Hoe nog beter te belichten



Belichten en Flitsen

Zeker wie een nieuwe camera heeft aangeschaft of van plan is er een te kopen doet er goed aan een eerste testfilm rond eigen huis vol te schieten en de resultaten kritisch te beoordelen, met name op diafilm geeft dit een goed inzicht want er is geen printfase waarin belichtingsfouten worden gecorrigeerd.

Is alles iets te donker, zet de camera dan op +0,5 correctie.
Is alles juist veel te donker, stel dan op +1 of zelfs +1,5 stop in en test dan weer.
Onderbelichte negatieven zijn dun van beeld en missen die details op de plaats waar donkere onderwerpsgedeelten zouden moeten zitten.
Die komen dan ook niet op een print voor! In het kleurenlab worden dunne negatieven met een zeer korte tijd geprint om het resultaat niet donkerder te maken, gevolg fletse kleuren, en korreligheid word zichtbaar in egale kleurenvlakken.

Een goed belicht (maar ook overbelicht) negatief geeft korrelarme, scherpe beelden met een krachtige kleurverzadiging. In het geval van twijfel dus maar liever wat overbelichten!
Waar weinig licht is, of hoge contrasten zijn, kan een (invul) flits uitkomst bieden ook overdag onder de bomen, in huis, tegen de zon in, enzovoorts.

Zet de flitser eens wat vaker aan en laat de camera het denkwerk doen bij ingebouwde en opschuifbare systeemflitser.

Als er fill-in modes mogelijk is, kies die dan altijd om de flitser wat minder dan de standaard op te laten helderen en om achtergronden beter uit te laten komen.

Object-meten.

Vanaf de camera ziet de belichtings-meter het door het opname objectief gereflecteerde licht.
Meet naar het onderwerp toe er is wel kans op over of onder belichting.
De meter meet een gemiddeld grijs (grijskaart) en vaak heeft een onderwerp dit gemiddelde.
Bij geen toevallige mix van licht en donker gaat het fout.
Bij veel wit word grijs (te donker) niet wit.
Bij veel zwart word grijs (te licht) niet zwart.
Zwart is 2 stops donkerder dan midden-grijs.

Meten van middengrijstinten

Gemeten wordt dat gedeelte in het onderwerp, dat een gemiddelde helderheid bezit.
Bij twijfel kunnen we gebruik maken van een kodak - grijskaart dat een reflectie heeft van 18% .
Deze methode houd dus geen rekening met onderwerps-contrasten zodat het kan voorkomen dat of de schaduwen of de hoge lichten er niet uit komen.

Meten van de schaduwen

Dit is een zeer goede methode voor negatief-emulsie's, omdat we dan in de kopie goed doortekende schaduwpartijen krijgen. De meter dient dan wel een voldoende kleine meethoek te hebben of we moeten naar het onderwerp toe (wat niet altijd mogelijk is).

Meten van de hoge lichten.

Dit is zonder twijfel de beste methode voor omkeeremulsie's (dia's) ,ongeacht of het zwart-wit of kleur betreft.

Meten van belangrijke beeldpartijen

Dit gebeurd nogal eens bij portretfotografie waar 'even' de kop gemeten wordt.
Deze methode is aanvechtbaar omdat geen rekening word gehouden met weinig licht reflecterende kleding.
Ook de haarpartijen kunnen het laten afweten.

Hebben we een lichte kop en daaronder donkere kleding, dan is een goede methode om zowel de lichte kop als de kleding te meten en het gemiddelde aan te houden, waarbij we eventueel iets krapper dan het gemiddelde kunnen nemen omdat de kleding wel wat donkerder mag zijn.

De schaduwpartijen mogen echter niet dichtlopen.

Exacte meting

Hier meten we eerst de kleine schaduwpartijen en dan de kleine lichte partijen waarin nog detailering moet komen.
Uit beide uitkomsten berekenen we het gemiddelde.

De optimale belichting!

De grondregels hiervoor zijn, dat de helderste gedeelten van een kleurendia resp.de donkerste gedeelte van het negatief nog genoeg doortekend moeten zijn.

Bij kleurenomkeerfilm

Daar komt het in het algemeen aan op de lichtste gedeelte, die belangrijk zijn voor het motief.
Let u daarop en belicht u liever wat krapper dan te veel.
De kleuren worden dan helderder en voller.

Bij negatieffilm

Waar het aankomt op het nog kunnen overnemen van die gedeelte in het negatief, die de geringste dichtheid hebben, moet u eerder wat over dan onderbelichten.

In principe kunt u iedere fotografische scene juist meten,bedenk echter dat het filmmateriaal anders dan het menselijk oog slechts een begrensde contrast-omvang kan verwerken.

Hier volgen enige tips.

Bij twijfel belichtingsstrap maken, opname zwart-wit negatief flankeren met +1 en -1.
Een normaal en laag onderwerpscontrast levert geen probleem op (4 stops).
Belichtinsomvang 7 stops past precies in de belichtingsomvang van een kleurennegatief, maar dit komt niet op de afdruk.
Een goede methode is: meet het donkere gedeelte en stel 2 stops minder in, meet het lichtste gedeelte en stel 2 stops ruimer in.
Onderwerpen met een normaal contrast (2 - 3 stops) , b.v. mist schemering passen makkelijk op kleur en zwart - wit .

Een onderwerp met een normaal contrast (4 - 5 stops) , past ruim op een negatieffilm, maar past precies op een diafilm.

Serie's met een winder, de belichting vast houden (AE - lock ) , of ga over op handmatig.

Sneeuwopname zet de +\- correctie-knop op +2, en meet op de sneeuw die word dan mooi doortekend wit weergegeven zonder grauwsluier.
Bij meten op een zwart doortekend deel -2 stops instellen:

Stel donkerer trui = f 2,8, lichte muur = 11, opname maken f 5,6, egaal verlicht onderwerp 4 stops verschil.
_____ Donkere trui__________________Grijskaart __________________Lichte muur

_______ f 2,8________ f 4 ___________ f 5,6 __________ f 8 _____________f 11__



Algemene meetregels

Uit het bovenstaande kunnen we voor eenvoudige, globale en snelle bepaling van de belichtingstijd, waarbij we ons richten naar de gemiddelde helderheid van het object, enkele algemene regels halen;


1. bij meten van de belichting van een landschap richten we de meter op een plaats tussen de horizon en de camera. De lichtstralen van de lucht moeten we niet in de meting betrekken.

2. maken we een opname speciaal van de lucht dan richten we de meter naar de lucht; het geringe contrast maakt het mogelijk tot 2 stops onder te belichten wat resulteert in een uitstekend doortekend negatief, zonder roetpartijen.

3. maken we tegenlichtopnamen met felle schitterlichtjes zoals b.v. golvend water waar de zon in schijnt, dan meten we een gedeelte van het water dat niet schittert.

4. gewoonlijk richten we de meter op dat gedeelte van het object, dat gemiddelde zwartingen en daardoor een gemiddeld contrast heeft. Aanwezigheid van sterke lichten of zeer donkere gedeelten kunnen de meter nadelig beinvloeden. Voor de bepaling van de juiste belichtingstijd kan het nodig zijn de donkerste gedeelte appart te meten. Steeds moeten we er voor zorgen dat geen sterk licht op de meetcel valt, ook niet al wordt dat licht wel meegefotografeerd.

5.indien we het onderwerp niet dichtgenoeg kunnen benaderen, dan kunnen we een onderwerp van dezelfde helderheid en contrast daarvoor in de plaats meten. inplaats van een gezicht meten we dan de de rug van een hand, maar wel onder gelijke omstandigheden.

6. we kunnen beter wat langer dan tekort belichten ( bij dia,s andersom ) zonder in uitgesproken overbelichting te vallen.Deze regel is in enkele opzichten aanvechtbaar daar een en ander wel sterk afhangt van de helderheidsomvang van het onderwerp.

7. als we een goede meter hebben (en daar kunnen we achterkomen door hem te ijken ) kunnen we weinig contrastrijken onderwerpen korter en voor contrastrijke onderwerpen langer belichten dan de meter aangeeft.

HET GEHELE HIERBOVEN GESCHREVEN VERHAAL GAAT ALLEEN DAN OP INDIEN DE BELICHTINGSMETER DIE WE GEBRUIKEN BEHOORLIJK IS GEIJKT

IJken van een belichtingsmeter wil zeggen, dat we vaststellen of de meteruitslag bij de door ons gevolgde ontwikkelmethode en de door ons gebruikte ontwikkelaar een goed negatief oplevert. Uiteraard is dit niet voor elke ontwikkelaar en film hetzelfde.

HET IS DAAROM ZAAK TE STANDAARDISEREN, D.W.Z. GEBRUIK ZOVEELMOGELIJK EEN TYPE FILM EN GEBRUIK EEN TYPE ONTWIKKELAAR. HET DOOR ELKAAR GEBRUIKEN VAN VERSCHILLENDE FILMS EN ONTWIKKELAARS GEEFT ZELDEN GOEDE CONSTANTE KWALITEIT EN BOVENDIEN LEER JE NOOIT DE MATERIALE GOED KENNEN WAARMEE JE WERKT.