Tommy Wieringa – Joe Speedboot
analyse

De Bezige Bij, Amsterdam, 2005

De schrijver
Tommy Wieringa brak pas goed door als succesvol schrijver in 2005 met Joe Speedboot. Daarvoor had hij al drie boeken op zijn naam. Twee bij de kleinere uitgeverij In de Knipscheer. Voor Alles over Tristan, zijn eerste boek bij De Bezige Bij, ontving hij al wel de Halewijnsprijs.
Tommy Wieringa heeft een deel van zijn jeugd doorgebracht op Aruba. Op negenjarige leeftijd keerde hij met zijn ouders terug naar Nederland waar hij een lastige gang door allerlei scholen maakte en zelfs van de Vrije School werd afgestuurd. Zijn studie geschiedenis in Groningen maakte hij niet af, maar wel de opleiding tot journalist in Utrecht. Hij schrijft nu onder meer voor de Spits, Rails, en Volkskrant magazine.
Bij de introductie van Joe Speedboot haalde Tommy Wieringa het nieuws omdat hij zijn vrienden naar de boekhandels stuurde om naar zijn boek te vragen. Hij mailde iedereen zelfs standaardzinnen die ze tegen de boekhandelaren konden zeggen. Of dat de reden is dat deze roman zo goed is gaan lopen is maar de vraag, maar binnen enkele maanden werd de vijfde druk al opgelegd en waren de filmrechten verkocht.
De naam Joe Speedboot komt uit de realiteit vertelt Wieringa aan het Noordhollands Dagblad: ‘Ik hoorde ooit dat iemand zich zo noemde. Het fascineerde mij; iemand die zijn oude zelf wil vergeten, en een nieuwe identiteit aanneemt.’

Inhoud
Het boek bestaat drie delen: ‘Penseel’ (blz. 9 t/m 197), ‘Zwaard’ (blz. 201 t/m 308) en ‘En toen’ (blz. 311 t/m 316). Hieronder volgt een tekstvolgende samenvatting.

Penseel
‘Het is een warm voorjaar, in de klas bidden ze voor me omdat ik al meer dan tweehonderd dagen van de wereld ben.’ (blz. 9) Fransje Hermans ligt in het ziekenhuis in coma, omringd door zijn familie die het vaak heeft over een nieuwkomer in het dorp, Joe Speedboot. Na 220 dagen ontwaakt Fransje, maar alleen zijn rechterarm doet het nog: ‘Ik heb er wel eens beter voor gestaan.’ (blz 11) Na tien maanden revalidatie mag hij naar huis.
Omdat zijn broers Dirk en Sam zich voor hem schamen, duwen ze de rolstoel met Fransje naar een verlaten huis in plaats van hem mee te nemen naar de kermis. Daar, in het donker, ontmoet hij voor het eerst Joe Speedboot (blz. 14). Joe Speedboot is het dorp Lomark letterlijk binnengevallen met een vrachtwagen die zich in het huis van de familie Maandag boorde. Zijn vader kwam daarbij om het leven. De ontmoeting met Fransje viert Joe met een prijsbom: hij blaast het elektriciteitshuisje op dat de kermis van stroom voorziet.
Joe leert langzaamaan weer te bewegen (met zijn linkerarm). Aangezien er niks mis is met zijn hersenen gaat hij weer naar school. Hij komt in de klas met Joe en Christof Maandag. Op de wc wordt Joe geholpen door Engel Eleveld. Joe gaat zelfstandig naar de wc, maar blaast er abusievelijk eentje op, waarna hij een pink en een ringvinger zal missen.
In zijn vrije tijd volgt hij Joe en Christof als die gaan vissen. Christof denkt dat hij ze achtervolgt. Joe is vooral geïmponeerd door de kracht van de arm van Fransje. Hij krijgt de bijnaam Fransje de Arm.
Op een dag overreedt Fransje zijn broertje Sam om voor hem een kauwtje uit de boom te halen. Sam komt echter vast te zitten. Daarop haalt hij Joe voor een reddingsactie. Onderweg naar de boom ziet Joe de verrekijker aan de rolstoel van Fransje. ‘Een gevoel van dankbaarheid kneep mijn keel dicht – ik werd gezien, en wel door de enige in de hele wereld door wie ik gezien wilde worden…’ (blz. 43) Als Joe ook nog een kauwtje, Woensdag gedoopt, uit een nest haalt concludeert Fransje: ‘Ik was heel gelukkig.’ (blz. 44)
Als Fransje 15 jaar is gaat hij zelfstandig wonen in het tuinhuisje dat zijn vader voor hem bouwt. Sindsdien schrijft hij in zijn dagboek, indachtig de stelregel van de samoerai, van wie de weg tweeledig is, die van het zwaard en van het penseel. Hij doet het als een soort van oudedagsvoorziening, zodat mensen later precies konden terugvragen hoe het was op een bepaalde dag en dat hij na afloop in zijn notitieblok kan zetten: ‘EEN KNAAK’.
De intrede van een nieuwe tandarts in Lomark brengt ook de bloedmooie Piecolien Jane, kortweg PJ, in het leven van de jongens. Joe millimetert zijn haar. Het gerucht dat de moeder van PJ nudiste is verhit de gemoederen van Christof, Engel en Fransje. Joe kan het gerucht meteen gebruiken als hij weer zijn plannen ontvouwt: ‘Als we haar naakt willen zien, moeten we zelf een vliegtuig hebben.’ (blz. 59)
De jongens bouwen gezamenlijk aan het vliegtuig, dat van oude spullen en gestolen goederen in elkaar zit. Fransje wordt ingezet om staven te verbuigen. Joe doet ook een rondje armworstelen met hem. Als het winter wordt en de rivier bevroren zal zijn, zal het vliegtuig van Joe genoeg ruimte krijgen om op te stijgen.
Regina Ratzinger heeft intussen een vriend opgedaan tijdens haar reis naar Egypte. Ze reist terug om met Mahfouz Husseini te trouwen en hem mee te nemen naar Lomark.
In het nieuwe jaar heeft het hard genoeg gevroren voor een eerste proefvlucht. Fransje gaat met zijn rolstoel in zijn eentje over het ijs van de rivier om alles van dichtbij te zien, maar helaas komt het toestel nog niet van de grond. Op 4 januari mislukt het opnieuw, maar op 10 januari gaat het vliegtuig met Joe eindelijk de lucht in. ‘Nu was niets meer onmogelijk voor hem.’ (blz. 84)
Mahfouz is lange tijd in Egypte geweest om zijn zaken af te handelen en in de tussentijd heeft Regina Ratzinger het huishouden laten sloffen. Hij leert Nederlands en wordt door Regina gekleed als  een ‘tropische dandy’. Mahfouz begint Fransje ook te duwen en vertelt hoe hij Regina bij zijn souvenirwinkeltje een geschenk had gegeven: een modelscheepje, een feloek met een zeil waarop het oog van Horus geschilderd was. Steeds vaker is hij te zien met Fransje aan de rivier te kijken naar boten. Joe vertelt Fransje dat Regina zijn paspoort heeft afgepakt om te voorkomen dat hij wil vluchten.
Intussen leert Dirk Fransje bier drinken en belandt hij in zijn eerste caféruzie. Na die ruzie ziet Fransje Joe een tijdje niet en schrijft hij veel in zijn dagboeken waarin hij nadenkt over vroeger toen hij waaromvragen stelde over het leven, maar bij familie of in het geloof geen antwoord vond. ‘Ik zag middelmaat en volgzaamheid. (…) Als het waar was dat wij de maat van alle dingen waren, dan was er geen reden om op verlossing te hopen.’ (blz. 107) Hij schrijft ook over zijn ongeluk toen hij in een grasveldje ligt te slapen (‘Ik zonk tot waar het donker was en stil.’ blz. 107) wordt hij gegrepen door een cyclomaaier. Half dood was er toch een reden om in leven te blijven: ‘Misschien dat Joe de reden was.’
In februari neemt Joe plotseling Fransje mee voor een vlucht in het zelfgemaakte vliegtuig. De tocht is euforisch, maar dan bedenkt Fransje dat ze ook nog landen moeten: ‘Ik dacht aan de dood, dat Joe en ik samen… en toen was ik er opeens niet zo bang meer voor.’ (blz. 128)
Twee maanden later zit Fransje te blokken voor eindexamen en nadat de eerste Nijlganzen over zijn komen vliegen, komt hij erachter dat Mahfouz bezig is om een feloek te bouwen aan de rivier. Op een dag komt de door iedereen bewonderde PJ langs met haar vriendje Joop Koeksnijder, maar volgens Engel vindt ze Joe ook leuk. ‘Jij bent van de vrouwen hier, zegt Joe, ik van de dingen waar benzine in moet.’
De jongens slagen allemaal voor hun eindexamen. Joe en Engel worden toegelaten tot de kunstacademie, Christof gaat rechten studeren. Joe krijgt van zijn vader een brikettenpers, waarmee hij oude kranten kan persen tot briketten voor het haardvuur.
Op een mooie dag wordt de feloek van Papa Afrika Mahfouz feestelijk te watergelaten. Half Lomark is uitgelopen voor de plechtigheid, maar wat eerst feestelijk leek, draait uit op een ramp voor Regina Ratzinger, haar man vaart weg en verdwijnt op de rivier. Waarschijnlijk vaart hij terug naar Egypte. Regina wordt een tragische vrouw en Joe vertrekt uit Lomark.
Tijdens een excursie van de kunstacademie naar Amsterdam glipt Joe ertussenuit en belandt in een coffeeshop, waar hij toevallig PJ tegenkomt. Die nodigt hem uit. Zij heeft inmiddels een relatie met de schrijver Arthur Metz, een moeilijke, agressieve man.
In november is Joe al weer terug in het dorp. Hij wordt uiteindelijk shovelmachinist bij Betlehem. Als PJ inde vakanties in het dorp is, blijkt dat de vriendschap tussen haar en Joe verder gaat, tot jaloezie van Fransje: ‘Soms lijkt het of ik ga huilen maar dat is onzin, ik zal van steen worden.’ (blz. 177)
Op 1 mei het jaar erop draait Joe het hoefijzer op het huisje van Fransje om, want dat brengt geluk. Tevens ontvouwt hij zijn plan om van Fransje een armworstelaar te maken, maar dat wordt categorisch afgewezen, uit paniek. ‘Wat Joe deed was niet minder dan mij een plaats in de wereld aanbieden, een bewegingsvrijheid die ik niet kon overzien.’ (blz. 184) Daarna heeft Joe het er niet meer over. De kauw Woensdag vliegt weg.
Op een dag overvallen Joe en PJ Fransje die net met ontbloot bovenlijf briketten aan het persen is. Vol schaamte vlucht hij weg, maar later ontdooit hij toch weer als PJ het woord tot hem richt en onder de indruk is van zijn dagboeken. Gezamenlijk halen ze bij Engel Joe’s spullen op. Het is de laatste keer dat ze Engel levend zien.
Het weekend erna gaat Joe met Fransje naar de autosloperij van zijn vader, waar hij sinds zijn ongeluk niet meer is geweest. Tot schrik van beiden ontdekt Fransje daar dat er een enorme brikettenmuur ligt. ‘Pa was stil van ontreddering, ik zag mijn eigen schaamte weerspiegeld in zijn ogen, en zo stonden we elkaar aan te gapen in die Spiegelzaal van Pijnlijkheden.’ (blz. 197)

Zwaard
Joe stoomt Fransje klaar voor het armworstelen. Hij volgt een speciaal dieet om zwaarder te worden, doet oefeningen en verdiept zich opnieuw in de leerstukken van de ware samoerai, waarbij hij de vrijheid neemt om daar waar ‘zwaard’ staat ‘arm’ te lezen en oefent wat op een dorpsgenoot.
Met Joe reist hij naar Luik waar hij als François le Bras het opneemt tegen potige mannen op een rokerig bovenzaaltje. Tot aan de finale wint hij elke partij, met de lessen van de samoerai steeds in zijn achterhoofd, maar dan moet hij zijn meerdere erkennen. Fransje heeft zijn eerste prijzengeld binnen.
PJ komt weer terug in het dorp, nadat ze ruzie heeft met haar vriend. Joe en Fransje laten haar weten dat ze er zijn.
Het eerstvolgende toernooi in Wenen gaat verloren voor Fransje, maar in het dorp wordt er wel over hem gesproken. ‘Ik merkte dat er anders naar me gekeken werd – dát er naar me gekeken werd.’ (blz. 228) Het schrijven van zijn dagboeken heeft hij gestopt omdat hij ‘een man van de daad’ geworden was.
De volgende keer dat PJ door haar vriend mishandeld is vraagt, Fransje haar om mee te gaan naar de volgende wedstrijd in Rostock. In Rostock verloopt alles voorspoedig en de aanwezigheid van PJ geeft Fransje extra kracht: hij wint het toernooi. In het hotel verdwijnt Joe ’s nachts naar de kamer van PJ. Die nacht verliest Joe zijn maagdelijkheid. Fransje is razend jaloers, maar houdt, ook thuis, zijn gevoelens voor PJ geheim. Joe is alweer bezig met een volgend project: met een omgebouwde shovel wil hij meedoen aan de race Parijs-Dakar.
Tijdens een toernooi in Duitsland horen Joe en Fransje dat Engel een ongeluk heeft gekregen en dood is. Hij heeft in Parijs een hond op zijn hoofd gekregen. Tijdens de begrafenisplechtigheid zit Fransje naast Joe en PJ die elkaars hand vasthouden. ‘Het sneed mij in tweeën als een rivier; op de ene over was Joe die ik liefhad als geen ander, aan de overkant was hij mijn tegenstander omdat hij mijn kostbaarste droom had verstoord.’
Op de radio hoort Fransje een gesprek met Arthur Metz die een roman heeft geschreven over zijn relatie met PJ. Om een vrouw heet het boek dat hij eigenlijk Hoer van de eeuw had willen noemen.
Fransje koopt het boek en leest dat PJ voeger in Zuid-Afrika een dik meisje was, dat eenmaal in Nederland veranderde in een mooie slanke vrouw, maar wel door een zelfopgelegde eetziekte, en in Amsterdam een promiscue leven leidde. Joe wil het boek niet lezen.
Met z’n drieën gaan ze naar een wedstrijd in Poznan. Daar treft Fransje uiteindelijk weer Islam Mansur van wie hij de eerste wedstrijd in Luik verloor, maar ook hier is hij onfortuinlijk: hij breekt zijn arm tijdens het gevecht. Na het ziekenhuis komen ze terug in het hotel. Bij het terugvragen van de paspoorten bekijkt PJ het paspoort van Joe en leest zijn echte naam: Achiel Stephaan. Ze maakt ook Joe medeplichtig aan dat verraad. ‘De mannen Gods krijgen namen die hen groter maken, met Achiel Stephaan hebben PJ en ik Joe kleiner gemaakt en van zijn waardigheid ontdaan.’ (blz. 286) Bij terugkomst verzorgen Joe en PJ Fransje. Terwijl Joe hem nu helpt bij het plassen, gaat PJ op een middag verder: zij trekt hem af.
Het leven gaat echter gewoon door en Fransje kan uiteindelijk weer beginnen met oefenen. Joe vreest echter dat er iets ergs gaat gebeuren. De rally Paris-Dakar staat voor de deur. Fransje vermoed dat hij de rally zal gebruiken om Papa Afrika te zoeken.
Joe wordt tijdens de absurde reis met shovel gevolgd door de tv. Als PJ onverwachts bij Fransje langskomt, biedt hij haar aan dat zij zijn dagboeken mag lezen. Hij is weer begonnen met schrijven.
Op een dag, nadat Fransje haar geconfronteerd heeft met het boek van Metz en haar verzekerd dat hij haar geloofd, gaat ze met hem naar bed. Een paar dagen later verdwijnt Joe in de rally, zoals Fransje al gedacht had ven tevoren. Eind januari duikt hij weer op in Lomark.

En toen
Christof weet uiteindelijk PJ voor zich te winnen. De bruiloft wordt verstoord door Joe die met een vliegtuig komt overvliegen met een banier waarop staat: HOER VAN DE EEUW. PJ krijgt een zoon, die ook van Fransje zou kunnen zijn, want de twee blijven elkaar zien.

Personages
Joe Speedboot, zijn achternaam is eigenlijk Ratzinger (blz. 25). ‘Hij wist dat hij met zijn echte naam nooit zou kunnen worden wat hij wilde zijn.’ Pas op het einde van het boek komen PJ en Fransje erachter hoe Joe werkelijk heet en dat ontneemt hem zijn waardigheid.  Zijn bestemming vindt Joe als hij op een dag zeven glanzende Opel Manta’s voorbij ziet komen. ‘Het was Joe’s eerste les in de kinetica, in de schoonheid van beweging, aangedreven door de verbrandingsmotor.’ Een van zijn opmerkingen daarover die technisch en filosofisch geduid kan worden is: ‘Vooruitgang bestaat niet. Alleen beweging.’ (blz. 148)
Als PJ in het dorp komt wonen, millimetert Joe zijn haar. Fransje speculeert over de afkomst van Joe, misschien had er ooit een neger of Aziaat in zijn familie gezeten, ‘want in Joe’s gezicht vloeiden bepaalde raskenmerken verwarrend in elkaar over.’ (blz. 51)
Binnen het dorp en zeker voor Fransje is Joe een verlosser (zie ook abstracte motieven), maar dan wel een speciale: ‘Joe is een verlosser zonder belofte; hij heeft geen vooruitgang gebracht, alleen beweging.’ (blz. 292)
Joe’s karakter blijft redelijk duister. Hij doet vooral dingen, hij is niet iemand die in een goed gesprek zijn gevoelens bespreekt. Dat blijkt vooral wanneer het een beetje tegenzit voor hem. ‘Het verraad van mindere goden krijgt hem niet van zijn plaats. Hij zal lijden om ons, hij zal een bos omhakken en een rivier verleggen tegen de pijn, maar er ongebroken uit te voorschijn komen.’ (blz. 307)

Fransje Hermans
De verteller van het verhaal is Fransje Hermans, die ernstig gehandicapt is. ‘Ik doe nergens aan mee. Onmogelijk. Ik zorg er wel voor altijd in beweging te zijn, koersend en loerend: de eenarmige bandiet met zijn bionische ogen.’ (blz. 33). Hij vindt dat hij de vriend had moeten zijn van Joe in plaats van Christof.  ‘Hij is een rem op Joe’s snelheid en dat moet niet. Joe moet zichzelf kunnen opvoeren tot hij vliegt.’ (blz. 35) Later weet hij die vriendschap wel te verwerven.
Vanaf zijn vijftiende schrijft hij dagboeken. Hij noemt het ‘horizontale geschiedschrijving’. (blz. 48) Als hij PJ een keer zijn dagboeken laat zien, zegt zij: ‘Dat jij, wie had dat gedacht bedoel ik, alleen maar schrijft en schrijft, alles ziet maar niks zegt.’ Daarop schrijft hij terug: ‘DEFINITIE VAN GOD’ (blz. 191).
Alhoewel hij weinig op zegt te hebben met zijn andere familieleden, komt tijdens een caféruzie waar Dirk bij betrokken was ‘de roep van het bloed’. ‘Ik begreep dat ik voet had gezet in het domein van hufters en daarmee onderdeel was geworden van een moorddadige soort, en erger, een familie waarvan de jongens erop los sloegen zodra ze daarvoor de leeftijd hadden.’ (blz. 104)
De band met Joe is heel sterk, maar PJ is degene die voor verraad in de vriendschap zorgt als zij zijn ware naam ontdekt en hem daarna seksueel aan zijn trekken laat komen. ‘Vandaag heb ik gekozen voor een einde aan mijn lijden; het genot van PJ ingeruild tegen mijn enige vriendschap lijkt een gunstige transactie. Als je je er niet zo beroerd over zou voelen is er niks aan de hand.’ (blz. 290)

Christof Maandag, zoon van de belangrijkste man in het dorp, is de eerste die Joe ontmoet in Lomark nadat de vrachtwagen met verhuisspullen zich in de muur van het huis van Maandag heeft geboord. Hij trekt liever op met Joe omdat het bij de familie Ratzinger veel gemoedelijker is.
Uiteindelijk weet hij PJ van Joe af te pakken. Fransje weet dan uiteindelijk ook waar het gezicht van Christof hem altijd aan deed denken: Heinrich Himmler.

Engel Eleveld
Fransje noemt hem ‘mijn gezegende pismaat’ omdat hij hem wil helpen bij het plassen. Niet zo’n opvallend figuur ‘tot je hem opeens zag met een soort licht om zich heen.’ (blz. 52) Is opvallend gekleed, want draagt op zijn zestiende al maatpakken. Hij komt op onfortuinlijke wijze om het leven doordat hij een hond op zijn hoofd krijgt.

Moeder Hermans
Fransje beschrijft zijn moeder met een mengeling van cynisme: ‘Ze houdt van rampen als koekjes bij de koffie.’ (blz. 112) en mededogen: ‘Ik zal hier lang genoeg zijn om haar helemaal doorschijnend te zien worden en zonder protesteren van de aardbodem te zien verdwijnen – us moeder Marie Hermans, geboren Maria Gezina Putman. Stond altijd voor iedereen klaar, een goede vrouw en een lieve moeder. God hebbe haar ziel.’ (blz. 113) Zij is de overbezorgde moeder. Zij is wel de enige die Fransje toelaat om zijn billen af te vegen nadat hij naar de wc is geweest.

Vader Hermans
De vader van Fransje is een praktische man die telkens oplossingen verzint voor zijn zoon. Hij bouwt voor hem een huisje en na zijn eindexamen zorgt hij voor een brikettenpers, opdat Fransje toch blijft werken. De ontdekking van een grote stapel onverkochte briketten in de autosloperij van zijn vader zorgt bij beiden voor schaamte ten opzichte van elkaar. Het laat echter de niet uitgesproken liefde van de vader voor de zoon zien.

Perspectief
Vertellend ik-perspectief vanuit Fransje Hermans die alle gebeurtenissen in het dorp bijhoudt. Soms lijkt het wat onwaarschijnlijk dat Fransje precies kan vertellen wat er is gebeurd (zie bijvoorbeeld blz. 28-29, waar Fransje zou moeten weten wat Joe tegen Christof in de patatzaak zei) en lijkt er een meer alwetende verteller aan het woord te zijn. In Woensdag, zijn kauw, ziet Fransje verwezenlijkt wat hij zelf wil als verteller, want die kan tenminste boven heel Lomark vliegen: ‘Het was mijn droom van alziendheid – niets zou meer verborgen zijn, ik zou de Geschiedenis van Alles kunnen schrijven.’
Aangezien Fransje vertelt over het verleden doet hij af en toe uitspraken over de toekomst van een van de hoofdpersonen.

Motieven
Verlossing
Het hele boek staat in het teken van verlossing die gebracht moet worden door Joe Speedboot. Zijn initialen zijn hetzelfde als die van een andere messianistische figuur in de Nederlandse literatuur: Joachim Stiller. Joe is een verlosser die licht brengt. Dat gebeurt al als de familie rond het ziekbed van Fransje zit. ‘Dat licht, o godverdomme dat licht, het breekt  mijn voorhoofd binnen als een thermische lans. Ik word voor de tweede keer geboren. Blind en hulpeloos spoel ik aan. Rond mijn bed praten ze over Joe.’ (blz. 110)
De eerste keer dat Joe het dorp binnenkomt ‘als een meteoriet’ ziet Christof hem: ‘Hij droeg een goudkleurig hemd, een knickerbocker en sandalen aan zijn voeten. Hij zag eruit alsof zijn ouders niet helemaal wijs waren, en keek onaangedaan de kamer rond terwijl er witte kalk op zijn hoofd en schouders dwarrelde.’ (blz. 16) De eerste keer dat Fransje Joe ziet, wordt op dezelfde manier beschreven: ‘Ik kijk tegen het licht in dat uit de keuken komt, en zie alleen zijn silhouet uitgeknipt tegen de deuropening.’ (blz. 14) En licht is iets dat steeds terugkomt in het leven van Fransje. ‘Achteraf gezien denk ik dat ik niet eens op zoek was naar de waarheid of zoiets, maar naar iets dat licht gaf.’ (blz. 104) Voor Fransje is Joe ook degene die hem verlost uit zijn gewone leven en hem de wereld in helpt. Hij maakt deel uit van een vriendengroep, van mensen die anders zijn dan hun dorpsgenoten. ‘Het was een zaak van zuiverheid, die erop neerkwam dat niemand ons mocht verwijten dat wij deel uitmaakten van een gebrekkige wereld, en meehielpen de hoeveelheid achterlijkheid te vergroten. Wij waren een minachtende vijfde colonne, dat was de afspraak.’ (blz. 118) Maar uiteindelijk weet ook Joe de gebeurtenissen in zijn eigen leven en het dorp niet te keren. ‘Joe is een verlosser zonder belofte; hij heeft geen vooruitgang gebracht, alleen beweging.’ (blz. 292)

Beweging en stilstand
Binnen de roman lijkt er een tegenstelling te bestaan tussen Joe, die staat voor beweging en Fransje die staat voor stilstand. ‘Joe’s obsessies gingen altijd over beweging. Beweging aangedreven door de verbrandingsmotor.’ (blz. 249) Fransje, geholpen door de lessen van de samoerai, oefent zich in de kunst van het verstenen. Dat helpt hem bij het armworstelen, maar ook bij het tegengaan van jaloezie.
Ook in groter verband kun je het dorp Lomark zien als een plaats waar stilstand heerst en waar de bewoners niet veranderen. Dat blijkt onder meer uit de laatste alinea van het boek waar Lomark is verdwenen achter een grote geluidswal van de E 981. ‘We horen inderdaad niks, net zomin als wij nog worden gehoord. […] Maar daarachter zijn wij niet gestorven, noch zijn wij van gedaante veranderd. Wij zijn hier nog.’ (blz. 316)

Driehoeksrelaties
Binnen het boek is er veelal sprake van driehoeksrelaties of -verbindingen, tussen mensen, maar in eerste instantie wordt er in technische termen over gesproken bij het bouwen van het vliegtuig. ‘De driehoek betekent een vaste constructie, meetkundig gezien, zei hij. Een vierhoek beweegt, die gaat schuiven. De driehoek is de basis van elke vaste constructie.’ (blz. 61) Later komen die termen weer terug als Fransje de  liefde tussen PJ en Joe beschrijft. ‘Mijn vriend en mijn gedroomde geliefde hadden de driehoek verbroken, de driehoek die de basis was van elke vaste constructie.’ (blz. 245)
Maar ook komt het voor bij de grafkist van Engel. ‘Plotseling zag ik dat Joe, Christof en ik weer in een driepuntsverbinding stonden, net als toen we jong waren en ik Engel alleen nog maar kende als mijn zwijgende helper met het urinaal.’ (blz. 256)
En na het verraad dat PJ pleegt om de echte naam van Joe te achterhalen: ‘Joe staat nu alleen tegenover een nieuwe driepuntsverbinding van een vrouw zonder geweten’. (blz. 287)

Stijl en structuur
Joe Speedboot is verdeeld in drie delen, waarbij het laatste deel de functie heeft van een nawoord waar kort het verdere verloop van de geschiedenis wordt samengevat. ‘Penseel’  beschrijft de opkomst van Joe en ‘Zwaard’ de uiteindelijke ontmaskering (van de naam) van Joe. Voor Fransje is het eerste deel de opmaat voor zijn deelname aan de wereld door mee te gaan doen aan armworstelen en deel twee de ontbinding van de vriendschap omdat hij door PJ wordt meegetrokken in het verraad.

De stijl van Wieringa wordt in alle recensies geroemd. Fransje gebruikt veel sarcasme als hij het over zijn eigen situatie heeft. Voorbeelden zijn er legio: ‘Er loopt een guts kwijl uit mijn mond als ik naar hem opkijk. Liters heb ik van dat spul. Ik kan er goudvissen in houden.’ (blz. 24) Of als hij Joe weet mee te krijgen als zijn broer in een boom zit: ‘Lassie de schrandere collie.’ (blz. 42) Als hij drinkt, verminderen zijn spasmen: ‘Ik was de enige daar die een vaste hand kreeg van het drinken.’ (blz. 119)

Wieringa gebruikt daarnaast veel metaforen en dan vooral de als-vergelijking: ‘nieuwsfeiten lijken net zo veel op elkaar als Chinezen’. (blz. 137) Over het gras bij de dijk: ‘Waar ze net hebben gemaaid is het bleek als een pasgeschoren hoofdhuid.’ (blz. 35) Over het bedrijf van Fransjes vader: ‘Ik heb dat altijd grappig gevonden, dat pa een nét sloopbedrijf wilde waar mensen met een gerust gevoel naartoe konden, als een abattoir zonder bloed.’ (blz. 195)

Als er in het boek dialogen voorkomen, dan zijn die veelal kort en bondig, wat aansluit bij de manier waarop Lomarkers met elkaar praten.

Ruimte
Lomark is een wat geïsoleerd dorp aan de rivier, met een haan in het dorpswapen. ‘Die haan was de mal waaruit elke Lomarker werd gestanst en gepredestineerd tot zwakheid en een hoop gekakel.’ (blz. 209) Fransje beschrijft het dorp vaak met een negatieve bijklank. ‘Toen de NSB acht procent van de stemmen kreeg bij de Statenverkiezing in 1935, hebben wij hier in Lomark daar flink aan bijgedragen. (blz. 141) Maar ook als er in het heden op een kermis een Muizenstad wordt tentoongesteld ziet Fransje dat als ‘de verzinnebeelding van Lomark, dat meurende nest waarin we tot elkaar waren veroordeeld’.
Die vergelijking gaat verder als PJ in Muizenstad een bepaalde muis op een eiland dirigeert en hem daar alleen achterlaat. De vergelijking met Fransje die PJ en Joe van een afstandje waarneemt is dan snel gemaakt.
Het dorp zal geïsoleerd raken door de komst van de vierbaansweg E 981. Die dreiging die boven het dorp hangt wordt een paar keer terloops aangestipt, zoals op bladzijde 208 waar landmeters al bezig zijn. Op de laatste bladzijde van het dorp is dat isolement voltrokken.

Tijd
Regelmatig wordt er een tijdsaanduiding gegeven in de roman. Een maand wordt genoemd of een periode. Dikwijls is er dan een tijdsprong gemaakt. ‘Zo werd het voorjaar.’ (blz. 172)
Ook maakt de schrijver gebruik van vooruitwijzingen: ‘Het was de laatste keer dat ik hem in leven zag.’ (blz. 194)
Een opvallende exacte tijdsaanduiding komt voor op blz. 274, in Poznan geeft de klok 5.5.19:45 aan. Bevrijdingsdag. Het is tevens het moment waarop het verraad aan Joe begint.

Het boek speelt waarschijnlijk nog aan het einde van de twintigste eeuw. Hoewel keurig vermeden wordt om het woord gulden of euro te noemen, kun je aan de prijs van de roman van Arthur Metz zien dat er waarschijnlijk nog gerekend wordt in guldens. ‘ Op donderdag lag Om een vrouw voor me klaar bij Praamstra. 318 pagina’s, dat is dan 29,50 alstublieft.’ (blz. 266)

Intertekstualiteit
In Joe Speedboot verwijst Wieringa vaak naar werk van anderen. Soms is dat heel terloops zoals naar de film van Leni Riefenstahl ‘triomf van de wil’ (blz. 68) en soms heel nadrukkelijk zoals naar de Historiën van Herodotus. (blz. 300)
Wieringa verwijst naar de klassieken als hij de rivier als een doodsrivier beschouwt: Piet Honing laat Fransje gratis met de pont gaan. ‘Dat heeft er mee te maken dat ik zowel de dood als het leven ken,’ (blz. 22) Ook Joe mag voor niets.
De meeste verwijzingen in het boek hebben echter een religieuze achtergrond. Soms zit in een naam of in een zinswending. Betlehem Asfalt ‘en elke familie staat haar eerstgeboren zoon af’. (blz. 22) ‘PJ is geboren uit een fusie van licht, haar huis is bleek als aardappelscheuten in de kelder, ze lijkt wel transparant maar haar haar is vlammend koren…’ (blz.51) ‘Fransje die de wateren scheidt om aan zijn vijanden te ontkomen.’ (blz. 35) ‘Hetgeen ontbreekt, kan niet worden geteld, zegt Prediker.’ (blz. 266)
Die verwijzingen naar de Bijbel kunnen soms heel aards zijn: ‘Engel wist van zijn vader dat je in de kop van de snoek de lijdensweg van Onze Lieve Heer kon terugvinden.’ (blz. 52)
Voor de rest maakt het geloof deel uit van het leven in het dorp, zoals blijkt op blz. 73 en verder, bij de dood van Engel en bij het aannemen van nieuwe namen op blz. 285.
De terminologie ook in de gewone gesprekken komt overeen met de Bijbel, alhoewel Fransje vaak het sacrale naast het banale zet: ‘Hoe Joe ook lachte om de katholieken en hun methodes, ik zou boete doen en mijn ziel reinigen van de vuiligheid die ik van Hend had. Ik zou door het vuur van loutering gaan, er schoon uit te voorschijn komen en ook meteen kappen met cola-vieux in het weekeinde, wanneer ze levende muziek hadden in Café Zaal Terras Waanders aan de Rijksweg.’ (118)
Ook het verraad dat Fransje pleegt ten opzichte van Joe zou je kunnen zien als een verwijzing naar het bijbelverhaal van Adam en Eva. PJ verleidt Fransje.

Recensies
Pieter Steinz schrijft in Nrc Handelsblad een lovende recensie over de roman. Hij vergelijkt het boek met werk van John Irving. Hij looft vooral de stijl. ‘Op bijna iedere bladzijde is wel een mooie zin of een humoristische zinswending te vinden.’ Aan het begin van het literaire seizoen noemt hij Joe Speedboot al ‘het vlaggenschip’ onder de stroom boeken.
Judith Janssen van de Volkskrant vindt dat in de stijl het ‘afstandelijk observeren’ van Fransje is terug te zien, alhoewel ze ook zegt: ‘die is simpel maar sierlijk, met een verrassende beeldentaal’. Als minpuntje noemt ze ‘de ontwikkeling die Fransje doormaakt en de melancholische berusting die hem uiteindelijk treft’, want die doet juist ‘afbreuk aan het observerende karakter van het boek’.
De al eerder genoemde vergelijking met het werk van Irving maakt ook Daniëlle Serdijn in Het Parool. Ze noemt Joe Speedboot ‘een boek om verliefd op te worden’.
Leonie Breebaart noemt Joe Speedboot in Trouw ‘een kei van een boek’ met ‘rake metaforen’. Daarnaast roemt ze Wieringa’s gevoel voor ritme: ‘Nergens verliezen zijn woorden spanning. Het blijft lopen, het blijft swingen.’
Atte Jongstra komt woorden tekort om de roman te prijzen in de Leeuwarder Courant. ‘Alles klopt in Wieringa’s boek. Het is toonvast, tragisch, komisch, licht en aangrijpend, ga zo maar door.’
In deze lawine aan positieve recensies zijn de kanttekeningen die Marc Cloostermans in de Vlaamse krant De Standaard maakt opmerkelijk. ‘Hij gaat wel wat nonchalant te werk; het verhaal stikt van de details die strikt genomen overbodig zijn, maar die zoveel vertelplezier uitstralen dat ze een meerwaarde bieden.’ Ook heeft Cloostermans nog een merkwaardige uitsmijter: Je verkoopt in Vlaanderen geen honderd boeken van een schrijver met een Fries klinkende achternaam, en al helemaal niet van een boek met zo’n kinderachtige titel. Om de kroon op het werk te zetten, heeft de uitgever het boek bovendien van een lelijke cover voorzien.’


Discussievragen
1    Wat vindt u van de keuze van de schrijver voor zo’n immobiele verteller. Een gouden greep? Of had hij beter voor een alwetende verteller kunnen kiezen?
2    Wie vindt u het belangrijkste personage in het boek. Fransje of Joe?
3    In deze roman komen nogal veel onwaarschijnlijkheden voor. In hoeverre stoort u dat?
4    Dit boek staat bol met verwijzingen naar de Bijbel. In hoeverre denkt u dat er een religieuze boodschap in het boek zit? Of speelt de roman alleen maar met religieuze motieven?
5    Tommy Wieringa noemde in een interview dit boek ‘een vitale noodlotsroman’. Hoe zou u het boek willen typeren?
6    Er wordt een film gemaakt van Joe Speedboot. In hoeverre vindt u deze roman geschikt voor verfilming?


Primaire bibliografie
1995 Dormantique’s manco, In de Knipscheer, Amsterdam
1997 Amok, In de Knipscheer, Amsterdam
2002 Alles over Tristan, De Bezige Bij, Amsterdam
2005 Joe Speedboot, De Bezige Bij, Amsterdam


Secundaire bibliografie
Leonie Breebaart – Met Joe wint hij van elke hulk, Trouw, 5 februari 2005
Marc Cloostermans – Lassie in een rolstoel, De Standaard, 19 mei 2005
Judith Janssen – Een meteoriet dondert het dorp binnen, de Volkskrant, 18 februari 2005
Atte Jongstra – Zeldzame roman, Leeuwarder Courant, 25 maart 2005
Maarten Moll – Wieringa’s ontketende verbeelding, Het Parool, 12 februari 2005
Daniëlle Serdijn – Doodsoorzaak: vallende hond op het hoofd, Het Parool, 10 februari 2005
Maartje Sommers – Het moet vonken, Nrc Handelsblad, 18 maart 2005
Pieter Steinz – Wat niet weerkaatst, bestaat niet, Nrc Handelsblad, 28 januari 2005
Jeroen de Valk – Gebaat bij de leegheid van de polder, Noordhollands Dagblad, 4 februari 2005

Coen Peppelenbos (juli 2005)