vrdel.

korae: vlaspijs van gedroogde pruimen, peren, appelen, abrikozen.waals: corin.

korbiejaar: lijkwagen.fr: corbillard.

koreente, ee g'n: in de brieven van de Korinthirs.Doe kals wie Pietres ee g'n koreente (smv) (Jij geeft gefantaseerde informatie).Wie Powles ee g'n koreente (dpl) (Verstrooid. Beide gezegdes lijken hun oorsprong te hebben in de "brieven van Paulus aan de Korinthirs").

kornisj (kornisjke. kornisje): dakgoot.fr: corniche: daklijst, kroonlijst. Betekenisverschuiving.

kort (mod.): kort.

kortaesj: stoet, carnavalsoptocht.fr: cortge.

krzelig (mod.): korzelig.

kosjtel: koeienstal.

kssesjloop (kssesjlope) (mod.): kussensloop.

ksteek (ksteekske, ksteke) (orig.): kussensloop.

kster: koster.

kostuum (kostuumpke, kostume): kostuum.

kt: kudde, troep, groep.

kot (ktsje): hok.Op kot zitten (Op studentenkamer wonen).

kotse: [med.] overgeven, braken, vomeren, spugen.

koutsjoe: rubber.fr: caoutchouc.

kouw: koude.

kouwke (mod.): kauw.

kw: kooi.

kozng  (moe): neef.fr: cousin. nl: kozijn

kraank (moe-sgv): [med.] ziek.du: krankZieg dat 'r braaf zeet en neet kraank waerd, da betaal ich d'r dokter (Zie dat jullie braaf zijn en niet ziek worden, dan betaal ik de dokter.)

kraankde (kraankdes) (moe): [med.] ziekte.

kraankheed: [med.] ziekte.du: Krankheit

kraem: roomijsje.fr. crme

kragk (kregkske, kragke): krakkemikkig voertuig, mens of dier.

krake: kraken.

kral (krelke, kralle): klauw.

kral (krelke, kralle): kraal.nl. etym.: koraal.

kral (krelke, kralle): kralenketting.

krao (kr of krs en kraos): [anim.] kraai, Corvus corone. 't es zu werm dat de kraos gape (Het is zo warm dat de kraaien gapen).n zjwatte kraos (zwarte kraai, als men het over iemand heeft die zwarte klederen draagt.)

kraom: huis.Um d'r kraom (Rond het huis).

kraom: huisraad, diverse dingen.

kraom: kraam.

Kraom, a g'ne: [loc.] Aan de Kraam, tussen Dal (Veurs) en het Vrouwenbos. N 50 44.081, E 5 50.421

krap (krepke, mv: krepkes of krepkere, krappe): meestal als krepkes: uitgebraden spekjes, kaantjes.du: Griebe.Krepkes mit appel (Uitgebraden spekjes met appel).

krapuul of krepuul: tuig, getuig, schorem, uitschot, gespuis, laag volk.fr: crapule.

kras (moe): afval.fr: crasse.Die van d'r kras (De vuilnisophalers).Moesj krasj (verbastering van "bouger la krasse." Bij het knikkeren de grond schoon vegen).

krats (krtske, kratse): kras.

kratse (kratste, gekrats): krassen, krabben.du: kratzen.

krauwel: erbarmelijk produkt, bijvoorbeeld fruit of big.

kravat: stropdas.Dooch dich 'n kravat ee (Doe je een stropdas om).

kreeg: landje veroveren, kinderspel

kreeg: oorlog.du: krieg.D'r kreeg va vttien achtien (De oorlog van 1914-'18).Va vr d'r kreeg (Van voor de (2e w.) oorlog).Vertlle vver d'r groete kreeg va 1870 (Vertellen over de grote oorlog 1870-1871).

kreem (krimke, kreme): [anim.] zeug, zogend varken.

kreie: kreien, sintels.

krjjong (orig.): potlood.

kremebadsj (sgv): kooi om een varken te verplaatsen, met voor en achter twee handvatten waaraan ze gedragen werd.

krengde (krengdes): [med.] ziekte.du: Krankheit.De krengde a g'n beum (Boomziekte).

krenkelik (sgv): [med.] ziekelijk.

krte (krdde, gekrd): tergend iets tonen, bv. op school een nieuwe fiets tonen, met veel nadruk, aan iemand die geen fiets heeft "en jij hebt er lekker geen". Zie giele.Krt d'r jng neet (Pest die jongen niet zo. Door op nadrukkelijke wijze een stuk vla op te eten, terwijl de ander geen heeft). Dat s de luuj krte (Als iemand op verschillende manieren (huis, kleren, ...) zijn betere toestand toont).Doe krts, hae krt.

krevere (kreveerde, gekreveerd): lekrijden.fr: crever.

krevere (kreveerde, gekreveerd): armoedig sterven.fr: crever."van de kou krevere (Sterven van de kou).

"

krib: kribbe.

kribbebieter (moe): gierigaard. varken bijt zelfs van honger in de trog.

kribbele of kriebele (kribbelde, gekribbeld): kriebelen.

kriebel: kriebel.Zit hie 's 'ne kriebel (Zet hier eens een kriebel, handtekening).

krie: nauwelijks, amper.

kriekel: krekel.

kriene: kraaien.

kriege (krie/ge) (?, kriege (orig.) of gekriege (mod.)) (sgv): krijgen, nemen, halen.Krieg dich e blke (Neem (je) een snoepje).

kriege (krie/ge) (kraeg, kraege (orig.) of gekraege (mod.)): krijgen, nemen, halen.Ich krieg, doe kies of doe kries, hae kiet of hae kriet.Ich ha gister 'ne breef kraege (Ik heb gisteren een brief gekregen).Kried uch aaf, 't s riestevlaam (Bedien u, het is rijstevlaai. Ook humoristisch bedoeld als er helemaal geen vlaai is).Krieg mich de vlaam 'ns (Haal (mij) eens de vlaai). 'n Krengde kriege (Een ziekte krijgen).

kriek: krik, wagenhefboom.

kries (krie~s) (kriese) (sgv): crisis, aanval, toeval

kriesje (krie~sje) (kraesj of kriesjde, gekraesje) (orig.): huilen.

kriet (krie~t): krijt.

krietberg (krie~tberg): [loc.] krijtberg in moe.

kriete (krie~te): krijten.

kriettesj (krie/ttesj): ongenaakbaar.

krietwit (krie~twit): krijtwit.

Krindel, d'r -: [loc.] Krindaal, bij de Plank. N 50 44.795, E 5 50.166JMG 100330 (in d'r)Hae wnt in d'r Krindel, ee g'ne Krindel, op de Krindel (In de Krindaal, op de Krindaal).Vsj is kt a g'ne Krindel (Veurs ligt kort bij de Krindaal).

kristelier (kristelie~r) : catechismusles.Nao kristelier goe (Naar de catechismusles gaan).

kroddel (kroddelke, kroddele) (orig.): pad

kroech: kruik.

kroed (kroe~d) (kruudsje, kruje): kruid.

kroednagel (kroednaegelke): [botan.] kruidnagel.

kroedwsj: bos gemengde kruiden ter zegening.

kroenekrane: kraanvogels.

kroepe (kraop, gekraope): kruipen.Ich kroep (kroe~p), doe kruups, hae kruupt.

kroet (kroe~t): kruit.

kroewe (kroe/we): wieden, onkruid verwijderen.Oonkroed kroewe (Onkruid wieden).

Krommejong, d'r: [loc.] te spv

krmpier (krmpiere) (orig.): aardappel.du: grundbirne.Has te krmpiere geplaant? (Heb je aardappelen geplant? Als je je schoenen uit doet en de dikke teen komt door de sok heen)

kroomp: krom, scheef.

kroot (krote): biet.fr: carotte

krppel (krppelke, krppele): misvormde, kreupele.

krppel (krppelke, krppele): scheldnaam.

krosjtere: haken als handwerken.

krotalle: strontknobbels aan de billen van een koe.

krotekraag (krotekraeg): bietenkraag, bietenkop met bladeren.

krtteltig (orig.): korzelig, kregelig, lichtgeraakt.Wat bes doe krtteltig huuj (Wat ben jij kregeling vandaag).  'ne krtteltige kael (Een kregelige kerel).

krouw (krou~w): schurft.

krouw (krou~w): uitschot, crapuul.

krzjel (kr/zjel) (krzjelke, krzjele): [botan.] kruisbes, Ribes uva-crispa L.etym: een bes met kroesharen.

krzjelesjtroek (krzjelesjtroe~k) krzjelesjtruukske, krzjelesjtruuk): kruisbessenstruik.Ee g'n krzjelesjtruuk (In de kruisbessenstruiken).

krzjelevlaam: kruisbessenvlaai.

kruudsje (orig.) (rem): stroop.

kruus (kruiske) (moe): kruis.

kruus (kruuske) (sgv): kruis.

kruusj (kruu/sj) (kruusjke, kruzje (kru/zje)): melkbus.nl: kroes.

kruuts (kruu~ts) (kruutske (kruu/tske), kruutser): kruis.Zich e kruuts make. (mod.) (Zichzelf een kruisteken maken).

Kruuts, ge: [loc.] Hoogcruts, bij Noorbeek.

kruutspeunt: kruispunt.Op 't kruutspeunt (Op het kruispunt).

kuke (ku~ke) (kuukske, kukes): kuiken.

kukedraod (ku~kedraod): kuikengaas.

kukele (ku/kele) (kukelde, gekukeld): ergens vanaf vallen.Pas op, of doe kukels dao vanaaf! (Pas op, of je dondert daar vanaf!)

kukele (ku/kele) (kukelde, gekukeld): kukelen, kraaien van een haan.

kultivater: cultivator, grondbewerker met lange verende tanden die diepte werk (10-15cm) kan verrichten.

kume (ku/me) (kuumde, gekuump): kreunen, steunen, zuchten.

kunning: koning.

kurei (ku~rei): kreng, vervelend beest.fr: biesse crevye en charogne (kapot beest, kadaver, kreng). waals: curye.Ntse kurei! (Vies mispunt!)

kurei (ku~rei): scheldwoord voor een vrouw met slecht karakter.

kurieus (orig.): nieuwsgierig.fr: curieux

kuuning: koning.

Kuuningsweenkel: [loc.] Koningswinkel.

kuul (kuulke, kule) (orig.): stok, een mooie ronde rechte bewerkte stok.

Kuulsjes, ee g'n -: [loc.] Kultjen in Rem.

Kuum (kuu~~m) (kuumke (kuu~mke): Kreun, zucht.Dat is 'n kuum, die! (Dat is een vrouw die altijd iets op te merken heeft).

kuusj (kuu/sj) (kuusjke, kuuzje): varken.fr. cochon.

kuut (kuu~t) (kuutsje, kute): kuit.

kwaart (mod.): kwart.

kwaas of kwaast: kwast.

kwad of kwod: quad, vierwielig motorvoertuig.

kwadraatmeter (rem): vierkante meter.du: Quadratmeter.

kwaet (kwaete): eeltplek.Kwaete a g'n heng (Eeltplekken op de handen). Kwaete a g'n vingere (Eeltplekken op de vingers).Kwaete oonder g'n erm (Eeltplekken onder de armen (gezegd van iemand die niet graag werkt. [med.] Inderdaad kunnen wel de lymfeknopen onder de oksels zwellen bij ongewoon werk).

kwaeke (kwaekde, gekwaek): schreeuwen.

Kwakhaag, ee g'n -: [loc.] Kwakhaag ten noorden van Ulvend.

kwakkert (kwekkerke, kwakkerte): kikker, kikvors, pad.

kwakvrsj (kwakvrsjke, kwakvrsje): kikker, kikvors, pad.

kwatsj: onzin, klets.du: Quatsch.

kwatsj: ruzie.Die haant kwatsj middee (Die hebben ruzie met elkaar).

kwebsj (moe): beurs, overrijp.

kwebsje: verklappen, doorvertellen.

kwtsjbuul (kwtsjbuulke, kwtsjbule): accordeon, harmonika, trekzak.

kwtsje (kwtsjde, gekwtsjt): verpletteren, vermorzelen, platdrukken, pletten, prakken.betekent niet: kwetsen.Kwtsj dich de krompiere (prak je de aardappelen)De paere waore gaans gekwtsjt wie ich heem kaam (De peren waren helemaal geplet toen ik thuis kwam).

kwettele : darmen, ingewanden.De kapotte kat mt de kwettelen oet (De dode kat met de darmen eruit).

kwezel: kwezel.

kwiebes : scheldnaam.Latijn quibus = aan wie, door wie.

kwiet (kwie~t): kwijt.

kwiksjtuutske (kwiksjtuutskes): Kwikstaart.

kwiksjtuutskes, de: Jeugdcarnavalsvereniging in Voeren.

laache (laa~che) (laachde, gelaachd): lachen.Vr te laache (Om te lachen, voor de grap).Dat waor 'nt vr te laache (Dat was niet om te lachen, was ernstig, kwam hard aan).Dat zw vr te laache zie! (Dat zou om te lachen zijn, dat is belachelijk!) Da laach-se dich kapot (Dan lach je je dood).

laaj of la (laejke, laje) (mod.): lade.

laam: lam, verlamd.E laamt, 'ne lame, 'n laam

laamp (lmpke of lmpsje, laampe): lamp.

laand (lendsje, lan): veld.

laand (lendsje, leng of lan): land.Doe bs te sjlum veur op 't laand, doe mos 't water op (Jij bent te slim voor aan wal, jij moet gaan varen).

laank: lang.D'r lange (De lange, persoonsaanduiding).E langt, 'ne lange, 'n lang.

Laankoer: familienaam Langohr.

laanksem: langzaam.

laanksemmer: langzamer.

laanksemmer: stiller.Zt d'r tv 'ns get laanksemmer! (zet de tv eens wat stiller!)

laankveld: [loc.] langveld, longchamps bij moe

laankwater  (sgv) (laa~nkwa~ter): oorspronkelijke benaming van de Noor(beek), beek van de Wesj (bron) in Noorbeek tot aan haar monding in de Voer, in de Vitsjen bij sgv.Naamsverandering onder invloed van een verkeerde benaming op een topografische kaart.

laars (laerske, laarze) (mod.): laars.

laat: laat.

lae, laej of laeje: geleden.

laepel: lepel.Haol 'ns 'ne laepel vr d'r Zjeng (Haal eens een lepel voor Jean).

laeve (laeveke, laeves): het leven.Doe has e fie laeveke (Jij hebt en mooi leventje, zorgenloos, hoeft niet te werken).

laeftied: leeftijd

laeg: leeg.Laege zak (Lege zak, vloeknaam).

laege (laat, gelaat): leggen.Doe les, hae laet, d'r laet.

laejbek : scheldnaam, aansteller (beamte).

laeke (leakde, gelaek): lekken.

laenesjtool (sgv): leunstoel.

laer: leer, leder.

laeve: lawaai.

laeve (lfde, gelfd): leven.Ich laef, doe lefs, hae left.

laevend: levend.

laeze (loos [conj 2: leus], geloeze (orig.), gelaeze (mod.)): lezen.Ich laes, doe lus, hae lust.

laje (laajde, gelaje) (sgv): laden.Noe haant v'r bezeuk gelaje (Nu hebben we bezoek geladen, ongenood bezoek dat niet snel van opstappen weet)

laje (loed, gelaje): laden.Laaj de kaar 'ns (Laad de kar eens).Die hant get (hoevaat) gelaje (Die hebben nogal wat hovaardigheid bij zich)Da has t'm ch gelaje (Dan heb je hem ook geladen. Als je hem te zeer aanhaalt, zit of loopt hij je ook in de weg).Ich laaj, doe lits, hae lit, d'r laadt. Ich loed, doe loeds, hae loed, v'r loete, d'r loedt.

lake (laekske, lakes): laken.

lakrits: drop, zoethoutwortelextract.du: Lakritzen, en: liquorice, it: liquirita.

Lakro's Lacroix's: familienaam Delacrois.

landsmaan: nationaliteit, inwoner van het land.

lang: lang.

lange (langde, gelangd) (orig.): aanreiken, aangeven, toedienen.Lang mich d'r raek 'ns (Geef (mij) de hark eens aan).Da kries te ng gelangd (Dan krijg je een oorvijg).

Lange Graaf: [loc.] Lange Graaf.

Langhaag, a g'n: [loc.] Op de Langhaag, ten noorden van de weg van Kwinten naar Ulvend, bij de veldweg naar de Eiken. N 50 45.239, E 5 49.409

lans of langs: langs. 't geet nge lans (Er gaat iemand voorbij).

Laobaer (Lao~baer): roepnaam Lambert.

laok (lkske, laoker): gat.E laok is e laok (Een gat is een gat).Ee ge laok (In het gat).

ln (lnsje, lne): nietsnut, scheldwoord.Daer zeet mich lne (Jullie zijn nietsnutten).

lp: loop.

lp (lpke, lpe): loop van een geweer.

lper: loper in schaakspel.

lpert (lperke, lperte of lpere): genteresseerde jongen die regelmatig het huis waar een meisje woont passeert.nl: loper.

lpsj: loops.

lres: oninteressant persoon.

lres : scheldnaam.

lt: lege dop van rijpe erwt of boon.

laot (lao~t) (ltsje, laoter): lot.

lte: bonen doppen.

laote (lao/te) (leet, gelaote): laten.

laote (lao~te) (laotte, gelaot): loten, uitloten, lootjes trekken.

Lve: [loc.] Leuven.

lap (lepke, lep): lap, vod, stuk stof of leer.

lap (lepke, lep): een muntstuk van 5 centiemen.Da gunt ze nao d'r dins vr e lepke te laege (Dan gaan ze naar de dienst om 5 centiem in de schaal te leggen bij de offergang).

lappe (lapde, gelap): lappen, leveren, flikken.

lappe (lapde, gelap): lappen, slaan, klappen geven.

lapsjoer (lapsoere): flapoor.

lapsjwanes (moe): lapzwans.

lat (letsje, latte): lat.

later: later.

Latien (latie~n): Latijn.

Lbbo: familienaam Lebeau.

lebsje (lebsjde, gelebsjt): ongegeneerd in het openbaar uitvoerig tongzoenen, kussen.Wat zuus doe gelebsjt oet! (Wat zie jij er belabberd uit!)

lebsje (lebsjde, gelebsjt): lebberen, likken, zuigen.An de mlk lebsje (Aan de melk likken).

leed: leed, verdriet.

leef (lever): lief.E lift, 'ne leve, 'n leef  (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

leefde: liefde.

leem: leem.E leme huuske (Een lemen huisje, vakwerkhuisje).

Leemberg, op: [loc.] Op Leemberg, veld ten zuiden van Schilberg. N 50 45.774, E 5 50.542

leenks: links.

leenks-in: links inslaan.

leenks-op: links omhoog.

leenks-um: links omdraaien.

leewater: [med.] [vet.] vochtophoping in een gewricht, hydrops.

lgke (laag [conj 2: laet], gelaag): leggen.

Lei (Leike): roepnaam Leo.

leier: ladder.Die ko haat de leier opvraete (Die koe heeft de ladder opgevreten: uitspraak van een veekoopman over een magere koe: als je haar ribben ziet is het alsof er een ladder insteekt).

lj (l/j): smakeloos, met te weinig zout.

ljje (ljde, geljd): leiden. 'n ko nao d'r sjteer ljje (een koe naar de stier leiden, bestieren).

Ljo: roepnaam Leo.

lekke (lekde, gelekt): likken.ich lek, doe leks, hae lekt.

lekker: lekker.

leksjtekske: waterijsje op 'n stokje.

Lemes: familienaam Lemmens uit spv, zo uitgesproken in smv, om onderscheid te maken met de familie Lemmens uit smv zelf.

lengde: lengte.

lengte (moe): lengte.

lpere (orig.): van kleren: ongewenste plooien vormen.

ls (lske, lsse): les.

lstig: lastig, moeilijk. 'ne lstige (Een lastig, moeilijk persoon).

lts (ltske, ltse): les.

lts (ltste): laatst (laatste).

ltter: letter.

Lvo (L/vo): familienaam Leveau.

Lewie (Lewie/): roepnaam Louis.

lich: licht.

Lichmes: Lichtmis, 2 februari.

lidtke (lidtkes): lidteken.

liebigblkske: bouillonblokje, maggiblokje.merknaam Liebig (net als Maggi).

lied (rem): lied.

lieg (sgv): laag.

liepel (liepelke) (sgv): lepel.

liere: leren.

lierjaor: leerjaar, studiejaar, klas.

lieve (sgv): leven.

lieze (gelieze) (sgv): lezen.

lieze (loos, gelieze) (sgv): lezen.

lief (lie~f): vulva.

lief (lie~f) (liefke, lieve): lijf.D'r angs op e lief jage (De schrik op het lijf jagen).

liefke of oonderliefke: onderhemd.

liegke (laag, gelaat): leggen.

liegke (loog, gelaege): liggen.ich liegk (lie/gk), doe liets (lie/ts), hae liet (lie/t). Zich liegke (Liggen gaan).

liegke (loog, geliege) (sgv): liggen.

liegte (moe): laagte.

lieje (lie~je): lijden.Hae liet (lie~t).

liek (lie~k): lijk.

liekbleek: lijkbleek.

lieke (lie~ke): lijken.Hae liekt (lie/kt).

liekkis (lie~kkis) (liekkiske, liekkiste): lijkkist.

liem (lie~m): lijm.

liemtke (lie/mtke) (liemtkes): lidteken.

liene (sgv): lenen.

lieng: [botan.] linde, lindeboom, Tilia soorten.

lieng (lie/ng) lienge, lienske: lijn, om een paard te mennen.

liengeboom: [botan.] linde, lindeboom, Tilia soorten.

lierin: leerkracht, lerares.

lies (lie~s) (lieske, lieste): lijst.

liesei: vliesei, windei, ei zonder schaal, alleen met vlies als omhulsel.

lieuwekop: [loc.] Leeuwenkop in moe. N 50 45.298, E 5 43.118

lieuwerik (lieuwerikske, lieuwerike): [anim.] leeuwerik, Alauda arvensis, zangvogel.

lievehierebiesjke (sgv): [anim.] Lieveheersbeestje.

lieving (lie/ving) (lievingske, lievinge) (sgv): woonkamer.en: living room.

lif: lift.

linzevlaam: linzevlaai.

livvei of levvei: grote doorgaande, geasfalteerde weg, steenweg.uit fr van lever in de betekenis van verhogen mbt de verhoogde weg.

livving: woonkamer.en: living room.

ljpel (moe): lepel.

lbbes (lbbeske, lbbese): goedzak, nietsnut, scheldwoord.nl: lubben = kastreren.

lbsje (lbsjde, gelbsj): meppen.

lch (sgv): lucht.

loden: lange, groene jas, loden mantel.

Loe: familienaam Loo.de Loes (de familie Loo).

loed (loe/d): lood.

loek (lkske, loeker) (sgv): gat.du: loch.E loek ee d'r daag (Een gat in de dag).

loek (lkske, loeker) (sgv): gat.Ich sjtoet dat loek toe (Ik gooi die kuil dicht, vol).

Loep: familienaam Loop.

loep (loe/p) (lupke, lup) : stenen slanke jeneverfles, stoop.

loes: slim.nl: loos.D'r  loeze sjpaele (Zich dom(!) houden).Loeze kaal (Praat om iemand om de tuin te leiden).

loet (loe~t): lucht.Ee g'n loet (In de lucht). Drch g'n loet (Door de lucht).

lok (lkske, loker) (moe): gat, kuil.du: loch.

loek (loe~k) (luukske, loeker): luik.

loer (loe~r): lijzig, loom.fr: lourd?Dat kaof es loer (het kalf is vertraagd in zijn reacties).Van dit waer wae-s-te loer (Van dit weer word je neerslachtig).

loer (moe): lommer, schaduw.

loerejaeger: stroper.

loes (loe~s) (luuske, luus): luis.

Loesberggets: [loc.] aan de Koebeek te spv.

loesj : een duister figuur, een onverzorgd iemand.

loesj : oogklep van een paard.

loeter (loe~ter): louter, zuiver, alleen maar.

loetsj: lange drop om op te zuigen.

loetsj ( luutsjke, loetsje) (orig.): fopspeen.

loetsje (loetsjde, geloetsjt): zuigen.

lmmel (lummelke, lmmele) (orig.): vod.du: Lumpen

lmmele-kriemer: voddenman.

loods: loods.

loop (lupke): loop, gang, manier van lopen.

lope: rennen.lope goe (mod.) (Lopen gaan, er vandoor gaan, wegrennen. Ook figuurlijk, bijvoorbeeld als het stinkt).

lope (leep, gelope): lopen.Hae lpt.

lopenterre: lopenderwijs, terwijl men loopt

loperie (loperieje): geloop, loperij, dingen te doen en zaken te regelen, waarvoor men zich van her naar der moet verplaatsen.

lpsj: door een teef naar paring verlangend.

lore (orig.) (moe-sgv): kijken.nl: loeren.

losj of lodsj: [agrar.] kooi om een varken te verplaatsen, met voor en achter twee handvatten waaraan ze gedragen werd.

lts (orig.): straks, na korte tijd, weldra, spoedig, binnenkort.nl: luttel en: little.Lts vlt ee g'ne pts (Straks valt in de put, van uitstel komt afstel).

lute (lude, gelut): bijlichten met een olielamp.

lute (lude, gelut): verlichten, bijlichten.

luter (orig.): zeepsop.nl: loog.

luij (moe): mensen.nl: lieden.

lusefer (mod.): lucifer.

luut (luu~t) (lute): stallamp, olielamp.

luuj: mensen.nl: lieden.

Luuk (Luu/k): [loc.] Luik.Die va Luuk driete va truuk (Een weinigzeggend rijmpje, om de draak te steken met de Luikenaars).

luuster (luu/ster) (luusterke, luusters): luster, kroonluchter.

'm: het, hem.

maagzoer: [med.] maagzuur.

maaj (maajke, maje): [anim.] made.

maal (maa/l) (moe): zak van jas.Ich sjtoet mich dat ee g'n maal (Ik steek me dat in mijn zak). 'ne nakse ee g'n maal sjiete (Een naakte in zijn zak schijten, sluw oplichten).

maan (menke, man of mander): man. 'ne sjlmme maan (Een slechte man).

Maarja, Majja of Maj: roepnaam Maria.

maat (maa~t): markt.Nao g'ne maat (Naar de markt). Op g'ne maat (Op de markt).

Mabroech, ee -: [loc.] Mabroek in Rem.

Machomet (sgv): een duivels wezen dat in sgv een begraven schat bewaakt.

maddam (maddmsje) (orig.): mevrouw.

maddeliefje (mod.): [botan.] madeliefje, Bellis perennis L.

madmezel: juffrouw, mejuffrouw.fr: mademoiselle.

mae (mae/): maar.

maedeke: meisje.

maedsje: meisje.

maete (moot, gemaete): meten.Ich maet, doe mits, hae mit (mi/t).

maeter: peettante, meter.

mael (mae~l): meel.

maeles: [agrar.] meelhuis, ruimte waar het meel of poederveevoer wordt bewaard.

maeletig: melig, overrijp.

maelzak: meelzak.

maer: [anim.] merrie.

Maer of Mhaer: [loc.] Mheer, dorp ten noorden van Noorbeek.

Maergraote of Mergraote: [loc.] Margraten.

maezeuteke: [botan.] madeliefje, Bellis perennis L.

Majjt (Ma/jj/t): roepnaam Maritte.

make (maakde, gemakt): maken, scheppen.Hae makt zich niks d'roet (Hij laat zich er niet door uit zijn geestelijk evenwicht brengen).Ich maak, doe maks, hae makt

makelaer (mod.): makelaar.

makkei (ma/kkei): verse, witte kaas.Bttermlkse makkei is get pittiger es makkei va aafgedriejde mlk (Witte kaas gemaakt van karnemelk is wat pittiger dan witte kaas gemaakt van afgeroomde melk).

makkeljng (orig.): makelaar.fr: maquignon = veehandelaar.

mal (melke, malle) (orig.): boodschappentas.

mallt (malltsje, malltte): schooltas.fr: malette.

mallig: elk, ieder.Mallig de hellef (Ieder de helft).

Malt: [loc.] malt (sgv, achter PMS provinciale middelbare school).Ee g'n Malt (In de Malt).

mam of ma (make): moeder.

mamma: moeder.

mammiet: [vet.] uierontsteking.lat: mammitis.

man of mander: mensen, personen.E gaans deel man (Mannen).

manivel: zwengel, handkruk, slinger.fr: manivelle.

Manjebo (a g'ne -): [loc.] Magnebos in Rem.

manskael (manskaelke, manskaels): manskerel.

mansluuj: mannen, manslieden.

mantel: lange jas.

maobrig (mao~brig), ee -: [loc.] Mabroek in Rem.

maoger (moe): mager.

maoke (moe): maken.

mrdenaer (mrdenaerke, mrdenaers): moordenaar.

maoge (mod.): mogen.

maoge (moeg) (moe) (mod.): mogen.

maoge (sgv): mogen.Liene maogt, mh waal truuk gieve! (Lenen mag, maar wel terug geven!)

mgelig: mogelijk.

mgelikheed: mogelijkheid.

maoj: modder.

maol (mao/l): zak.

maol (mao~l): maal, keer.

mle of mle (mleke, mles): molen.Mleke sjpaele.(Het molenspel spelen. Op een bord met drie concentrische vierkanten waarbij de zijden op de helft met elkaar verbonden zijn en de hoeken en snijpunten bezet worden met 2 x 9 speelstukken).

maolplak (mao/lplak): zakdoek.

maos: [vet.] niet drachtig. 'n maos ko (een koe die niet drachtig is of omdat ze niet meer drachtig te krijgen is bestemd wordt voor afmesting en verkoop).

mt (m~t) (mte) (sgv): melkbus, kan, schenkkan, kolenkit.

maot (mtsje, maote): maat.

maothvvel : mol.

maothuvel (sgv): mol.

marbel (sgv): [botan.] blauwe bosbes, Vaccinium myrtillus L.Zie worbel.

maretak (mod.): [botan.] Maretak, vogellijm, Viscum album L.

margai: boel, heibel, ruzie, herrie.fr: margaille. 't is margaj in die famielje (Ze hebben ruzie in die familie).

margriet (mod.): [botan.] margriet, Leucanthemum vulgare Lamk.

mariablumke: [botan.] grote muur, Stellaria holostea L.

mariablumke: [botan.] madeliefje, Bellis perennis L.

mariablumke: [botan.] pinksterbloem, Cardamine pratensis.

Mariadaag (sgv): 15 augustus, Maria hemelvaart, Maria tenhemelopneming.Ook: d'r vieftiende auguustuus.

marmiet: teil, kuip.fr: marmite (kookpan, ketel).

Martelberg: [loc.] Martelberg ten NO van smv. N 50 45.354, E 5 49.046Nao g'ne Martelberg op (De Martelberg op).

marul (marulke, marulle): [botan.] morielje, Morchella esculenta.

masjieng (masjienger): machine.

masjottel : ouderwetse juffrouw, kwezel.

Masjtreech (moe): [loc.] Maastricht.

Mastricht: [loc.] Maastricht.

mat (metsje, matte): mat, deurmat.

matirge of matirrege: [med.] etter.nl: materie.

matries (matrie/s): baarmoeder.fr: matrice.

matse: matchen, kaartspel.

matsj: wedstrijd, match.

mattroes (matruuske, matroeze): matroos.

maximm: maximum.

mazele: [med.] mazelen.

Mazjes (Ma~zjes): [loc.] Magis (antroponiem), buurtschap van spv, op de hoogte tussen het voerdal en het berwijndal.

mazoet (mazoe/t): Bier met een scheut cola.

mazoet (mazoe/t): huisbrandolie.fr: mazout.

me: men.

mecanieker (mecanie/ker) (mecaniekerke, mecaniekers): werktuigkundige, mecanicien, monteur.

mechtig: zwaar op de maag, bijvoorbeeld crme au beurre, overdadig rijk aan voedingsstoffen, bv. aan vet,  suiker.

medaalje of medaaje: medaille.

medwalzjel (medwalzele) (moe): medaille.

meech: mij.

meel (meelke, mele): [anim.] bladluis.du: Milbe (mijt). 't haat mele op os blome (Er zitten bladluizen op onze bloemen).

meerbele (sgv): spotnaam Meertens.

mees : mest.

meester: meester.Op ze meester kaome (Ondervinden dat men niet doet wat men wil).

meesterjaan (moe): bazig persoon.

mei: versierd boompje op de nok zodra de ruwbouw af is.

meibloom (sgv-moe): [botan.] Sering, Syringa vulgaris L.

meiblumke: [botan.] lelietje-van-dalen, Convallaria majalis L.

mlk: melk.Aafgedriejde mlk (Afgeroomde melk).[vet.] Flokke of sjtp in de mlk (vlokken of stopjes in de melk, als een koe uierontsteking heeft komt er gevlokte melk uit de spenen)."Gernne mlk (gestremde melk, voor de platte kaasbereiding).

"

mlke (gemlke): melkenAafgemlke koo (Een koe einde lactatie, net voor droogstand).

mlkes: [agrar.] melkhuis.

mlkestied: [agrar.] melktijd, tijd waarop de koeien gemolken worden.

mlksfieber: [vet.] melkkoorts, (Ca/mg verhouding) in begin van lactatie.

mlkvie (moe): [agrar.] melkvee.

mem (memke, memme): borst.Ouw mem (Zeveraar, zeurkous).

mema: moeder.

meneer (menere): manier.

mngele (mngelde, gemngeld): mengen, kaartspel schudden.Ee Tve hat zich nge doed gemngeld(In Teuven heeft zich iemand dood geschud, als serieuze grap gezegd als iemand te lang de kaarten schud. Vooral van belang bij het koejnge waarbij ervaren spelers de kaartvolgorde van het vorige spel proberen te onthouden).

Mennekespt (sgv): [loc.] Mennekesput.Voere alaaf, Mennekesput en Kattegraaf. Voere alaaf, Oakergats en de Sjtadshaag. Voere alaaf, Sjietekamer en 't Wit Pjaard. Oeze heemet dat es Voere, joa Voere alaaf.(Refrein van het carnavalslied van De Waggellerre 1959. Eigen schrijfwijze)

menukaat : menukaart.

m-penning: Als een meid of knecht in dienst genomen werd betaalde de "heer" als bezegeling van de afspraak een "m-penning". Dit was doorgaans een vijf-frank-stuk. Als de meid of knecht niet kwam opdagen dan moest dit geldstuk teruggegeven worden.

mer (sgv): men.

merci: bedankt.fr. Merci.Doe bs merci! (Je bent bedankt! Maar niet heus, bijvoorbeeld na een belediging of benadeling).

merd: uitroep: verrrek, verdomme, shit!fr: merde

mergblkes (vr ee g'n sop): mergballetjes voor in de soep.

mergelskoel (mergelskoele): mergelgroeve.

merkef (me/rkef) (orig.): [anim.] vlaamse gaai, Garrulus glandarius.du: Markolf.

Merkef (me/rkef), a g'ne: [loc.] Merkhof in Aubel.

mrt: markt.

ms: mis.

ms : mest.

mshaop (moe): mesthoop.

Msj: [loc.] Mesch nl. dorp bij sgv.

msj (msje): haarlok.fr: une mche de cheveux.

mesjaote naot (mesjao/te)  (mesjaote nt): [botan.] Muskaatnoot, nootmuskaat.

msjerroet (sgv): Mescherweg te sgv.

mesjie: misschien.

mskar: mestkar.

mskoel: mesthoop, eigenlijk de plaats waar de mesthoop gelegd wordt.

mstef, d'r: binnenplaats van het erf waar de mesthoop ligt. De mesthof.

mstem (moe): [agrar.] mesthoop.

mestie: beroep.waals: mests, fr: mtier.Wts dich wat dae zienge mestie is? (Weet jij wat zijn beroep is?)

meter: meter.

meter (meterke, meter of metere): meter.

mts: maart.Ee g'nne mts (In maart).

mts: mes.

mtst: meeste.

mettee (mettee~): meteen, direct.

mettein: meteen.

meugelekheed : mogelijkheid.

meuntel : [agrar.] touw dat op speciale manier rond de kop van een rund gebonden wordt om het dier bij te houden.

meut (meu~t) (meute) (moe): melkbus, kan, schenkkan.

meutsj (meutsjke, meutsje): muts.

mevrouw (mod.): mevrouw.

meziek: muziek.

mich: mij.

michges: mezelf.

micro: microfoon.

microgolf: magnetronoven.

microwave: magnetronoven.

middaag (mod.): middag.

midde of mids: midden.Dan zt v'r dem in te mids (Dan plaatsen we die (of hem) in het midden).In te midde (In het midden).

middee (middee~): met elkaar.

Middelhaof, op 'ne: [loc.] Middelhof in Rem.

middesieng (middesie/ng) (middesiengke, middesienge): medicijn, medicament.

middicament (middicamentsje, middicamente): medicament, medicijn.

mie (mie~): mijn.

mie: meer.

miemel: memel, houtmolm.

miene of mieje (miende, gemiend) : maaien.

mier: [botan.] Vogelmuur, Stellaria media L.

mier (mod.): [anim.] mier.

miersj (sgv): maart.

mieske (mod.): [anim.] koolmees, Parus major.

mieje: [agrar.] met de achterpoot zijwaarts stampen door een koe.

miem (miemke, mieme): kat, poes.

miem (miemke, mieme): pels rond de hals gedragen.

miemel (miemelke, miemele): [botan.] aalbes, Ribes rubrum.

mien: mijn.

mieng: mijn.

mienge (miengde [v'r mienke], gemiengd): menen.Vaer mienke (Wij meenden).

miensj (miensjke, miensje): mens.

miensjheed: mensheid.

miet (mie~t): [agrar.] hooimijt.

mietsjer: een van de vier deelnemers aan het kaartspel miezjele.

miezjele (miezjelde, gemiezjeld): een zeker kaartspel.

mikke (mikde, gemikt): mikken.

milieu: milieu.

miljaar: vloek.Saint miljaar!

miljoen: miljoen.Nog 'nt vr 'n miljoen (Nog niet voor een miljoen).

minge (mng) (moe): menen.

minj: mijn.

mins (moe): mens.

minuut (minuutsje, minute): minuut.

minuut (minuutsje, minute): moment, wacht even.Minuutsje of uun minuut (fr: une minute) (Een ogenblikje, wacht even).

mirtiel (mirtie/l) (mirtiele of mirtieje): [botan.] blauwe bosbes, Vaccinium myrtillus L.fr: myrtille.

miserere: [ med.] blindedarmontsteking, appendicitis.

misgaele: misgelden, ontgelden.Wat d'r kop vergit mtte de bee misgaele (Wat het hoofd vergeet, moeten de benen ontgelden).

mismeutig: mismoedig zijn.

mismood: mismoedig zijn.Ich han d'r mismood (Ik voel me mismoedig).

mispel (mispelke, mispele): [botan.] Mispel, Mespilus germanica L.

misteltoe of misletoe (mod.): [botan.] Maretak, vogellijm, Viscum album L.en: mistletoe

mit: met.Mit en mit haat 'n al z'n kammeraote verlaore (Stuk voor stuk heeft hij al zijn kameraden verloren).Mit en mit s dae gaanse 'n hook groond van hm waode (Beetje bij beetje is dat hele stuk grond van hem geworden).

mitbrnge (braat mit, mitbraat (orig.) of mitgebraat (mod.)): meebrengen.

mitrajeus: mittrailleur.

mittoe (tong mit, mitgedoe): meedoen.Dug mit! (Doe mee!)

mjale (sgv): [anim.] merel, Turdus merula.

mjlie (moe): [anim.] merel, Turdus merula.

mjlie-ow (moe): [med.] strontje, een ontsteking van een haarzakje aan het ooglid.

mjeule (moe): molen.Hottentotte mjeule, v'r rije nao de meule, v'r rije nao d'r Roejebsj, op 'ne dieke kwakvrsj.(hop paardje hop rijmpje. Rije is discutabel: Misschien wordt reidansen bedoeld. Maar ook in Moelingen gebruikt men vware voor rijden (in tegenstelling tot Maastricht). Op 'ne kwakvrsj (kikker) zou men dan vware?)

m'n, m'ne: mijn.

m'nhier (mod.): meneer, mijnheer.

Mochel, de (moe): [loc.] de Muggenweg in moe.

mdder: moeder.

moddiest: hoedenmaakster.

moder: moeder.

modiest: modiste.

moer (mod.): kookketel, waterketel.

moer (murreke, moere) (orig.): wortel.

moef of mof (moeffe of moffe): want, handschoen voor duim apart en de vingers samen.

moel (muulke, moele): muil, bek.Hae heef 'm piefedepaaf ee g'n moel (Hij sloeg hem bam-bam op zijn bek).

moele: kletsen.

Moelege (moe): [loc.] Moelingen.

moelejaan: kletsmajoor.

moelejanes (moelejanese) (moe): kletsmajoor.

Moelinge: [loc.] Moelingen.

moenaezel (moe~naezel) (moe): [anim.] muilezel,  het jong van een ezelin, Equus assinus en een paardenhengst, Equus caballus.

moer (murke, mur of muur (muu/r)): muur.

moermele of moemele: ontevreden binnenmonds grommend protesteren.

moes (moe~s) (muuske, muis (mui/s)) (moe): [anim.] muis, Mus musculus.

moes (moe~s) (muuske, muus): [anim.] muis, Mus musculus.Wen's te te good bs, wes te van de muus opvraete (Als je te goed bent, word je door de muizen opgevreten).

moestasj: snor.fr: moustache

moetse : mokken, nukkig zijn, pruilen.

moetsjke: kalf, troetelnaam.Moetsjke, moetsjke. d, d, d! (Lokroep voor kalveren).

moew (muuwke, moewe): mouw.

moeze (moe~ze) (moesde, gemoesd): muizen, snuffelen.

mffele: gretig eten (mondvollen).

mgk (mgkske, mgke): mug.

ml: stof, aarde.du: Mll (afval).

ml (mod.): mol.

mllender: molenaar.

molmoes (mo/lmoe~s) (molmuuske, molmuus): [anim.] woelrat, Arvicola terrestris.

molt: houten kist waarin men het deeg kneed en bedekt met een vaatdoek laat rijzen.

mm: vermomd persoon.

mm lope: vermomd rondlopen.

momnt: moment.

mond (mndsje, mond): maand.Twei mond laej (Twee maanden geleden).

mond (mndsje): maan.D'r mond is roed (De maan is rood).

mondig: maandag.

monika: mondharmonika.

mood: moed.

moof: mauve.

mooj: modder.Die kreem is zich good an 't bajere in d'r mooj. Ze is nogal begaid (Die zeug is zich goed aan het baden in de modder. Ze is nogal vies).

moond: mond.

moondwerk: grote mond, kletsmajoor.

moonter: monter, gezond, fris, kiplekker, opgewekt.Hod dich moonter (Houd je goed, houd je gezond).

moor: [anim.] vrouwelijk huisdier,  "moeder", bijvoorbeeld konijn. hond.Oe vindt/heult d'r duvel z'n moor (Waar vindt/haalt de duivel zijn moeder, hoe komt zo'n lelijke man aan zo'n mooie vrouw) (moe)

moor: ketel.

moor: moer.

moorzellig: moederziel.Moorzellig alleng (Moederziel alleen).

moos: kool.

moostem of mostem (moe sgv): moestuin, groentetuin.

mp (mpke, mppe): mop, hond.Doe vieze mp (Jij viezerik!)

mordju: vloek.

Mores'nt: [loc.] Moresnet, tussen Bleiberg en Kelmis. N 50 43.272, E 5 59.378

mrge: morgen.

mrgeroed: morgenrood.

mortel (mod.): mortel, metselspecie.

mortie (mo/rtie) (orig.): mortel, metselspecie.

mortik: aapje, als men het lachend over een klein kind heeft.

msj (msje, msjke): mus, diverse soorten.Wie msje op 'ne haop terf (Als mussen op een berg tarwe, als de kippen er bij).

mosterd: mosterd.

Mot, de: [loc.] de mot.

mtsj: pet.

mtsj (mtsjke, mtsje): muts.Good gemtst (Goed gemutst).

motte (moes [conj 2: meus], gemotte): moeten.

motto (mo/tto): motor (tweewieler).a motto (orig.), mit d'r motto (mod.) (met de motor. Fr: en vlo).

m'sieu (orig.): meneer, mijnheer.fr: monsieur.

mule (muleke, mules): molen.

mugk (mugktsje, mugks): [botan.] lelietje-van-dalen, Convallaria majalis L.fr: muguet.

murg: murw.Iemes murg kriege (Iemand vermurwen).

muts (moe): muts.

muulke (moe-sgv): kusje.

n: [med.] hoesten.

naam (naemke, name): naam.

naamdaag of namesdaag: naamfeest.

naas (naze, naeske): neus.De naas nao (De neus na).Op 'n naas (Op de(!) neus).

naat: nacht.Gooi naat! (Goede nacht, welterusten). Deep ee g'n naat (Diep in de nacht).Al daag naat (Elke dag nacht, altijd miserie en ellende).

nach (sgv): nacht.

nachmis: nachtmis.

nachskleed (nachskldsje, nachskljer) (orig.): nachtjapon.

nae: neen.

naere (moe): gang of ruimte achter de voordeur.

naef (nfke, naeve): neef.Rechde naeve (moe) (Rechte, directe neven).

naegele (naegelde, genaegeld): nagelen, spijkeren.

naeme (mod.): nemen.

naeve of naeve: naast.

nagel (naegelke, naegel): spijker.

nagel (naegelke, naegel): teennagel, vingernagel.

nak: nek.du: nacken.

naksj of naks: naakt.

namelik: namelijk.

namme: eten (in babytaal).

nao: na.Km neet te nao (Kom niet te kortbij, nabij).

nao: naar.Nao gaen zie goe (Doodgaan, sterven).

naober: buurman.

naobermaan (sgv): buurman.Ich hb d'r hik - Ich hb d'r kik. Ich hb 'm noe - Ich hb 'm daan. Ich gief 'm aan - M'ne naobermaan.(Versje om van de hik af te komen).

naod (ndsje, nd): naad.

nao-de-noon of te-nao-de-noon: na de middag, in de namiddag, 's middags.Zoondig-te-nao-de-noon (Zondagnamiddag).

naoder: naderbij, dichterbij.

naop (naepke, naep) (moe): [anim.] aap. merkwaardige voorgevoegde n- van 'ne aop, die zelfs in het meervoud behouden blijft.

naot (ntsje, nt): noot.

ngetien: negentien.Ee ngetienhnderd en (In negentienhonderd zoveel).

ngetig: negentig.

nj: gierig.

nje: gierigaard.

naolaote (let nao, naogelaote): ophouden, stoppen, verminderen, beeindigen, stoppen met werk of bedrijf.du: nachlassen.Hae let sjtillekes nao (hij houdt er langzaam mee op).

naolaotig (orig.): nalatig.du: nachlssig.

nld (nldsje, nlde): naald.

nlekes (orig.) of nlig n~/lig): nauwelijks, op het randje.Hae haat mer nlekes gekeke (Hij heeft maar nauwelijks gekeken).Dat waor mer nlekes (Dat was maar op het randje).

naolessig (orig.): nalatig.du: nachlssig.

nlig: nauwelijks.

naonaam: bijnaam.

naovenant (1, o3, K-SL): navenant, naar gelang, in verhouding.Naovenant mit wae dat's te kals (Naargelang met wie je spreekt).Dat is naovenant (Dat is naargelang het uitkomt).

nat: nat.

nauweliks (mod.): nauwelijks.

navel (nvelke, navele): navel.

navelsjtrank: navelstreng.

nederlands: nederlands.

neer: laag. 'ne nere villo (Een lage fiets).

neer: neer.Laeg dat neer (Leg dat neer).

neer (neerke, nere): nier.

neerlaote: neerlaten.Lot de kaar neer (Kiep de slagkar neer).

neerstee (neerstngke, neerstng): niersteen.

nees (neeske, neester): nest.

neeste: niezen.

neet, ook verkort tot: 'nt : niet.Ich wt 't 'nt (Ik weet het niet).Hae zaat 'nt vl (Hij zei niet veel).Kan ich och 'nt vr (Kan ik ook niks aan doen).

nej: klinknagel of niet waarmee bv. lederen boekentassen , lederen of nylon paardenhalsters geniet worden.

nejje: nieten, klinknagelen.

Nelles: roepnaam Nelis van Kornelius, vaak in combinatie met scheldnamen, bijv. vrkesnelles, zeeknelles, noeknelles (noe/knelles).

neme, in aat: in acht nemen, oppassen.Neem dich in aat! (Pas goed op!)

nerf (nerfke, nerve of nerreve) (orig.): zenuw.

neume (neumde, geneumd of geneump): genoemd.

niegel (niegelke, niegele): onding, scheldwoord.Greune niegel (Magere, tengere deugniet).

nieme of niemes: niemand.

niene (niende, geniend): naaien.

niene of nieje (niende of niejde, geniend of geniejd): een wond hechten.

nienesje of niesje: naaister.

niere (sgv): gang of ruimte achter de voordeur.

nieste: niezen.

niet (nietsje, niete): nicht. 'n raete niet (Een directe nicht).

nietel (nietelke, nietele): brandnetel.

nieve (sgv): naast, neven.

niegel (niegelke, niegele) (moe): [anim.] egel, Erinaceus europaeus. Met merkwaardig voorgevoegde n-, van 'ne iegel, die zelfs in het meervoud behouden blijft.De Niegel (De egel, bijnaam van een vroegere kruidenierster in Moelingen. Omdat de kinderen in de winkel nergens aan mochten komen!)Niegelzaod (Egelzaad. Op 1 april werden kinderen gestuurd om een onsje niegelzaod te kopen. De Niegel, zich bewust van haar bijnaam, werd kwaad: "Wae haet dich gesjik?" riep ze dan).

niejaas (niejaa~s) (sgv): naaister.

nieje (nie~je) (niejde, geniejd) (sgv): naaien.

nieme of niemes: niemand.

nienane: slapen.

niep: scheldwoord, penis.

nieppe: nippen.

Niesse of Nieste: familienaam Nijssen.

niet (nie~t) (niete) (moe): neet.

nietsj (sgv): snel, vlug.

niks: niks.

ninne: drinken.

nirgele: herkauwen.

nirke of nerke: zeuren, zagen.

nis (niske, niste of nister): nest.

nisje en nog vaker nisjeke (sgv): Nichtje.

nitrat: ammoniumnitraat, meststof.

nivvel: nevel, mist.

njre (moe): gang.

njve  (moe): naast.

nodeedzju: in gods naam.saint nodeedzju! (vloek).

noe (noe~): nu, op dit ogenblik.

noed: nood.In d'r noed (In de nood).

Noerbik (sgv): [loc.] Noorbeek.

noets: nooit.

nogel (niegelke, niegel) (moe): nagel.

noekele: zuigen.

noeknelles (noe~knelles) (moe): zeveraar, zeurkous.

noemer: militaire dienstplicht.Vr zienge noemer goe (Voor zijn (dienst)nummer gaan, in militaire dienst gaan).

noemer (noemerke, noemere): nummer.

Norbrig, Norberg of Norbik: [loc.] Noorbeek.De grens tussen beek (bik) en bach (beg, brig) ligt ergens tussen teu en sgv.

noew (sgv): nieuw.

noews (sgv): nieuws.Wat noews ee Voere? (Welk nieuws in sgv?)

nog: nog.

nj (moe): nieuw.

njjernoets (sgv): ternauwernood.Ich weet 't njjernoets (Ik weet het ternauwernood, ik weet er feitelijk niet veel van af).

nldekes : nauwelijks.

non-de-dzjuke: vlinderdas.

nnnevot (nnnevtsje, nnnevotte): soort strikvormige beignet, meestal zonder fruitvulling, in deeg gedrenkt en dan gebakken in  frituurvet. Speciaal bij carnaval gegeten.

nnnevot (nnnevotte): nonnenvot, nonnenfort.

noon: middagmaaltijd, lunch.

noon: noen, middag.

noonsrs: middagdutje.

normaal: normaal, gewoon, gebruikelijk.

notisie: notitie.

nts: vies.Ntse priej! (Rotdier!)

nts of 'nnts: vies.Hae hat zich nts gemakt (Hij heeft zich vies gemaakt).

notse: nuttig zijn.

ntserik (moe): viezerik.

nudig: nodig.

nuge (moe-sgv): negen.Nugende (negende).

nuje (nuujde, genuujd) (orig.): uitnodigen.Oongenuujd is och debie (Er is iemand bij die niet is uitgenodigd).

nujegheed: nieuwigheid.

nujjaor, d'ne (moe): nieuwjaarsgeld.

Nujjeboow, op 'ne: [loc.] Neubau in Rem

nummer (mod.): nummer.

Nurep: [loc.] Nurop bij teu.

nurges: nergens.

nuuj: nieuw.

nuuj: volgende.Nuuj waek, jaor, kier (Volgende week, jaar, keer).

nuuj (orig.): benieuwd, nieuwsgierig.Noe bn ich 's nuuj (Nu ben ik benieuwd).

Nuujjaor: Nieuwjaar.Gelkzllig Nuujjaor, de vot vol haor, de nak vol nietele, da kns te dich 't gaans jaor kietele (Nieuwjaarsrijmpje uit Moelingen. Doch nietele zou oorspronkelijk niete (neten) zijn).

nuung: negen.

nuusjierig (mod.): nieuwsgierig.

nuutsj: nieuws.

nuutsj: nieuwsberichten, journaal.

obbenoews (sgv): opnieuw.

och: ook.

odder: leeftijd.D'r odder is dao (De leeftijd is er, men heeft er de leeftijd  voor).

oddesj (o/ddesj): ouders.

oe of oe: waar.du: wo.

oelie of oelje (sgv): olie.

oepe (sgv): open.

oer (uurke of ureke, oere): oor.Lts kries te ng an 'n oer (Dalijk krijg je een draai om je oren).Lts kries te d'r get um g'n oere (Dalijk krijg je een paar oorvijgen).Hae haat ng um g'n oere (Hij heeft teveel alcohol gedronken).Hae waor in 'n oer gesjaore (Hij zat met de gebakken peren).

oerbel (oerbelke, oerbelle): oorbel.

oerlg (mod.): oorlog.

oerwrm: oorwurm.

oes: onze.

oeste: oosten.

oets: ooit.

oeve (moe-sgv): oven.

oevesjuter (sgv): ovenschieter, broodsteek.

oeftie!: uitroep, amai, tjonge jonge.

oer: horloge, klok, uurwerk. 'n fieng oer (Een mooi horloge).Wie laat s 't op 'n gooj oer? (Hoe laat is het op een goed uurwerk?).Op 'n oer kieke (Op de horloge kijken).

oer: tijd.Wat oer is 't? 'n fieng oer vr nao heem te kaome! (Hoe laat is het? Een mooie tijd om naar huis te komen!)Op de oer kaome (Op tijd komen, klokslag).

oer (mod.): uur.

oet: uit. 't vuur is oet (Het vuur is uit).

oetblaoze: uitblazen.De laamp oetblaoze (De (petroleum) lamp uitblazen, na de wiek laaggedraaid te hebben).

oetbraeke (brook oet, oetgebraoke): uitbreken.

oetbreuje (breujde oet, oetgebreujd): uitbroeden.

oetdeenke (daach oet, oetgedaat): uitdenken.

oetdoe: uitdoen.

oetdoe: uitkleden.

oetdriene: uitdraaien.De laamp oetdriene (De (electrische) lamp uitdraaien).

oetdruge (druugde oet, oetgedruugd): uitdrogen.

Oetegroven (sgv): [loc.] Ottegraven te sgv, bij smv.

oeteree (oeteree~): uitelkaar, scheiden, uiteen.Die geunt oeteree (Die gaan scheiden).

oetgaank (oetgengske, oetgeng): uitgang.

oetgledse (gledste oet, oetgegledst) (moe): uitglijden.

oetgoe (goong oet, oetgegange) (orig.): naar buiten gaan.D'r op oetgoe (Uitgaan, stappen).Gaank oet, of korter: oet! (Ga naar buiten, of korter: d'ruit!)

oethange (hng oet, oetgehange): uithangen.Bs dich dao d'r groete / d'r Jaan gaon oethange? (Ben je daar de grote / de Jan gaan uithangen? Ben je je daar groter, rijker, sjieker gaan voordoen dan je bent?)

oethaole: iets of iemand uithalen, ophalen.

oethaot: lente, voorjaar.Ee g'n oethaot (In de lente).A g'n oethaot (In de lente, bij het begin van de lente).

oetheisje: bedelven met lelijke woorden.

oethsje: uitschelden, uitmaken, verwijten.

oethotte: bedingen.Hae haat zich oetgehotte dat 'n 't paed nog 'n waek dt broeke ((Bij de verkoop) heeft hij bedongen dat hij het paard nog een week mag gebruiken).

oethotte: uithouden, verdragen.Keuns te 't oethotte? (Kun je het uithouden? Tegen een luierik gezegd). 'ne miensj ka vl oethotte (Een mens kan veel verdragen).

oetjage: naar buiten jagen.Meester vr de kat oet te jage? ((Is die) baas om de kat naar buiten te jagen?)

oetkalle: beslissen.

oetkaome: uitbreken (vee), naar buiten komen.Km 'ns oet wen's te dsj (Kom eens naar buiten/uit je schuilplaats als je durft).Kums te oet nao de communie? (Kom je naar buiten na de communie?)

oetkaome: uitkomen.Da moos te och dre d'rvr oetkaome (Dan moet je ook durven er voor uit te komen).

oetkiek: uitkijk.Op d'r oetkiek sjtoe (Op de uitkijk staan).

oetkieke (kaek oet, oetgekaeke): uitkijken.

oetkietse: uitlachen, sliep uit doen.

oetlaje, (laajde oet, oetgelaaje): uitladen.

oetlaote (loot oet, oetgelaote): uitlaten.

oetlegk: uitleg.

oetlegke (lag oet, oetgelag): uitleggen.

oetmake: uitschelden, uitmaken, verwijten.

oetmergele (mergelde oet, oetgemergeld): uitmergelen, sterk vermageren.Die koo is gaans oetgemergeld (Die koe is helemaal uitgemergeld).

oetnudige (nudigde oet, oetgenudigd) (mod.): uitnodigen.

oetnudiging: uitnodiging.

oetnudige (nudigde oet, oetgenudigd): uitnodigen.

oetpreente (preente oet, oetgepreent): afdrukken, uitprinten.

oetrtsje (rtsjde oet, oetgertsjt): uitroetsjen, uitglijden.

oetsjievele (moe): uitglijden.

oetsjpraeke (sjprook oet, oetgesjpraoke): uitspreken.ich sjpraek oet, doe sjpriks oet, hae sjprikt oet

oetsjpraok: uitspraak.

oetsjproesje: uitproesten.

oetvinde (voond oet, oetvoonde): uitvinden.

oetzie (alleen t.t.): informatie vragen of verwachten.Wie ziet dat oet mit dich? (Komt er nog wat van?)Wie ziet 't oet mit 'm? (Hoe stelt hij het (als er veel kans is dat "het er slecht uitziet" met hem, dat hij het niet goed stelt).Ich weul 'ns wte wie 't oetziet (Ik wil eens weten hoe de zaken staan (als men gespannen wacht op een bekendwording).

oetzie (zoog oet, oetgezie): uitzien.

oevr: waarvoor.

of: of.

offergaank (sgv): offergang.Der offergaank waor es te um 't hoofaltaar gongs eum de pietsj te pune, altied met de hoeg daag: Peenkste, Paosje, Kjaasmis en nog aander, en ooch es 'n begreffenis waor. Da get me ten offere langs de liekkis en kriet me 'n aandnkbeelsje, me neet mie de pietsj pune.(in sgv: de offergang was als je om het hoofdaltaar ging om de pateen de kussen, altijd met de hoogdagen: Pinksteren, Pasen, Kerstmis en nog anderen, en ook als er een begrafenis was. Dan gaat men ten offere langs de lijkkist en krijgt men een bidprentje, maar niet meer de pateen kussen.)

offergaank (smv): offergang.in smv: De usjte kier dat 'n vrow boete kaam naodat ze e keend how kraege, gong ze nao g'n kirk. Dat hoosj "d'r offergaank". Dao waor de betekenis bie, dat de vrow da "onrein" waor, en moos "rein" gemakt waede.(in smv: de eerste keer dat een vrouw buiten kwam nadat ze een kind had gekregen, ging ze naar de kerk. Dat heette de offergang. Daar was de betekenis bij, dat de vrouw onrein was, en moest rein gemaakt worden.)

officieel: officieel.

ft: gedroogd fruit, ooft, in het bijzonder peren.

fte: Peren schillen, snijden en drogen.

ftevlaam of ftevlaai: vlaai gevuld met gedroogd fruit, bijv. paeresjpies en eiwit/eigeel.

okkaasje (sgv): gelegenheid.fr: occasion

lvend: [loc.] Ulvend.

omem: grootmoeder, oma.

one (orig.): zonder.du: ohne

onnuuzeler: onnozelaar.

ontsjmtte: ontsmetten.

oon (orig.): zonder.du: ohne

oonbelaef of oonbelaeft of oonbeleft: onbeleefd.

oonbesjoeft (sgv): onbeschoft.

oonbewus, oonbewuste: onbewust.

oondgd: ondeugd.

oondgd: ondeugd.

oondgender: deugniet.

oonde: onder.Oonden ee g'n dl (Beneden in de del).Gaans van oonde (Helemaal onderaan).

oondeep, oondepe: ondiep.

oonder of oonde: onder.Dat is oonder zich oet (Dat is een meisje of vrouw die van wanten en aanpakken weet).

oondera: onderaan.

oonderee (oonderee~): onderelkaar.Greun moos oonderee (Boerenkoolstamppot).

oonderns: opeens, plotseling, onverwacht.Oonderns hoed ich get (Opeens hoorde ik iets).

oonderhaand: onderhand.

oonderheng: onder handen, te doen.

oondersjeed: verschil, onderscheid.

oonderwiezeres: onderwijzeres, schooljuffrouw.

oongeraje (sgv): gebrekkig, ongelukkig, gehandicapt.du: gerade. 'n oongeraje keend (Een gebrekkig, gehandicapt kind).

oongeriejeerde (n'n-): iemand met een slordig uiterlijk.

oongesiefers (oongesie~fers): ongedierten, insekten.du: Ungeziefer.

oongevaer of oongevaer: ongeveer.

oongezie: ongezien, stiekem.

oonkroed: onkruid.

oonnt of oonntterd: viezerik, scheldwoord voor iemand die niets waard is.

oonthotte (ontheel, oonthotte): onthouden.

oonverwachs: onverwacht.

oor (urke, oor of ore) (orig.) (moe-sgv): uur.Viedel oor (kwartier).Dat doerde ore n'en ore (Dat duurde uren en uren).

oos: ons. 't oses ('t onze: Ons huis of zelfs het ouderlijk huis).

oos: os. 't keumt wie d'r oos de mlk (Het komt zoals bij(!) de os de melk, dus niet).

oos lievrouw (sgv): onze lieve vrouw.

op: naar boven.gaank nao g'ne zlder op (ga naar boven, de slaapverdieping).

op: op.Blome op 'n toffel, de kaetel sjtt op e vuur (Bloemen op de tafel, de ketel staat op het vuur).

op: open.de dr sjtt op, 't trkt zich (de deur staat open, het tocht).

opa: opa, grootvader.

opblieve: attent blijven, oppassen.Dao mos te bie opblieve (Daar moet je bij opletten).

opblieve: op blijven, niet naar bed gaan.

pdriene: opdraaien.Ich mt de oer pdriene (Ik moet de klok opdraaien).

opgekiept vel: schrijnende huid.

opgereeg: opgewonden.

opgoe (goong op, opgegange):  naar huis gaan.

opgoe (goong op, opgegange): naar boven gaan.

opgoe (goong op, opgegange): opgaan (in een groter geheel).

opgoe (goong op, opgegange): opslaan, omhoog gaan, duurder worden.De belastinge gunt op (De belastingen slaan op, gaan omhoog).

ophaeve of ophffe (heef op, opgehaove): opheffen, optillen.

ophotte (heel op, opgehotte): ophouden.

ophotte, zich: verblijven, omgaan met.Zich ophotte mit (Omgaan met).

opkaome: opkomen, opdraaien.du: geradestehen.Dao moos te vr opkaome (Daar moet je voor opkomen, opdraaien).

opkaome: rijzen.

oplaje, (laajde op, opgelaje): opladen.

oplaote (loot op, opgelaote): oplaten.

oplaote (loot op, opgelaote): voor de gek houden, in verlegenheid brengen.

opltte (mod.): letten op.

oplope (leep op, opgelope): opzwellen.[vet.] Opgelope ko (Opgezwollen koe, door trommelzucht, een sterke gasophoping in de pens door het eten van nat of bedauwd gras of klaver. Door de druk op de longen kan de koe stikken).

opnuuj: opnieuw.

oppedaod (orig.): zodadelijk."direk is sneller dan oppedaod, oppedaod sneller dan sjnak en dit laatste weer sneller dan lts. Lts is wel eerder dan sjtrak.

 

"

oppersj: boven.

oppersjer: hoger.

oprape: oprapen.

oprichte (rigde op, opgericht): oprichten.

oprume: opruimen.

opsjloe: opkiepen.Sjlooch de kaar op (Kiep de slagkar op). 't Haat de kaar opgesjlage (Ze heeft een miskraam gehad).

opsjloe: opslaan, duurder worden.De kinger sjlunt op (De kinderen worden duurder: in aanschaf).

opsjppe (mod.): opscheppen.

opsjpper (mod.): opschepper.

opsjrieve (sjraef op, opgesjraeve): schrijven.

opsjrift: opschrift.

optrkke (trk op, opgetrkke): bouwen.

optrkke (trk op, opgetrkke): optrekken.

optruuk: achteruit.Doe mos optruuk vare (Je moet achteruit rijden).

opvalle (veel op, opgevalle): opvallen.

opvraete (vroot op, opvraete (orig.) of opgevraete (mod.)): opvreten.Die ko haat de leier opvraete (Die koe heeft de ladder opgevreten, is zo mager dat je de ribben kunt tellen).

opwaeg: op komst.

opwassentig: opgroeiend.Opwassentig keender (Kinderen in de groei).

opwiekse (wieksde op, opgewieks) (moe): schoenen opblinken.

Opzinnig: [loc.] Obsinnich in Rem. N 50 44.533, E 5 53.413

organizaasje (organizaasjes): organisatie.

rrem: arm, zielig.

rremood of ermood: armoede.Dat liet vver g'n aed wie rremood (Dat ligt verspreid over de grond).

os (ske, s (~s)): os.

s, zze: onze.

Osems: familienaam Aussems.

sj: eerst.

sj: eerst.

sjte: eerste.

sjte: eerste.

Ostende: [loc.] Oostende.

Otiet: [med.] Middenoorontsteking, Otitis media.fr: Otite.

Ottegraove: [loc.] Ottegraven.

Ottegrove: [loc.] Ottegraven.

otto (o/tto): auto.an otto (orig.), mit d'r otto (mod.)met de auto (vgl. fr: en vlo)

ouw: oude.De ouw zunt heem (De ouders zijn thuis).

ouw : oud.Vertelsel: in de Kruisgraaf (sgv) kwam eens d'r ouwe Hoetersj in een feest terecht, allemaal mooie meisjes of jonge vrouwen, allemaal naakt, die samen dansten. D'r ouwe Hoetersj wist niet wat doen: rechtsomkeer maken of doorlopen? Zo'n "sjoen vrolluuj" had hij nog nooit gezien. Daarbij "naksj" ook nog. Op zeker moment bood een van die mooie meisjes hem een beker wijn aan: "nee merci", zie Hoeters, "ik drink geen wijn". Zij vleide zich tegen hem aan: "all Hoeters, we vieren feest, drink met ons mee". "Der ouwe Hoetersj" voelde zich wegsmelten (wie niet in 't zelfde geval?). Hij pakte de beker en zei toen: "all, in godsnaam dan" ... Maar plots waren alle geestende vrouwen verdwenen en Hoetersj stond nog alleen ... Met een koeieflat in zijn hand. (uit: Voerense sagen, legenden en andere vertelkselkes door Rob Brouwers in Koenwf nr. 7).

ouw (wke, ouwe): oog.Ee g'n ouwe (In de ogen).

Ouw Gemng, de, of de Ow Mng: [loc.] De oude Gemeente, Oostelijk deel van het Veursbos. N 50 44.491, E 5 50.977

ouwerwts: ouderwets.

ovvend: avond.

ovvendsjoel : avondschool.

vver: over.Dat liet vver g'n aed wie rremood (Dat ligt op de grond als armoede, dat ligt verspreid over de grond).

vveraal: overal.

vverdin: hooischuurverdieping, verdieping in hooizolder, verhoogd hooizoldergedeelte boven inrijpoort.

vverlicht: bovenlicht.

vvernaeme (naom vver, vvergenaome): overnemen.

vveroere: overuren.

vvesjte: bovenste zolder.Op 'n vvesjte (zlder) (Op de bovenste zolder).

vvesjte: bovenste. 't vvesjte bret (De bovenste plank (niet: van de bovenste plank).Dat loog 't vvesjte (Dat lag bovenaan, het bovenste).

vvesjte: leidinggevende, bevelvoerder.

zze: onze.

zzevader: onze vadergebed.

pa: vader.

paanjee: korf.fr: panier.

paans: pens, dikke buik.

paanspieng: penspijn, kolieken.

paar: paar.

paas (paeske, paes): pas.

paat: peettante, meter.

pachtes: pachthof.

pad (pedsje, padde) (mod.): pad, Bufo bufo.

paedshaam: paardenhaam.

paedsjtel (pae/dsjtel) (paedsjtelke, paedsjtel): paardenstal.

paedsoerel: [botan.] Ridderzuring, Rumex obtusifolius L.

paedssjtoets: paardenstaart.

paedswei: paardenwei.

paeper: peper.

paerd (pae~rd) of paed (pae~d) (pdsje, paerd (pae/rd) of paed (pae/d)): [anim.] paard, Equus caballus.

paesj: pers.

paesje (paesjde, gepaesjd): persen.

paetekeend: petekind.

paeter: peetoom.

paettaant: peettante, meter.

paer (paerke, paere): peer.

paeresjpies (pae~resjpie~s): vlaaivulling voor ftevlaam, gemaakt van gewelde droge peren door de passeviet.

paes: pees.

Page (Pa~ge) (moe): familienaam Paggen.

pajas: stromatras.fr: paillasse

pallt (palltsje) (sgv): veegblik.

palloks (pallokse): pallox, palletbox.

palto: zware winterjas.

pans (pa~ns) (moe): pens, dikke buik.

pans (pa~ns) (moe): veelvraat, iemand met grote eetlust.

pantoeffel (pantufelke, pantoeffele) (sgv): pantoffel.

pao: [anim.] pauw.

Paopelwieje, de: [loc.] In de Popelwieje, ten westen van de veldweg van Veurs naar de Tunnel. N 50 44.401, E 5 50.503

paor: prei.

paot (ptsje, paote): poort.Ee g'n paot (In de poort), onder g'n paot (Onder de poort).

paohaan: [anim.] pauwhaan.

paohoon: [anim.] pauwhen.

paol (plke, pl): paal.

paol (plke, paole) (sgv): paal.

paom (pmke, paome): [botan.] palmboompje, buxus.

Paomewieje, a: [loc.] Aan paumewieje, ten zuiden van de weg tussen Schilberg en Ulvend. N 50 45.642, E 5 50.084

paomsjtroek (pao~msjtroe~k) (paomsjtruukske, paomsjtruuk): palmboomstruik.Oonder g'n paomsjtruuk (Onder de palmboomstruiken).

paosjblm (paosjblmme): [botan.] Narcis, Narcissus pseudonarcissus L.

Paosje (Pao~sje of Pao/sje): Pasen.

paosjei (paosjeike, paosjeier): paaseieren.

pap: pap, voedsel bereid met zuivel.

pap, papa, pepa: vader.

paperasse: papieren, documenten, paperassen.

paprre: papieren, documenten, paperassen.

papier (paprke, paprre): vel papier.

papier (paperre) (moe): formulier, document. Hae zit in de paperre (Hij is documenten aan het ordenen).

papier (paperre) (moe): papier.

papier (papiereke, papirre): formulier, document.

papier (papiereke, papirre): papier.

pardessu: zware winterjas, overjas.

parochie (parochies): parochie.

parochieraod: parochieraad.

parrei (parrei/): gelijk, zie egaal.fr: pareil.

pase (paasde, gepaasd): opletten, uitloeren, opwachten (ook in de jacht).

pase (paasde, gepaasd): passen.

pasjens (pasje~ns) (moe): geduld.fr: patience.

pasjtoer (pasjturke, -s): pastoor.

passeviet: draaizeef.fr: passe-vite.

patries (patrie~s) (patrieze): [anim.] patrijs, veldhoen, Perdix perdix.

patsj: pet.

pattaklang: reutemeteut.D'r gaanse pattaklang (De hele reutemeteut).

pattaklang : hebben en houden, rommel.Dalik zt ich dich boete mit dienge gaanse pattaklang (Zodadelijk gooi ik je eruit met je hele hebben en houden).

pattiel: kom, pateel.

pauze: pauze.

pavi (orig.): beklinkerde oppervlakte, stoep.fr: pav. En: pavement. Nl:  plavuis.vver g'n pavi (over de stoep).

paveien (paveide, gepaveid): beklinkeren.

pazzevang (pazzeva/ng): document dat in de grensstreek, vlak na de WO2, toeliet om dieren te vervoeren buiten de zone.fr: pas-avant.

pechter: pachter.

peel: [botan.] Kweek, grassoort, Elymus repens L. Voedergras, maar lastig onkruid.

peen (pinneke, pinne): pin.

peenkslummel: een hovaardig iemand.

peenksterbloom (mod.): [botan.] Pinksterbloem, Cardamine pratensis L.

Peenkstere of Peenkste: Pinksteren.

peer (moe): pa. vader.

pees (pee~s): pis, plas, urine.

pees (peze): pees.[vet.] die koo haat de peze aaf (Die koe heeft de pezen af, de boer voelt bij de koe naar de staartpezen en als die verslappen is de kalving nakend).

peloes (peloe~s): gazon.fr: pelouse.

peltere (pe/ltere of pelte/re) (pelterde, gepelteerd): ketelmuziek vroeger als een vorm van volksgericht (van volksjustitie), in feite om "vergrijpen" tegen de normen van de gemeenschap aan te klagen. Bijv. bij een weduwe die hertrouwde of een jongen die bij een meisje was blijven slapen. Ook om de geest van de overledene te verdrijven.

pen: pen.

pensjoen (pensjoenke, pensjoene): pensioen.

permi: rijbewijs.fr: permis de conduire.

pertotal (orig.): onherstelbaar beschadigd, total-loss.fr: perte-totale.

pese (pe~se) (peesde, gepees): pissen.

psj (psjke, psje): perzik.fr: pche.

Psj, ee g'ne: [loc.] In de Pesch, ten westen van de veldweg van Veurs naar de Tunnel. N 50 44.419, E 5 50.516

peste (mod.): pesten, plagen.

petoet: gevangenis.

petrl: petroleum.

petrlslaamp: petroleumlamp.

peunt: punt.

peur (sgv): puur.

picuur (picuurke, picure): injectie, spuit.fr: picure.

pierd (moe): [anim.] paard, Equus caballus.

Pietres: Petrus.

Piezeke (sgv): [loc.] Pesaken, buurtschap bij Gulpen.

Piejkvotte (sgv): bepaalde gemeenschap in sgv met politieke kleur.

piekere (mod.): piekeren.

piel (pieleke, piele): pil.

piel (pielke, piele): batterij.fr: pille.De piele zunt plat (De batterijen zijn leeg).

piemel (piemelke, piemele): niet volwaardige.Greune piemel (Groene piemel. Met zinspeling op weinig vitale huidskleur of tengere bouw).

piemel (piemelke, piemele): penis.Has te 'ne nuje va Mastricht?  (Heb je een nieuwe in Maastricht gekocht? Gezegd tegen iemand die zijn hand in zijn broekzak heeft).

piemel (piemelke, piemele): vervelende druktemaker, rotzak.veldige piemel (Grote rotzak. Zeer verachtend, zonder werkelijk op veldigheed te doelen).Sjaele piemel (Schele rotzak, wat neutraler).Hot de moel, gekke piemel (Hou je bek, gekke piemel).

pieng of ping: pijn.

piep (pie~p) (piepke (pie/pke), piepe (pie~pe)): pijp.

piepe (pie~pe) (paep, gepaepe) (orig.): roken.Neet alling piepe me ch sigertte waorte gepaepe (Niet alleen pijpen maar ook sigaretten werden gerookt).

piepe (pie~pe) (piepde, gepiept): piepen.

Piepekop (Piepekp): Pijpenkop, bijnaam voor de mensen van Aubel.

pipel (pipelke, pipele) (orig.): vlinder.fr: papillon.

piepsj (piepsje): pups.

piepsj of piepsj (piepsjke, piepsje): oogvuil, gedroogd oogvocht in het hoekje van de ogen s morgens.

pierlasvot: scheldnaam.E-ze gek es pierlasvot (Zo gek als pierlasvot).

piesjamma (pie/sjamma) (piesjammake, piesjammas) (orig.): pijama.

piestol (pie~stol): broodje.

pietsj (sgv): pateen.

piezel (pie/zel): bullepees.

piezel (pie/zel): onooglijk kind, minderwaardig, onbeduidend persoon.Doe piezel (Jij minderwaardige).

piezele: aframmelen.Lap mich dat neet of doe kries piezele (Flik me dat niet of je krijgt slaag).

piezele (pienzelde, gepienzeld): verven, schilderen, penselen.

pijama (pijamake, pijamaas) (mod.): pijama.

pikbinger: pikbinder (zonder dorsen), voorloper van maaidorser.

pik (pi/k), ook pikk: jenever.merknaam: Peket.

pillaamp: zaklamp.

pimooj (pi~mooj) (moe): een lelijke, oudere vrouw die zich knapper en jonger wil voordoen met gebruik van make up en hippe kleding.waals: pimye (zwarte specht).

pin: pin.

Pinkesj: familienaam Pinckers.

"piosj (piosjke, piosje)

": pikhouweel.fr: pioche.

"piosje (piosjde, gepiosjd)

": grond los kappen met pikhouweel.

piramied (piramiedsje, piramiede): piramide.fr: pyramide.

piramied (piramiedsje, piramiede): [agrar.] laagstamboom van appel of peer, zo geheten omdat ze een piramidevorm hebben.Ich gaon de piramiede sjpte op de Bjanderroet (Ik ga de fruitplantage spuiten aan de Berneauweg).

pirrel (pirrelke, pirrele) (sgv): parel.

pitsjblaor: bloedblaar.

pitsje (pitsjde, gepitsj): [vet.] een hengst niet castreren maar de teelballen afknijpen zodat ze afsterven,verdrogen en nadien weggesneden worden.

pitsje (pitsjde, gepitsj): alcohol drinken.

pitsje (pitsjde, gepitsj): knijpen.

pitsje (pitsjde, gepitsj): pijn doen.

pitsjke: papierklemmetje, paperclip.

pitsjtang: nijptang.

pittelr: jacquet, pandjesjas.

pjaard (pjaa~rd) (sgv): [anim.] paard, Equus caballus.

pjase (pjaasde, gepjaasd) (sgv): persen.

Pjr (moe): roepnaam Pierre.

pjrd (pj/rd) (moe): [anim.] paard, Equus caballus.

Plaank, de ouw: [loc.] de oude Plank, waar het gehucht het eerst is onstaan, tussen de Eiken en de huidige Plank. N 50 45.054, E 5 50.416

Plaank, g'n of de: [loc.] de Plank of de Planck.Boileau, Armand 1971: p. 124: plaank, f., planche = mnl. planke, nld. plank, all. Planke, terme apparaissant frq. en top. ;passerelle, petit pont.Va g'n Plaank (Van de Plank).Op 'n Plaank (Op de Plank).vver g'n Plaank (Via de Plank).

plaant (plntsje, plaante): plant.

plaante (plaande, geplaant): planten.

plaarmoes of blaarmoes: [anim.] vleermuis, o.a. Myotis soorten.

plaat (plaa~t) (plate): nutteloze vrouw. 'n gekke plaat (scheldnaam). 'n erm plaat (Een zielige vrouw).

plaat (pltsje, plate): plaat.

plaatsj (plaatsje): betrekking, baan, job, werk.

plaatsj (plaatsje): plaats, ruimte, vertrek.De gooi plaatsj, de gooi kamer (De goede kamer, de beste kamer in huis die enkel bij familiebezoek en feestelijkheden gebruikt werd).Dr sjttelsdook liekt i g'n plaatsj (De vaatdoek ligt in de kamer).

plaatsje (plaatsjde, geplaatsj): plaatsen.

plaej: erf.

plaffong (pla/ffong): plafond.

plagke: plaggen.

plak: [med.] korst op de kin, impetigo.

plak: plaat (ijzer).

plak (plekske, plagke) (orig.): doek, hoofddoek, halsdoek.

plang (pla/ng): plan, bedoeling.Zienge plang trkke (zijn plan trekken, zich redeen, zich er doorheen slaan). Belgisch Frans: Tirer son plan.

Plankerveld: [loc.] de velden rond Schilberg. N 50 45.575, E 5 50.457

planne (plande, gepland): plannen maken, uitdenken, uitstippelen.en: to plan. vl: plannen.

plantaasj: [agrar.] plantage, laagstamaanplant.

plaoge (plaogde, geplogd) (mod.): pesten, plagen.

plastiek: plastic.

plastrong: stropdas.

plat: leeg.fr: plat.De piele zunt plat (De batterijen zijn leeg).

plat: plat.

plater: gipsverband.Mienge voot in d'r plater (Mijn voet in het gips).

Plats: suikerkoek, streekgerecht uit sgv.

plavi (orig.) (moe): beklinkerde oppervlakte, stoep.

pldde: plat stuk grond.

plei: plein.

plekke (plekde, geplekt): plakken.

plekmadamme: [botan.] klis of klit, Arctium soorten. De zaadbollen plakken aan de kleding.

plksel: plaksel.

plenne (plend, geplend) (mod.): plannen maken, uitdenken, uitstippelen.en: to plan.

plt (pltsje, pltter): veegblik.

pltske (pltskere): droog koekje.

Pley, d'r: [loc.] het dorpsplein in sgv. De plaats waar vroeger recht gesproken werd.nl: pleidooi.Op "d'r Pley" (voor de Frituur) sloeg eens een jongen een zwarte kat met een stovenijzer (pook) op haar snuit. Hij sloeg het arme beest een oog dicht. 's Anderendaags zag de jongen toen een vrouw op hem af komen met precies hetzelfde oog dicht.(uit: Voerense sagen, legenden en andere vertelkselkes door Rob Brouwers in Koenwf nr. 7).

plezeer: plezier.

plis (pliske, plisse): politieagent.

ploeje: plooien.

plkke (plkde, geplk): plukken.

ploog (pleugske, ploge): ploeg.

poebel (poebe/l): vuilbak.fr: poubelle.

poechelen: roepen, "hoe-oe" met een kopstem om het volk uit de wei te roepen, bijv. voor het eten.

poedding: pudding.

poedelen: wassen in kindertaal.

poes: poos, tijdje.

poes (poeze) (sgv): [med.] wee.

poet (putsje, poete) (sgv): poot.Hod de poete heem (Houd je poten thuis, blijf van me af).

poet (putsje, put, puj of poete): poot.Mieng keuj haant sjlaete puj (Mijne koeien hebben slechte poten).Has te de veer poete van die koo naogekaeke (Heb je de vier poten van die koe nagkeken, gecontroleerd).Hot dieng poete heem (nooit put of puj). De poete van 'ne sjtool (nooit puj). De poete van de kat of der hoond. De afdruk van de dierenpoten: Kiek, hie haat 't puj van 'ne hoond. Keuj hbbe puj (put) en de poete van die koo.

poejer: poeder.

poejer: buskruit.

poejerdoes: poederdoos.Da's 'n ow poejerdoes (Dat is een oude opgetutte, gepoederde vrouw).

poeliej : katrol.

poeliej : (houten) draaiwiel waarover de aandrijfriem loopt.

poen (poeneke, poene) (mod.): kus.

poep: poep.Dat keend haat poep ee g'ne baom (Dat kind heeft een volle broek).Dao is poep aa (Daar is een kwalijke of ongunstige zijde aan).

poep (puupke of puupke en puupkere [mv]): wind.

poep (puupke, poepe) (sgv): pop.

poepe (poede, gepoept): de geslachtsdaad stellen.

poepe (poede, gepoept): het stoppen van de openingen tussen de dakpannen met stropoppen. 'n Daak poepe (Een dak dichtstoppen).

poepe (poede, gepoept): poepen.Hae hat ee g'n brook gepoept (Hij heeft in de broek gedaan).

poeppelaer of poepelr (poeppelaerke, poeppelaere): [botan.] populier, Populus soorten.

poet (poe~t) (puutje, poete): kind.

poetes (orig.): bloedworst.

poetrel (poetrels): balkje, liggertje.fr: poutrelle

poetse (mod.): schoonmaken, poetsen.

pl (plke, plle): jonge kip. 'n fieng pl (`n mooi meisje).

polfer: buskruit.

polfergeld: werd huis-aan-huis opgehaald.

Polleskoel: Pauluskoel

plletiek: politiek.

pollevieje : hoge hakken

polliep (polliepe): [med.] poliep.

pommaad: zalf.

pompiersj (pompie/rsj): brandweer.fr: pompiers.

pompjee (pompjees): brandweerman.fr: pompier.

pool (peulke, peul): poel.

poomp (peumpke, poompe): pomp.

poond: pond.

Poontes, ee g'ne: [loc.] Pontus in Rem.

pp: pop.

poppelwiej (poppelwiejke, poppelwieje): [botan.] populier, Populus soorten.

portmon (portmon/) (portmonke, portmons) (orig.): beurs, portemonnee, portemonnaie.

pos: post.

pos: zenderkanaal op radio of tv.

pot (ptteke of ptsje, pt): pot.

potlaepel (po/~tlae/~pel): pollepel.

potloed (mod.): potlood.

pts (ptske): put.Piephenske waor in der pts gevalle, ringman trok hem d'roet, langmaan druugde n'm aaf, lekvinger makde d'r kaff, en d'r dikke oot alles op (Kinderverhaaltje over de 5 vingers van een hand).

ptteke: isolator voor schikdraad (porcelein).

ptteke (pttekes): porceleinen of plastic isolator voor schikdraad.

potverlos: verstoppertje met de mogelijkheid om de gevangenen te verlossen door tegen een pot te stampen.

Powles: roepnaam Paulus.

praam: dwangtuig om onwillig paard in bedwang te houden: stok met koord in lus die rond neuslip gedraaid wordt.

praam (prame): [anim.] brems, paardenvlieg, daas, steekvlieg, Regendaas (Haematopota pluvialis).

praedege (prae~dege) (praedegde, gepraedegd) (orig.): preken,du: predigen

praeke (praekte, gepraekt) (mod.): preken.

prakkezere (prakkezeerde, geprakkezeerd): prakkezeren, nadenken.

prame (praamde, gepraamd): spannen.Die brook is te ng, ze praamt (Die broek is te strak, ze spant).

prang (prengske, preng): stok, vluchtig uit de haag gekapte stok, een beetje krom en knopig of uit groen (vers) hout.Zjengkse zoot op e prengske. Prengske sjplaet en Zjengske draet (Jantje zat op een stokje. Stokje spleet en Jantje scheet. Kinderrijm, ook met plenkske ipv prengske, zie Zjeng).

pranjo, ee g'ne: [loc.] te Schophem.

praoper: proper.

prl: onkies minderwaardig volk.

prl: prul, onding, voorwerp van weinig waarde.

prat: modder. 't vrke liet in d'r prat (Het varken ligt in de modder).

pratsje (pratsjde, gepratsj): dikke materie ergens door of uit persen, prakken.Wie de kat waod platgevare zoogs te de drm d'r oet pratsje (Toen de kat werd platgereden zag je de darmen er uit geperst).

pratsje (pratsjde, gepratsj): modderen, knoeien, modder maken.

preens: prins.

preenseproklamaasje: carnavalsprinsuitroeping.

preenss: prinses.

preenter: printer.

prei (preike, preie) (moe): spotnaam voor iemand, (on)dier.

prengel: onwillig voorwerp of dier.Sjtieve prengel (Stijf ding).

prs (sgv): klaar.fr: prt.

prs (sgv): pers.

presseren (presseerde, gepresseerd): haasten.Bs te gepresseerd? (Ben je gehaast?)

prt: klaar.fr: prt.

preugel: slaag.du: Prgel.Preugel gaeve (Aframmelen).Preugel kriege (Een pak slaag krijgen).

preugele (preugelde, gepreugeld): slaan, slaag geven.du: prgeln.

preuve (mod.): proeven.

priej (priejke, prieje): kreng, kadaver.Ntse priej! Dieke priej! (rotdier! Dik mens of dier).Ze kaome de kaptte prieje ophaole (Ze (Rendac, Vilbeluik, het destructiebedrijf) komen de dode dieren ophalen.Marieke, aardig priejke.... (Troetelliedje).Dat is 'n priej (Dat is een mens (vaak 'n vrouw) met 'n slecht karakter).

priej (priejke, prieje): spotnaam voor iemand, (on)dier.

Priejekoele, ee g'n: [loc.] In de dierenkuilen, ten zuiden van Ulvend, ten oosten van d'r Zegel. Voor 1770 genaamd in de Peertskuil. N 50 45.398, E 5 49.895Misschien ooit plaats voor dode dieren te begraven.

priejetig: met een slecht karakter.Dat es 'ne priejetige dae.Dat is er een met een slecht karakter die.

priejetigheed: met een slecht karakter.Dat es loeter priejetigheed.Dat is louter vanuit een slecht karakter.

priem (priemke, prieme): premie.

pries (prie~s) (prieske (prie/ske), pries (prie/s)): prijs.Pries make (een prijsofferte maken).

pries (prieske, prieze): stopkontakt.fr: prise.Sjtaek de fiesj 'ns in de pries.Steek de stekker eens in het stopkontakt.

prizzong (prizzo/ng): gevangenis.fr: prison.

prces of perces: proces verbaal.

prces of perces: rechtzaak.

proem (proe/m) (pruumke, proeme): [botan.] Pruim, prunus soorten.

prfesser (prfesserke, prfessers): professor.

proffentere (proffente/re): vooruitgaan, groeien.

proffentere (proffente~re): profiteren.

proklamaasje: proklamatie, verkondiging, bekendmaking.

prommenere of pormenere (prommeneerde, geprommeneerd): wandelen, kuieren.fr: se promener.

proveens: provincie.

prutel (prutelke, prutele): ongewenste plooi, oneffenheid.prutele i g'n tapeetkleine ongewenste plooien  in het behang

prullezak (prullezekske, prullezek): afvalzak.

Pruses: Duitsland.In of op 't Pruses (In Duitsland).

pruuk (pruukske, pruke): pruik.

Pruus of Pruusj (Pruuske of Pruusjke, Pruse of Prusje): Duitser.

pune (pu~ne) (punde, gepund): zoenen, kussen.Huuj van d'r pun en d'r lek, mrge van d'r knppel (of kuul) en d'r sjtek (Vandaag is het zoenen en vrijen, morgen is het van de knuppel en de stok. Het jonge koppel is lief voor elkaar, maar eens getrouwd, kan het anders zijn).

pune (puunde, gepuund) (sgv): zoenen, kussen.

pungel: trekweegschaal.

pungel (pungelke, pungele): de zak waarin zitten: knapzak/boterhammen/lunch.

pungele (pungelde, gepungeld): zwaar en moeizaam dragen.

puur: overwegend, vooral.

puur: puur.

puutsj: pruilmond, onaangenaam gezicht. 'n Puutsj make (Een pruilmond trekken, minder goedmoedig).Die ow puutsj (Dat oud nors wijf).

puutsje: kussen.

Puuwke of Pwke (Puu/wke): Paulus.

raad (raedsje, raar/raajer): rad, wiel.Zoe gek wie e raad (Zo gek als een wiel).

raadgek: zo gek als een rad, als een wiel

raamp (raa~mp): laadklep, oprit, laadplatform.du: Rampe. Fr: rampe.

raansjele: woelen.

raar: zeldzaam

raasj: [med.] hondsdolheid, rabis of lyssa is een ernstige aandoening als gevolg van een infectie met het rabisvirus, meestal door een beet van een door rabis besmet dier (honden, vossen, vleermuizen). fr: rage.

rabietsig: ongedurig, wispelturig, kwajongesachtig

raclette: kaasfondue

rad: rad, wiel

radouw (oostelijker): lawaai, herrie, kabaal.du: Radau, waarschijnlijk klanknabootsend

rae: reden.

raechdr: rechtdoor

raechdoer: rechtdoor

raechs-in: rechts inslaan.

raechs-op: omhoog

raechs-um: rechts indraaien.

raeke (moe): rakelen, met een riek bewerken, een meidoornhaag schoonmaken om daarna te kunnen tuungen

raekene: rekenen

raekene op (mod.): rekenen op

raengele (rengelde, gerengeld) (moe): regenen.

raengelwater (moe): regenwater.

raet: gelijk.Doe has raet (Jij hebt gelijk).

raet: recht.

raetdr: rechtdoor.

raets-in: rechts inslaan.

raets-op: rechts omhoog.

raets-um: rechts indraaien.

raegebaog (raegebgske, raegebg): regenboog.

raeje (raejes): reden.

raekel: [anim.] rekel, mannetjeskonijn, reu.

raekel: scheldwoord, deugniet.

raen: regen.

raene (rende, gerend): regenen.

raenwater: regenwater.

raes-in: rechts inslaan.

raesj (sgv): hooischuur die van onder tot boven helemaal open is.

raes-op: rechts omhoog.

raes-um: rechts indraaien.

rake (rakde, gerakt): raken.Ich raak, doe raks, hae rakt (ra/kt).

rake, de (mv): verhemelte, gehemelte, palatum.gew. nl: de raak, (geen mv! klanknabootsende gevormd uit  een keelschrapend geluid). Niet als du: Rachen (keelholte. Gaumen is verhemelte).

rakt (raktte): racket, tennisracket.

raklt (rakltte): schrobschuiver.fr: raclette.

rakltte: fonduen.fr: raclette.

ralng (ralnge): verlengstuk, i.h.b. achteraan de bodem van een hooiwagen, om de haltte in te steken.fr: ralonge.

ram: volledig, helemaal.Ram nao de kloete  (helemaal kapot).

ramnt: lawaai.nl: ramenten/rementen.

ramnte: lawaai maken.nl: ramenten/rementen.

rammelaot: lange reeks woorden.De gaanse rammelaot (De hele opsomming, de hele reeks gebeden).

rammele (rammelde, gerammeld): rammelen.

ransel: tas, schooltas, wordt op de rug gedragen.

Raoj, op de: [loc.] bij St-Jans-Rade, St.-Jean-Sart.

raoje (raojde, geraoje) (moe sgv): advies geven.

raoje (raojde, geraoje) (moe sgv): raden.

raoje (raojde, geraone): advies geven.Dat es dich geraone (Dat is je geraden).

raoje (raojde, geraone): raden.

Raore: [loc.] Raeren.

raoze (rozde, gerost): kijven, schelden.Moot mama wir raoze (Moet moeder weer kijven).De mam rozde n'op 'm (Moeder schold op hem).

raoze (rozde, gerost): onrustig zijn.wat haad 'r te raoze?Wat hebben jullie het onrustig te maken.

raozeknukske : elleboogtopje, elektrisch knookje.

rzentig (sgv): razend boos, heel kwaad.

raozetig (rao/zetig): razend boos, heel kwaad.

raozetig (rao/zetig): heel erg, enorm, geweldig. Versterkend.Raozetig groet (Geweldig groot).

rapsjaal (moe): deugniet, kleine bandiet.

rat: [anim.] rat, Rattus soorten.

razele (razelde, gerazeld): bibberen.

recep: recept, voorschrift.

reclamaasje: klacht.

reclamere: klagen, klacht indienen.

reeg: door een koe naar paring verlangend, tochtig.

reek (reekske, reke): riek.

reem (reemke, reme): riem.Dooch dich 'ne reem um (Doe een (broek)riem aan).

reend (rinsje, ringer): [anim.] pink, eenjarig niet gedekt stuk rundvee. bet. verschoven t.o.v. nl. rund.De ringer zeunt oet! (De runderen zijn uitgebroken!)

reenk (ringske, ringe): ring.

rees: reis.

reestee (ree-sjtngke, ree-sjtng): reinsteen, eigendomsgrenssteen.

regisere: regiseren.

rei: rijdans.

reie: rijdansen, cramignon.

reigsjoon (reigsjeunke, reigsjoon of reigsjeun): zware hoge schoen met veters.

reigsjtievel (reigsjtievelke, reigsjtievele): zware hoge laars met veters.

reijere: rillen.

rejere (sgv): op orde brengen.

rejere (sgv): regeren, heersen. Huishouden.

rejere (sgv): toetakelen.Doe bs nogal gerejeerd (Jij bent nogal toegetakeld).

rjong (rjongs of rjonge): kastplank, winkelschap.fr: rayon.Oe likt dat getuug? Op d'r middelste van de driej rjongs! (Waar ligt dat gereedschap? Op de middelste van de drie schappen).

reklamaasje (reklamaasjes): reclamatie, klacht.

rekuup: (inhaal)vrije dag, recuperatie.

remmel (remmelke, remmele): rakker.

remmele (remmelde, geremmeld): [agrar.] als koeien in aanwezigheid van een bronstige koe zich bespringen.

remmele (remmelde, geremmeld): wild stoeien van kinderen.

remork (remrkske, remorke): aanhangwagen.fr: remorque.

reskere (reskeerd, gereskeerd): riskeren.

ressaor (ressaorke, ressaore): veer van vering.fr: ressort.

reste (mod.): resten.

restorao (restorao~) (restoraoke, restoraos): restaurant.

rts: rechts.

reub: spottend voor een slecht zak- of polshorloge.

reub (reupke, reube): [botan.] raap, Brassica rapa.

Reumers (moe): Familienaam Roemers.

reures: ongeveer.

reute (r2~te) (Schilberg): ravotten, stoeien.

reutele (reutelde, gereuteld): rochelen.

rezelta (rezelta/): resultaat.

reziger: reiziger.

reziger: vertegenwoordiger.

rezonnere : denken en praten, filosoferen , van gedachten wisselen.

richtig: juist, behoorlijk, goed.du: richtig.Dae tikt neet richtig! (Die heeft ze niet op 'n rijtje!)

riegol: sloot, gracht.fr: rigole.

riej: reep. 'n riej sjokolaat ('n reep chocolade).

riej: rij.

rieje: rijden.Op e paerd rieje (Op een paard rijden).Die ng ko riejt op die angere umdat ze reeg is (Die ene ko bespringt de andere omdat ze naar paring verlangt).

riejere, ouch rijere: op orde brengen.Rieejeer d'ch get (Maak je wat toonbaar).

riejere, ouch rijere: regeren, heersen.d'r fltte riejeert (Er heerst diarree). D'r hoesjert riejere (Het huishouden bestieren).

riek (rie~k): rijk.E riekt, 'ne rieke, 'n rieke (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

riekdom (rie~kdom): rijkdom.

rimersjdel: [loc.] remersdaal.

riensjtee (sgv): reinsteen, eigendomsgrenssteen.

riep (rie~p): rijp.

rieraank (rie~raank) (orig.): [botan.] bosrank, Clematis vitalba L.

ries (rie~s): rijst.

rieshaot: rijshout, dunne tak ter ondersteuning van de erwtengroei.

riete (rie~te) (raet, geraete): aframmelenDae kiet ze geraete (Die krijgt een aframmeling).

riete (rie~te) (raet, geraete): benadelen.Dae hat zich ing geraete (Die heeft zichzelf benadeeld). (zie: bezeke)

riete (rie~te) (raet, geraete): trekken.

riete (rie~te) (raet, geriete) (sgv): rijten, trekken, scheuren

riethamer (rie~thamer): zware hamer met steel van 1 m. om bijvoorbeeld boomstronken te splijten . 'ne kop wie 'ne riethamer (Een hoofd als een zware hamer. Een dik, groot hoofd, zware hoofdpijn of een kater).

riethaomer (rie~thaomer) (moe): zware hamer met steel van 1 m. om bijvoorbeeld boomstronken te splijten.

riezele: dwarrelen (sneeuw).du rieseln.

Rimmelsde, of Rimmelsder (orig.): [loc.] Remersdaal.

Rimmesjtel (mod.): [loc.] Remersdaal.

ringe (ringde, geringd): ringen. Van een ring voorzien, een ring in de neus doen bij zeugen tegen het wroeten, bij een stier om hem te beheersen en te leiden.

ringelatr: regeluurwerk, hanguurwerk, hangklok, zeer neuwkeurig lopende klok.

Risjbrig, op 'ne -: [loc.] Reesberg, oorspronkelijk Reersberg.

Rizzelder : [loc.] Rezerdl bij Veurs.

rizzeltaat: resultaat.

ro: roede.

Robbaer: roepnaam Robert.

rochele (rochelde, gerocheld): rochelen.

roebsj of roejebsj: [loc.] Roodbos, gehucht en bos tussen de Plank en Hagelstein.

roed (roeje): rood (rode).

Roeme: [loc.] Rome.Ieme Roeme laote zie (iemand Rome laten zien; grapje dat met kinderen wordt uitgehaald. Men plaatst de twee handpalmen op hun oren en tilt ze even van de grond.

roes (ruuske, roeze): roos, Rosa soorten.

Roezegaarde, ee g'ne -: [loc.] Rozengaerden in Rem.

roezekraans (roezekrenske, roezekraanse): rozenkrans.

roezesjtroek (roezesjtroe~k) (roezesjtruukske ((roezesjtruu/kske), roezesjtruuk (roezesjtruu~k)): rozenstruik.

roef-roef-roef: ruw, slordig en snel werkzaamheden verrichten.

roej kroot (orig.): rode biet.

Roej Wei: [loc.] het voormalige Hof Ten Droyen in moe.

roelekeboel (moe): caroussel.

Roemele (sgv): bepaalde gemeenschap in sgv met politieke kleur.

roen: ruin.

roepsj (roe/ps) (roepsjke, roepsje): rups.

roet (roe~t) (ruutsje, roete): ruit, raam, venster.

roetsj (roetsjke, roetsje) (sgv): glijbaan op ijs.

roetsje (roetsjde, geroetsj) (moe sgv): glijden.Viva roetsj, v'r zaten op 'n koetsj. V'r zaten op d'r iezereweeg, viva roetsj! (Volksliedje).

rgkesjtrank: ruggengraat.

rk (rkske, rgke): rug.

rok (rkske, rk) (mod.): rok.

rke (rkde gerkt) (mod.): roken.ich raok, doe rks, hae rkt.

rolsjaats (rolsjaatse): rolschaats.

rolsjtool (rolsjteulke, rolsjteul): rolstoel.

rooj (-ke, roos): roede.

room : room.

roond (roo~nd): rond.E roond, 'ne rnne, 'n rn (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

roondgoe: rondgaan.

roondgoe (gng roond, roondgegange): voor een goed doel de huizen aflopen, collecteren.

roonke: snurken.

rope (reep, gerope): roepen.

rope (reep, gerope): uitnodigen voor een familiefeest.De taante en de noonke rope (De tantes en de omes op een familiefeest uitnodigen).

rpsj (rpsjke, rpsje): boer, oprisping. 'ne rpsj laote (Een boer, oprisping laten).

rpsje (rpsjde, gerpsjd): oprispen.

rs: rust.Mt rs laote (mod.) (Met rust laten).

roste (ro~ste) (rosde, geros): roesten.

Roth, ee g'n: [loc.] Roth, boerderij (met de oudste waterput van de streek) ten oosten van kasteel Magis. N 50 43.04, E 5 50.794

rtsjbaan: glijbaan.

rtsje (rtsjde, gertsjt): roetsjen, glijden.

row: rust.du: ruhe

ruiig: rustig, stil.du: ruhig.Hod dich ruiig (Hou je rustig).

ruizing (moe): ruzie.

ruke (raok of ruukde, geraoke): ruiken.

rul: rul.

Rule: [loc.] Rullen in spv.

rule (ruulde, geruuld) (mod.): ruilen.

rumatiek: reuma.

runne (runde, gerund): lekken.D'r tob runt (De emmer lekt).Keend, doe runs (Kind, je plast in je broek).

Ruumer, d'r: Familienaam Roemers.

ruuksel: parfum.

ruumsje naot (nao//t)  (ruumsje nt): [botan.] Tamme hazelnoot, dikker en langwerpiger dan de wilde, en met een zachtere schaal. In groene en rode cultivars.

ruzele (ruzelde, geruzeld): ruien, bloesem, naalden of haren verliezen.

ruzie (ru~zie): ruzie.

saantepetiek (saantepetie/k): santekraam.De gaanse santepatiek (De hele santekraam, alles bijelkjaar).

saent (saente): cent.

saer: sedert.

sajel: traag iemand, treuzelaar, drentelaar.

sajele: drentelen, treuzelen.

sakosj (sako/sj) (sakosjke, sakozzje) (orig.): handtas.fr: sacoche.

sallpt (sallptsje, sallptte) (orig.): overal, werkkledij.fr: salopette.

sang (sange): geld, muntstuk.Vl sange ha (Veel geld hebben).Voof sang of saent ( 10 centiemen, een herinnering aan de oorspronkelijke wisselkoers 1 Gulden = 2 Belgische Franks. - Kort vr 1940 stond de Gulden aan 16 Fr.)

saot: soort.

Saoskulot (saoskulotte): Sansculotte, spotnaam voor de Franse soldaten uit de tijd van de Eerste Republiek.Van de saoskulotte doed gesjaote waode (Door de sansculottes dood geschoten).

sapperlipoppet: sapperloot.

Seenterklaos: Sint Nicolaas, Sinterklaas."Seenterklaos is keukskes aan 't bakke (Sinterklaas is koekjes aan 't bakken. Als in de herfst de hemelhorizon 's avonds rood kleurt bij ondergaande zon).

"

seffes: straks, weldra, spoedig, binnenkort.

seffes: zodadelijk.

selver: zelf.

semmelig: tamelijk.

Sens, aan de (moe): [loc.] aan de Sens in moe.

serel (sere/l): [botan.] Ridderzuring, Rumex obtusifolius L.

sstig: zestig.

Siekatrien (moe): Sint Katharina, 25 november. Tijdstip voor het planten en uitdoen van bomen, het slachten van varkens.

sigrtteblaedsje (moe): vloeitje.

sikkretaer: secretaris.

silo: ingekuild veevoer.Silo make (Gras of mas inkuilen).

silo (siloke, siloos): silo, graanhouder.

sint-jansbloom (orig.): [botan.] margriet, Leucanthemum vulgare Lam.

sirkelaasje: circulatie.

sja: schade.

sjaafsjpiene: schaafsel.

sjaal (mod.): sjaal, hoofddoek, halsdoek.

sjaank (sjaa~nk), of sjaenk: sliert walm die de wiek van een petrlslaamp afgaf op plaatsen waar die niet horizontaal was - wiek moest direkt gelijk gemaakt worden - met de schaar of met een gloeiend sjtaoveniezer.

sjaans: schans, hellend vlak, lanceerhelling.

sjaans: sjans.

sjaans (sjenske, sjaanse): takkenbos.

Sjaans, a g'n: [loc.] de Schans (moe).

sjaap (sjepke (e3, K-SLE), sjaper) (orig.): kast.nl: schab.

sjaarsj: ouderwets scheermes met handvat.

sjaats (sjaatse): schaats.

sjaatse (sjaatsde, gesjaats): schaatsen.

"sjabrang

": stijl, kozijn.fr: chambranle.Sjabrang van 'n dr (Deurstijl).

sjaepe (sjaepeke, sjaepene): schepen, wethouder.

sjael (sjae~l): scheel.Sjaele kal, sjaele zever (Dronkemanspraat).

sjaele (sjaelde, gesjeld): schelen, uitmaken.

sjaem (sjae~m): schaduw.

sjaere (sjaerde, gesjaore): scheren.

sjaerpe (sgv): slijpen met een "haarpeen".

sjaever: leisteen.

sjaggenere: afzien, hard werken.

sjaisegaal: om het even.du: scheiss egal.

sjakt : jacquet, pandjesjas.

sjallot (sjalltsje, sjallotte): sjalot.

sjalot: ui.

sjalumoo: brander.fr: Chalumeau.

sjamesjaard (sgv): schandalig.du: schmenswrdig.

sjampeljong (sjampeljonge): [botan.] weidechampignon, Agaricus campestris en geteelde soorten.

sjampeljong (sjampeljonge): paddestoel in het algemeen.

sjampt (sjamp/t): veldwachter.

Sjan: roepnaam Jeanne.

sjan of sjande: schande.Vl sjande make (Veel verkwisten).

sjanneg make: verspillen.

sjaol (moe): school.

sjaol (sjlke, sjaole): schaal.

sjaop (sjpke [mv: -s of -re], sjp): schaap.

sjaopanj (sjao~panj): champagne.

sjaopevl: schapenvel, schapenvacht waarop de meeste babies in hun blootje gefotografeerd werden.

sjaor (sjaore): oogstgang, snede.

sjr (sjrke, sjre): scheur.

sjre (sjrde, gesjrd): scheuren.

sjaorsjt: schouw, schoorsteen.

sjaos: geluk, buitenkans.fr: chance.

sjaot (sjaote) (orig.): schuld.

sjapo: onderhands geld.fr: chapeau.Sjapo betale (Onderhands geld betalen, om pacht over te nemen).

sjare: schrapen.Biejee sjare (Bijelkaar schrapen).

sjarneer (sjarneerke, sjarnere): scharnier.

sjartel (sjartelke, sjartelle): kousenband.fr: jarretelle.

sjas (orig.): stortbak.

sjatter (sgv): schatter, waardebepaler.

sjave (sjaafde, gesjaafd): schaven.

sjavriek (sjavrie/k) (moe): ijsbaan.

sjavrieke (sjavrie/ke) (moe): glijden op de ijsbaan.

sjeed: scheiding, grens, einde.Op 't sjeed (Op het einde).

sjeef, of sjeef: scheef.E sjft, 'ne sjeve, 'n sjeef (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

Sjeel (moe): roepnaam Michel.

sjeenk (sjeenkske, sjeenke): ham.

sjeep (sjipke, sjeper): schip, boot.

sjegk (mod.): tabak, shag.

sjei: brillekoker.nl: schede.

sjei: haarscheiding.

sjeie (sjeide, gescheie): scheiden.

sjeigel: haarscheiding.

sjeiing: scheiding.

sjk: cheque.

sjl (sjlke, sjlle): schil.

sjlle: schillen.

sjelle (sjelde, gesjeld) (orig.): bellen, aanbellen.

sjelm (sjelme): schelm.

sjempe: plagen, pesten.

sjnge (moe): schijnen.Sjnges (naar 't schijnt).

sjerp: scherp.[vet.] 'n ko mit 't sjerp (Een koe met het scherp, een koe die een scherp voorwerp (nagel of prikkeldraad) in de pens heeft).

sjerp: lonkend.E sjerpt, 'ne sjerpe, 'n sjerpe (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

sjerp (sjerpke, sjerpe): sjaal. 'n getrikoteerde sjerp (Een gebreide sjaal).

sjerpe (sjerpde, gesjerpt): slijpen, scherper maken.

sjete (sjaot, gesjaote): schieten.

sjeur (moe): schuur.

sjeurket (sgv): onderrok. 't sjeurket keumt dich oet! (Je onderrok komt eruit!)

sjiep (sjiepke, sjieper): schip, boot.

sjiepebaenkskes (sgv): Schepenbankjes. In sgv heten zo de banken, achteraan in de kerk.

sjieper: herder, schaper.

sjier (sjierke, sjiere): libelle.

sjier (sjierke, sjiere): schaar.

sjieresjliep (sjie/resjlie~p): scharesliep, scharenslijper.

sjiete (sjaot, gesjaote): schieten.

sjietwrm (sjietwrm): [anim.] zilvervisje, Lepisma saccharina.

sjief (sjie~f) (sjiefke, sjieve): schijf.

sjiek: sjiek.fr: chic.

sjiek (sjiekske, sjieke): pruimtabak, tabakspruim.

sjiek (sjiekske, sjieke): snoepje.fr: chique (pruimtabak, kauwgom). Komt van lat: ciccus, vlies rond de granaatappelpit. Geen voor de hand liggend verband te zien met sjieklt/chicle.

sjieke (sjiekde, gesjiek): tabak pruimen.

sjieklt (sjie/klt): kauwgom.merknaam Chiclets chewing gum sinds 1906, gemaakt door Cadbury Adams. De naam Chiclets is afgeleid van het spaanse chicle, de natuurlijke gom uit een tropische, altijd groene boom, de Manilkara chicle.Chicle komt van het Nahuatl (Azteeks) woord voor gum, tziktli, dat plakkerig spul betekent. Het gebruik van deze natuurlijke gom is sterk afgenomen, sinds in de jaren 1960 butadieen-gebaseerde synthetische rubber, die goedkoper is, de chicle vervangt.

sjien (sjie~n): schijn.

sjienaos: deugniet, rotzak.

sjienge: schijnen. 't schienges (sgv) (Naar het schijnt).

Sjiengs of Sjiens: familienaam Schijns.

sjieps: chips.

sjiesj: wedden datfr: chiche.Sjiesj dat ste dat neet drs! (Wedden dat je dat niet durft!)

sjiet (sjie~t): schijt.

sjietbsj: hoger gras waar de koeien niet grazen... rond de koeienvlaaien. Daarom werden paarden of schapen bij  of na koeien als begrazer van dit gras gebruikt.

sjiete (sjie~te) (sjaet, gesjaete): schijten.

Sjietekamer (Sjie~tekamer) (sgv): [loc.] in sgv, nu dr. Goffinstraat.G'n Sjietekamer op.

sjieterie (sjieterieke, sjieterieje): flauwigheid, kleinigheid, onnozelheid.

sjietes: schijthuis, toilet, wc

sjievele (sjie~vele) (moe): glijden.

sjievele (sjie~vele) (moe): sterven, eufemistisch.

sjikke (sjikde, gesjik): goed ontwikkelen, goed groeien.

sjikke (sjikde, gesjik) (orig.): sturen, zenden.du: schicken.

sjikoree (sjikoree~) (orig.): [botan.] witlof, chichorei.

Sjilberg of Sjilbrig, op 'e: [loc.] Schilberg bij de Plank. In 1770 genaamd op Beschilberg. N 50 45.892, E 5 50.668

sjilder: schilder.

sjilderie (sjilderieke, sjilderieje): schilderij.

Sjillings: familienaam Schillings.

sjinaos : scheldnaam.du: Schindaas (kreng, dood dier) uit schinden = villen (en: skin) en aas.

sjip (sjipke, sjipper): schip, boot.

sjipot (sjipo/t): onhandige, onkundige, twijfelaarster, treuzelaarster.

sjipotr (sjipot/r): onhandige, onkundige, twijfelaar, treuzelaar.

sjipotere (sjipote/re): onhandig traag werken, knutselen, werk vertragen door onkunde of slechte aanpak.Wat bs te toch aan't sjipotere (Wat ben je toch onhandig bezig).

sjipotere (sjipote/re): twijfelen, aarzelen, treuzelen met beslissen.fr: chipoter.Doe sjipoteers neet (Jij aarzelt niet).

sjittere (sjitterde, gesjitterd): schitteren.

sjlaag (slaegske, sjlaeg): slag, klap. 'ne sjlaag zegk ich dich! (Een klap van heb ik jou daar!)

sjlaagkaar: slagkar, kiepkar.

sjlaai (mod.): sla.

sjlaaj (sgv): sla, salade.

sjlaam (sjlaa~m): dik vloeibare brandstof op basis van kolengruis - zakelijk verwant met briektte.

sjlaat (orig.): sla.

sjlabber (sjlabberke, sjlabbers) (mod.): slabber, slabbetje.

sjlachte (slachde, geslach) (mod.): slachten.

sjlachtes: slachthuis.

sjlaet: slecht.Sjlaete luuj geet 't ummertoe good. Op de vraog: Wie geet 't? (Slechte mensen gaat het altijd goed. Als antwoord op de vraag: Hoe gaat het?)

sjlaeg (sgv): slaag.Sjlaeg kriege (Slaag krijgen).

sjlakke: [agrar.] thomasslakken, milieuvriendelijke meststof.

sjlam: kolenslik, goedkope brandstof van kolengruis.

sjlambak: bak naast de haard met sjlam, kolenslik.

sjlang (sjlengske, sjlange) (mod.): slang (rubber).

sjlaot (sjltsje of sjletsje, sjlaoter): deurslot.

sjltel (sjltelke, sjltele): sleutel.

sjlnder: vechtersbaas.

sjlaope (sjleep, geslaope): slapen.doe sjlieps, hae sjlpt.

sjlaope (sjleep, geslaope) (moe): slapen.Hae sjliept.

sjlauw: sluw, slim.du: schlau.

sjlavrik (sgv): ijsbaan.

sjlavrikke: glijden op de ijsbaan.

sjlch (moe-sgv): slecht.

sjlchte: slechte.Dat zunt de sjlchte (Dat zijn de slechte. gezegd van personages in de film, de bandieten tegenover de helden. Die noemt men dan de gj).

sjlchter (sjlchterke, sjlchters): slager.

sjlchterie (sjlchterieke, sjlchterie): slagerij.

sjli (sjlike, sjlije): slee.

sjlije (sjlijde gesjlijd): sleen.

sjleip: sleep.

sjlek (sjle~k): [vet.] tussenklauwontsteking met manken van de koe tot gevolg.Onder de dikke poot moest een stuk graszode uitgestoken worden. Die moest in de haag te drogen gehangen worden, dan was de koe genezen. Maar volgens veearts Jaak Nijssen werken antibiotica ook.

sjlek (sjlekske, sjlekke): [anim.] slak.

sjlm (orig.): slecht.du: schlim.

Sjlennig: [loc.] Slenaken.

sjlepe (sjlpde, gesjlpd): slepen.Flatte sjlepe (koeienvlaaien in de wei machinaal spreiden met traktor en sleep).Sjlepe met 'n kaat (Slepen met een speelkaart, een verwachte speelkaart nog niet opgooien).

sjlete (sjlaot, gesjlaote): sluiten.Ich sjleet, doe sjluuts, hae sjluut.

sjlie: sleeuw.Sjlie teng (sleeuwe tanden, het ruwe gevoel aan je tanden nadat je iets zuurs gegeten hebt, bijvoorbeeld rabarber, spinazie of sleedoornbessen die hun naam hieraan ontlenen).

sjliekriek (sjliekriekske, sjliekrieke): [botan.] sleedoornbes, Prunus spinosa.en: sloe. nl: sleeuw.

sjlieproem (sjliepruumke, sjlieproeme) (sgv): [botan.] sleedoornbes, Prunus spinosa.en: sloe. nl: sleeuw.

sjliep, de: de messenslijper.Woonde in SGV aan de Lieng in een keet (aan kruispunt tussen berneauweg en weg op moelingen).

sjliepe (gesjliepe) (sgv): slijpen.

sjliepe (sjlie~pe) (sjlaep, geslaepe): ijsbaantje glijden.

sjliepe (sjlie~pe) (sjlaep, geslaepe): slijpen.

sjlipjas: jacquet, pandjesjas.

sjloeb of sjloef (sjluubke, sjloebe): pantoffel.

sjloech (sjloe~ch) (sjluukske, sjluuch) (orig.): slang, rubber of plastic flexibele buis.du: schlauch.

sjloej : vuile vrouw, een slons

sjloek (sjloe/k) (sjluukske, sjluuk): slok

sjloek (sjloe~k) (sjluukske, sjluuk): slang, rubber of plastic flexibele buis.du: schlauch.

sjloeke (sjloe/ke): met grote happen, gulzig eten of drinken

sjloont (orig.): laagte in het terrein.du: Schlund

sjloop (sjlope): kussensloop

sjlot: slot, einde

sjlutel (sjlutelke, sjlutele) (sgv): sleutel

sjmaak: smaak.

sjmaal: smal.E sjmaalt, 'ne smale, 'n sjmaal (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

sjmaal: mager, arm.Die hant 't sjmaal (Die hebben het smal, hebben het niet breed, zijn arm).

sjmaere (sjmaerde, gesjmaerd): smeren.

sjmaerig of sjmaeretig: gemeen.

sjmaerig of sjmaeretig: smerig.

Sjmaets: familienaam Smeets.

Sjmaets: familienaam Smeets.

sjmak: smak.

sjmaok (moe): smaak.

sjmaot: smout, reuzel, vet.

sjmd (moe): smid.

sjmeed: smid.

sjmeediezer: smeedijzer.

sjmeer: smeer, vet.

sjmeer: zalf, crme.

sjmid: smid.

Sjmid, a g'n ouw: [loc.] Smidt in Rem.

sjmiddigs: na de middag, in de namiddag, 's middags.

sjmied: smid.

sjmieze (sjmie~ze) ('t sjmiesde, gesjmiesd): motregenen.

sjmik (sjmikske, sjmikke): zweep van voerman.Mit de sjmik (Met de zweep).

sjmoekele: smokkelen.

sjnaachs:  's nachts.

sjnak (orig.): zodirekt, dadelijk.

Sjnaosbrig (Sjnao/~sbrig): [loc.] Snauwenberg in sgv.

sjnappe (sjnabde, gesjnap) (orig.): vangen, snel en onverwacht pakken.du: schnappen.

sjnappe (sjnapte, gesjnapt) (mod.): snappen, begrijpen.

sjnaps: jenever.

sjneerke (sneerkde, gesjneerk): schroeien.

sjneider (moe): kleermaker.

sjnel (sjneller, sjnelst): snel.

sjnie (moe): sneeuw.

sjnieappel, of sjlieappel (sjnieppelke, sjnieappele): sneeuwappel, oogstappel, Yellow Transparant, Transparente Blanche, pomme daot.nl: sleeuw.

sjnieder: kleermaker.

sjnie: sneeuw.

sjniemaan (sjniemenneke, sjniemen): sneeuwpop.

sjnieje (sjnaej, gesjnaoje) (sgv): snijden.

sjnieje (sjnooj, gesjnoje): [vet.] castreren.

sjnieje (sjnooj, gesjnoje): snijden.Hae sjniet.

sjnieje ('t sjniejde, 't haat gesjniejd): sneeuwen.

sjnoep: verkoudheid.

sjnoetse: snoepen, snuisteren.

sjnoeve (sjnoefde, gesjnoefd): snuiven, snuiten.Sjnoef rot (Vermolmd en rot, bijv. door houtworm).

Sjnook: familienaam Snoeck.

sjnoondigs: `s middags.

sjntsriep: overrijp.

sjnute: snuiten.De naas sjnute (De neus snuiten).

sjnutesplak (sjnutesplkske, sjnutesplk) (orig.): zakdoek.

sjnuuts: snoep.

sjnuutse: snoepen.

sjob (sjobbe): schuurtje, bergplaats, stalletje.Ate ge sjob (Achter het schuurtje).

sjddele (sjddelde, gesjddeld): schudden.Hae sjd.

sjddele, zich (sjddelde zich, zich gesjddeld): gruwen, een hekel hebben aan, grote afkeer hebben van.

sjoe (sjoe~): lelijk.

sjoe, 'n (sjoe/):  'n lelijke.

sjoebbe: kijven.

sjoel (sjuulke, sjoele): school.

sjoelmeester: schoolmeester, leraar.

sjoen (sgv): mooi.

sjoet: schoot.Op 'ne sjoet (Op schoot).

sjoetel: schotel.

sjoetere: huiveringen, rillingen.

sjoefele: schoffelen.

sjoeflr: bloemkool.fr: choufleur.

sjoefte: hard werken.

sjoekel (sgv): schommel.

sjoekelaat: chocolade. 'n riej sjoekelaat (een reep chocolade).

sjoekelaat (orig.): chocolademelk.Sjoekelaat make (Chocolademelk maken van cacao en melk).

sjoekele (sjoekelde, gesjoekeld) (sgv): schudden, schommelen.

sjoel (sjoe~l) (sjuulke, sjoele): regenbui.du: Schauer

sjoele (sjoe~le) (sjoelde, gesjoeld): schuilen.

sjoem (sjoe~m) (sjuumke): schuim.

sjoemwien (sjoe~mwie~n): schuimwijn, cider.

sjoen (moe): mooi.

sjoenkele (sjoenkelde, gesjoenkeld): de mensen in een rij arm in arm inhaken en het bovenlichaam heen en weer bewegen op de maat van de muziek.du: schunkeln.

sjoere (sjoerde, gesjoerd): schuren.

sjoere, zich (sjoerde zich, zich gesjoerd): zijn plicht verzaken

sjoerpapier: schuurpapier.

sjoes (sjoe/s): Bier met een scheut donker bier, niet zoveel als bij een halfom.du: Schuss.

sjoester (sjoe~ster): schoenmaker.

sjotel (moe): schotel.

sjoetering (sjoeteringe) (moe): rilling.

sjets: rok.Keend, wat hings te toch mer aan mieng sjetse (Kind, wat hang je toch aan mijn rokken).

sjoew: schuw.

sjof: schoof.

sjof of sjoof: baar.Op ge sjoof liegke (Opgebaard liggen).

sjofaasj (sjofaa~sj): (centrale) verwarming.fr: chauffage.

sjofr (sjo~fr): chauffeur, bestuurder.

sjokkel: schommel.

sjokkelbaj: schommelpaard.

sjokkele (sjokkelde, gesjokkeld): schudden, schommelen.

sjokko: chocopasta. 'n botram mit sjokko (Een boterham met chocopasta).

sjl (sjlke, sjlle): schil.

sjld (sj~ld)  (sjlde) (mod.): schuld.

sjolk (sjlkske, sjlk): juten schort die bij een dekrijp jong stiertje (in een kudde jonge vaarsjes) achter de voorpoten gebonden werd als voorbehoedsmiddel.Dat ze dae mer 'ne sjolk vrbinge (Dat ze die maar een schort voorbinden. Gezegd over een al te hitsige jongeman die teveel achter de meisjes aangaat).

sjolk (sjlkske, sjlk): schort.

sjlle (sjlde, gesjld): schillen.

sjlmets (sjlmetske): aardappelschilmes.

sjmmel: schimmel.

sjmmele: schimmelen.

sjn (mod.): schoon, mooi.E sjnt, 'ne sjnne, 'n sjn (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

Sjnbroedt: familienaam Schoonbroodt.d'r Sjnbroedt va Tve (Schoonbroodt van Teuven, fietsenmaker en gasfitter tot de jaren 1990).

sjnbroor: schoonbroer.

sjnmake (orig.): schoonmaken, poetsen.

sjnmam: schoonmoeder.

sjnpap: schoonvader.

sjnzster: schoonzus.

sjoon (sjeunsje [mv: -s of -re] of sjeuneke [mv: -s of -re], sjoon of sjeun): schoen.

sjoonslies (moe): schoenleest.

sjoonsreem (sjoonsreemke, sjoonsreme): schoenveter.

sjoonwiks: schoensmeer.

sjoor: regenbui.

sjp (sjpke, sjppe): schop.

sjppe: schoppen (kaartspel).

Sjoppem: [loc.] Schophem in sgv

Sjoppemmerhei: [loc.] Schophemerheide in sgv

sjppen aos: onnozelaar.Dao zit ich v'r sjppen aos (Daar zit ik voor spek en bonen).

sjppen aos: schoppen aas.

sjore (sjoorde, gesjoord) (moe): schuren.

sjore, zich (sjoorde zich, zich gesjoord) (moe): zijn plicht verzaken.Dae sjoort zich ummertoe d'rlangs (Die verzaakt altijd zijn plicht).

sjt: schut.

sjot (moe): scheut.[med.] 't sjot in d'r rk (een scheut in de rug).

sjt (sjtsje, sjtter) (orig.): lade.

sjtbret (1 2, K-SL): schot, houten plank als afscheiding van een hok, ook voor en achter bij een "losj".

sjttel (sjttelke, sjttele): schotel.Kou sjttel (Aardappelsalade).

sjttelmesjieng (sjttelmesjiengke, sjttelmesjienger) (orig.): vaatwasser.

sjttelsdook (sjttelsdeukske, sjttelsdeuk): vaatdoek.

sjttelsplak (sjttelsplekske, sjttelsplakke): schoteldoek, vaatdoek.

sjttelwater: afwaswater.

sjttelwater: slappe koffie.

sjtterie: schutterij.

sjttershof: schuttershof, localiteit in smv.

sjouw (sjuike, sjouwe): schouw, schoorsteen.

Sjpaanje: [loc.] Spanje.

sjpang (sjpenkske, sjpengskere, sjpange): speld.Zjang, sjpang, sjpook ee g'n nak. Sjniej de priej de poeten aaf, da lpt ze op 'n sjteump. 'n sjpang vr ee g'n haor (Een haarspeld).

Sjpanje: [loc.] Spanje.

sjpao of sjpaoj (sjpao/)  (sjpieder): spoedig, laat.du: spt, spter. Het verwondert dat deze vorm zo westelijk als sgv gebruikt wordt. We aanzien het in smv al als oostelijk.

sjpaor: spoor.

sjpaor (mod.): spoorlijn, treinspoor.

sjple (sjplde, gesjpld): spelen.hae sjplt.

sjpaor: spoor

sjpaor of sjpaor: prei.

sjpare (sjpaarde, gesjpaard): sparen.

sjpas: plezier.Du: Spa.Vr de sjpas (Voor de grap).

sjpecher(t): spikkelschimmel

sjpeel: spel.

sjpejje (sjpejde, gesjpejd) (moe): spugen, spuwen, overgeven.

sjpek: spek.

sjpeksjoon: spekschoen, schoen met dikke zachte zool.

sjpelig: tochtig.

sjpenjoel (sjpenjuulke, sjpenjoele): spanjaard.

sjpeuje: haasten, spoeden.

sjpeul: spel.

sjpeule (sjpeulde, gesjpeuld): spoelen.Hae sjpeult.

sjpeut (sjptsje, speute): spuit.

sjpeute (sjpdde, gesjpaote): spuiten.

sjpiegel (sjpiegelke, sjpiegele) (moe): spiegel.

sjpierke  (moe): sprietje.

sjpies (sjpie~s): specie, mortel.

sjpies (sjpie~s): spijs, vlaaivulling.

sjpiet (sjpie/t): spriet, halm.E sjpiet stru, graas (Een halm stro, grasspriet).

sjpiet (sjpie~t): spijt.

sjpiet doe: pesten, plagen, onaangenaam zijn tegen iemand.Went dae mer nge ka sjpiet doe (Als die maar iemand kan pesten).

sjpiet doe: spijt hebben.

sjpiete (sjpie~te) (sjpaet, gesjpaete): spijten.

sjpik: spikkelschimmel.

sjpik: wanafval, onkruidzaden en te kleine tarwe.

sjpikkel (sjpikkelke, sjpikkele): spikkel.

sjpikkelant (sjpikkela/nt): uitzoeker.

sjpikkelere (sjpikkeleerde, gespikkeleerd): uitloeren.

sjpikkelere (sjpikkeleerde, gespikkeleerd): uitzoeken.

sjpin: spin.

sjpin: voorraadkamertje.

sjpioen (sjpioe~n) (sjpiunke, sjpioene) : spion.

sjpooje: haasten, spoeden

sjpook: spook

sjpraeke (sjprook, gesjpraoke) (mod.): spreken.ich sjpraek, doe sjpriks, hae sjprikt

sjpraot (sjpraote): sport van een ladder.

sjpreenk: bron.

sjpreenkberg: [loc.] locatie van de Voerbron te spv.

sjpreie: spreiden.

sjpreie (sjpreide, gesjpreid): spreiden.

sjprietse: spuiten met een dunne straal.du: spritzen.

sjpringe (sjprng, gesjprnge): springen.

sjpringtouw: springtouw.

sjproesje (sjproe~sje): sputteren, proesten, blazen van een boze kat.

sjpule (sgv): spelen.

sjpulenterre (moe): spelenderwijs.

sjpuje (sjpuujde, gesjpuujd): spugen, spuwen.

sjpwaor (moe): prei.

sjraag  (sjraa/g) (sjraengske, sjraeng (sjrae/ng)): schraag.

sjraank (sjraa/nk) (sjraenkske, sjraenk (sjrae~nk)): kast.du: Schrank.

sjrameenkel (sgv): scharminkel.

sjrao: slecht, vies, lelijk.Sjrao waer (Slecht weer).E sjrot, 'ne sjrao, 'n sjrao (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).

sjrape (sjrabde, gesjraap): schrapen.

sjrapnel (sjra/pnel): granaatscherf.De shrapnel is een granaatsoort, een granaatkartets (een granaat gevuld met musketkogels en een uitdrijvende lading). Hij is genoemd naar de uitvinder, Generaal-majoor Henry Shrapnel (1761-1842), een Engelse artillerie-officier. Ook de na de explosie rondgestrooide scherven of projectielen worden wel shrapnel genoemd.

sjrapnel (sjra/pnel): vieze, magere vrouw.

sjrauf (moe): schroef.

sjrauvedriejer (moe): schroevendraaier.

sjrauvendriejer (moe): schroevendraaier.

sjravele (sjra~vele) (sjravelde, gesjraveld): woelen, wroeten, kruipen, moeizaam opwaarts komen (ook figuurlijk).

sjreeg, sjreger (sjre~/ger), sjreegst (orig.): schuin.du: schrg.Hae wont sjreeg vver d'r Jansse (Hij woont schuin tegenover Janssen).

Sjreurs: familienaam Schreurs.

sjriem: schram, kras.

sjrief: schrijfgerei (humoristisch).Gaef mich 'ns 'ne sjrief (Geef me eens wat om mee te schrijven).

Sjrienemaeker: familienaam Schrijnemakers.

sjrienemaeker: timmerman.

sjrieve (gesjrieve) (sgv): schrijven.

sjrieve (sjrie~ve) (sjraef, gesjraeve): schrijven.ich sjrief, doe sjriefs, hae sjrieft.Wie sjriefs te dich? (Hoe schrijf jij je naam, hoe heet jij? Wat is je familienaam?). Wie sjrieft dae zich (Hoe is zijn familienaam?).

sjriever (sjrie~ver): schrijver, auteur.

sjriewe (sjriewde, gesjriewd): schreeuwen.

sjrikke (sjrk, gesjrkke) (mod.): schrikken.

sjroebbe (sjrobde, gesjroeb): schrobben.

sjroeblmmel (sjroe/blmmel) (sjroeblummelke, sjroeblmmele) (orig.): dweil.

sjroe: schorem, egostisch, onsympathiek, asociaal volk, krapuul, schurk.Dat zunt groete sjroe (Dat is vies volk, schorem).Wie mie sjroe da's te bs, wie mie gelk da's te has (Hoe gemakkelijk het asociale mensen ten deel valt).

sjroep (sjruupke) (mod.): stroop.

sjroepstaat: boterham met stroop.waals: taute.

sjroef (sjruufke, sjroeve): schroef.

sjroempe: schrapen.

sjroep (sjruupke) (moe): stroop, siroop.

sjroepes: [agrar.] stroopstokerij, stroophuis.

sjroet (sjroe~t): lelijke oude vrouw.Ouw sjroet (Oude vieze vrouw).

sjroet (sjroe~t) (sjruutsje, sjroete): kalkoen.

sjroeve (sjroefde, gesjroefd): schroeven.

sjron (sjrunneke of sjrunsje, sjronne): kloof in de huid.du: Schrunde.

sjroomp: wasbord

sjrot: schrot, schroot.du: Schrot.

Sjruursj, Sjruuesj of (d'r) Sjruur: familienaam Schreurs.

sjtaaf: staf

sjtaal (sjtlke, sjtl): stalEe g'ne sjtaal (In de stal).

sjtaalbursjtel (sgv): stalborstel.

sjtaaldr: staldeur

sjtaamp: stamp

sjtaampe (staamde, gesjtaamp): stampen

sjtaamppot (mod.): stamppot.

sjtaasje: station.

sjtachelder (sjta/chelder) (orig.): [botan.] hulst, Ilex aquifolium L.du: Stechpalme. stachel = stekel.Sjtachelder mit roej blkes op (Hulst met rode besjes).

sjtacheledraod: prikkeldraad.

sjtad (sjtedsje, sjtaej): stad

Sjtadshaag (sgv): [loc.] in sgv

sjtaeke: steken.Ich sjtaek, doe sjtiks (sjti/ks), hae sjtikt (sjti/kt).

sjtaekebleend: stekeblind.

sjtaele (sjtool, gesjtaole): stelen.D'r btste Pruusj haat e paed gesjtaole (De beste Duitser heeft een paard gestolen, gezegde).

sjtaelt (sjtae~lt) (sjtaelte): stelt.

sjtaempel (sjtaempelke): stempel.

sjtaempele (sjtae~mpele) (sjtaempelde, gesjtaempeld): stempelen.

sjtaerk (sgv): sterk.

sjtamelaer (sjta~melaer): stotteraar, stamelaar.

sjtamele (sjta~mele): stamelen, stotteren.

sjtang (sjtengske, sjtange): stang.

sjtaoke (sjtaokde, gesjtaokt): stoken.

sjtaosie (moe): station.

sjtaof (sjtfke, sjtaove) (orig.): kachel, stoof, fornuis, oven.

sjtaol: staal

sjtaon (sjting, gesjtande) (moe): staan.Ich sjtaon, doe sjtees, hae sjteet, v'r sjteunt, d'r sjtaot, zie sjteunt. Ich sjting, doe sjtings, hae sjting, v'r sjtinge, d'r sjtingt, zie sjtinge.

sjtaot: stout.

sjtaoveniezer: kachelpook.

sjtare (sjtaarde, gesjtaard): staren.

sjtart (moe): staart.

sjtechele, zich (stechelde, gestecheld): stechelen, ruzie maken.

sjtee (stengke, sjteng): steen.

sjteebsjkapel: steenboskapel.

sjteer (sjteerke, sjtere) (mod.): [anim.] stier.

sjtfioele: [botan.] violier.

sjtegel of sjtiegel (sjtegelke, sjtegele): doorgang in afrastering in de vorm van een overstap (steigertje), later ook gezegd voor draaihek, klaphek, zigzaghek en alle andere vormen.Bij zo'n draaihekje gebeurden ook wel 'ns rare dingen. Zo zag Duyckerske eens, die door de weiden te voet naar de Zinkwit in Eijsden moest, op zo'n sjtiegelpaal een zwarte kat zitten. Met z'n stok sloeg hij het beest ervan af.Maar de kat sprong er onmiddellijk weer op en zei toen: "noe hou nog 'ns wen's te durfs." (uit: Voerense sagen, legenden en andere vertelkselkes door Rob Brouwers in Koenwf nr. 7).

sjtek (sjtekske, sjtekke) (mod.): stok.

sjtl (sjt~l) (sjtlke, sjtl of sjtlle): stel.

sjtem (sgv): stem.

sjterk: sterk.

sjterve: sterven.

sjteultes: iemand die niet spontaan helpt.

sjtiebele (sjtie~bele): beweging waarbij babies de beentjes driftig strekken om te staan of te stappen.Dat klngt sjtiebelt al good (Dat kleintje, die baby-kleuter, strekt de beentjes al goed).

sjtieg: taai, koppig.

sjtiek (sjtiekske, sjtieke): steek.

sjtieke (sgv): steken.Dat sjtiekt (Dat steekt).

sjtief (sjtie~f): stijf.Aod en sjtief en nog g wief (Oud en stijf en nog geen wijf).E-ze sjtief gaete dat d'r kttel raet op d'r sjtool sjtng. (Zo stijf gegeten dat de keutel recht op de stoel stond, zeer veel en zwaar gegeten hebben).

sjtiefsel: stijfsel,  (om hemdskragen te stijven).

sjtienke (sjtoonk, gesjtoonke): stinken.

sjtiep (sjtiepke, sjtiepe): steun, houten staak die men ter ondersteuning onder de doorhangende takken van zwaar beladen hoogstam appelbomen steekt.

sjtiepe (stiebde of staep, gesjtaepe): ondersteunen, schrap zetten, afzetten tegen.

sjtievel sjtievelke, sjtievele) (orig.): laars

sjtikkapot: bekaf.

sjtikkeduuster: stikdonker.

sjtikkert: stikker, een ijzeren staaf van 1,50m om gaten in de grond te maken om puntpalen in te heien.

sjtil of sjtel: stil.

sjtivvel (sjtivvelke, sjtivvele) (orig.): laars.du: Stiefel.

sjtb: stof, fijnverdeelde materie (van stuiven).Zich oet d'r sjtb make (Zich uit de voeten maken).Dao ruuks te d'r sjtb (Daar ruik je het stof. Na lange droogte een bepaalde geur in het begin van de regen. Waarschijnlijk geen stof, maar vermoedelijk salpeterigzuur, waterstofnitriet, HNO2: afkomstig van stikstofoxiden in de lucht(het gevolg van verbrandingsprocessen) die met water gaan reageren en salpeterigzuur vormen).

sjtbbe (sjtbde, gesjtbd): stoffen, stof opwaaien.Hie sjtbt 't (Hier stoft het, hier hangt veel stof).Dao sjtbt 't (Daar wordt flink gevochten).

sjtbjas: stofjas.

sjtoe (stong, gesjtande): staan.Ich sjtaon, doe sjtees, hae sjteet, v'r sjtunt, d'r sjtoot.Dat sjteet zich 'nt (Dat is niet gepast).

sjtoeke (sgv): stoken.

sjtoete: stoten, duwen, steken.Sjtoete op (De schuld geven).Enge vr g'ne kop sjtoete (Iemand voor het hoofd stoten).

sjtoetvaogel: [anim.] stootvogel, roofvogel, buizerd,sperwer, havik, kiekedief.

sjtoek (sjtuukske, sjtuuk): schok.

sjtoeke (sjtoekte, gesjtoek): stotend knikkeren.

sjtoemp (sjtumpke, sjtump (sjtu~mp)): stomp.

sjtoep (sjtuupke, sjtuup) (mod.): stoep, beklinkerde oppervlakte.

sjtoep of sjtoepjas (sjtuupke, sjtuup) (orig.): jas.Dch d'ch d'r sjtoep aa (Trek je jas aan).Juupke, puupke, hagelstuupke (Spottend voor iemand die Jozef heet).

sjtoets (sjtuutske, sjtoetse): staart.Op d'r sjtoets duuje (Plankgas geven).Die haant 60 sjtoetse (Daar hebben ze 60 koeien).

sjtoetskaar (sjtoetskerke, sjtoetskare): kruiwagen, stootkar.

sjtf (sjtfke, sjtffe): stof, weefsel.

sjtok: stronk.

sjtk (sjtkske, sjtkker): stuk.Wievl sjtk vr dat paed? (Hoeveel muntstukken van 5 frank voor dat paard?)

sjtmpele: stompen.

sjtnd: uur.nl: in de uitdrukking tijd en stond. du: StundeVeer sjtnd laank (Vier uur lang).

sjtool (sjteulke, sjteul): stoel.Op 'ne sjtool (Op een stoel).

Sjtoom, ee g'ne: [loc.] In de Stom, beemdgebied van de Veurs, ten oosten van de veldweg van Veurs naar de Tunnel. N 50 44.396, E 5 50.611

sjtoomp: stomp.

sjtoompe: stompen.

sjtop (sjtpke, sjtp): stop, kurk.Sjtpke broeje (bouchonge)(Spel met een kurk met geldstukken erop zijnde de inzet van de deelnemers, die met een loden schijf proberen de kurk omver te werpen. Het geld wordt verdeeld naargelang de schijven waar ze het kortste bij liggen).

sjtoppe (sjtopde, gesjtop): stoppen.

sjtortbak (mod.): stortbak.

sjtrak of sjtraks (mod.): straks.

sjtrang: sterk, bijvoorbeeld van smaak.Hae is sjtrang vermagerd (hij is sterk vermagerd).

sjtraol (sjtrlke, sjtraole): straal.

sjtraole (sjtraolde, gesjtraold): stralen.

sjtrpe(s) goe (orig.): gaan lopen, wegrennen.

sjtrpert (sjtrperke, sjtrperte): stroper.

sjtraot (strtsje of sjtreutsje): strot.

sjtraot (strtsje, sjtraote): straat.Op 'n sjtraot (Op de straat), ee g'n sjtraot (In de straat).

sjtrauf (moe): bos haar of gras. 'n sjtrauf haore (een pluk haren).

sjtreng: streng.

sjtreute of sjtrte: wurgen

sjtried: strijd.

sjtriek: streek, omgeving.

sjtrieje: strijden, vechten.

sjtrieke (sjtrie~ke) (sjtraek, gesjtraeke): strijken.

sjtrieksjone (moe): schaatsen

sjtrieksjoon sjtrie~ksjoo~n) (sjtrieksjoon (sjtrie~ksjoo/n)) (moe): schaats.

sjtriep (sjtrie~p) (sjtriepke, sjtriepe): streep.Dae hat 'n sjtriep ee (Die is dronken).

sjtrikke (orig.): breien.Dae how zich 'n sjtaof gesjtrikt mit iezerwol (Die heeft een stoof gebreid met ijzerwol).

sjtroddele (sjtro/ddele): stamelen, stotteren.

sjtroddeler (sjtro/ddeler): stotteraar, stamelaar.

sjtroef (sjtroe~f) (sjtruufke, sjtroeve): bos haar of gras.Dat zeunt sjtroeve v'r de ouw koo (Dat zijn sprieten voor de oude koe. Na het maaien blijft er nog gras onder de draad van de omheining en rond de weipalen).

sjtrjje (sjtrjde, gesjtrjd): strooien.

sjtrjjert: strooimachine.

sjtroom (mod.): elektriciteit, stroom

sjtroons-: stront- voorvoegsel om een afkeeraanduiding te vormen.Die sjtroonsbelastinge (Die vervelende belastingen).

sjtroont: stront.

sjtrpe: zeer slecht maaien met botte messen of door molshopen.

sjtru (moe): stro.

sjtru: stro.

sjture (stuurde, gesjtuurd): sturen.

sjture (stuurde, gesjtuurd) (mod.): sturen, zenden.

sjtute (sjtu~te) (sjtaot, gesjtaote) (orig.): opscheppen.ich sjtuut (sjtuu~t), doe sjtuuts (sjtuu/ts), hae stuut (sjtuu/t).

sjtutert (sjtu~tert) (sjtuterke, sjtuterte): opschepper.

sjtuub (sjtuubke, sjtube): trui, jas.

sjtuur (sjtuurke, sjture): stuur.

sjtuuts (moe): staart.

Sjulder (sgv): [loc.] Scheulder, gelegen in de gemeente Margraten tussen IJzeren en Ingber.

sjuins (moe): schuin.

sjume (sjuumde, gesjuumd): schuimen.

sjurgele (sjurgelde, gesjurgeld): sleuren, slepen, dragen.

sjute (sju~te) (sjaot, gesjaote): schieten.

sjuts: beschutting, schuilplaats.

sjuuns (mod.): schuin.

sjuur: schuur.Ee g'n sjuur (In de schuur).

sjwaap (orig.) (moe): kast.

sjwadriene (sjwadriende, gesjwadriend) (sgv): slenteren, rondwandelen.roond sjwadriene (Wat rond slenteren).

Sjwaebrig: [loc.] Schweiberg, NL.

sjwegese ouwersj: schoonouders.lett. zwagerse ouders.

sjwiege (sgv): zwijgen.

skeet (skeets): skates, rolschaats.

slech (moe): slecht.

sliepoet (moe): sliepuit.

slivvenhier: onze lieve heer.

S'n Maetemis: Sint-Maartensdag, 11 november.

S'n-Maerte of S'n-Maete: [loc.] Sint-Martens-Voeren.

S'n-Maetes-zaomer (S'n-Maetes-zmerke): meteorologisch verschijnsel van enkele warme dagen rond S'n Maetemis, Sint-Maartensdag, 11 november.

S'n-Mjaarte (sgv): [loc.] Sint-Martens-Voeren.

S'n-Pieter: [loc.] Sint-Pieters-Voeren.S'n-Pieter haat S'n-Maerte gedraete. Doe blaef nog 'ne kutel euver, en dat waor Katterot (Sint-Pieters-Voeren heeft Sint-Martens-Voeren gescheten. Toen bleef nog een keutel over, en dat was Kattenrot).

S'nt-Jansert: [loc.] Saint-Jean-Sart tussen Rulen en Aubel.nl: Sint Jansrade.

S'n-Truje: [loc.] Sint-Truiden.

soeker: suiker.E sjtk soeker (Een klontje suiker).

soekerwaffel: suikerwafel.

soetj of soetj gorsj: bh, bustehouder.fr: soutien-gorge.

soezjuup: onderrok.fr: sous-jupe

soffa (so/ffa): sofa, bank.

soket (sokette): korte sok.

soldaot (soldtsje, soldaote): soldaat.

solfer: zwavel. Zwavelpoeder gebruikt als bloedzuivering en als plantenbeschermmiddel.

som(graas): [botan.] windhalm, Apera spica-venti L.

sop: soep.

svvetig: zeventig

sparadra: pleister.merknaam

specialiest (specialiesteke, specialieste): specialist.

s'rie (s'rie/): serie.

stilo (stiloke, stilos): pen.fr: stylo

Sub: [loc.] Sibbe, dorp tussen Valkenburg en Margraten

suig: tuig, getuig, schorem, uitschot, gespuis, laag volk.du: Zeug.

taal (taelke, tale): taal.

taand (tendsje of tenneke, tan of teng (orig.)): tand.

taandpieng: tandpijn, kiespijn.

taanke toe (sgv): immer, steeds, altijd.

taant (taanteke, taantes): tante.

taarpot (moe): viezerik.

taart (sgv): boterham.waals: taute

taat: boterham.waals: taute

tabberd: tabbaard.

tachetig: tachtig.

taege: tegen

taegemoot (mod.): tegemoet

taegenvver (mod.): tegenover.Sjuuns d'r taegenvver (Schuin er tegenover).

taering of taering (orig.): tuberculose, tering, tbc

taegesjproesje: tegensputteren

taentele, zich (orig.): elkaar plagen, pesten

taere (taerde, getaerd): teren, een voedingsbron gebruiken

taering (orig.): tering, tuberculose, tbc

taesj: zak van jas

tagke, zich: bekvechten , elkaar plagen.

tak (tkske, tk): tak.Hod dich an de tk (Hou je vast aan de takken, hou je taai of wees vastberaden).

takge (takgde, getakt): ruzien, kijven, schelden.Die knne zich get takge (Die kunnen wat ruzie maken).De mam takgde n'op 'm (Moeder kijfde op hem).Da takt de mam (Dan scheldt moeder).

talleur (moe-sgv): eetbord.du: teller

tallu (ta/llu)): talud, graaf, wegberm.

tand (moe): tand.Dieke tand (Kies).

taon (tao~n) (tntsje, tn): toren

Taon, ee g'n: [loc.] In de Toren, ten westen van Ulvend, tussen de grensweg van Ulvend naar Kattenroth en de weg van Ulvend naar St-Martens-Voeren. N 50 45.445, E 5 49.557

taopressiaon  : drukknoop.fr: bouton-pression

Tve: [loc.] Teuven.

tapeet of tapiet: behangsel, behangpapier

tapere (ta~pere): zwoegen, moeizaam werken.

taperer (ta~perer): zwoeger.

tappesere (tappeseerde, getappeseerd) (orig.): tapisseren, behangen.fr: tapisser.

tappesere (tappeseerde, getappeseerd) (orig.): vechten, m.n. op het gezicht slaan.

tappt (moe): verwijfde homo.fr: tapette.

tar: teer.

tare (taarde, getaard): teren, asfalteren.

tartien (tartiene): boterham.fr: tartine.

tas (teske, tasse): kop.Tas kaffee (Kop koffie).

tbc (mod.): [med.] tering, tuberculose, tbc.

te: jij.du: du.In samentrekkingen i.p.v. doe.

te: te.

T: roepnaam Martin.

te hoop (hoo~p): bijeen, bij elkaar, samen.Gunt v'r tehoop? (Gaan we samen?) Km m'ch aarope, da gunt v'r te hoop (orig.) (Kom me uit halen dan gaan we samen, dat kunnen ook gewoon twee personen zijn).V'r zunt nog te hoop (Wij zijn nog samen, nog getrouwd).

Tebannet (Teba/nnet): [loc.] Banholt

teek: teek, toog, bar, tapkast.

teek (teekske, teke): [anim.] teek, mijt, schapenteek, Ixodes ricinus.

teempe: slaan, tikken tegen een kerkklok.

tegoj: goed, correct, zoals het hoort, fatsoenlijk.

tegood: tegoed.

tegooj (moe): goed

teisj: broekzak.Ee g'n teisj (In de broekzak).

teisj (teisjke, teisje) (mod.): handtas, boodschappentas.

tej: taai.

Tejke: roepnaam Teike, Theo.

tke (tkes): teken.

teks (tekste): tekst.

tlder: eetbord.du: teller

tlle (taot, getaot (orig.) of tlde, getld (mod.)): tellen, rekenen.Kn v'r nog op dich tlle? (Kunnen we nog op je rekenen?)

telleur: bord om uit te eten

tember (te/mber) (temberke, tembere): postzegel.fr: timbre.

tentelle, zich: twisten, ruzien.

teoriej: theorie, theorieles.

terf: tarwe.Ee g'n terf (In de tarwe, in het tarweveld).Alles geet 'm wie terf en deeg (alles lukt hem voortreffelijk).

tergele (te/rgele): plagen, tergen. Een beetje erger dan sjpiet doe.

Terlienge: [loc.] Terlinden.

terwiel: terwijl.

ts (tste) (sgv): test, onderzoek.tste make (medische onderzoekstesten (laten) doen).

tesj: broekzak.

tt (ttteke, ttte): borst, tiet.

Teujve (moe): [loc.] Teuven.

teut (teu~t) (teute): tuit van een pot.

teutele (sgv): knuffelen.

Teuvenderberg: [loc.] Gieveldstraat, Teuven, in 1845 Teuvenderberg. Van N 50 46.095, E 5 52.955 tot N 50 45.108, E 5 52.55

tevl: teveel.

tezens: goed, correct, zoals het hoort, fatsoenlijk.fr: dans le bon sens.Dug 't tezens! (Doe het hoe 't hoort!)Da kries te ze tezens um g'n oere (Dan krijg je ze behoorlijk om je oren).

thee: thee.

thomassjlakke: [agrar.] thomasslakken, milieuvriendelijke meststof.

tied (tie~d) (tiedsje, tieje): tijd.Oe is der tied e ba dat ... (Waar is de tijd heen dat ...).Van d'r franse tied (Uit de franse tijd).

tie: thee.

tien (tie/n): tien.

tien (tie~n) (tienke, tiene (tie/ne)): teen.Da zos te dich mit de tiene zaene (Dan zou je je met de tenen zegenen, wordt al eens gezegd als iets haast onmogelijk gebeurde of als reactie op een absoluut stom voorstel).

tienge (sgv): tegen.

tieng: kuip.

tierelierelaens: zonder eigen betekenis.

Ties: roepnaam Thijs, Matthijs.Doe bs mich 'ne fiengen ties (Jij bent een mooie).D'r ties gelierd kriege (Manieren geleerd krijgen, gedwongen worden zich aan te passen (in harde of zachtere zin).Alewies, dikken ties, maak (dich) dats te e wiefke kries (Alowies, dikke Ties, zorg dat je een vrouwke krijgt, spotrijmpje).

tikke (tikde, getikt): tikken.Hae tikt.

tillefon: telefoon.

tillefonere: telefoneren.

tillefonsbook: telefoonboek.

tillevies: tv, televisie.

timong (ti/mong): dissel.fr: timon.

tirt (tir/t): ritssluiting.fr.

tjnge (moe): tegen.

tob (tbke, tobbe): emmer.

toch: toch.

toe: dicht.

toebak (orig.): tabak, shag.

toebiete (sgv): toehappen.

toedoe: dichtdoen, toemaken.

toen (sgv): toren.

toen (tuunke, tuun): toon.Gekke tuun (Rare manieren).

toert of toert'nt: nietwaar? stopwoordje.toert?nietwaar?

toefele: slenteren, op pantoffels gaan.

toek (toe/k): slag, klap, duw, stoot, mep.

toeke (toe/ke): slaan, meppen.

toekele (toe~kele): pesten, vechten van kinderen.

toekumstig (sgv): toekomstig.

toepe: kaartspel.

toepitsje (pitsjde toe, toegepitsj): dichtknijpen.En doe, pitsjde de ko de vot toe (En toen, kneep de koe haar gat dicht, rijmpje als stopwoord bedoeld).

toeppes (toeppese): sul, dommerik, scheldnaam.du: Tlpel.Doe bs mich 'ne toeppes (Jij bent een dommerik).Dae'n toeppes (Die sul).

toer (toe~r): beurt.An toer zie (Aan de beurt zijn). 't is dienge toer (Het is jouw beurt, jij bent aan de beurt).

toer (tuurke, tuur): ronde, rondje.

toernevies (toernevie/s): schroevendraaier.fr: tournevis.

toes (toe~s) (mod.): thuis.

toesje (toe~sje) (toesjde, getoesjt): ruilen.

toesjere (toesje~re) (toesjeerde, getoesjeerd): aanraken.fr: toucher.

toesjlaag: vlaai met deegdeksel op de "sjpies".

toesjpang (toesjpngske, toesjpange): veiligheidsspeld.

toete: tuiten.

toffel (tffelke, taofele): tafel.A g'n toffel (Aan tafel).Op 'n toffel (Op tafel).

tol (tolle): dakplaat.

tomat (toma/t): tomaat.

tombo: fantasiekar voor 'n paar man.

tombola (to/mbola) (tombolake, tombola's): loterij.

toneel (mod.): toneel.

tnge: heg herstellen, verstevigen.

tsje: tussen voor subst.

tsje, d'r: ertussen.

tsjebei: ondertussen.

tsjewaeg: onderweg.

Tossenge: familienaam Tossens in meervoud.

tot (mod.): tot.

totallos (totallo/s) (mod.): onherstelbaar beschadigd, total-loss.en: total loss.

touw (moe): toe, dicht.

touwdoen (moe): toemaken.

touwe, zich (touwde zich, zich getouwd): zich haasten, zich spoeden.

touwsjpring : springtouw.

Tvve (sgv): [loc.] Teuven.

traampel: scheldwoord voor oude vervelende vrouw.

traampele (traampelde, getraampeld): onrustige trappelen van vee.De koo geit kaove, ze sjteit te traampele (De koe gaat kalven, ze staat onrustig te trappelen).

traampele (traampelde, getraampeld): wandelen, lopen, kuieren, traag stappen.

traansenere (traanseneerde, getraanseneerd): folteren, plagen, pesten.Doe kuns die rrem dere get traansenere (Jij kan die arme dieren wat plagen. Bijvoorbeeld kinderen die vroeger een vlieg de poten uittrokken om ze te horen zoemen).

traeje of traene (trooj, getraoje of getraone): treden, stappen.Wie ich a g'n aed trooj dieg 't pieng (Toen ik op de grond trapte deed 't pijn).Traej 'ns! (Bij het schoenen passen: Zet de voet eens neer en sta er op).In 'ne nagel traeje (In een spijker trappen). Hae is getraoje (Hij is beledigd, gepikeerd, op zijn tenen getrapt).De hoon wdt getraoje (De kip (hoen) wordt getreden). Ich traej, doe trids, hae tridt, d'r tredt, ich trooj, doe troods, d'r troodt

traene (traende, getraend): trainen.

trakka (rem): zorgen.fr: tracas.

trakkaseren (rem): zich zorgen maken.fr: se tracasser.Trakkaseer dich neet, ich kiek nao de keender (Maak je geen zorgen, ik let op de kinderen).

trampelaer (trampelerke, trampelaere): onrustige trappelaar.

traon (trnke, traone): traan.

Trt: [loc.] het wad door de Gulp onderaan Nurop, Teuven.

trt: toeter.

trte: toeteren.

Trtevaeger (Trtevaegers): Trompettenveger, bijnaam voor de mensen van Homburg, Hombourg.

trappere (trappe~re) (trappeerde, getrappeerd): betrappen.fr. Attraper.

trappere (trappe~re) (trappeerde, getrappeerd): uitkomen, treffen.fr. Attraper.

Trees: roepnaam Thrse.Trees va g'n hei (Therese van de heide. Op Schophemerheide woonde ongeveer 1970-1980 een vereenzaamde vrouw met haar beesten).

trein (mod.): trein.

trk: tocht.

trkbal: wagen waarmee boomstammen vervoerd werden.

trkke (trok [conj 2: trk], getrokke): trekken.

trkke (trok): tochten.du: es zieht. 't trkt zich (Het tocht).

trkke op: lijken op.Dat trkt op niks (Dat lijkt nergens op).

treng (orig.): trein.

Trieng: roepnaam Trijn.

triko (tri/ko) (trikoke, trikoos) (orig.): trui.

trioemfaantelek: triomfantelijk.

trip (orig.): bloedworst.fr: tripe (ingewanden).

trippekruudsje: thijm en rozemarijn, kruiden voor in de trip.

tripsop: kookvocht van bloedworst, bouillon.

tripsop: volksfeest in sgv.

troer: rouw.In troer (In de rouw).

troffel (sgv): kolenschop.

troffel (trffelke): troffel, truweel.

troffel (trffelke) (sgv): veegblik.

trlle, zich: zich rollen van paard of hond in de wei met de poten omhoog.

trouw: huwelijksfeest, trouwfeest.V'r haant 'ne trouw (We hebben een trouwfeest, we zijn uitgenodigd op een huwelijksfeest).

trouwe (trouwde, getrouwd): trouwen.

trui: katrol.fr: treuil.

trui (truike, truie) (mod.): trui.

truuk: terug.Op truuk (Achteruit).

truuk (truukske, truke): truc.

truut (truutsje, trute): forel.fr: truite.

tuijer: lange ketting waaraan een stier werd vastgepind in de weide.

tuin (mod.): tuin.

Tunis (moe): roepnaam Theunis.D'r Tunis en d'r sjaele (Teun en de schele, bekend moppenduo).

Tunnis: roepnaam Theunis.Sint Tunnis (17 januari) s iesmaeker of iesbraeker (Sint Theunis is ijsmaker of ijsbreker. Het weer verandert: ofwel eindigt het vriezen, ofwel begint het te vriezen)."

"

tut of tuttel of tutter (mod.): fopspeen.

tute: toeteren.

tute: tuiten.Doe tuuts (Jij tuit).

tuttel: verknuffeld kind.

tuttele: knuffelen.

tutteler (e3): knuffelaar.

tuttelke: knuffelkind.

tuttelvot: kind dat graag bij de ouder komt om te tuttele.

tuunge: heg herstellen, verstevigen.

tuut (tuu~t) (tuutsje, tute): draagzak, puntzak.du: tte.

twdde: tweede.Twdde zit (Tweede zit, zitten blijven, doubleren).

twds: tweeds, op de tweede plaats.naar analogie van sj (eerst).

twei: twee.

tweij: twee.

twie (moe): twee.

twie (sgv): twee.

twietaligheed: tweetaligheid.

twiefele: twijfelen.

twiejas (twie/jas) (twiejasse): [botan.] levensboom, Thuja soorten.

twielp: dubbelloop.

twientig: twintig.

twintig (sgv): twintig.

uch: u.

uver (u~ver) (sgv): over.

uverdl (u~verdl) (sgv): hooischuurverdieping, verdieping in hooizolder, verhoogd hooizoldergedeelte boven inrijpoort.

uverdn (sgv): hooischuurverdieping, verdieping in hooizolder, verhoogd hooizoldergedeelte boven inrijpoort.

uvergieve (goof uver, uvergegieve) (sgv): [med.] overgeven, braken, vomeren, spugen.

uvergrapeer (sgv): overgrootvader.

ujer (ujerke, ujere): uier.

ujere (u/jere): [agrar.] uieren, gereed maken om te kalven.Die ko is aan 't ujere (die koe is aan het uieren, maakt zich gereed om te kalven, krijgt zucht in de uier).

ujernt: [agrar.] uiernet.Als de uier van de koe te volumineus of  te fel doorzakt wordt er een uiernet rond gedaan zodat ze minder kans heeft op de spenen te trappen bij het rechtstaan.

ulebek: snoeischaar met dikke korte bek voor het snoeien van dikkere takken.

um: om.

umbinge: ombinden.Bing 'm 'ne plak um g'n wwe (Bind hem een doek rond de ogen, blinddoek hem).

umbringe: komen brengen.Bring mich 't keend mer um (Breng het kind maar bij mij).

umdat: omdat.

umgangstaal: omgangstaal.

umgoe: om gaan, voorbij gaan (tijd).

umgoe: omvergaan.

umgoe: schiften.De mlk geet um (De melk schift).

umhange: omhangen.

umhouwe: neerslaan.Oppedaod houw ich dich um (Dadelijk sla ik je neer).

umhure: navragen, zich informeren.Umhur dich 'ns (Informeer je eens, vraag eens na).

umhurre  (umhurde, umhurd) (moe): zich informeren.

umkalle (mod.): benvloeden, op een idee brengen, ompraten.

umkaome: om komen, op bezoek.Km get um (Kom even op bezoek).

umkriege: de tijd omkrijgen.

umkriege: omver krijgen.

umlaege: om leggen.

umliegke: omliggen.Op 'n livvei loog 'ne boom um (Op de weg lag een boom om).

umloop: [med.] ringworm.Tegen d'r umloop: bloed drinken van een rund van tegengesteld geslacht. Zou kunnen zin hebben: afweerstoffen in combinatie met hormonen...

umloop: omloop, rondgang.

umlope: omlopen.

ummer: altijd.

ummertoe: altijd.

ummesj: immers.

umpraote (mod.): benvloeden, op een idee brengen, ompraten.

umsjtraek (umsjtraeke): omstreken.

umtoer: omleiding.

umtrint (umtri~nt) (moe): ongeveer, bijna.nl: omtrent.Dat is umtrint 'tzelfde (Dat is ongeveer hetzelfde).

umvalle: omvallen.

umvare: omver rijden.

umwaeg: omweg.

umzeenke: kapseizen.

umzke (zeekde um, umgezkd): omver zeiken, meestal figuurlijk kleinerend.

umztte: omzetten, verplaatsen.De keu umztte (De koeien omzetten, in een andere wei of stal).

un (unke, unne): ui.

universiteet : universiteit.

unnesjte: onderste.

urte (orig.): etensresten, kliekjes, resten van hooizolder.nl: urt = onbeduidend persoon.Boer lt op dien urte (Boer let op je resten, bij een te verwachten strenge winter).Es mit de Lichmes de zon ee g'n ktse sjiengt, da mot d'r sjieper de urte biejee rape (Als met Lichtmis de zon in de kaarsen schijnt, dan moet de herder de resten bijeen schrapen. Mooi weer op 2 feb is een voorspelling voor nog veel koude dagen).

utesjte: uiterste.

uts (moe-sgv): buil, bult.Groeselt: huts.

uum: onnozelaar, stommerik.

uul (uulke, ule): uil.

uzere (orig.): piekeren.

va: langs, via.Km va hie, km va vr (Kom langs hier, kom langs de voorkant).

va: van.Keender: ze zunt van aoven op en van oonde neet toe! (Kinderen: ze zijn van boven open en van onder niet dicht. Ze doen niks anders dan schreeuwen, eten, pissen en kakken).

vaal: vaal van kleur.

vaal: val, door het vallen.

vaam (vaemke, vaem) (orig.): draad van garen, stroop of slijm.du: Faden.

vaan (moe): van.

vaan (vaan): varen.

vaan (vaenke, vane): vaan, vlag.

Vaan, a g'ne: [loc.] bij de Varnhoeve op de Plank. N 50 44 58.3, E 5 51 15

Vaanberg, d'r: [loc.] tussen Veurs en Konenbos, bergachtig weiland, vroeger bezit van de Varnhoeve de Plank. N 50 44.657, E 5 50.833

Vaar, kte: [loc.] In de korte Vaar, ten zuiden van de grensweg van Ulvend naar Kattenroth. N 50 45.409, E 5 49.129

Vaar, lange: [loc.] In de lange Vaar, ten zuiden van de grensweg van Ulvend naar Kattenroth. N 50 45.357, E 5 48.989

vaas (vaa~s) (vaaster (vaa~ster)): vast.Hae voert zich vaas (Hij reed zich vast, in de aarde of klem in het verkeer).

vaas (vaeske, vaze): vaas.

vadder: vader.

vadsetig: vadsig.

vaedig: klaar, gereed.du: fertig

vaer: wij.

vaersj (vaersjke, vaersje) (orig.): hiel.

vaes (vaeske, vaese) (moe) (orig.): hiel.Ich zeen lever zien vaese dan zien tiene (Ik zie liever zijn hielen dan zijn tenen. Ik zie hem liever vertrekken dan komen).

vaesj: vers.

vaesj (vaesjke, vaezje): [agrar.] vaars.

vaesjekaof: [agrar.] vrouwelijk kalf.

vaege (vegde, gevegd): kappen, snoeien, kortwieken, van uitsteeksel vrijmaken.[vet.] De poete of de klauwe vaege, sjnieje of kappe (De poten snoeien, bij de koe moeten de tenen recht gemaakt worden. Aan de voorpoot groeit de binnenste teen harder en krom, aan de achterpoten is dat de buitenste teen).

vaege (vegde, gevegd): rennen, hard lopen, vluchten.En doe vegde ze voet (En toen liepen ze hard weg).

vaege (vegde, gevegd): vegen, bijvoorbeeld de schouw, niet de vloer: kaere.

vaeld: veld.

vaeld (vaeldsje, velder): veld, akker.Ee ge vaeld (Op het veld).

vaeme: in een draad trekken, in een draad vloeien.Een koe die bronstig is vaemt, er komt dun doorzicht slijm uit de schede gevloeid. Stroopmaker Wiertz haalt zijn stroopketel van het vuur als de stroop vaemt, dradig wordt.

vaer (vaerke, vaere): veer.

vaerevt: vet uit de buik van een varken, gebruikt om te frituren en als huidzalf bij wonden.Tijdens de kerstnacht werd vroeger een pot gesmolten vaerevt van een gesneden beer (brg) die nog nooit met een zeug in contact was geweest buiten gezet. Het werd de rest van het jaar bewaard en was goed om op wonden te smeren.

vakaans: vakantie.

val: val om iets te vangen.

vala: klaar! daar heb je 't!fr: voil.

Valdjeu (mod.): [loc.] Godsdal, abdij bij Aubel, Val Dieu. N 50 41 52.5, E 5 48 20.3

valies: koffer.

valle (veel, gevalle): vallen.Hae vlt, d'r valt (Hij valt, u valt).

van: van.

van: door.zie saoskulot.

van Laar: familienaam van Laar.Van Laren drieten in g'n baren (Van Laren schijten in keulse potten. Een kinderscheldrijm).

vanaaf: vanaf.

vanaal (vanaa~l): vanalles.

vanalling (3): vanzelf.

vandaeg: zoals het hoort, fatsoenlijk, terdege.

vanee: van elkaar.

vaneinaaf: van elkaar, gescheiden.Vaneinaaf zie (gescheiden zijn, ontbonden huwelijk).

vange: [med.] oplopen, zich infecteren.Dat vingt zich (Dat is besmettelijk).

vange (mod.): vangen.

vrbeeld: voorbeeld.

vrzjervaeld: [loc.] veurzerveld, buurtschap tussen veurs en smv. N 50 44 45.6, E 5 49 12

Vsj: [loc.] Veurs, gehucht bij smv. N 50 44 17.3, E 5 50 27.4Ee Vsj (In Veurs).

Vsj, de: de Veurs (zijriviertje van de Voer). Van N 50 44 25.9, E 5 50 37.3 tot N 50 44 59.1, E 5 48 39.6Ee g'n Vsj (In de Veurs).

vaogel: penis.In de processie houdt de koning de zilveren vogel vast tegen het bengelen maar ook als waardigheid. Dan is er altijd iemand die dubbelzinnig zegt: Hot 'm mer good vaas! (Houd hem maar goed vast!)

vaogel (vgelke, vgel): vogel.

vaogele (vaogelde, gevaogeld): vogelen, vrijen, paren, beslapen.

vaogelkiesj (vaogelkiesje): [botan.] Lijsterbes, Sorbus aucuparia L.

vaogelsjtang, a g'n -:  [loc.] Aan de vogelstang, smv. N 50 44 51.5, E 5 48 51.9m g'n vaogelsjtang (Rond de vogelstang, tijdens het vogelschieten, koningschieten).

vl (v~l): veel.

vr (v~r): voor, voren.V'rwat ms dich ummertoe va vr zitte? (Waarom moet jij altijd vooraan zitten?).A vous l'honneur, de vrke gunt vr (Aan u de eer, de varkens gaan voor. Voorkruipers worden niet gewaardeerd).

vaor (vrke, vaore): voor, geul.

vrbinge: voorbinden.

vrdr (mod.): voordeur.

vrdeel: voordeel.

vr-de-noon of te-vr-de-noon: voor de middag, in de voormiddag, 's morgens.Zoondig-te-vr-de-noon (Zondagvoormiddag).

vrng: schort.

vrlpig: voorlopig.

vrnaam (vrnaemke, vrname): voornaam.

vroet of v'roet: vooruit.Mak vroet! (Maak voort! Schiet op!)

vrroet: voorruit.

Vrsj, ee (sgv): [loc.] Veurs, gehucht bij smv. N 50 44 17.3, E 5 50 27.4

vrsjloe (sjloog vr, vrgesjlage): voorslaan, een voorstel doen, voorstellen.

vrsjrif (v~rsjrif): recept, voorschrift.fr: prescription.

vrwat of v'rwat: waarom.

vrwietsig: haantje de voorste.

vrzjerveld (sgv): [loc.] veurzerveld, buurtschap tussen veurs en smv. N 50 44 45.6, E 5 49 12

vare (voert of voet, gevare): rijden.Wae good sjmeert, good veert (Wie goed smeert, goed rijdt. Letterlijk voor het smeren van de wagen, maar ook figuurlijk, bijvoorbeeld: als je je vrouw goed verzorgt, zal zij zorgen dat het huishouden goed blijft draaien).Ich vaar, doe vuurs, hae vuut.

vareus (vareuske, vareuze): jas of een dikke (gebreide) trui.fr: vareuse. 'n gesjtrikde vareus ('n gebreide trui).

varies (variese): spatader.fr: varice.Hbs dich ooch variese op dieng bee? (Heb jij ook spataders op je benen?)

vaspake (vaspa~ke): vastpakken, vastnemen.

vaste: vasten.

vaste: vastentijd.

vat: vat.

vauwert (vau/wert): een breed (houten) hek.

vazzel: halfwassen varken.

veel: veil, te koop.Has te get veel? (Heb je wat te koop?)Zt ze mich 'ns veel (Stel ze (bijv. een koe) mij (de koopman) eens te koop).Went d'r Kaormaan kmt, zt ich 'm die ouw zjwatte veel (Als Corman ('n koopman uit Thimister) komt, biedt ik hem die oude zwarte koe te koop).Dae haat get veel (Die verkoopt wel 'ns last).Dae haat niks es oondgd veel (Die heeft niks dan kwade bedoelingen of ondeugd).

veel (orig.): viool.nl: vedel

veende (von, voonde (orig.) of gevoonde (mod.)): iemand zoeken om te spreken.

veende (von, voonde (orig.) of gevoonde (mod.)): vinden.

veenster (veensterke) (sgv): venster.Blmme op g'n veenster (Bloemen op het vensterraam, door bevroren condens).A g'n veenster oetbruje (Het raam uitgooien).

veer: vier.Eech en deech en Jupke Sjpee, dat zeunt er veer (woorden uit gesproken door Fie Groteclaes, waarmee hij bedoelde dat die 3 personen zo sterk waren als 4).

veerkaant: vierkant.

veerkentig: vierkantig.

veersj: vers.

veesj (visjke, visje): vis.

vl (velke, velle): vel.

veldraekel (moe): man die er meerdere vrouwen op na houdt.

vme (vmde, gevmd): draden trekken van stroop of slijm.

vnkelhaot: met de bijl gekapt hout voor de stoof.

verbaand: verband.

verbrnne (verbrnde, verbraand): verbranden.

verdle (verdlde, verdld) (moe): vergissen, verwarren.

verdaole (verdaolde, verdaold) (orig.): vergissen.

verdene (2) (verdinde, verdind): verdienen.ich verdeen, doe verdins, hae verdint

verdene (2) (verdinde, verdind) (orig.): winnen.Dat prces kuns te neet verdene (Die rechtzaak kun je niet winnen).

verdoe, zich  (verdong zich, zich verdoe): zich vergissen.Ich han mich verdoe (Ik heb mij vergist).

verdomme: verdomme, vloek

vere (veerde, geveerd): vieren.

verendere (2) (verenderde, verenderd): veranderen.

verexcuseren (verexcuseerde, verexcuseerd): excuseren, verontschuldigen.

verf: verf.

vergaet: vergissing.Dao mt e vergaet zie (Daar moet een vergissing zijn).

vergaete (vergoot, vergaete): vergeten.

vergiete (vergoot, vergiete) (sgv): vergeten.

vergisse (mod.): vergissen.

vergomd: bros (hout), nog net niet rot.

verhoeze (mod.): verhuizen.

verhujere (verhujerde, verhujerd): Met warme kleren of met een warmtebron (teveel) verwennen.

verhuze (mod.): verhuizen.

verinnewere: kapot maken.

vrke, (vrkske, vrke of vrkes): varken.Doe zies oet wie e vrke (Jij ziet (er) uit als een varken).

vrkesbadsj (sgv): kooi om een varken te verplaatsen, met voor en achter twee handvatten waaraan ze gedragen werd.

vrkesnelles: scheldwoord, varkensnelis.

vrkessjtaal (vrkessjtelke, vrkessjtl): varkensstal.

verkierd (moe): verkeerd.

verkoop: openbare verkoop, veiling.

verkope (verkoch, verkaot): verkopen.

verkrppelde: verkreupelde, misvormde.

verkrppele (verkrppelde, verkrppeld): verkreupelen, misvormen, verpieteren.

verlae: verleden, vorig, laatst.Verlae jaor (Vorig jaar).Verlae kier (Verleden keer).

verlaore kolt of kos: [loc.] in smv, kwinten richting Ulvend bij fam. Lemmens - Nijssen. N 50 45 13.8, E 5 49 21 Kolt was een onderdeel van een ploeg.

verlaote (verleet, verlaote): verlaten.

verlere (verlaor, is verlaore): verliezen.

verlof: vrije dag.

vermold: vermolmd.

vermwagere (vermwagerde, vermwagerd) (moe): vermageren.

vernke (vernkde, vernkt): foppen, voor de gek houden, benadelen.

vernaolssige (vernao/lssige): verwaarlozen, veronachtzamen, geen aandacht wijden aan.du: vernachlssigen.

verrkke (verrkde, verrkd): verrekken, kapot gaan of maken, sterven.Verrk in 'ne maelzak, da gees te gepoejerd nao de hel. (ook in Groeselder diksj. bij sjtkke)Ga dood in een meelzak, dan ga je gepoederd naar de hel.Dat geet dat't verrkt (Dat loopt gesmeerd).Verrkde (Verrekte).

versjangelere (versjangeleerde, versjangeleerd), of versjandelere: kapot maken, beschadigen.

versjille (versjilde, versjild): verschillen.

versjillende: verschillende.

versjlakke (versjlakde, versjlak): verslakken.

versjliet (versjlie~t): slijtage, artrose.

versjliete (versjlaet, versjlaete of versjliete): verslijten.

versjneerke (versneerkde, versjneerk): verschroeien.

versjdde (versjdde, versjd): verschenken, morsen.

versjpraeke (versjprook, versjpraoke) (orig.): beloven.du: versprechen.

versjrikke (mod.): verschrikken, schrikken.

versjtaand: verstand.

versjtaeke (versjtook, versjtaoke) (orig.): verstoppen, verbergen.du: verstecken.

versjtieke (sgv) (orig.): verstoppen, verbergen.du: verstecken.

versjtoe: verstaan.Versjtees te mich? (Versta je mij?)ich vesjtaon, doe versjtees, hae versjteet, v'r versjtunt, d'r versjtod.

versjtoe (orig.): begrijpen.du: verstehen.Versjtees te? (Begrijp je?)

versjtoe, zich: zich verstaan, in verstandhouding leven.Jnge, verstod uch! (Jongens, versta je! Maak geen ruzie).Mit kalle versjteet me zich (Met spreken verstaat men zich met elkaar).Die tweej versjtunt zich neet (Die twee verstaan zich niet, hebben ruzie).

versjtoppe (mod.): verstoppen, verbergen.

versjtoppe (versjtopde, versjtop): verstoppen, dicht raken.

versjuut (versjute): [vet.] brucellose, koeienziekte.Wen's te de versjute has, kries te al d'n keu opgelaje (Als je brucellose hebt, worden al je koeien (na inbeslagname, op een vrachtwagen) opgeladen).

vertale (vertaalde, vertaald): vertalen.

vertlle (vertaot [mv: vertaote], vertaod): vertellen, mededelen.

vertlle (vertlde, vertld) (sgv): vertellen, mededelen.

vrtien (sgv): veertien.

Vertreutele (sgv): vertroetelen, verwennen.

vertroewe: vertrouwen.

vervaele (vervlde, vervld): vervelen.

vervaelend of vervaelentig: vervelend, saai, irritant.

vervange: [vet.] Hoefbevangenheid, laminitis, een ernstige stofwisselingsaandoening, die zich uit in een ontsteking aan de hoeflederhuid.

verve (verfde, geverf): verven.Allng ouw dre verft me (alleen oude deuren verft men, voor een oude vrouw met veel make-up).

verver (ve/rver): schilder.

verviere (vervierde, vervierd) (orig.): verschrikken, schrikken.nl: in 't Wilhelmus (nederlands volkslied): ben ik vrij onverveerd (onverschrokken).

Verviesj: [loc.] Verviers.

verwelke (verwelkde, verwelkt) (mod.): verwelken.

verwiefd: verwijfd.

verwiefde: verwijfde.

verziekering (verziekeringe): verzekering.

verzjwiege (verzjwaeg, verzjwaege): verzwijgen.

verzrge (verzrgde, verzrgd): verzorgen.

vt: vet.

vt vrke (vtte vrke): [anim.] pissebed, Porcellio scaber.

vetrenaer (vetrenae~r): veearts, dierenarts.

vtte: vette.

vttien: veertien.Ee vttien achtien (In '14-'18, de Eerste Wereldoorlog).

veule (veulde, geveuld): voelen.Hae veult.

veunkele (veunkelde, geveunkeld): hout branden, vuurtje stoken.

veunkele (veunkelde, geveunkeld): slaan, vechten, ruzie maken.

veunkelhaot: hout om de kachel aan te steken.

veunkelnj: fonkelnieuw.

visj: [loc.] Veurs, gehucht bij smv. N 50 44 17.3, E 5 50 27.4

vie: vee.

viedel: een kwartier van de uier van een koe.

viedel, viedel, viel of viel (vie/l) (orig.): kwart.du: viertel.Viel vr wirrekestied (Kwart voor werktijd). Viel op vot, mieng oer is kapot (Kwart op vot, mijn uurwerk is kapot).

vier (moe): wij.

viersj of viesj: windel.

vies (moe): vers.

vief: vief, levendig, zenuwachtig.

vief (vie~f) (moe-sgv): vijf.

vieftien (moe): vijftien.

vieftig (sgv): vijftig.

Viele: [loc.] Vijlen. N 50 47 18.9, E 5 57 49.9

vier (sgv): wij.

vies (mod.): vies.

vies (orig.): akelig, eng, onaangenaam, pijnlijk.Dzju, dat dng vies (Dju, dat was akelig).

vies (orig.): lelijk.

viesgevalle (vie~sgevalle): kieskeurig.

vieste (vie~ste): veesten, winden, scheten.Nieste, vieste, votse, vrke (Nijssen, winden, scheten, varkens, scheldrijm).

viets: wis

viez (vie~z) (mod.): [loc.] Wezet (Vis) N 50 44 17.5, E 5 42 18

villo (vi/llo) (orig.): fiets.A villo (orig.), mit d'r villo (mod.) (Met de fiets. fr: en vlo).Op 'ne ouwe villo liers te baeter vare es mit 'ne nuje (op een oude fiets leer je beter rijden dan op een nieuwe, als iemand met een oudere vrouw amoureuze omgang heeft).

vinger (vingerke, vingere): vinger.[med.]  'ne witte vinger (Een ontstoken vinger, ontstoken nagelbed, fijt).

vingsel: stremsel, om de kaas te vangen en te stremmen.

vinster: venster, raam.

vioel (mod.): viool.

virgel (virgelke, virgele): Schuifslot op een deur.

Visjkes: familienaam Veschkens.

vits (vit/s): snelheid.

vits (vit/s): versnelling.fr: vitesse.Zt 'm ee g'n twdde vits (Zet hem in de tweede versnelling).

vitsj of vietsj (vitsjke, vietsjke, Vitsje, vietsje): twijg, wis.

Vitsje: [loc.] Vitchenstraat in sgv. N 50 45 34.1, E 5 46 14.3

vjaas (sgv): hiel.

vjaas (sgv): vers (brood).

vjr (moe): voor.

vjs (moe): vers.

vjas (sgv): vaarskalf.

vjule (vjuleke, vjules) (moe): [anim.] veulen.

vlaai of vla (mod.): vla, vlaai, fruitvlagebak.

vlaam (vlemke, vlaam) (orig.): vla, vlaai, fruitvlagebak.

vlaamse gaai (mod.): [anim.] vlaamse gaai, Garrulus glandarius.

vlaegel (vlaegelke, vlaegele): vlegel.

vleeg (vleegske, vlege): vlieg.

vleegmasjieng: vliegtuig.

vleesj: vlees.

vlege (vloog, gevlaoge): vliegen.

vleger: vlieger, vliegtuig.

vliegel (sgv): vlegel.

vlim: visgraat.

vlinder (vlinderke, vlinders) (mod.): vlinder.

vloke (vlookde, gevlookt): vloeken.

vlook (vleukske, vleuk): vloek.

vod (mod.): vod.

voddaa: voort, vooruit.Maak voddaa! (Maak vooruit, schiet op!)

vods: voort, vooruit.Gaank vods! (Ga vooruit, scheer je weg!)

voegel (vugelke, vugel) (sgv): vogel.

voegelsjot (sgv): vogelschot, vogelschieten, koningsschieten.

voerd: oversteekplaats.

voejje: schaafsel.

voel (voe~l) (voele (voe/le)): lui.Doe voele! (Jij luierik!)

voele (voelde, gevoeld): rotten.

Voere: [loc.] 's Gravenvoeren. N 50 45 34.7, E 5 45 37.3

Voere: [loc.] Voeren, de Voerstreek.

voerendersj (sgv): het voerens, het 's gravenvoerens, het dialect, het plat van 's gravenvoeren.

voerener (voerenerke, voerenerre): voerenaar.

Voergaegend: Voerstreek.De boere van de Voergaegend (De boeren uit de Voerstreek).

voes: vos paard.

voes (voe~s) (vuuske, vuus): vuist.

voet (orig.) of voert: weg, in bijvoorbeeld weglopen, weggooien.nl: voort, du: fort.Voet lope (Weg lopen).Voet lappe (Weg stampen).

voetbrnge (braat voet, voetbraat): wegbrengen.

voetgaeve: weggeven.Hae zaat neet wie nge (dat) e wool voetgaeve (Hij zei niet welke (dat) hij wou weggeven).

vftien: vijftien.

vftig: vijftig.

voge (voogde, gevoogd): voegen.

vol: vlucht, specifiek in: mit volle vare.fr: vol (vlucht, de afstand tussen de vleugeluiteinden van een vogel of vliegtuig).Mit volle vare (In vluchten rijden, bij het spreiden van hooigras of de weide slepen aan het einde van een lengte steeds draaiend in dezelfde richting .Zo zal men aan de ene kant telkens n breedte overslaan (1-3-5-7 -...) en aan de andere zijde steeds een overgeslagen rij (2-4-6-8..) weer meenemen.

volge: begrijpen.

volges: volgens.

vlle (vlde, gevld): vullen.Hae vlt.

vollei: rolluik.

vllig (v/llig): ruim gevuld.E vllig kleed (Een ruimzittend kleed)Hae left vllig (Hij leeft royaal). 'n vllig gelaje kaar (Een et niet overbeladen kar).

Volvaesj (vero.): [loc.] Verviers. N 50 35 16.9, E 5 51 43.2Mogelijk verouderd omdat een vol vaesj ook een drachtige vaars of pink is.

voof: vijf.

vook: volk, ongunstig bedoeld: soort mensen.Dat is mich e vook (Dat is me een volk).E ze vook lt me baeter oet g'n hoes (Zo'n volk laat men beter uit het huis).

vool: vol.

vool: zat, dronken.Hagelekannnevool (Heel erg dronken).

Voor (Voo/r): de Voer (beek), soms ook gezegd tegen de Veurs (beek).Bruuj 't ee g'n Voor (Gooi het in de Voer).

voor (voo/r): dierenvoer.

voorbuul: haverzak, voerzak, voederzak voor het paard.

voorriej: [agrar.] voergang in de koeienstal.

voos (voo~s) (vske, vs): [anim.] vos, Vulpes vulpes.

voot (veutsje, veuj of veut): voet. 'n sjtk in zien veuj ('n stuk in zijn voeten, dronken).Hae heel 'm d'r voot ee g'ne boek (Hij hield hem de voet in zijn buik. Hij dwarsboomde hem).Dch d'ch get ee g'n veut (Doe iets AAN uw voeten. Normaal doet men de voeten in de schoenen!)

vootpad (vootpedsje): voetpad, kerkepad.

vrdel: [agrar.] de zone aan beide uiteinden van een lange ploegvoor, waar de tractor de ploeg lift en keert. Het wordt nadien geploegd dwars op de langsvoor. Ook kopvrdel.

vore (voorde, gevoord): voeren, eten geven.

vrm (vrmke, vrm): vorm.

vrmsel: vormsel.

Vsselder : [loc.] ten oosten van het Knipke in smv. N 50 45 1.8, E 5 49 18

Vossevraeter (Vossevraeters): Vossenvreter, bijnaam voor de inwoners van Sippenaken.

vot (vtsje, votte): achterwerk, bips.Mer get vr g'n vot gehouwe (Slecht werk geleverd, de kantjes er vanaf gelopen).

vot (vtsje, votte): boomstronk.

votlaok: achterwerk, bips, gat.

votlaok (votlker): onnozelaar, stommerik.Doe bs e votlaok (Je bent een onnozelaar),

vots, of vwaots: veest, buikwind.

votse (votsde, gevotst): votsen, winden laten.

vottes: onnozelaar, stommerik.

vouwe: vouwen.

v'r: wij.

vrachwage(l) (vrachwgelke, vrachwages of vrachwgel of vrachwagele) (mod.): vrachtwagen.

vrae: vrede, rust.Laot m'ch mit vrae (orig.) (Laat me met rust).

vraete (vroot, vraete (orig.) of gevraete (mod.)): vreten.Dao han 'ch de kat vraete. (JN) (Daar heb ik de kat opgegeten, daar kan ik me niet meer vertonen, heb ik me tot persona non grata gemaakt).Doe how 'ch de kat vraete. (JN)   (Dat werd me niet in dank afgenomen).Ich vraet, doe vrits, hae vrit.

vraem: vreemd.

vraeme: vreemde.

vraog (vrgske, vraoge): vraag.

vraoge (gevrot): vragen.ich vraog, doe vrugs, hae vraot

vrat (vrtsje, vratte) (mod.): wrat.

vrattel (vrttelke, vrattele) (orig.): wrat.

vrattelekroed (vrattelekroe~d): [botan.] Wrattenkruid, stinkende gouwe, Chelidonium majus L.

vreend (vree~nd): vriend.

vreg: brutaal, vrijpostig, onbetamelijk.du: freg

vreigelaer: iem. die plagend ruzie maakt.

vreigele: plagend ruzie maken.

vrmde: vreemde.

vreug: vroeg, tijdig.

vreuger: vroeger.

vreuger (mod.): vroeger in tijd, vroeger lang geleden, eerder.

vreugjaor: lente, voorjaar.

vreunk: wrong, draaiing.Va 'ne vreunk ee g'n derm kiet m'n 't koliek (Van een wrong in de darmen krijgt men het koliek).

vreutele: wroeten.

vreze (vroort, gevraore): vriezen.ich vrees

vriedig: vrijdag.

vrie: guur.Vrie waer (Guur weer).

vrie: moeizaam. 't waor vrie handele (Het was moeizaam handelen).Dat es 'ne vrie kael (Dat is een moeizame kerel, lastig persoon).

vrie: taai, niet mals.Vrie sjpek (Taai spek).

vriete (vroot, vriete (orig.) of gevriete (mod.)) (sgv): vreten.

vriej: vrij.

vrieje: vrijen.

Vrietef, op 'ne: [loc.] Vrijthof in Rem. N 50 43 52.9, E 5 52 21.3

vrieve (vrie~ve) (vraef): wrijven.Ich vrief (vrie~f), doe vriefs (vrie/fs), hae vrieft (vrie/ft).

vriewsj (vrie~wsj): takkenbos na de oogst op het veld geplaatst, ten teken dat "zmere" verboden is.

vrijweide: [loc.] vrijweide te moe.

vringe: wringen. 'ne haanddook oetvringe (Een handdoek uitwringen).

vroe: tevreden, blij.du: froh.Dao bn ich vroe! (Ik ben content!)

vrolluuj: vrouwen.Mansluuj wirreke-n-op zich a, vrolluuj van zich aaf (Mannen werken naar zich toe, vrouwen van zich af).

vrommesj: vrouw(mens).

vrsj: [anim.] kikker, kikvors, pad.du: frosch

vrow (vrwke, vrowwe): vrouw.De vrow Hoks (Mevrouw Hoks).

vrund (vrundsje, vrun): kameraad, vriend.

vrundsjap: vriendschap.

vruntelik: vriendelijk.

vuder of vurder (orig.): [anim.] bunzing, Mustela putorius.vgl. fr: furet = fret

vule: [anim.] veulen.E miets vule (Een maarts veulen, Groene specht, Picus viridis, roept (lacht) in het voorjaar als een hinnikend veulen).

vuilniswaggel (moe): vuilniswagen.

vuur: vuur. 'ne kop wie vuur ( Een vuurrood hoofd).

vuurblm (vuurblmme): [botan.] Knoopkruid, Centaurea jacea L.

vuurmaan: vuurman, sprookjesfiguur.Wegkruis bij de stenen bank: tot hier kwam indertijd "der Vuurmaan va g'n Wientsjeshei". Verder kon hij niet door dat kruis, daar was hij bang voor. De Vuurmaan was een geest in een mensenlijf helemaal omringd met vuur. Hij was feitelijk een man die voorzijn dood een graf had geschonden. Niemand durfde met hem te praten, zeker niet op hem te fluiten, want in Margraten werd ooit eens zo'n fluiter achterna gelopen. Gelukkig had die nog juist op tijd het poortje voor de neus van de vuurman kunnen dichtgooien. 's Anderendaags stond op het poortje " 'n versjneerkte haand oetgepreent". (een zwartgebrande hand in het poortje geprent). Een held was het die op de Vuurman durfde te roepen:  "Moorduvel Hellebraand.  Zoonder lip en zoonder taand. Kom oet, hie ben ich!" (uit: Voerense sagen, legenden en andere vertelkselkes door Rob Brouwers in Koenwf nr. 7).

vwaart (moe): oprit, inrit, vaart.

vware (moe): rijden.

vwattuur (vwattuu/r) (vwattuurke, vwatture): auto.fr: voiture

waal: wel.

Waand: [loc.] Wandre.

waandelaer (waandelaerke, waandelaere): wandelaar.

waandele (waandelde, gewaandeld): wandelen.

waas: zode.

wachelder (sgv): [botan.] Jeneverbesstruik, Juniperus communis L.du: Wacholder.

wade (wade, gewaad): wachten.

wae (mod.): wie.

waeber: wever.

waed: waarde.

waede (waod, waode (orig.) of gewaode (mod.)): worden.Ich waer, doe waers, hae waedt. Ich waod, doe waods, hae waod, v'r waote.

waek (waekske, waeke): week, 7 dagen.Dis ander waek (orig.),  'n nuuj waek (orig.), volgende waek (mod.) (Volgende week).

waes (moe): [loc.] Wezet (Vis).

Waesj (orig.): [loc.] Warsage.

waeg of waeg (waegske, waeg): weg, straat.Dao geet nge dr g'ne waeg (Daar gaat iemand over de straat).Ee g'ne waeg (Op de weg).

waej: wei, vocht dat overblijft na de bereiding van de kaas. Het casene-eiwit is er dan uit.

waejsje (woosj, gewaejsje): wassen.

waejsjpin (waejsjpinke, waejsjpinne) (mod.): wasknijper.

waejsjpitsj (waejsjpitsjke, waejsjpitsje) (orig.): wasknijper.

Waelsde: [loc.] Welsden.

waelsj (moe): waals.

waelt: wereld.

waeme (orig.): wie, wiemand...?Waeme zaet get? (Wie durft iets te zeggen?) Waeme waor dat? (Wie heeft dat gedaan?) Waeme buudt mie? (Wie biedt meer?) Wts te waeme? (Weet je wie?)  iemand met een te franse "w" (=oe) werd geplaagd met: Oe-waeme oe-wt oe-wievl? (Oe-wie oe-weet hoeveel?)

waene (wende, gewaend): wennen, op zijn gemak zijn, zich thuis voelen.

waer: het weer.Aafgonde waer, 't waer geet aaf (Dooi, verzachtend weer).Wat haat 't v'r waer, went 't plastieke doeze rent? Tupperware! (Wat voor weer is het als het plastic dozen regent? Tupperweer!)

waer: weerborstel, draaiing in de haargroei. 'ne waer in g'n haor (Een weerborstel in de haren).

waerk: werk.A ge waerk (Aan het werk).

waerm (wae~rm): warm.

waesjpattiel: waskom, waspateel.

waesjwief: dom voorkomende vrouw.

waever: wever.

waezet of waezent (wae~zent) (orig.): [loc.] Wezet (Vis).

waffel (weffelke, waffele): wafel.

wagel (waegelke, wagele): wagen, auto.

waggele (waggelde, gewaggeld): wankelen, waggelen.Waggelle, waggelle, waggelle - Dat deed 'ne miensj zoe good - Mer waggelt oe mer get en stet - En 't zit oos in 't blood (Refrein v.h. 1e carnavalslied van De Wagellerre 1958).

Waggelerre (sgv): karnavalsvereniging van sgv.

waggong: wagon.

wai: au, uitroep bij pijn.

wammesj: gek of vreemd uitziende vrouw.

wang (wengske, wange) (mod.): wang, wangen.

waod (wdsje, wd/wrd): woord.Ze haant wrd middee (Ze hebben woorden met elkaar, ruzie).

waope (moe): open.

waosj (wsjke, waosjte): worst.

waoter (moe): water.

waope: wapen.

war: [med.] strontje, een ontsteking van een haarzakje aan het ooglid. 'n war a g'n ow (Een strontje aan het oog).

warbs (orig.): [anim.] runderhorzel of runderhorzelvlieg, Hypoderma bovis.Insect dat in de zomer de koeien steekt en daarbij onderhuids eitjes legt. Deze ontwikkelen tot wormpjes, die later ontpoppen tot nieuwe insecten. Vroeger was de melkveehouder verplicht vr een bepaalde datum zijn vee zelf in te smeren met een bestrijdingsmiddel. Want als die wormpjes eruit groeiden werd het koeienvel doorboord en was het in de handel niets meer waard.

warechtig : waarachtig.

Warsaasj (mod.): [loc.] warsage.

wase (woos, gewase) (orig.): groeien.

wat: wat.

wat (orig.): welk.Wat v'r 'ne book has te dao? (Welk boek heb je daar?)

water (waeterke): water.

waterbatsj : waterbak.

waterhaam: juk voor twee emmers te dragen.

Waterloohuuske: een gebouwtje boven Altenbroek ter herinnering aan de nederlaag van Napoleon, gebouwd door de burgemeester van 's-Gravenvoeren Joseph de Schierveld, de heer van Altenbroek.

watermjeule (moe): watermolen.Doe hebs 'ne sjlaag van de watermjeule (Jij hebt een slag van de watermolen, stommerik).

waterpt: waterput.

watersjeiing: waterscheiding, heuvelrug, interfluvium.

watsj: au, uitroep bij pijn.

watsj (watsje): draai om de oren, oorvijg.

watsje (watsjde, gewatsjt): een draai om de oren uitdelen, een oorvijg geven.

wauwele (wauwelde, gewauweld): wauwelen, verveld dom praten, zeuren.Wat zits te te wauwele? (Wat ben je aan het wauwelen?)

Wazebngder: Graszodenbinder, bijnaam voor inwoners van Remersdaal.

weeg (weegske, wege): wieg.Va g'n weeg bis a g'n graaf (Van de wieg tot aan het graf, titel van een verzameling woorden en uitdrukkingen uit het land van overmaas door Langohr).

week: week, slap.E wkt, 'ne weke, 'n weke  (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).Doe bs 'ne weke (Jij bent een weke, 'n slappeling).

week (wee/k): wiek.

weeld: wild.

weend: wind.

weenke (weenkde, geweenkt): wenken, zwaaien, wuiven.

Weenkel: [loc.] de Winkel in moe.

weenkel (weenkelke, weenkele): winkel.Weenkel hotte (Winkel voeren).

weensjele, zich (orig.): woelen.

weenter (moe sgv): winter.

weer: gekastreerde schaapsbok.Sjtomme weer (Stomme kerel).

wees: wees(kind).

weg (mod.): weg, in bijvoorbeeld weglopen, weggooien.

wegketse: hard weglopen.

wei: wei.Ee g'n wei (In de wei).

weie: [agrar.] grazen, begrazen.

weier (moe): verder.

weipaol (weiplke, weipl): weipaal.Die haat bee wie wejpl (Die heeft benen zo stevig, zo dik, als weipalen).

weisjleip: [agrar.] weidesleep.

wk (wkske, wkke): melkbrood, wittebrood.

weke (wkde, gewkt): weken.ich week, doe wks, hae wkt (w/kt)

wkker (wkkerke, wkkere): wekker.D'r wkker ztte. Hae lpt aaf (De wekker zetten. Hij loopt af).

wel: wel, pletrol, wals.

welk (mod.): welk. Origineel wordt "welk" omschreven met "wie of wat".

welkenraad (mod.): [loc.] welkenraedt.

welkete of welketer (orig.): [loc.] welkenraedt.

welsj: waals.

Welsj (Welsjke, Welsje): Waal.en: Welsh. Ook daar van oorsprong gebruikt als benaming voor een bevolking die men niet verstaat. nl: koeterwaals.Echte Welsj (echte Waal, een Waal van buiten de Voerstreek).

Welsjhaof, op 'ne: [loc.] Clermontshof in Rem.

Wene: [loc.] Wenen.

wene (mod.): wenen, huilen.

went: als, indien.nl: wanneer.Jnge, went d'r Laobaer keumt en hae ziet dat v'r a g'n proeme zeunt. (Jongens, als Lambert komt en hij ziet dat we aan de pruimen zijn (zitten).

werkoongeval: werkongeval.

wermde: warmte.

werpe (mod.): werpen, gooien, smijten.

wersj: dwars.

wsjpin (moe): wasknijper.

wsjpitsj (moe): wasknijper.

wsjplaatsj: wasplaats, wasruimte, badkamer.

wsjsjpang (wsjsjpengske, wsjsjpange) (orig.): wasknijper.

wsjtieng: waskuip.

wsp: [anim.] wesp, Vespa soorten.

wspel (wspele) (moe): [anim.] wesp, Vespa soorten.

wt: ring aan de kribbe om de koeienketting door te rijgen.

wt: wet.

wte (wees [conj. 2: weus], gewte): weten. Ich weiet'nt (Ik weet 't niet).Ich weet, doe wts, hae wt.Went v'r alles weuste (Als we alles wisten).

Wts: familienaam Weerts.

wetsjtee: steen om te wetten, scherpen van zeis.

wzender: van Wezet (Vis).

wzenderwjg  (moe): [loc.] Visweg.

wezzel of wizzel: [anim.] wezel, Mustela nivalis.

widman: weduwnaar.

widvrouw: weduwe.

wie: hoe.Wie deet me dat? (Hoe doe je dat?)

wie: toen.Wie t'n-'n kaam... (Toen hij kwam...).

wie: zoals, gelijk.Wie me zaet (Zoals men pleegt te zeggen).

wie (orig.): welk.Wie enge kries te dich? (Welke neem jij?)

wied (wie~d): wijd, ver.

wied (wiedsje, meestal in gebruik als het mv: wiede (wie~de)): sneeuwduinen, opeengewaaide sneeuwmassa's.tssje d'r Merkef en Kapel liet 't vol wiede (Tussen Merkhof en Hendrikkapelle ligt het vol sneeuwduinen).

wieg (wie~g) (moe): weg.

wienig (sgv): weinig.

wier: verder.

wiersj (wie~rsj) (sgv): verder.

wiert (wierte): vijver.

wiet (wietsje): wicht, meisje.

wiezel (sgv): [anim.] wezel, Mustela nivalis.

wief (wie~f) (wiefke (wie/fke), wiever (wie~ver)): vrouw, oneerbiedig gezegd, wijf.Ouw wieverbal (Oude wijvenbal. Feest voorafgaand aan carnaval waarbij iedereen als oud wijf verkleed gaat).

wiej (wiejke, wieje): [botan.] wilg, Salix soorten.

wieje (wiede, gewiejd): wijden.

wieje (wiejde, gewiejd): van een kwaal afhelpen door het te wijden of te zegenen.

wiejekroed: [botan.] Perzikkruid, Polygonum persicaria L.

Wieljam (Wie/ljam): roepnaam William.

wiemel of wiemer (wiemelke, wiemele) (moe): [botan.] aalbes, Ribes rubrum.

wien (wie~n): wijn.

wienkel (wienkelke, wienkele of wienkels): winkel.

Wienkelhf, ee g'n: [loc.] In de Winkelheuf, ten zuiden van het huidige kerkhof van St.-Martens-Voeren. N 50 44.776, E 5 48.616

Wierwoof (sgv): weerwolf, iemand die zijn ziel aan de duivel had verkocht en daarom gedoemd was tot nachtelijke zwerftochten.Zo iemand kreeg van de duivel een weerwolfsvel dat hij 's nachts tijdens zijn tochten moest aantrekken: voor zonsopgang was zo'n weerwolf weer terug thuis, stijf van de kou en soms gekwetst. De wonde die hij opliep bleef hij behouden, ook als hij weergewone burger was. Een weerwolf werd pas verlost als iemand dat weerwolfsvel vond en verbrandde. Kwam je een weerwolf tegen dan moest je ofwel een kruisteken maken ofwel een klosje garen voor zijn voeten werpen, want zo'n weerwolf had een onweerstaanbare drang om het garen terug op te winden. Intussen kon je vluchten. Ook kon je 'n zakdoek naar hem gooien. Op een keer was een jongen bij een van de 2 meisjes van "d'r baoj" Dewez vrijen geweest. De jongen was al lang naar huis, toen rondmiddernacht bij Dewez op de deur werd geklopt. Het meisje dacht dat haar jongen misschien iets vergeten was.  Maar er stond een grote lelijke hond voor de deur. Het meisje gooide meteen haar rode zakdoek naar het beest dat "d'r plak" in stukken scheurde. Zo kon het meisje de deur dichtgooien. Toen de jongen na enkele dagen weer wilde komen vrijen zag het meisje stukjes van haar rode zakdoek tussen zijn tanden.  (uit: Voerense sagen, legenden en andere vertelkselkes door Rob Brouwers in Koenwf nr. 7).

Wies (Wie/s): roepnaam Louise.

wies (wie~s): wijs.Van de wies (van de wijs).

wiesvrouw (wie~svrouw): [med.] vroedvrouw.nl: wijze vrouw (vroed = wijs).

wietsjke: beetje, weinig.

wievl: hoeveel.

wieverendaans: oude wijvendans.

wievergek: vrouwengek, vrouwenzot.

wiewater (wie~water): wijwater.

wieze (wie~ze) (waes, gewaeze): wijzen.

wiezjele (wie/zjele) (sgv): onzin vertellen, bazelen, kletsen.

wiks of wieks (wie/ks): schoensmeer.

wikse of wiekse (wie/kse) (wiksde of wieksde, gewiksd of gewieksd): schoenen poetsen.

wille (wol, gewild): willen.

windel: windel.

Winkel (moe): [loc.] Winkel in moe.

winne (wn, gewnne) (orig.): dekken, bevruchten, bespringen (zoogdieren).Waeme wint? D'r sjteer wint! (Als men bij het kaartspel vraagt: Wie wint? (in plaats van te vragen: Wae verdint?) Antwoordt men: D'r sjteer wint! (De stier dekt! Niet de kaarters).

winne (wn, is gewnne) (mod.): winnen.

winneke: beetje, weinig.

winnig of wnnig: weinig.

wir: weer, opnieuw.

wirke (wirkde, gewirkt of gewirk): werken.

wirkes: werkhuis, atelier.

wit: wit.E wit, 'ne witte, 'n witte  (zelfst. gebruikt bijv. naamw. onz, mn. en vr. Zie bij greun).Witte cola (Cola met een jonge klare, e drpke).D'r witte (de witte, benaming voor een blondharige).

Wit Pjaard, 't (sgv): [loc.] in sgv.

Wit-Hoes: [loc.] Withuis, moe.Va ge Wit-Hoes (Van Withuis afkomstig). A ge Wit-Hoes (in Withuis).

witmoos: witte kool.Ee g'n blaar van 't witmoos (Tussen de bladeren van de witte kool).

witte (gewit): witten, witkalken.

witvaege: [vet.] witvuilen bij koe, merrie of zeug, schoonmaak van baarmoeder, spontane uitvloei uit de schede bij een baarmoeder-baarmoederhalsontsteking.

wjg  (moe): weg, straat.

woed of woerd: woord.

woesj of woersj (sgv): worst.

wnne of woene (wnde of woende, gewnd): wonen.ich wn, doe wns, hae wnt, v'r wnne of v'r woene, d'r wnt

woof: hebberig persoon.

woof  (wfke, weuf): [anim.] wolf, Canis lupus.

wook (wkske, woke) of wolk: wolk.Hollensje (of belsje) piemele, hangen aa g'n miemele, hangen aa g'n wolke, waede gemolke (Hollandse (of belgische) piemels, hangen aan de aalbessen, hangen aan de wolken, worden gemolken).

wrbele of wlbere of mrbele: [botan.] blauwe bosbes, Vaccinium myrtillus L.du: Waldbeere. Wrbele met metathesis van L en R.

wortel (mod.): wortel.

wortel (wortele) (sgv): wortel, peen.

wsj (wsjke, wsje): bos (bloemen).

wzjele (w/zjele): onzin vertellen, bazelen, kletsen.

wunsjele: woelen.

zaal (zaelke, zadels): zadel.

zaal (zaelke, zale): zaal.

zaat: zat, dronken.

zaat (moe): zout.

zaege (orig.): zeuren, zagen.

zaen: zegen.

zaene (znde, geznd) (orig.): zegenen.Zich mit de tiene zaene (Het is onmogelijk om te doen).

zaenjele of zaengele (zaenjelde, gezaenjeld): zegenen.

zaes of zs: zes.

zage (zaag, gezaagt): zeggen.

zage (zaat [conj 2: zaet], gezaat): zeggen.ich zaag/zan, doe zs, hae zt, v'r zage, d'r zaat. vt: Ich zaat, doe zaats, hae zaat, v'r zate, d'r zaat.

zaiig of z-ig: gevoelig, allergisch.Ich bn z-ig an... (Ik ben gevoelig voor, allergisch voor...).

zak (zkske, zk): zak.Dae haat niks in d'r zak (Die is niks waard, heeft geen kracht).

zakdook (zakdeukske, zakdeuk) (mod.): zakdoek.

zal: zal.

zalig: zalig.

zaod (zdsje): zaad.

zaok (moe): zaak, ding.

zaomer (zmerke): zomer.Ee d'r/g'ne zaomer (In de zomer).

zmere: Bijeen sprokkelen. Achtergebleven aren van zomerveldvruchten op een gemaaiden graanakker bijeenrapen; aren lezen; naoogsten, het laatste achtergebleven fruit plukken.nl: zomer: Oude inhoudsmaat voor graan en andere waren.

zaomere (zaomerde, gezaomerd): zomeren, zomer worden.

zp (z~p) (moe): een mengsel van "heksel" (gehakt stro) en "krote" (bieten).

zaot (zao~t): zout.Gezaote sjieps (Gezouten chips).

zat: genoeg.du: satt

zat: voldaan, klaar met eten.

ze: zij .

zeek: geleuter, gezever, problemen, ruzie.Dao has te d'r zeek (Daar zijn de problemen).

zeek: zeik, urine, drijfmest.Zeek vare (Drijfmest uitrijden).

zeekbaer: vervelende zeurkous.

zeekbuul: onzinverkoper, lulkoekverkoper, rotzak.

zeeknelles (zee~knelles) (moe): vervelende zeurkous.

zeekton: aalton.

zeel: touw.

zeen: zin, tekstregel.

zeen: zin, trek, lust.

zeen: zin. nut, bedoeling.

zeenk: zink.

zeenklaok: zinkkuil, doline.

zeep: zeep.

zeepsop (mod.): zeepsop.

Zegel, d'r: [loc.] In de Zegel, ten zuiden van Ulvend, ten westen van g'n Priejekoele. N 50 45.374, E 5 49.819

zgke (zaat [conj 2: zaet], gezaat): zeggen.ich zk, doe zs, hae zt

zke (zeekde, gezkd): zeiken.

zke (zeekde, gezkd): zeveren, leuteren.Dae hat gt te zke (Die heeft wat te leuteren).

zelf (mod.): zelf.

zelfde (mod.): zelfde.

zmp : [botan.] Algemene benaming voor onkruid met gele bloemen, zoals koolzaad, herik en mosterd.Sint-Marten rond 1900: In het vroege voorjaar moesten de arme kinderen de bladeren van zemp gaan plukken omdat de moeders niks anders meer hadden om tussen de aardappelen te koken.

zmp : [botan.] Specifieke benaming voor herik, Sinapis arvensis.

Zennech (teu): [loc.] Sinnich teu.

Zennich of Zinnich: [loc.] Sinnich in teu.

zenuw (zenuwke, zenuwe) (mod.): zenuw.

zs: zeis. 'n zs waedt gehaard mit 'ne sjliepstee, in 'n brsj gevld mit essig an 'ne reem van de brook bewaard (Een zeis wordt gehard met een slijpsteen, in een beurs gevuld met azijn aan 'n riem van de broek bewaard).

zessel: houthiep, kapmes.

zssel (sgv): zeis.

zeuke (zaot, gezaot): zoeken.

zeuke (zoet, gezoet): zoeken.

zeure (mod.): zeuren, zagen.

zeut: zoet.

zeutsje: zoutje.

zeverer: zeveraar, zeurkous.

zeverlap (zeverlepke, zeverlep) (orig.): slabber, slabbetje.

zicht (sgv): sikkel, een zeis met een korte steel.

zie (zie/): kant.

zie (zie~): zij.

ziech of siech: kijk eens aan, tiens, propos, oh.Siech, dat how ich bao vergaete (Oh, dat was ik bijna vergeten).Siech, bs te nao Voere gewes? (A propos, ben je naar Voeren geweest?) Siech, dat hj me neet gedaat. (Kijk eens aan, dat had men niet gedacht).

zie (zie/): zee.

zie (zie~) (waor [conj. 2: wier], gewest): zijn.ich bn, doe bs, hae is, v'r zeunt, d'r zeut, zie zeunt. Ich waor, doe waors, hae waor, v'r waore, d'r waort.

zie (zie~) (zoog, gezie): zien.Da's neet om aa te zie (Dat is niet om aan te zien.) Ich zeen, doe zies (zie/s), hae ziet (zie/t)Dat v'r get ziente (Zodat we iets kunnen zien).V'r ziente dich neet mie? (We zien je nooit meer. Hoe komt dat?)

Ziegel, ee g'ne: [loc.] In de Zegel, ten westen van de weg Kwinten, daar waar deze begint te stijgen. N 50 45.03, E 5 48.975

zieker: zeker.

ziekerheed: zekerheid.

ziel: ziel.

ziene (ziende, geziend): zaaien.

zietel (zietelke, zietels): zetel.

zieve (sgv): zeven.

ziegel: [loc.] zegel in moe.

ziej: zijde.

ziej (ziejke, zieje): zeef.

zieje: zeven.De mlk zieje mit 'n ziej (De melk zeven met een zeef).

ziejke: theezeefje.

ziejsjttel: vergiet.

zileger (moe): zaliger.

zieng: zijn (bezitt. vnw.)

ziesjpan: zijspan.

zinge: zingen.

zinnes: van zins, van plan.Wat bs dich va zinnes? (Wat ben jij van plan?)

zitte (zoot, gezaete): zitten.Hae zit (zi/t). Zich zitte (zitten gaan). Zt dich (Ga zitten).

zitting: karnavalszitting.

Zjaak: roepnaam Jaak.Zjaak va Puuwke (Jaak van Paulus).

Zjang: roepnaam Jean.

Zjao: roepnaam Jean.

zjaor: genre, soort.

zjartl: kousenophouder.fr: jarretelle.

zjat (orig.): kop, tas.waals: jatte

Zjf: roepnaam Jozef.

zjeloes: jaloers.

zjem (mod.): jam.

zjenderm (zjendermke, zjenderme): rijkswachter, politieagent.fr: gendarm.

zjendermerie: rijkswachtkazerne. politiebureau.

zjenere (zjene~re) (zjeniede, gezjenied): generen, zich schamen.

Zjeng (Zjengske): roepnaam Jean.Zjengske, piere-hengske, zaot op e plenkske,  plenkske sjplaet en Zjengske sjaet! (Jantje, piere-hansje, zat op een plankje, plankje spleet en Jantje scheet! Kinderrijm).

Zjennie: roepnaam Jennie.

Zjra (moe): roepnaam Gerard.

Zjraar: roepnaam Gerard.

zjetong: jeton, munt.

zjevvesjlaoper (moe): [anim.] relmuis of zevenslaper, Glis glis of Myoxus glis.

Zjiel: roepnaam Gilbert.

zjiel (zjielleke, zjiels): (heren)vest, jasje zonder mouwen dat bij een kostuum hoort, mouwloze trui.fr: gilet.

zjieprok (zjie/prok): gipsplaat.merknaam Gyprock.

zjli (moe): gelei, jam.

zjoem zjoem: zwaar zoemend geluid nabootsen.

zjoernal, de: Le Journal d' Aubel sinds 1874.

zjmbad: zwembad.

zjmme: zwemmen.

Zjozef of Zjozf (Zjoz/f): roepnaam Jozef.

zjuleement (zjulee~ment): [loc.] Julemont.

zjusement (zju/sement): rechtsuitspraak, oordeel.fr: jugement.Baeter e sjlaet arrangement es e good zjusement (Beter een slechte regeling dan een goede rechtsuitspraak).

Zjuul: roepnaam Jules.

zjuup: rok.fr: jupe

zjuus: juist, net.Zjuus te goo! (Net goed!)

zjuustement: juist, precies, rechtvaardig.fr: justement

zjwaam (zjwaa/m): walm, zwarte rook.

zjwaats (zjwetske, zjwetse) of zjwaasj: zwoerd, rand van een stukje spek.

zjwabbere (zjwabberde, gezjwabberd): zwabberen, slingeren.

zjwaegel (zjwaegelke, zjwaegele) (orig.): lucifer.nl: zwavel.

zjwaegerse: zwagerin, vrouw van schoonbroer.

zjwaer (zjwaerke, zjwaere): [med.] zweer.

zjwaerbel (zjwaerbelke, zjwaerbele)  (moe, sgv): [anim.] zwaluw, Hirundinidae.

zjwaerbele (zjwaerbelde, gezjwaerbeld)  (moe, sgv): slenteren, rondwandelen.Roond zjwaerbele (doelloos rondwandelen).

zjwaere (zjwaerde, gezjwaore): [med.] zweren.

zjwame (zjwa/me) (zjwamde, gezjwamd): zwarte rookvorming, dampen.

zjwame (zjwamde, gezjwamd): tabak roken.Doe zjwams (Jij rookt).

zjwans (zjwnske, zjwanse): staart.du: Schwanz.

zjwaoger (zjwgerke, zjwgers): zwager, man van schoonzus.

zjwaol: zucht in de uier, voorafgaand aan het kalven.

zjwart (sgv): zwart.

zjwat: zwart.D'r zjwatte (de zwarte, zwartharige persoon). Zjwatte vlaam (Zwarte vlaai met spijs van gedroogde pruimen).Hae ziet alles in 't zjwat (hij ziet alles in 't zwart, is mismoedig).

zjweenke: slingeren, zwenken.

zjwjnerie: rotzooi.du: schweinerei.

zjwelber (zjwelberke, zjwelbere): [anim.] zwaluw, Hirundinidae.

zjwense (zjwe~nse): paardenstaart couperen.

zjwerbelsjtoets: jacquet, pandjesjas

zjwerme (zjwermde, gezjwermd): zwermen.Bieje zjwerme (bijen zwermen).

zjwete (zjwdde, gezjwt): zweten.ich zjweet, doe zjwts, hae zjwt (zjw/t)

zjweunk of zjwoonk: zwier.

zjwiegel (zjwiegelke, zjwiegele) (sgv): lucifer.

zjwiege (zjwie~ge of zjwie/ge) (zjwaeg, gezjwaege): zwijgen.

zjwimme: zwemmen.E breukse vr te zjwimme in 'ne kaffespot (Een broekje om mee te zwemmen in een koffiepot,als iemand een klein broekje aanheeft)

zjwingel of zjwungel (zjwingelke, zwingele): zwengel.

zjwingele (zjwingelde, gezjwingeld): zwengelen.

zjwoer: zwaar.

z: zo.E-ze mos-te dat doe (Zo moet je dat doen).

zoch: [anim.] zeug, zogend varken.

zoddesjtig: zaterdag.

zoe (moe-sgv): zo.

zoermoos: zuurkool.

zoejuus: zojuist.

zoeke (zoe~ke) (zaok, gezaoke): zuigen.

zomer of zoemer: zomer.

zoepe (zaop, gezaope): zuipen (bier, kalveren).

zoer: zuur.

zoerdesem: zuurdesem.

zoermlk (zoe/rm/lk): [botan.] Paardenbloem, Taraxacum soorten.

zoevl: zoveel.

zoe-wie-zoe: in elk geval.du: so wie so.

zk (zkske, zkke): sok.Mit gesjtopde zkke lps te langer es mit nuuj (met gestopte sokken loop je langer dan met nieuwe, de tijd dat iets nieuw is vele malen korter is dan na de eerste herstelling).Va g'n zkke (Van de sokken, omver).

zlder: eerste slaapverdieping, slaapkamer.

zolder (zlderke) (sgv): eerste slaapverdieping, slaapkamer.

zn (zunke, znne): zon.

znder (mod.): zonder.

znne (znde, geznd): zonnen, zonnebaden.

zoomp: drassig stuk.du: sumpf.

zoompig of zoompetig: moerassig, drassig.du: sumpfig.

zoonder: zonder.

zoondesms : zondagsmis.

zoondig: zondag.

zrge (zrgde, gezrgd): zorgen voor, zorgdragen.

zrgzaam: zorgzaam.

zster (zsterke, zstere): zus, zuster.

zvve (zvves): zeven.

zvvetsig (rem): zeventig.

zwaos: varkensonnozelaar, scheldwoord.

zule (zuulde, gezuuld): snel lopen.Hae zuult.

zus: zo.nl: Zus en zo.D'r ene zoe, d'r aandere zus (De ene zo, de andere zus).

zus (orig.): want.niet gelijk du: sonst.

zuul: priem, leernaald.

zwoog (zg) (moe): [anim.] zeug, zogend varken.