| Tip:
zoek snel m.b.v. de eerste letter van het gezochte woord,
door daar (hierboven) op te clicken, of toets control
(Ctrl) F en typ het gezochte woord in. |
| A |
- pagina
top - |
| ACD |
= Anemia
of Chronic Disease = anemie ten
gevolge van een chronische ziekte. |
| Acidose |
Verzuring
van het bloed. |
| Acute-fase
eiwit |
Acute-fase
(acuut = plotseling en hevig - fase = trap van ontwikkeling)
eiwitten worden aangemaakt bij o.a.
bacteriële infecties.
Verhogingen kunnen gevonden worden bij o.a. chronische
infectie/ontsteking, kanker (bijvoorbeeld acute myeloïde
leukemie), lever necrose (levercel
verval) en hemochromatose (ijzerstapeling, hier is het
ferritine gehalte erg verhoogd).
Wanneer de ferritine (een soort
acute-fase eiwit) gehalte bijvoorbeeld ten gevolge van
een (acute bacteriële) infectie is verhoogd, zal
het gehalte na herstel zeer snel dalen. |
| Alvleesklier |
Zie: Pancreas. |
| AML |
Acute
Myeloïde Leukemie: zie MDS. |
| Aminozuren |
Zoals
eiwitten de bouwstenen van ons lichaam
zijn, zo zijn aminozuren de bouwstenen van eiwitten. De
volgorde van de verschillende aminozuren bepaalt de eigenschappen
van het eiwit. |
| Anemie |
Bloedarmoede,
verlaagd hemoglobine gehalte. Klachten/symptomen:
o.a. vermoeidheid, bleek zien, duizeligheid, kortademigheid,
hoofdpijn, hartkloppingen. |
Anemie
kan een symptoom van een onderliggende ziekte zijn. Anemie
kan vele oorzaken hebben, zoals een gebrek aan ijzer,
een vitamine B12 of foliumzuur tekort, bloedverlies, een
ontstekingsanemie, beenmerg aandoeningen,
etc.
Laboratorium onderzoek van het bloed
toont in veel gevallen de oorzaak van de anemie aan. Bij
twijfel geeft een cytologisch (=celleer/celdiagnostiek)
beenmerg onderzoek nadere uitslag. |
| Grenswaarden
anemie volgens de WHO (World Health Organisation) |
Anemie
bij Hb-gehalte lager dan |
Referentie
waarden Hb |
| pasgeborenen |
|
8,5
- 12,5 mmol/l |
| kinderen
6 maanden - 6 jaar |
<
6,8 mmol/l |
afhankelijk
van leeftijd |
| kinderen
6 jaar - 14 jaar |
<
7,5 mmol/l |
| mannen
> 15 jaar |
<
8,1 mmol/l |
8,5
- 11,0 mmol/l |
| vrouwen>
15 jaar |
<
7,5 mmol/l |
7,5
- 10,0 mmol/l |
| zwangere
vrouwen |
<
6,8 mmol/l |
6,8
- 8,7 mmol/l |
|
| Anti-oxidant |
Anti-oxidanten
beschermen allerlei stoffen zoals vetten, vitamine
A en hormonen tegen vernietiging
door vrije radicalen. |
| Apraxie |
Onvermogen
tot het uitvoeren van onbewuste handelingen, zie ook (mond)dyspraxie. |
| Autosomaal recessief |
Autosomaal:
zowel jongens als meisjes kunnen de aandoening krijgen.
Recessief, zie 'Genen: dominant, recessief
' & schematische voorstelling
ter verduidelijking |
| B |
- pagina
top - |
| Bacterie |
Een bacterie
is een relatief eenvoudig eencellig organisme zonder celkern.
Het DNA van bacteriën bestaat
meestal uit een enkel ringvormig chromosoom.
Bacteriën zijn overal. Veruit de meeste bacteriën
die overal om ons heen leven zijn niet schadelijk. Veel
bacteriën doen bijzonder nuttig werk, bijvoorbeeld
in onze darmen. Bron: Wikipedie
vrije encyclopedie |
| Beenmerg |
In het
beenmerg worden de bloedcellen aangemaakt.
Het is week weefsel in de holten van onze botten en bevindt
zich hoofdzakelijk in het bekken, het borstbeen, de ribben
en de ruggenwervels. Beenmerg is rood van kleur. Het beenmerg
bevat enkele duizenden (bloed) stamcellen waaruit per
dag miljarden bloedcellen ontstaan. Wanneer de vraag naar
een bepaalde soort bloedcellen toeneemt,
leggen de stamcellen zich er direct
op toe om dát type cel te maken. |
| Weefsel
dat in de mergholten van de botten zit. Het bestaat uit
een netwerk van vezels waartussen stamcellen zitten. |
| Beenmerg
aspiratie |
Opzuigen
van beenmerg ten behoeve van onderzoek. |
| Beenmerg
onderzoek |
Soms moet
een monster van het beenmerg worden onderzocht om vast
te stellen waarom bloedcellen er
abnormaal uitzien. Er zijn twee verschillende manieren
om beenmergmonsters af te nemen: beenmergpunctie en botboring
(botbiopsie). |
| Beenmerg
punctie/biopsie |
Een beenmerg
aspiratie of biopsie
wordt toegepast om bijvoorbeeld de oorzaak van een afwijkend,
in het bloed gevonden, aantal rode bloedcellen,
witte bloedcellen of bloedplaatjes vast te stellen, of
voor een diagnose van bijvoorbeeld o.a. leukemie,
bepaalde vormen van anemie, hemochromatose
(= ijzerstapeling), etc. |
| Bètacaroteen |
zie Vitamine
A |
| Biopsie
|
Weefselonderzoek.
Het wegnemen van een stukje weefsel
voor onderzoek. |
| Biopt |
Stukje
weefsel voor onderzoek. |
| Bloed
|
Bloed
is een vloeistof (plasma) met daarin
cellen. Het bloed stroomt door de slagaders,
haarvaten en aders naar en van de lichaamsweefsels, geeft
daar zuurstof en essentiële voedingsstoffen af en
voert kooldioxide en andere afbraakproducten af. |
| Bloedarmoede |
Zie: Anemie. |
| Bloedcellen |
In het
beenmerg worden van erg jonge
cellen (stamcellen
genoemd), bloedcellen geproduceerd. Wanneer de hoeveelheid
zuurstof in de lichaamsweefsels of het aantal rode bloedcellen
afneemt, zorgen de nieren voor de
productie en afgifte van erytropoëtine, een hormoon
dat het beenmerg aanzet tot een grotere productie van
rode bloedcellen. Als reactie op een infectie produceert
het beenmerg meer witte bloedcellen en na een bloeding
worden meer bloedplaatjes gevormd.
Verder worden er ook lymfocyten
in de lymfeklieren en de milt geproduceerd en ontstaan
en rijpen T-lymfocyten in de thymus (zwezerik) |
| Er
zijn 3 typen bloedcellen: witte bloedcellen, rode bloedcellen
en bloedplaatjes. |
Witte
bloedcellen (leukocyten) bevechten infecties,
o.a. door antistoffen te produceren. Ze hebben een
levensduur van enkele dagen.
Veel witte bloedcellen blijven aan de wand van de
bloedvaten kleven of dringen er zelfs doorheen naar
het omliggende weefsel. Wanneer
witte bloedlichaampjes op een plaats met een infectie
of een ander probleem terechtkomen, scheiden ze
stoffen af die nog meer witte bloedcellen aantrekken.
|
| Rode
bloedcellen (erytrocyten),
het daarin aanwezige hemoglobine
zorgt dat zuurstof door het gehele lichaam wordt
getransporteerd. Ze hebben een levensduur van enkele
maanden en maken onder normale omstandigheden bijna
de helft uit van het totale bloedvolume. |
| Bloedplaatjes
(trombocyten) zorgen samen met het fibrogeen voor
de bloedstolling. Ze hebben een levensduur van enkele
dagen. |
|
| De
5 typen witte bloedcellen: |
| Granulocyten:
deze cellen bevatten granula (korrels) met enzymen
en zijn het meest voorkomende type witte bloedcel.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen: |
Neutrofiele
granulocyten spelen een rol bij de afweer
van het lichaam tegen bacteriële infecties
en schimmelinfecties en nemen vreemde deeltjes op.
Er zijn twee typen neutrofiele granulocyten: met
een staafvormige (onrijpe) en een segmentvormige
(rijpe) kern. |
| Eosinofiele
granulocyten doden parasieten
en zijn bij allergische reacties betrokken. |
| Basofiele
granulocyten spelen ook een
rol bij allergische reacties. |
| Lymfocyten:
T-lymfocyten spelen o.a. een rol bij de bescherming
tegen virusinfecties. B-lymfocyten ontwikkelen zich
tot cellen die antistoffen produceren (plasmacellen). |
| Monocyten:
nemen dode en beschadigde cellen op en zorgen voor
immunologische afweer tegen vele infecterende organismen. |
|
| |
| Bron: Merck
Manual Medisch Handboek |
| Bloedplasma |
Een
volwassen mens heeft ongeveer 5 liter bloed. Bloed bestaat
uit plasma (> 50%) en bloedlichaampjes. Plasma is een
vloeistof die grotendeels (circa 90%) uit water bestaat,
met daarin opgelost zouten en eiwitten
(zoals bijvoorbeeld albumine, antistoffen -immunoglobulinen-
en stollingseiwitten). Verder bevat plasma hormonen,
elektrolyten, vetten, suikers, mineralen en vitaminen.
Naast dat plasma de bloedcellen
transporteert, vormt het ook een watervoorraad voor het
lichaam, zorgt het ervoor dat de bloedvaten niet dichtvallen
en verstopt raken en speelt het een rol bij de instandhouding
van de bloeddruk en de circulatie in het gehele lichaam.
Daarnaast dragen antistoffen in het plasma bij aan de
verdediging van het lichaam tegen bacteriën.
De stollingseiwitten in het plasma spelen een rol bij
het stelpen van bloedingen. Naast transport van hormonen
en regulering van hun effecten zorgt plasma naar behoefte
voor verwarming en afkoeling van het lichaam. |
| Bron:
Merck
Manual Medisch Handboek (e.a.) |
| Bloedserum |
Deel van
het bloed dat is ontdaan van de bloedcellen en fibrinogeen
(stollingseiwit). |
| Bloedtelling |
| Test |
Wat wordt bepaald |
Normaalwaarden |
| Hemoglobine
(HB) |
de hoeveelheid
van dit zuurstoftransporterende eiwit
in de rode bloedcellen |
man: 8,7 - 11,2 mmol/l
(millimol per liter) |
| vrouw: 7,5 - 10,0 mmol/l |
| Hematocriet |
verhouding
tussen rode bloedcellen en het totale bloedvolume |
man: 0,45 - 0,55 l/l
|
| vrouw: 0,40 - 0,50 l/l |
| MCV
(mean corpuscular volume) |
berekening van het
volume van de rode bloedcellen |
85 - 103 fl (f=femto=10
-15) |
| Leukocyten |
aantal witte bloedcellen
per gespecificeerde hoeveelheid bloed |
4,0 - 10,0 x 10 9
/l |
| Differentiatie |
percentages van de
verschillende typen witte bloedcellen (zie 'de
5 typen witte bloedcellen') |
Eosinofiele granulocyten: 0,05
- 0,40 x 10 9 /l (0,01 - 0,05) |
| Basofiele granulocyten: 0,00 -
0,10 x 10 9 /l (0,00 - 0,02) |
| Neutrofiele granulocyten: 1,80
- 6,50 x 10 9 /l (0,45 - 0,75) |
| Lymfocyten: 0,65 - 3,00 x 10 9
/l (0,20 - 0,50) |
| Monocyten: 0,15 - 0,60 x 10 9
/l (0,03 - 0,10) |
| Trombocyten |
aantal bloedplaatjes per gespecificeerde
hoeveelheid bloed |
150 - 400 x 10 9 /l |
| bron en meer info:
http://www.merckmanual.nl/
|
|
| C |
- pagina
top - |
| Cel |
De cel
is de kleinste eenheid waaruit alle organismen of levende
wezens zijn opgebouwd. Alle planten en dieren maar ook
bacteriën en schimmels bestaan
dus uit cellen.
De cel bestaat onder meer uit een celmembraan (= een dun
weefsellaagje rond de cel), het cytoplasma
waarin bij hogere levensvormen dan bacterën
een celkern en celorganellen (= een gedeelte van een cel
met een bepaalde functie) aanwezig zijn. Er zijn ook levende
wezens die slechts uit 1 cel bestaan: de eencelligen.
Een plantaardige cel heeft naast de celmembraan ook een
celwand, terwijl een dierlijke cel alleen een celmembraan
bevat.
Zie ook: stamcellen - bloedcellen.
Bron: Wikipedie
vrije encyclopedie |
| Celdeling |
Spontane
splitsing van cellen, nodig om te groeien en te leven. |
| Chemotherapie |
Medicijnen
die de celdeling remmen. |
| Cholesterol |
Cholesterol
is een vetachtige, niet in water oplosbare, stof die in
ons lichaam onder andere als bouwstof wordt gebruikt.
Ondanks zijn slechte naam is cholesterol voor ons lichaam
absoluut noodzakelijk! Cholesterol zit in veel dierlijk
en plantaardig materiaal dat we eten, maar het overgrote
deel maakt ons lichaam zelf, vooral in de lever.
Normaal gesproken maakt het lichaam precies voldoende
cholesterol om goed te kunnen functioneren.
Cholesterol dient als grondstof bij de opbouw van de celwand.
Ook worden andere belangrijke stoffen, zoals hormonen
en de gal, gemaakt van cholesterol.
Doordat cholesterol niet in water (dus ook niet in bloed)
oplost, worden kleine bolletjes cholesterol daarom omgeven
door een laagje eiwit en op die manier
vervoerd door het bloed.
De twee belangrijkste eiwit-cholesteroldeeltjes zijn LDL
en HDL.
| LDL (low-density
lipoproteïn) |
HDL (high-density
lipoproteïn) |
| Het LDL vervoert het
cholesterol naar de verschillende delen van het
lichaam. Onderweg kan cholesterol zich gemakkelijk
in de wanden van slagaders nestelen en zo een vernauwing
veroorzaken. LDL-cholesterol wordt daarom ook wel
slecht cholesterol genoemd. |
Het HDL voert het
teveel aan cholesterol juist af naar de lever.
De lever zorgt ervoor dat het cholesterol in de
darmen komt en vervolgens via de ontlasting wordt
uitgescheiden. HDL-cholesterol wordt daarom ook
wel goed cholesterol genoemd. |
| Wanneer is het cholesterolgehalte
te hoog? |
| bloedcholesterolgehalte
|
| <
5 mmol/l |
normaal |
| 5,0/6,4
mmol/l |
licht
verhoogd |
| 6,5/7,9
mmol/l |
verhoogd |
| >
8 mmol/l |
sterk
verhoogd |
|
| HDL
cholesterolgehalte
|
| <
0,9 mmol/l |
laag |
| >
2,0 mmol/l |
komt
hier zelden boven |
| trigyceride-gehalte |
| <
2,2 mmol/l |
normaal |
| hoe
lager het gehalte, hoe beter |
|
Bron en meer info: o.a.
Spreekuur
thuis & GGD-gezondheidsinfo-cholesterol |
| Chromosomen
& Chromatine |
De chromosomen
(= staafachtig lichaampje in de celkern
dat vooral bij de celdeling een
belangrijke rol speelt en de drager is van erfelijke eigenschappen)
zijn de dragers van ons erfelijkheidsmateriaal en bevinden
zich in de celkern. Zij bevatten de volledige genetische
informatie die noodzakelijk is voor het ontwikkelen, in
stand houden en voortplanten van een individu. Chromosomen
zijn voor te stellen als lange, dunne strengen, die bestaan
uit een stof die chromatine wordt genoemd.
Chromatine is een combinatie van DNA
en een aantal belangrijke eiwitten
die een rol spelen bij het opvouwen van de lange strengen
DNA.
Elke lichaamscel bevat normaal 46 chromosomen, die twee
aan twee gelijk zijn. In totaal heeft iedere cel dus 23
chromosomenparen. Van elk paar is het ene chromosoom van
de moeder afkomstig en het andere van de vader.
Zie ook: gen/genen - genen,
dominant of recessief. |
| Chronisch |
Van lange
duur. |
| Congenitaal |
Aangeboren
|
| Coxa Vara |
Ernstige
O-been vorming door een afwijkende stand van het bovenbeen
ten opzichte van het bekken. |
| CT-scan |
(Computer
tomogram.) Met behulp van computer technieken van röntgenbeelden
een dwarsdoorsnede van het lichaam maken. |
| Cytogenetica |
Cytogenetica
(letterlijk: erfelijkheidsleer m.b.t. de cellen)
is een onderdeel van het Laboratorium voor Diagnostische
Genoomanalyse van de afdeling Klinische
Genetica en hier vindt chromosomenonderzoek
plaats.
Bron: LUMC |
| Cytoplasma |
Het cytoplasma
(celvocht) is het plasma in een cel.
In het cytoplasma zit de kern, die gebruik maakt van het
plasma om stoffen uit te wisselen. Het cytoplasma en de
kern samen worden het protoplasma (= mengsel van water,
eiwitten en anorganische bestanddelen, waaruit de cellen
zijn opgebouwd) genoemd.
Voor stoffen die zich in het plasma kunnen bevinden, zie
bijvoorbeeld: bloedplasma.
Bron o.a.: Wikipedie
vrije encyclopedie
|
| D |
- pagina
top - |
| Deficiëntie |
Een tekort. |
| Diabetes
Mellitus |
Suikerziekte,
een aandoening die op alle leeftijden kan ontstaan. Bij
deze aandoening is het lichaam het vermogen verloren om
suiker, opgenomen uit het voedsel, op te nemen in spier-
en vetcellen en om het om te zetten in bepaalde andere
stoffen welke gebruikt worden voor opslag. Om dit te kunnen
is insuline nodig. |
| Diagnose |
Het vaststellen
van de aandoening van de patiënt. |
| Distaal |
Naar het
uiteinde van de ledematen toe. |
| DNA:
drager van erfelijke eigenschappen |
DNA is
een afkorting van DeoxyriboNucleic Acid (desoxyribonucleïnezuur),
een voor het leven zeer belangrijke chemische verbinding.
Het DNA bevat namelijk de complete erfelijke informatie
van het organisme waar het de eigenschappen van omschrijft,
zoals van een mens. In het DNA ligt dus bijvoorbeeld vast
wat voor kleur van ogen iemand heeft. Het DNA bevindt
zich in de kern van iedere lichaamscel, en wel in de chromosomen
in de celkern. Alle cellen van één
mens (op de geslachtscellen na) bevatten hetzelfde DNA.
Het is tegenwoordig mogelijk door analyse van het DNA
bepaalde genen op te sporen die een
bepaalde ziekte veroorzaken.
Bron: Wikipedie
vrije encyclopedie |
| Dysostosis |
Afwijkende
botgroei. |
| Dysplasie |
Ongewone
ontwikkeling, misvorming, abnormale vorming en groei van
weefsel. |
| Dysplastische
cellen |
Cellen
met relatief weinig cytoplasma (= celvloeistof), polymorfie
(polymorf = in meer dan een vorm binnen dezelfde groep
voorkomend => veelvormig) van cel en kern. |
| Dyspraxie |
Beperking
of onvermogen in het uitvoeren van bewust gewilde bewegingen. |
| Dystrofie |
Voedingsstoornis,
groeistoornis van organen, degeneratie (= aantasting van
de normale functie) van organen, cellen,
weefsels. |
| E |
- pagina
top - |
| Eiwitten |
Eiwitten
zijn de bouwstenen van ons lichaam. Eiwitten zijn essentieel
voor een cel. Zij zorgen voor de stevigheid
van een cel, bepalen of de cel een zenuwcel, spiercel,
haarcel wordt of een andere taak krijgt. Sommige eiwitten
zijn enzymen die biochemische reacties
sturen of die onderdeel van de spijsvertering zijn. Eiwitten
vormen dus de basis voor het goed functioneren van ons
lichaam. |
| Endocrien |
Met inwendige
afscheiding in de bloedstroom. |
| Enzym |
Splitsings-
of ontledingsstof, die een bepaald scheikundig proces
in het organisme veroorzaakt of bevordert, zonder zelf
te veranderen; cellulaire eiwitten. |
| Enzymsynthese |
Het aanmaken
van een enzym. |
| Epifyse |
Uiteinde
van het bot dat samen met een ander deel het gewricht
vormt. |
| Erytrocyten |
Rode bloedcellen. |
| Exocrien |
Afscheidend
d.m.v. een afvoerbuis. |
| F |
- pagina
top - |
| Femoralis |
Met betrekking
tot het dijbeen. |
| Ferritine |
Ferritine
is een acute-fase eiwit dat in
de lever wordt aangemaakt en ijzerbindend
is. Het meeste ijzer dat zich in het lichaam bevindt,
is gebonden aan (opgeslagen in) ferritine. Ferritine bevindt
zich in alle weefsels (o.a. in de lever, de milt en het
beenmerg) en in het bloed
(serumferritine).
Onder normale omstandigheden weerspiegelt de concentratie
van ferritine in het serum de ijzervoorraad
in het lichaam.
Bij een verhoogd ferritine gehalte in het bloed, kan voor
nader onderzoek een beenmerg punctie/biopsie
noodzakelijk zijn. |
| Fibrose |
Woekering
van bindweefsel. |
| Flow cytometrie |
Met behulp van de techniek
van 'flow cytometrie' is een alternatieve manier ontwikkeld
om chromosoomafwijkingen te gebruiken
voor het opsporen van zeer lage aantallen leukemiecellen
in het beenmerg van ogenschijnlijk
genezen patiënten. Het principe van de techniek berust
op de analyse van cellen die in een
vloeistof met grote snelheid één voor één
langs stralen laserlicht stromen. Aan de hand van de hoeveelheid
licht die dan van de cel terugkaatst of de hoeveelheid
fluorescerend licht dat door de cellen wordt uitgezonden,
kan worden bepaald welk celtype is gepasseerd. De som
van alle gepasseerde cellen geeft een beeld van de totale
celpopulatie.
bron:
Erasmus Universiteit - Rotterdam
(archief 1995) |
| FSME |
Zie: teken
& teken-meningo-ecefalitis |
| G |
- pagina
top - |
| Gastro-oesofageale
reflux |
Zie: Reflux
oesofagitis |
| Gen/genen |
Genen
spelen de hoofdrol in de erfelijkheid, zij bevatten de
informatie voor alle erfelijke eigenschappen. Een gen
is een stukje van het DNA dat de code
bevat voor een eigenschap. Genen liggen verspreid op de
chromosomen. Elke code, dus elk
gen, bevat de informatie om één van de vele
eiwitten te vormen waaruit ons lichaam
is opgebouwd. |
| Genen:
dominant, recessief |
Voor elke
eigenschap zijn 2 genen verantwoordelijk.
Dominante genen komen altijd
tot uitdrukking bij een bepaalde eigenschap, zij overheersen
het andere gen.
Recessieve genen daarentegen
komen niet tot uitdrukking, zij worden onderdrukt door
het andere gen. Wanneer twee genen voor een bepaalde eigenschap
echter allebei recessief zijn, komt deze recessieve eigenschap
wel naar voren.
| |
dominant
gen A |
recessief
gen b |
| dominant
gen A |
AA
(= dominante eigenschap komt naar voren) |
Ab
(= dominante eigenschap komt naar voren) |
| recessief
gen b |
bA
(= dominante eigenschap komt naar voren) |
bb
(= recessieve eigenschap komt naar voren) |
| Een
dominante eigenschap komt dus in 75% van de gevallen
naar voren en een recessieve eigenschap in 25% van
de gevallen. |
Zie ook: chromosomen - DNA |
| Genetisch |
= de erfelijkheid
betreffend. |
| H |
- pagina
top - |
| Hb |
De concentratie
van hemoglobine in bloed, kortweg
Hb genoemd, wordt bepaald om bloedarmoede (anemie)
vast te stellen. Bij een laag hemoglobinegehalte transporteert
het bloed (dus: de rode bloedcellen)
te weinig zuurstof naar weefsels
en organen. Iemand met bloedarmoede ziet bleek en heeft
een verminderd uithoudingsvermogen. |
| Hemoglobine |
Hemoglobine
is een ijzerbevattend eiwit in de rode
bloedcellen dat zuurstof transporteert
en verantwoordelijk is voor de rode kleur van het bloed.
Voor de productie van hemoglobine is ijzer nodig dat via
het voedsel wordt opgenomen.
Voor opname van ijzer zijn vooral
vitamine C en mineraal koper nodig.
Verlaagde waarden voor hemoglobine worden gevonden bij
een ijzergebrek (bijvoorbeeld door onvoldoende ijzer in
de voeding of door opnamestoornissen van de darm). De
aanmaak van hemoglobine is ook verstoord bij onvoldoende
opname van vitamine B12 en foliumzuur. Verder zie je verlaagde
waarden voor hemoglobine bij ernstig bloedverlies, bij
versnelde afbraak van rode bloedcellen en bij zwangerschap.
Soms spelen erfelijke factoren een rol bij afwijkingen
in de aanmaak van de eiwitketens van hemoglobine. Ook
bij ziekten van het beenmerg en
bij chemotherapie wordt bloedarmoede
waargenomen. |
| Hepatomegalie |
Lever
vergroting |
| Hersenvliesontsteking |
Hersenvliesontsteking
is een infectie van het centraal zenuwstelsel (CZS). De
hersenen zijn omgeven door de hersenvliezen, meningen.
Een van deze meningen omsluit een ruimte in de hersenen
waarin het hersenvocht zit.
Een ontsteking in deze ruimte en hersenvliezen leidt tot
symptomen als hoofdpijn, koorts en pleocytose
in het hersenvocht.
Andere symptomen kunnen zijn; nek- en rugpijn, misselijkheid,
braken, spierpijn, verwarring, vermoeidheid, overgevoeligheid
voor licht en een algemeen gevoel van zich slecht voelen.
| Acute hersenvliesontsteking |
Chronische hersenvliesontsteking |
Acute hersenvliesontsteking ontstaat
in uren of dagen en kan weer worden onderverdeeld
in septische en aseptische hersenvliesontsteking.
| Septische (bacteriële)
hersenvliesontsteking |
Aseptische hersenvliesontsteking |
| wordt meestal
door bacteriën veroorzaakt. De meest
voorkomende bacteriën zijn Streptococcus
pneumoniae, Neisseria meningitidis, Haemophilus
influenzae en Escherichia coli, afhankelijk
van de leeftijd van de patiënt. |
wordt over het
algemeen veroorzaakt door virussen, hoewel
er ook verscheidene niet-virale verwekkers
zijn.
Virale hersenvliesontsteking komt het meest
voor bij kinderen en jongvolwassenen. |
|
Bij chronische hersenvliesontsteking
blijven de symptomen van ontstoken hersenvliezen
met pleocytose in het hersenvocht langer dan vier
weken aanhouden. Deze vorm van hersenvliesontsteking
kan worden veroorzaakt door bacteriën, virussen,
schimmels en parasieten. |
bron & meer info:
ILO-lesbrieven |
| Hormoon |
Stof die
allerlei processen reguleert in het lichaam. Wordt aangemaakt
in organen en oefent elders in het lichaam zijn functie
uit. |
| Hypertrofie |
Bovenmatige
groei. |
| I |
- pagina
top - |
| IJzer
(ijzer en voeding). |
IJzer
(opname via voedsel) is nodig voor de hemoglobine
productie. Voor de opname van (heem-)ijzer
(uit voedsel in de dunne darm) zijn o.a. vitamine
C, vitamine B12, foliumzuur en mineraal koper nodig.
Rooibosthee schijnt de (heem-)ijzeropname te verbeteren.
Teveel calcium (melkproducten), thee (theïne) en
koffie (cafeïne), rode wijn (looizuur), rabarber
& spinazie (oxaalzuur), losse (tarwe) zemelen en de
sojaboon (fytinezuur) schijnen een negatieve invloed op
de (heem-)ijzeropname te hebben. |
| IJzertekort |
IJzertekort
kan ontstaan door: te weinig ijzer in de voeding - verminderde
ijzeropname in de darm (ik zoek nog info of dit specifiek
kan samen hangen met SDS) - abnormaal ijzerverlies door
b.v. bloedingen.
Een tekort aan ijzer zorgt o.a. voor een tekort aan zuurstof
in het bloed (zie hemoglobine) en
dus o.a. voor vermoeidheid, lusteloosheid, hoofdpijn en
duizeligheid. Een tekort aan ijzer bij baby's en jonge
kinderen kan ook zorgen voor verminderde groei en heeft
een negatieve invloed op (de ontwikkeling van) het denkvermogen
en het geheugen. |
| Een teveel
aan ijzer is ook nadelig voor de gezondheid en kan bijvoorbeeld
secundaire hemochromatose (ijzerstapeling) als gevolg
hebben. |
| Voedsel rijk aan ijzer |
Voedsel
dat rijk is aan ijzer: peulvruchten, appelstroop, (zwarte)
bessendranken, noten, zaden, eieren, gedroogde abrikozen,
tutti frutti, vlees, vis, gevogelte, zilvervliesrijst,
gierst en andere volkoren producten. |
| |
IJzer
informatie: bronnen & meer info, o.a.: dietistennet
- planetgreen. |
| IJzer:
heem-ijzer en non-heem-ijzer
(haem-ijzer en non-haem-ijzer) |
Er
zijn 2 soorten ijzer heem-ijzer (komt voor in vlees, vis
en gevogelte en hiervan wordt naar schatting 25% opgenomen,
ongeacht wat er verder gegeten wordt) en non-heem-ijzer
(komt voornamelijk in plantaardige voedingsmiddelen voor
en wordt niet altijd even goed opgenomen. Het soort non-heem-ijzer,
de zuurgraad (hoe lager de zuurgraad, dus zuurder) van
het maagzuur en andere stoffen in de voeding (bijvoorbeeld
vitamine C) spelen een rol (zie ook hierboven).
bron & meer info: voedingscentrum. |
| IJzer,
hoeveelheid in het lichaam. |
De
totale hoeveelheid ijzer in een volwassene bedraagt 4
gram, waarvan 70% zich bevindt in hemoglobine
en myoglobine. Bijna 30% is
opgeslagen in de lever, milt, beenmerg
of darmmucosa (mucosa = slijmvlies). Slechts 0,1% van
het totale ijzer komt voor in het plasma,
waar het voornamelijk gebonden is aan transferrine. Een
normaal dieet bevat ongeveer 15 mg ijzer per dag. Hiervan
wordt circa 1 mg door de darmen geabsorbeerd. Niet geabsorbeerd
ijzer wordt uitgescheiden met de faeces.
Onder normale omstandigheden is opname en verlies van
ijzer goed in balans. Per dag wordt er ongeveer 1 mg aan
ijzer opgenomen en wordt er ongeveer 1 mg verloren. Dit
verlies zit in urine, faeces, nagels, haren en huid.
Bron: afstudeeropdracht
M. van Zuylen |
| Immunoreactief
trypsinogeen (IRT) |
Wanneer
het IRT niveau is verhoogd, kan dit wijzen op een afwijking
aan de enzymproductie van de alvleesklier. |
| Insufficiëntie |
Onvoldoende
werking. |
| Insuline |
Hormoon
geproduceerd door de alvleesklier,
speelt een rol in de suikerhuishouding. |
| Intermitterend |
Met
onderbrekingen. |
| K |
- pagina
top - |
| Keratitis |
Oogbindvliesontsteking.
|
Kinkhoest
Kinkhoest-bacterie: Bordetella pertussis = bacil van Bordet-Gengou.
|
Kinkhoest
wordt veroorzaakt door een bacterie die door hoesten wordt
overgebracht. De ziekte is erg besmettelijk en veroorzaakt
enorme hoestbuien, die enkele weken of zelfs maanden kunnen
doorgaan. Deze hoestbuien zijn erg uitputtend voor je
kind. Bovendien kunnen de longen van je kind door het
langdurige en geforceerde hoesten blijvende schade oplopen.
Soms gaat kinkhoest vergezeld van een middenoor ontsteking
en heel af en toe zelfs van een longontsteking.
Bron & meer info: www.kinderinfo.nl
- dokter - kinkhoest
Zie ook: NVPK
- Kinkhoestdossier. |
| Klinisch |
In het
ziekenhuis. |
| Krentenbaard |
(Impetigo
of crusteuze pyodermie). Krentenbaard is een besmettelijke
aandoening van de huid die veroorzaakt wordt door een
bacterie. Door de infectie ontstaan
rode plekken, blaasjes met geel vocht en geelbruine korstjes.
De infectie komt meestal in het gezicht voor rond de neus
of mond, vandaar de naam krentenbaard. De infectie kan
ook op andere plaatsen optreden.
De huidaandoening kan worden behandeld met antibiotica
(in zalf of in een andere vorm).
Bron & meer info: GGD
(Zeeland) - Krentenbaard |
| L |
- pagina
top - |
| Leukocyten |
Witte
bloedcellen. |
| Lever |
De lever
is een orgaan wat rechtsboven in de buikholte gelegen
is en is de grootste (circa 1,5 kilo) klier van het lichaam.
De lever heeft heel veel functies (is in feite de grootste
-erg complexe- chemische fabriek van ons lichaam). De
belangrijkste functies zijn:
Glucose (koolhydraten) wordt omgezet in glucogeen (dient
als energievoorraad) en vice versa. Er worden verschillende
eiwitten voor het bloed
gemaakt, evenals cholesterol en
eiwitten die nodig zijn voor de afbraak van vet. Vitamine
A wordt gevormd. Vitamine E wordt
opgestapeld. Eigen hormonen worden
afgebroken. Gifstoffen worden omgezet of gebonden en opgeslagen.
De lever produceert o.a. gal (gifstoffen kunnen worden
afgevoerd via de gal). De gal kan rechtstreeks afgevoerd
worden naar de twaalfvingerige darm maar kan ook opgeslagen
worden in de galblaas. De galblaas bevindt zich achter
de lever.
bron en meer info: http://www.merckmanual.nl/
|
| Leverfunctie tests |
| Leverfuncties worden
bepaald in bloedmonsters. In onderstaande tests
(dit zijn de 2 meest gebruikelijke tests, die ook
bij Jaimz worden verricht) worden de spiegels van
enzymen in het bloed bepaald als een manier om leverproblemen
te diagnosticeren. |
| Onderzoek |
Wat wordt gemeten |
Wat geeft de proef
aan |
| alanine-aminotransferase
(ALAT) |
een in de lever geproduceerd enzym
dat in het bloed wordt afgegeven wanneer levercellen
beschadigd raken |
Levercel beschadiging
(zoals bij hepatitis) |
Gamma glutamyl-transpeptidase
(Gamma GT) |
een enzym dat wordt geproduceerd
door lever, pancreas en nieren
en dat wordt afgegeven aan het bloed bij beschadiging
van deze organen |
Orgaanbeschadiging,
geneesmiddelenvergiftiging, alcoholmisbruik, aandoening
van de pancreas |
| bron en meer info:
http://www.merckmanual.nl/ |
|
| Lever necrose |
Levercel
verval. |
| Leukemie |
Er zijn
verschillende soorten leukemie. Er wordt onder meer onderscheid
gemaakt in chronische en acute leukemie. Bij elke vorm
van leukemie is er, net als bij andere soorten kanker,
sprake van een ongecontroleerde deling
van cellen, in dit geval van een bepaalde soort witte
bloedcellen. Die kwaadaardig veranderde
cellen reageren niet meer op signalen
om de aanmaak te remmen wanneer er voldoende cellen zijn
geproduceerd. Er komen dus niet alleen afwijkende maar
ook veel te veel cellen in de bloedbaan. Door deze woekering
van abnormale cellen komt de productie van normale cellen
in het gedrang. Aanvankelijk is er alleen in het beenmerg
een overmaat aan onrijpe cellen. Na verloop van tijd komen
die onrijpe cellen in de bloedbaan en dus ook in de organen
terecht. Bepaalde weefsels kunnen dan overvol raken met
abnormale cellen. Dat is onder meer te merken aan vergrote
lymfeklieren, een vergrote milt en/of een vergrote lever.
Bij acute leukemie rijpen de bloedcellen niet uit en vindt
in korte tijd een ophoping van onrijpe cellen plaats.
Binnen enkele weken treden klachten op.
Bij chronische leukemie is er nog sprake van dat de cellen
redelijk goed uitrijpen. Het kwaadaardige proces verloopt
veel trager, waardoor de klachten lang kunnen uitblijven.
Daarnaast wordt onderscheid gemaakt op basis van het celtype
van de abnormale witte bloedcellen. Zo kennen we een lymfatische
en myeloide leukemie.
bron: Beenmerg
donorbank |
Acute
leukemie is vooral bekend als een veel voorkomende soort
kanker bij kinderen. Chronische leukemie komt eerder voor
bij oudere personen.
Leukemie kan leiden tot lage hoeveelheden rode bloedcellen
(anemie), lage hoeveelheden bloedplaatjes
(nodig voor stolling van het bloed), gezwollen lymfe klieren
en vergrote lever of milt.
Symptomen van leukemie zijn o.a. een bleke huid, gewichtsverlies,
vermoeidheid, snel blauwe plekken krijgen, algemene zwakte,
vatbaar zijn voor infecties. |
| Leukocyten |
Witte bloedcellen. |
Lyme, de
ziekte van
Lyme-borreliose |
De ziekte van Lyme komt
vrijwel overal ter wereld voor en wordt overgedragen door
teken. Lyme-borreliose wordt veroorzaakt
door de bacterie Borrelia burg-dorferi. Kenmerkend voor
de ziekte is een rode plek, die geleidelijk groter wordt
en centraal verbleekt. Deze huid-aandoening wordt erythema
migrans genoemd. Meestal ontstaat de rode plek binnen
drie weken na de tekenbeet.
Bron & voor meer info, zie: SAAG
& Teek
Care. |
| Lymfeklier-ontsteking
(lymfangitis) |
Ontsteking
(-itis) van één (= plaatselijk) of meer
(= systemisch) lymfeklieren door een micro-organisme (o.a.
bacterie, virus, schimmel, protozoön, parasiet).
Lymfeklier-ontsteking is een (bij)verschijnsel van zeer
veel plaatselijke of systemische infecties.
bron:
Consumed |
| M |
- pagina
top - |
| Macrocytose |
=
De vorming van vergrote rode bloedlichaampjes.
Macrycytose is een gevolg van een stoornis in deling en
rijping van rode voorlopercellen
in het beenmerg. |
| Maligne |
= Kwaadaardig,
met kans op uitzaaiing. Maligniteit = kwaadaardigheid. |
| MCV |
= Mean
Corpuscular Volume. Wanneer hier bij een bloedtest naar
gekeken wordt is dit voor de berekening van het volume
van de rode bloedcellen. (zie ook
bloedtelling) |
| MDS |
De benaming
Myelodysplastisch Syndroom (MDS),
ook wel myelodysplasie genoemd, staat voor een groep van
beenmergstoornissen waarbij de
productie van bloedcellen ernstig
is verstoord.
Bij MDS is er niet alleen sprake van een productie van
gestoorde bloedcellen, maar kunnen sommige voorlopercellen
ook ontsporen richting acute leukemie.
In ongeveer een derde van de gevallen van MDS ontwikkelt
zich inderdaad een acute vorm van leukemie, meestal Acute
Myeloïde Leukemie (AML).
Bij MDS worden vaak bepaalde karakteristieke afwijkingen
in de chromosomen vastgesteld. Dezelfde afwijkingen worden
ook vaak vastgesteld bij AML.
Sommige gevallen van MDS die zich uiteindelijk niet ontwikkelen
tot een acute vorm van leukemie, kunnen daar soms sterk
op lijken door de toename van het aantal primitieve voorlopercellen
(blasten) in het beenmerg. Deze gevallen worden vaak aangeduid
als 'sluimerende' leukemie ('smouldering' leukemia).
Bron & voor meer info over MDS: www.bloedziekten.nl
(ga naar 'kenmerken': andere bloedziekten). |
Aandoening
waarbij de deling van de bloedvormende (= haemopoëtische)
cellen -meestal de rode bloedcellen
(= erythrocyten)- in het beenmerg is verstoord.
Mogelijke verschijnselen (o.a.): Lichaamszwakte, vermoeidheid,
verminderde eetlust (= anorexie), gewichtsverlies, vol
gevoel in de buik, ademtekort (= dyspnoe), opgezette lymfeknopen
(= lymphadenopathie), bloedarmoede (= anemie),
bleekheid, bloedbeeld-afwijkingen, vergrote milt en lever,
stoornissen in de afweer (= immunodeficiëntie), auto-immuunziekten,
huidvlekken (petechiae), acute myeloïde leukemie
(= AML). Bron & voor
meer info: Consumed
(index ziekten & klachten) |
| Morfologie |
De morfologie
bestudeert de uitwendige bouw en vorm van planten en levende
wezens (vormleer) en hun organen (orgaanleer) en probeert
hun veelvormigheid terug te brengen tot enkele grondtypen
(bouwplannen).
Bron: wikipedia |
| Metafyse |
Gedeelte
van een groeiend bot waar het kraakbeen uit de groeischijf
wordt omgezet in been. |
| Myeloïde |
Uitgaande
van het beenmerg. |
| Myoglobine |
Myoglobine
is een vrij klein eiwit dat veel voorkomt in spiercellen.
Myoglobine dient om zuurstof op te slaan dat dan gebruikt
kan worden wanneer de spieren veel arbeid moeten leveren
en dus veel zuurstof nodig hebben. |
| N |
- pagina
top - |
| Neonaat |
= Pasgeborene. |
| Neonataal |
Met betrekking
tot de eerste weken na de geboorte. |
| Neutrofielen/Neutrofiele
granulocyten |
Een type
witte bloedcel, nodig voor het overwinnen
van een bacterie infectie (besmetting).
Letterlijke betekenis: kleurbaar met neutrale kleurstoffen. |
De 2 typen neutrofiele
granulocyten: |
| Met een staafvormige
(onrijpe) kern. |
| Met een segmentvormige
(rijpe) kern. |
| Neutropenie |
Tekort
aan witte bloedlichaampjes. |
| Nieren |
De nieren
zuiveren het bloed, vooral van daarin
opgeloste (anorganische en organische) stoffen. De waardevolle,
opgeloste stoffen worden teruggewonnen. Ook een groot
deel van het water wordt teruggewonnen.
Uiteindelijk, na een lang proces, wordt de van waardevolle
bestanddelen ontdane en geconcentreerde vloeistof, die
nu urine heet, afgevoerd.
Wanneer nodig zorgen de nieren o.a. ook voor de productie
en afgifte van een hormoon dat
het beenmerg aanzet tot een grotere
productie van rode bloedcellen. |
| O |
- pagina
top - |
| Oorbuisje |
Zie: trommelvliesbuisje. |
| P |
- pagina
top - |
| Pancreas |
Alvleesklier,
een orgaan dat dwars in de buik ligt. Het is ongeveer
vijftien cm lang en één tot drie cm dik.
De 'kop' van dit orgaan ligt in de binnenbocht van de
twaalfvingerige darm, het 'lichaam' en de 'staart' liggen
voor de wervelkolom en de grote bloedvaten achter in de
buik. Aan de bovenkant ligt het pancreas tegen de maag,
aan de onderkant tegen de dunne darm. Het pancreas is
opgebouwd uit cellen, die hormonen
maken (insuline en glucagon) en uit
cellen die enzymen maken (onder andere
amylase, lipase, trypsine). De pancreashormonen worden
afgegeven in het bloed en zorgen ervoor dat het bloedsuikergehalte
binnen normale waarden blijft. Als de hormoonproductie
te laag is, ontstaat er suikerziekte (diabetes).
De pancreasenzymen zijn van groot belang voor de spijsvertering.
Ze komen via een afvoerbuis bij de zogenaamde Papil van
Vater in de twaalfvingerige darm terecht. Wanneer er te
weinig enzymen worden geproduceerd ontstaan er stoornissen
in de vertering van suikers (door amylase), vetten (door
lipase) en eiwitten (door trypsine).
|
| Pancytopenie |
Vermindering
van cellen in het bloed. |
| Pleocytose |
Pleocytose
wil zeggen dat er meer cellen voorkomen
dan normaal. Meestal gaat het dan om een verhoogd aantal
witte bloedcellen, met name lymfocyten.
|
| Pulmonair |
Met betrekking
tot de longen. |
| Punctie |
Het via
een naald opzuigen van cellen ten behoeve
van onderzoek. |
| R |
- pagina
top - |
| Reflux
oesofagitis |
De slokdarm
(oesophagus) is een buis die loopt van de mond tot aan
de maag en die zorgt voor het transport van het voedsel.
Normaliter bevat de zone die de maag scheidt van de slokdarm,
oesofago-gastrische overgang genaamd, een cirkelvormige
spier, sfincter genaamd. Deze belet dat de inhoud van
de maag, met name het zure maagvocht, opstijgt in de slokdarm.
Indien de overgang tussen de maag en de slokdarm slecht
functioneert, vloeit er maagvocht terug dat dan in contact
komt met de binnenwand van de slokdarm. Daardoor kunnen
refluxsymptomen (zuurbranden) en/of een min of meer ernstige
en uitgebreide ontsteking van de slokdarm optreden, de
zgn. gastro-oesofageale reflux (GOR).
bron: maagdarminfo
- voor meer info over 'reflux' zie ook 'het
verhaal van Nina'. |
| Renaal |
Met betrekking
tot de nier. |
| Ruggenmerg |
| Het
ruggenmerg is opgebouwd uit: |
| 1 |
Zenuwbanen
(dat zijn de bundels van zenuwuitlopers die vanuit
de grote en kleine hersenen en vanuit de hersenstam
naar de armen, de benen, de romp en de andere delen
van het lichaam verlopen, en vice versa). |
| 2 |
Zenuwcellen.
|
| 3 |
Steunweefsel
(de zogenaamde glia-cellen). |
| 4 |
Bloedvaten.
|
| 5 |
Ependymcellen
die het in midden van het ruggenmerg verlopend kanaaltje
waarin zich het ruggenmergsvocht bevindt (het zogenaamde
centrale kanaal) bekleden. |
| Het
ruggenmerg is door middel van zijdelingse bindweefselbandjes
als het ware opgehangen in een omhulsel van hersenvlies
(of beter: ruggenmergvlies, dit , is een voortzetting
van het rondom de hersenen gelegen hersenvlies).
Net zoals de hersenen is ook het ruggenmerg omgeven
door een ruime hoeveelheid vocht. Dit vocht wordt
op zijn plaats gehouden door een omhulsel van het
harde hersenvlies (dura mater = buitenste hersenvlies).
Doordat het ruggenmerg is opgehangen in deze zak
met vocht, is het beter bestand tegen schokken en
stoten. Bovendien speelt het vocht een rol bij het
transport van voedingsstoffen naar het ruggenmerg,
en bij de afvoer van afvalstoffen. |
bron & meer info:
Ziekenhuis.nl
- ziektebeelden. |
| S |
- pagina
top - |
| Serum |
Bloedwei,
het vloeibare van gestold bloed. |
| Skeletachtig |
Met betrekking
tot het geraamte. |
Speekselklieren
&
Speekselklierontsteking |
De mond
is het begin van de lange weg die het voedsel aflegt door
ons lichaam. In de mond wordt het voedsel vermengd met
speeksel. Dit speeksel wordt gevormd door verschillende
speekselklieren. Zo onderscheiden we de oorspeekselklier,
de onderkaakspeekselklier en de ondertongspeekselklier.
De afvoerkanalen van deze klieren monden op verschillende
plaatsen in de mond uit. |
Speekselklierontsteking
is meestal het gevolg van een infectie
door een bacterie of een virus. Soms zijn speekselstenen
de oorzaak van een ontsteking in de speekselklier.
- Infectie door een bacterie
Deze infectie gaat vaak gepaard met koorts en troebel
speeksel. - Infectie door
een virus
Een bekend voorbeeld van deze infectie is de 'bof'. Bij
deze besmettelijke kinderziekte zijn de oorspeekselklieren
ontstoken en opgezwollen. Mogelijke complicaties van de
'bof' zijn teelbalontsteking en een ontsteking van de
alvleesklier. |
| Bron &
uitgebreidere informatie:
MLD (maag lever darm stichting) |
| Stamcel |
Cel
die zich tot een ander celtype differentieert (differentiëren
= vanuit een homogeen geheel in verschillende vormen splitsen),
een stamcel is dus een cel waaruit nog allerlei soorten
cellen gevormd kunnen worden. Een stamcel specialiseert
zich tot een cel met een eigen functie. Zo'n gespecialiseerde
cel kan daarna alleen nog deze specifieke functie - en
geen andere functie meer - vervullen. Als de celfunctie
celdeling toestaat, worden door
deling van deze gespecialiseerde cellen, alleen soortgelijke
of nog sterker gespecialiseerde cellen gevormd. |
In het
beenmerg aanwezige ‘oercel’
die zich kan ontwikkelen tot elke soort lichaamscel.
Bijvoorbeeld tot een levercel, hartspiercel of zenuwcel.
Uit een stamcel kunnen alle verschillende soorten bloedcellen
(rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes)
worden gevormd. bron: Academisch
Ziekenhuis Groningen - Begrippenlijst |
| Staphylococcus aureus |
Een van
de bacteriën die 30% van de mensen
bij zich draagt is de Staphylococcus aureus. Deze bacterie
kan infecties geven, bijvoorbeeld een steenpuist of ontstoken
wondjes. Deze infecties genezen vaak vanzelf. Soms is
het nodig ze te behandelen met antibiotica. Dat zijn medicijnen
die bacteriën doden.
Zie ook: 'krentenbaard'. |
| Sufficiënt |
Voldoende
werkend. |
| Syndroom |
Groep
van verschijnselen die hoort bij één aandoening. |
| T |
- pagina
top - |
Teek/Teken
FSME
Früh Sommer Meningo Encephalitis
Hersenontsteking
Teken-meningo-ecefalitis. |
FSME is
een virusinfectie die wordt verspreid door teken. Teken
zijn kleine spinachtige dieren die zich vastbijten in
de huid van mensen of dieren. Deze teken kunnen besmet
zijn met virussen. FSME is er één van. Ons
lichaam kan besmet worden door de beet van een geïnfecteerde
teek, maar ook door het drinken van ongepasteuriseerde
melk.
bron: Travel
Clinic. |
FSME:
Ongeveer tweederde van de besmette mensen wordt in het
geheel niet ziek. De ziekte verloopt vaak in twee fasen.
Eén tot twee weken na de tekenbeet ontstaat gedurende
enkele dagen koorts. Bij een deel van de patiënten
ontstaat een tweede ziekteperiode met hoge koorts, hoofdpijn
en verlammingsverschijnselen. Zelden leidt dit tot ernstige
en blijvende aandoeningen van het zenuwstelsel. Tegen
deze ziekte bestaat geen behandeling. Vaccinatie is wel
mogelijk. bron & meer
info: SAAG |
| In o.a.
Oost-Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk, Italië, Turkije
en de Oost-Europese landen zijn gebieden waar teken met
het FSME virus besmet zijn. |
RSSE:
Russische variant van FSME die vaak ernstiger verloopt.
Bij de Europese variant overlijdt ongeveer 1% van de mensen
hieraan. Bij de Russische variant is de kans op overlijden
en blijvende complicaties groter.
Bron: o.a. GGD & KNNV
|
| Teken-vaccin:
hetzelfde vaccin beschermt voor beide varianten. Een volledige
serie vaccinaties bestaat uit 3 injecties. Let op: vaccinatie
niet geschikt voor kinderen jonger dan 4 jaar! |
| Zie ook:
Lyme, de ziekte/Lyme-borreliose. |
| Testiculair |
Met betrekking
tot de teelbal. |
| Thoracaal |
Met betrekking
tot de borstkas. |
| Toxisch-infectieuze
anemie |
= Ontstekingsanemie.
Anemie ten gevolge van een ontsteking. |
| Transaminase |
Enzym
dat een amino groep van de ene stof
op de andere kan overdragen. |
| Trombocyten |
Bloedplaatjes.
Zie: bloedcellen. |
| Trombocytopenie |
Verlaagd
aantal bloedplaatjes. |
| Trombopenie |
Een tekort
aan bloedplaatjes. |
| Trommelvliesbuisje |
Indien
de buis van Eustachius niet goed werkt, ontstaat onderdruk
in het middenoor, waardoor het trommelvlies naar binnen
wordt getrokken. Door de onderdruk kan het slijmvlies
in het middenoor geïrriteerd raken en vocht afscheiden
waardoor het middenoor gevuld raakt met vocht in plaats
van met lucht. Dit wordt OME (Otitis Media met Effusie)
genoemd, maar ook wel 'lijmoor' of 'glue ear', vanwege
de stroperige samenstelling van het vocht. Hierdoor kunnen
klachten ontstaan van een vol drukkend gevoel in het oor
en soms van pijn; hevige pijn kan veroorzaakt worden door
een ontsteking van dit vocht (middenoorontsteking). Tevens
treedt gehoorverlies op, omdat de geluidstrillingen door
de aanwezige vloeistof gedempt worden.
Ook kan het gedrag van uw kind veranderen: het kan gaan
schreeuwen en in zichzelf gekeerd raken. Bij kinderen
tussen de 2 en 6 jaar komt deze aandoening veelvuldig
voor. De afwijking is bijna altijd dubbelzijdig (dus aan
beide oren). Vaak treedt binnen enkele weken tot maanden
spontaan genezing op zonder dat blijvende schade ontstaat.
Indien de afwijking echter langer blijft bestaan of veelvuldig
aanleiding geeft tot oorontstekingen, hinderlijk gehoorverlies
en/of langdurige klachten van afwijkend gedrag, kan een
tijdelijke beluchting van het middenoor via een trommelvliesbuisje
zinvol zijn.
Een trommelvliesbuisje heeft als doel een open verbinding
te bewerkstelligen tussen middenoor en uitwendige gehoorgang,
opdat via het buisje lucht in het middenoor komt. Er bestaat
een nauw verband tussen bovenste luchtweginfecties, zoals
neusverkoudheid en een niet goed functionerende buis van
Eustachius. Voordat een trommelvliesbuisje geplaatst wordt,
dienen andere oorzaken voor terugkerende bovenste luchtweginfecties,
zoals een vergrote neusamandel en/of een ontsteking van
de neusholte en neusbijholten uitgesloten of behandeld
te worden.
bron & meer info: Ziekenhuis.nl
- ziektebeelden. |
| V |
- pagina
top - |
| Vertebraal |
Met betrekking
tot de wervels |
| Vitamine
A & Bètacaroteen |
Vitamine
A (retinol) is vetoplosbaar (oplosbaar in vet).
Bètacaroteen is vetoplosbaar en wordt ook provitamine
A genoemd. Dit wil zeggen dat het lichaam in staat is
het bètacaroteen om te zetten in vitamine A. Men
neemt aan dat zoveel bètacaroteen wordt omgezet
als het lichaam aan vitamine A nodig heeft. Recent onderzoek
heeft uitgewezen dat bètacaroteen niet alleen als
voorloper van vitamine A biologische activiteit heeft,
maar ook activiteit van zichzelf.
De bekendste functie van vitamine A is dat het een bouwsteen
is van het pigment in het netvlies dat er voor zorgt dat
we in het schemerdonker kunnen zien. Tevens is vitamine
A betrokken bij het in conditie houden van de cellen die
de buitenste laag van alle organen (zoals de huid en longen)
vormen. Ook maakt vitamine A deel uit van het afweersysteem
en speelt het een rol bij de groei en botvorming. |
Bronnen
vitamine A: dierlijke vette producten zoals vis, levertraan,
vlees (lever, nier), eieren, zuivelproducten.
Bronnen bètacaroteen: bladgroenten, fruit, worteltjes,
boerenkool, brocolli. |
| Vitamine
C |
De mens
(en mensaap en cavia) kan, in tegenstelling tot de meeste
andere levende wezens (planten en dieren), vitamine C
niet zelf aanmaken. Hiermee onderscheidt vitamine C zich
wezenlijk van de andere essentiële voedingsstoffen.
Vitamine C verhoogt o.a. de activiteit van de witte
bloedlichaampjes, is een anti-oxidant,
heeft een ontgiftende werking, stimuleert de omzetting
van cholesterol in galzuur en is o.a. betrokken bij een
groot aantal stofwisselingsprocessen, zoals de ijzeropname.
Vitamine C (samen met andere vitamines en mineralen) zorgt
ook voor de botvorming. |
| Bronnen
vitamine C: citrusvruchten, kiwi, verse (blad)groenten,
aardappelen. |
| Vitamine
D |
Tenminste
tien verbindingen behoren tot de vitamine D groep. Ze
zijn allen vetoplosbaar. Ze worden aangeduid met vitamine
D1, D2 etc. Vitamine D2 en vitamine D3 zijn de belangrijkste.
Vitamine D2 is van plantaardige oorsprong en vitamine
D3 van dierlijke oorsprong.
In de lever en de nier
worden zowel Vitamine D3 als Vitamine D2 omgezet in andere
verbindingen.
Vitamine D kan door het lichaam, onder invloed van zonlicht,
zelf worden aangemaakt.
Vitamine D is nodig voor sterke botten en tanden. Het
zorgt ervoor dat calcium en fosfor goed uit de voeding
worden opgenomen en in de botten en tanden worden vastgelegd
tijdens de groei. |
| Bronnen
vitamine D: levertraan, vette vis (zoals sardientjes,
haring, zalm, tonijn), eieren, melk en andere zuivelprodukten
(zoals kaas en roomboter). |
| Vitamine
E |
Tot het
vitamine E complex worden de tocoferolen gerekend. Dit
zijn een aantal verbindingen aangeduid met de Griekse
letters alfa, bèta, gamma, delta, epsilon, èta
en dzeta. Alfa-tocoferol is biologisch de meest actieve
vorm. Van de tocoferolen bestaat een rechtsdraaiende (aangeduid
met de letter d) en een linksdraaiende vorm (aangeduid
met de letter l). In de natuur komt alleen de rechtsdraaiende
vorm voor. De linksdraaiende vorm is biologisch nauwelijks
actief.
Vitamine E is een belangrijke voedingsstof die een regulerende
werking heeft op allerlei lichaamsprocessen die bij het
ouder worden de neiging hebben te verslechteren.
Vitamine E speelt een rol in rode bloedcellen en in celwanden
van weefsels in ons lichaam. Veel van de gunstige uitwerkingen
van vitamine E hebben verband met zijn functie als vetoplosbare
antioxidant. Ook heeft vitamine
E een (lichte) ontstekingsremmende werking. Tevens speelt
vitamine E een belangrijke rol in het immuunsysteem. Een
aantal recente studies toonden aan dat de immuunrespons
aanmerkelijk kon worden verbeterd door extra vitamine
E, met name bij ouderen en mensen die vetten slecht verteren.
|
| Bronnen
vitamine E: tarwekiemolie, plantaardige olie (zoals soja
olie en zonnebloemolie), broccoli, spruiten, spinazie,
noten, sesamzaad, volkorenproducten, eieren. |
| Vitamine
K |
In de
natuur komen verschillende vormen van vitamine K voor
(K1, K2) die allen vetoplosbaar zijn.
Vitamine K is belangrijk bij de stolling van het bloed.
Vitamine K wordt door bacteriën in de dikke darm
omgezet, waardoor het opgenomen kan worden in het bloed.
Door bijvoorbeeld diarree verdwijnen deze bacteriën
voor een groot deel en wordt de vitamine K minder goed
opgenomen. |
| Bronnen
vitamine K: Yoghurt, eierdooiers, sojaolie, levertraan,
kelp, bloemkool, brocolli, groene bladgroenten ( spinazie)
en koolsoorten (boerenkool). |
| Voorlopercellen |
Cellen
die voorbestemd zijn tot uitrijping in één
bepaalde richting, dus elke soort voorlopercel ontwikkelt
zich tot één bepaald soort cel, een rijpe
eindcel die gespecialiseerd is in het uitoefenen van een
bepaalde functie. |
| Vrije
radicalen |
Vrije
radicalen ontstaan o.a. bij oxidatie (verbrandings) processen
in het lichaam en spelen o.a. een rol bij het ontstaan
van kanker, aderverkalking en reumatische en neurologische
aandoeningen. |
| W |
-
pagina top - |
| Weefsel |
Opeenstapeling
van cellen. Samenhangend geheel van
gelijksoortige cellen waaruit de delen van het organisme
zijn samengesteld |