ItaliŽ 2005

Omhoog Reisprogramma Fotoboek

 

 

Geschiedenis ItaliŽ

Rome Algemeen:

ItaliŽ (officieel: La Republica Italiana), is een republiek in het zuiden van Europa. De totale oppervlakte van ItaliŽ is 301.323 vierkante kilometer, en het land is daarmee meer dan zeven keer zo groot als Nederland. De afstand van noord naar zuid bedraagt ca. 1200 kilometer. Van oost naar west daarentegen liggen de afstanden maar tussen 54 en 170 kilometer.
In het noordwesten grenst ItaliŽ aan Frankrijk (488 km), in het noorden aan Zwitserland (740 km) en Oostenrijk (430 km) en in het noordoosten aan SloveniŽ (232 km). De bekkens van de Middellandse Zee die het land omspoelen, heten aan de westkant Ligurische Zee (bij de RiviŤra) en Tyrrheense Zee (tussen ItaliŽ en SardiniŽ), aan de zuidkant Ionische Zee (ten oosten van SiciliŽ) en aan de oostkant Adriatische Zee.

Halverwege Rome en Napels ligt de grens tussen het zuiden, ook wel de Mezzogiorno genoemd, en het midden en noorden van ItaliŽ. De totale kustlijn bedraagt ca. 7600 kilometer, inclusief de 3766 grote en kleine eilanden die tot ItaliŽ behoren. Het meest zuidelijke gelegen punt van het land is het eilandje Lampedusa, dat dichter bij het Noord-Afrikaanse TunesiŽ ligt dan bij ItaliŽ. Binnen de geografische grenzen van ItaliŽ liggen de onafhankelijke republiek San Marino en de soevereine staat Vaticaanstad. San Marino, gelegen in het oostelijke deel van het schiereiland, is de oudste republiek ter wereld, gesticht in de vierde eeuw. De totale oppervlakte beslaat 62 km2 en het aantal inwoners is ongeveer 24.000.
Vaticaanstad, van waaruit de rooms-katholieke Kerk bestuurd wordt, heeft een totale oppervlakte van maar 44 hectares. Vaticaanstad is het kleinste staatje ter wereld waar ongeveer 200 mensen permanent wonen en dagelijks zo'n 800 mensen komen werken. De staat heeft zijn eigen rechtssysteem, winkels, bank, munteenheid, postkantoor, radiostation en krant, de "Osservatore Romano". De officiŽle taal is het Latijn. 
Monte Rosa

Landschap:

ItaliŽ bestaat voor 78% uit heuvels en bergen, waarvan velen hoger zijn dan 700 meter. Het hoogste berggebied is het Monte Rosa massief op de Italiaans-Zwitserse grens in het noorden. De hoogste top is de Dufourspitze, 4634 meter hoog. Net over de grens met Frankrijk ligt in het noordwesten de hoogste berg van Europa, de Mont Blanc, 4807 meter hoog.
ItaliŽ bestaat uit vier landschappen: het Alpengebied, de Po-vlakte, het Apennijns schiereiland en de eilanden.

De Alpen zijn ontstaan in het vroeg-tertiair, ongeveer 60 miljoen jaar geleden, toen de zeebodem opgeheven en geplooid werd. Het Alpengebied omvat geheel Noord-ItaliŽ met een wijde boog (900 km lang en 150Ė220 km breed), die begint met de Ligurische Alpen en zich tot de Italiaans-Joegoslavische grens voortzet. Met enkele uitzonderingen volgt de grens van ItaliŽ, met respectievelijk Frankrijk, Zwitserland en Oostenrijk, de hoofdkam van de Alpen. Een aantal passen maakt al sinds mensenheugenis het verkeer met de landen ten noorden van de Alpen mogelijk.

De Alpen bestaan uit harde gesteenten als graniet, gneiss en leisteen. In het oostelijke deel van de Alpen, de Dolomieten, komt een veel zachter gesteente voor: magnesiumkalk, dat daarvůůr bestond uit oude koraalriffen. Het hoogste punt van de Dolomieten is de Marmolada, 3342 meter hoog.
De vorm van de Alpen is vooral te danken aan verwering en erosie. In het pleistoceen breidden zich de gletsjers uit en zij schuurden diepe dalen uit. Aan de rand van de Alpen ontstonden hierdoor diepe bekkens die zich vulden met smeltwater en zo ontstonden o.a het Lago Maggiore, het Comomeer en het Gardameer.

De Povlakte, genoemd naar de rivier de Po, was ooit een deel van de Adriatische Zee. Op dit moment is het een door de Alpenrivieren geleidelijk met verweringsmateriaal opgevulde, zich naar het oosten toe verwijdende vlakte. Deze vlakte is ca. 500 km lang, zeer vruchtbaar en wordt door de Po en haar vele zijrivieren bevloeid. In dit gebied treden herhaaldelijk overstromingen op als gevolg van de bezinking in de bedding van de rivier.
Ten oosten van VenetiŽ ligt het relatief kleine Adiatische Plateau. Het oostelijke deel daarvan, het Carso-plateau, grenst aan SloveniŽ en de grond is daar zeer arm.

Het Apennijns schiereiland, de beroemde "laars" van ItaliŽ, heeft als ruggengraat het Apennijnengebergte, een zijtak van de Alpen met maar liefst een lengte van ca. 1000 kilometer. Aan beide kanten van het gebergte ligt heuvelland en langs de kust een smalle strook laagland. De Apennijnen vormen een waterscheiding; ten oosten van het gebergte snijden de rivieren door het heuvelland en ten westen liggen tussen de heuvels vele plateaus.
In het zuiden komt nog actief vulkanisme voor en er zijn nog elf vulkanen die min of meer recent nog tot uitbarsting zijn gekomen. In de vorige eeuw zijn er uitbarstingen geweest op de Vesuvius (1185 meter), de Stromboli en de Etna op SiciliŽ (nog in 2001), de grootste Europese vulkaan. Verder zijn er nog veel zwavel- (solfataren), gas- (fumarolen) en koolzuurbronnen (mofetten) en moddervulkanen.
De enige gletsjer van de Apennijnen, Calderone, ligt in het ruige Gran Sasso gebied en is de meest zuidelijke gletsjer van Europa. De hoogste berg van de Apennijnen is de Gran Corno (2914 meter) in het gewest Abruzzo.

SiciliŽ en SardiniŽ zijn de grootste eilanden. Voor uitgebreide informatie over deze eilanden verwijzen wij u naar de aparte SiciliŽ-pagina en SardiniŽ-pagina. Kleinere eilanden zijn onder meer Elba, de vulkanische Liparische eilanden (met de vulkaan Stromboli), Ischia en Capri.
Het Apennijns schiereiland en SiciliŽ zijn gebieden met aardbevingen die veroorzaakt worden door de breukrand van grote dalingsgebieden in de Middellandse Zee.

 De Italiaanse meren zijn gedeeltelijk van het Alpentype (voormalige tongbekkens van gletsjers: Lago di Garda, Lago di Como, Lago Maggiore), gedeeltelijk ontstaan uit oude kraters (Lago di Vico, Lago di Bolsena e.a.), gedeeltelijk (vermoedelijke) overblijfselen van een pliocene zeestraat (Lago Trasimeno en de kleine meren van Montepulciano en Chiusi).
Lago Trasimeno ligt vlakbij Perugia en is het grootste meer van Midden- en Zuid-ItaliŽ (128 km2).
De grootste rivieren zijn de Po (652 kilometer lang) en de Adige (410 kilometer lang), die allebei in de Alpen ontspringen en in de Adriatische Zee uitmonden. De Po voert met veel zijrivieren (Dora Riparia, Dora Baltea, Ticino, Adda, Oglio, Mincio) het water van het Alpengebied af, met andere (Tanaro, Trebbia, Nure, Taro, Parma, Enza, Secchia) het water uit de Apennijnen; de brede delta schuift door afzetting van slib steeds verder de Adriatische Zee in. Een deel van het uit het Alpengebied afkomstige water vloeit ondergronds af; in de Povlakte treedt het in talrijke bronnen (fontanili) te voorschijn.
De van de Apennijnen naar de Adriatische Zee afstromende rivieren zijn meestal kort en hebben een zeer onregelmatige waterstand; de grotere rivieren Arno, Ombrone, Tiber, Garigliano en Volturno monden allemaal in de Tyrrheense Zee uit. De Tiber (405 kilometer) stroomt door Rome en aan de Arno (241 kilometer) liggen Florence en Pisa.

ItaliŽ als geheel heeft een Middellandse-Zeeklimaat. 's Zomers bedraagt de gemiddelde temperatuur in de laagvlakten 28įC in het zuiden en 22įC in het noorden. 's Winters blijft de temperatuur in het zuiden en het midden van het land een behoorlijk eind boven nul; in Rome is de gemiddelde temperatuur dan 9įC. Per jaar valt er gemiddeld in heel ItaliŽ 600 mm neerslag. In sommige berggebieden kan dit oplopen tot boven de 1000 mm per jaar. De meeste regen valt in het voor- en najaar.

Toch kunnen er duidelijk een aantal verschillende klimaatgebieden onderscheiden worden.
Zo heeft de Povlakte hete zomers met temperaturen die bijna net zo hoog zijn als op SiciliŽ, maar de winters zijn er koud en vochtig, met veel nevel en mist. De januaritemperatuur van Piacenza kan beneden het vriespunt komen en er ligt vaak dagenlang sneeuw.

Het merengebied aan de zuidzijde van de Alpen ligt meer beschut en heeft daardoor een zachter klimaat. Het noordelijk deel van de Apennijnen en de hoog gelegen gebieden in Toscane en UmbriŽ zijn in de winter maandenlang met sneeuw bedekt. Een uitzondering vormt de Italiaanse RiviŤra aan de noordwestkust, waar de winter altijd zacht is met een droge tijd in de zomer, zij het ook met redelijk veel neerslag. Zuid-ItaliŽ heeft zeer droge en hete zomer en dit is dan ook een Middellandse Zeeklimaat in een extremere vorm met ook een veel groter percentage zonneschijn dan in de rest van het land.

In de Alpen ligt op de hoogste bergen het hele jaar door sneeuw. De grens van de eeuwige sneeuw ligt in Valle d'Aosta op 3108 meter en op 2545 meter aan de oostkant van de Alpen.

Op en nabij het Italiaanse schiereiland komt een aantal lokale winden voor. Bekend is de sirocco, een warme vochtige uit Noord-Afrika afkomstige zuidelijke wind. De frisse westelijke tot noordwestelijke wind, die na het passeren van de depressie de sirocco vervangt, wordt tramontane genoemd.
Dezelfde naam geeft men ook aan noordelijke of noordoostelijke winden, die koele continentaal polaire lucht aanvoeren. De koude mistral uit het RhŰnedal doet zich ook in de omgeving van Genua gevoelen. Plaatselijk koude valwinden worden daar maestrale genoemd. Langs de noordelijke kusten van de Adriatische Zee komt in het winterhalfjaar een droge, koude valwind voor, de bora, die afkomstig is van de Dalmatische kust en stormen veroorzaakt.

Lago Maggiore

Rivieren en meren:

De Italiaanse meren zijn gedeeltelijk van het Alpentype (voormalige tongbekkens van gletsjers: Lago di Garda, Lago di Como, Lago Maggiore), gedeeltelijk ontstaan uit oude kraters (Lago di Vico, Lago di Bolsena e.a.), gedeeltelijk (vermoedelijke) overblijfselen van een pliocene zeestraat (Lago Trasimeno en de kleine meren van Montepulciano en Chiusi).
Lago Trasimeno ligt vlakbij Perugia en is het grootste meer van Midden- en Zuid-ItaliŽ (128 km2).

De grootste rivieren zijn de Po (652 kilometer lang) en de Adige (410 kilometer lang), die allebei in de Alpen ontspringen en in de Adriatische Zee uitmonden. De Po voert met veel zijrivieren (Dora Riparia, Dora Baltea, Ticino, Adda, Oglio, Mincio) het water van het Alpengebied af, met andere (Tanaro, Trebbia, Nure, Taro, Parma, Enza, Secchia) het water uit de Apennijnen; de brede delta schuift door afzetting van slib steeds verder de Adriatische Zee in. Een deel van het uit het Alpengebied afkomstige water vloeit ondergronds af; in de Povlakte treedt het in talrijke bronnen (fontanili) te voorschijn.
De van de Apennijnen naar de Adriatische Zee afstromende rivieren zijn meestal kort en hebben een zeer onregelmatige waterstand; de grotere rivieren Arno, Ombrone, Tiber, Garigliano en Volturno monden allemaal in de Tyrrheense Zee uit. De Tiber (405 kilometer) stroomt door Rome en aan de Arno (241 kilometer) liggen Florence en Pisa.

Klimaat:

ItaliŽ als geheel heeft een Middellandse-Zeeklimaat. 's Zomers bedraagt de gemiddelde temperatuur in de laagvlakten 28įC in het zuiden en 22įC in het noorden. 's Winters blijft de temperatuur in het zuiden en het midden van het land een behoorlijk eind boven nul; in Rome is de gemiddelde temperatuur dan 9įC. Per jaar valt er gemiddeld in heel ItaliŽ 600 mm neerslag. In sommige berggebieden kan dit oplopen tot boven de 1000 mm per jaar. De meeste regen valt in het voor- en najaar.

Toch kunnen er duidelijk een aantal verschillende klimaatgebieden onderscheiden worden.
Zo heeft de Povlakte hete zomers met temperaturen die bijna net zo hoog zijn als op SiciliŽ, maar de winters zijn er koud en vochtig, met veel nevel en mist. De januaritemperatuur van Piacenza kan beneden het vriespunt komen en er ligt vaak dagenlang sneeuw.

Het merengebied aan de zuidzijde van de Alpen ligt meer beschut en heeft daardoor een zachter klimaat. Het noordelijk deel van de Apennijnen en de hoog gelegen gebieden in Toscane en UmbriŽ zijn in de winter maandenlang met sneeuw bedekt. Een uitzondering vormt de Italiaanse RiviŤra aan de noordwestkust, waar de winter altijd zacht is met een droge tijd in de zomer, zij het ook met redelijk veel neerslag. Zuid-ItaliŽ heeft zeer droge en hete zomer en dit is dan ook een Middellandse Zeeklimaat in een extremere vorm met ook een veel groter percentage zonneschijn dan in de rest van het land.

In de Alpen ligt op de hoogste bergen het hele jaar door sneeuw. De grens van de eeuwige sneeuw ligt in Valle d'Aosta op 3108 meter en op 2545 meter aan de oostkant van de Alpen.

Op en nabij het Italiaanse schiereiland komt een aantal lokale winden voor. Bekend is de sirocco, een warme vochtige uit Noord-Afrika afkomstige zuidelijke wind. De frisse westelijke tot noordwestelijke wind, die na het passeren van de depressie de sirocco vervangt, wordt tramontane genoemd.
Dezelfde naam geeft men ook aan noordelijke of noordoostelijke winden, die koele continentaal polaire lucht aanvoeren. De koude mistral uit het RhŰnedal doet zich ook in de omgeving van Genua gevoelen. Plaatselijk koude valwinden worden daar maestrale genoemd. Langs de noordelijke kusten van de Adriatische Zee komt in het winterhalfjaar een droge, koude valwind voor, de bora, die afkomstig is van de Dalmatische kust en stormen veroorzaakt.
Macchia

Planten:

De vegetatie in het mediterrane laag- en heuvelland is groen in de winter, bloeit in april en mei, en verschroeit in de zomer. De oorspronkelijke vegetatie, nu zo goed als geheel verdwenen, is een altijdgroen loofbos van steeneiken. In de plaats daarvan overheerst de macchia, een formatie van altijdgroene dichte en doornige heesters en dwergstruiken, waaronder wilde olijven, oleanders, laurier, myrte, steeneiken, gaspeldoorns en kurkeiken.
Cypressen en olijfbomen zijn kenmerkend vegetatie voor geheel Italie. Het Umbra-bos in de Gargano peninsula in Puglia, is een van de laatste oorspronkelijke bossen in ItaliŽ met beuken en steeneiken.

Verder zijn er ook beukenwouden in CalabriŽ en zilverden- en pijnboombossen in Abruzzo.
In de middelgebergten met hun koudere winters wordt de macchia vervangen door struwelen die 's winters hun blad verliezen en meer met de Midden-Europese vegetatie overeenkomen, met o.a. donzige eik en gele kornoelje. In het hooggebergte (Alpen en Dolomieten) zijn de subalpine naaldwoudgordel en de alpine dwergstruik- en weidegordel (met wikke, struisgras en witte affodil) zeer fraai ontwikkeld
Ibex

Dieren:

De dierenwereld is van een Centraal-Europees en mediterraan karakter; in het noorden treft men nog alpine vormen aan o.a. steenbok, gems, hermelijn, alpenkonijn, bergpatrijs en marmot. In het Gran Paradiso nationale park komt de ibex nog voor, een soort berggeit met lange gedraaide horens. In de Centrale Alpen leeft de chamois, een type geitantiloop met kleine rechte horens. Bekende vogels in de Alpen zijn het zwarte korhoen en de zeldzame steenarend. I

n het zuiden komen mediterrane vormen voor o.a. moeflon op SardiniŽ, stekelvarken, Romeinse mol en een aantal reptielen. Het grote wild is zeer bedreigd in zijn voortbestaan; bruine beer, lynx en wolf zijn zeer zeldzaam geworden. In ItaliŽ leven nog ca. 200 Apennijnse wolven en ca. 100 bruine beren. Wellicht is de zeldzame monniksrob nog aan de kusten van ItaliŽ te vinden.
De vogelwereld wordt sterk bedreigd door de vangst in de trektijd in voor- en najaar. Naast sterke druk van de jacht heeft ook de ontbossing, al sinds de Romeinse tijd, tot het zeldzaam worden van vele soorten bijgedragen.

Om bedreigde soorten te beschermen zijn er 19 nationale parken, en vijf zijn er nog gepland. Samen zullen ze 5% van de totale landoppervlakte van ItaliŽ omvatten. De twee grootste nationale parken liggen in de Alpen: Stelvio (1350 km2) en Gran Paradiso (700km2), tevens het oudste nationale park van ItaliŽ. Het kleinste nationale park is gelegen op Kaap Circeo, langs de kust ten zuiden van Rome.
Van de nationale parken is Gran Paradiso bekend vanwege steenbok en gems; in het nationale park van de Abruzzen leven gemzen en de laatste bruine beren. Vooralsnog is de toekomst van de wilde zoogdieren en vogels van ItaliŽ een zeer onzekere zaak. De houding van een belangrijk deel van de bevolking getuigt van weinig milieubesef en vooral de jachtregelingen laten veel te wensen over.
Het land is rijk aan ongewervelde dieren; de studie van o.a. insecten en slakken zal zeker nog veel nieuwe soorten opleveren. Onder de laatste telt de familie Helicidae (waartoe o.a. de wijngaardslak behoort) zeer veel soorten, waaronder een aantal inheemse.
Het marien-biologisch instituut ("Stazione Zoologica") in Napels, opgericht in 1874, heeft een wereldfaam. In de zuidelijke zeeŽn komen o.a haaien, blauwvintonijn en zwaardvis voor. In de nog warmere zuidelijke zeeŽn vinden we rood koraal en sponzen.

Graven Etrusken Prehistorie en oudheid, LiguriŽrs en Etrusken:

De verspreiding van menselijke bewoning over ItaliŽ begon al eerder dan in noordelijk Europa. Sinds 2000 v.Chr. vestigden verschillende volkeren zich op het Italiaanse grondgebied. Rond 1200 v.Chr. kwamen de LiguriŽrs en de ItaliŽrs vanuit het noorden ItaliŽ binnen. De LiguriŽrs waren bronzen tijdperk settlers en afkomstig van Zuid-Frankrijk en vestigden zich in Centraal-ItaliŽ, in de buurt van het huidige Rome. De ItaliŽrs kwamen van het Donaugebied in Centraal-Europa.

Mensen uit het oostelijke Middellandse-Zeegebied verkenden de kust van ItaliŽ vanaf ca. 5000 v.Chr. De PhoeniciŽrs stichtten in die tijd Carthago in Noord-Afrika en handelsposten in ItaliŽ. In de 8e eeuw v.Chr. stichtten de Grieken kolonies in SiciliŽ en Zuid-ItaliŽ. Deze kolonies, samen met Syracuse, Agrigento, Crotone en Taranto, werden Magna Graecia (groot Griekenland) genoemd. Naast handelsactiviteiten trokken ook veel filosofen, wetenschappers en schrijvers naar de Griekse kolonies in ItaliŽ. Ook werden er grote tempels en openluchttheaters gebouwd o.a. in Agrigento en Paestum (nabij Napels).
Terwijl de Grieken Zuid-ItaliŽ en SiciliŽ koloniseerden werden in Centraal-ItaliŽ steden gesticht door de Etrusken.
De Etrusken zijn nog steeds min of meer een mysterie en niemand weet zeker waar ze precies vandaan kwamen. Aanvankelijk bezetten de Etrusken de gebieden rond de rivieren Arno en Tiber en de bergen van Apennijnen.Later verhuisden ze naar de Povlakte en richting Rome. Een federatie van twaalf stadstaten, o.a. Volterra, Fiesole, Arezzo, Perugia en Chiusi, ontstond in Centraal-ItaliŽ in de regio die we nu kennen als EtruriŽ.
De Etrusken werden rijk door de ijzer-, koper-, en zilvermijnen en de handel in het oostelijke Middellandse-Zeegebied. Hun steden waren hooggelegen en omringd door verdedigingswerken. Verder bouwden ze bruggen en legden straten en kanalen aan.
Caesar Rome en de Romeinen:

De ontstaansgeschiedenis van Rome is onduidelijk. Toen de stad machtig werd, ontstonden sagen omtrent de stichting en oorsprong van de stad en haar rijk. De "officiŽle" versie werd dat Aeneas, zoon van Aphrodite, uit Troje naar Latium kwam. Zijn zoon Ascanius stichtte Alba Longa. Ten slotte stichtten Romulus en Remus, tweelingzonen van Mars en Rhea Silvia, de dochter van de koning van Alba Longa, de stad Rome. Het stichtingsjaar werd vastgesteld op 752 v.Chr.

Koningstijd en republiek

De officiŽle geschiedenis van Rome kan men laten beginnen met de samenvoeging van de Palatinus en de Quirinalis, de twee oudst bewoonde heuvels. Deze stad kwam echter al snel onder Etruskische heerschappij waardoor er van een Romeins rijk nog geen sprake was.

Hiervan was pas enigszins sprake nadat de verdreven koning Tarquinius Superbus in 496 v.Chr. definitief was verslagen en de Romeinen en Latijnen een verbond sloten. Ook werd er strijd gevoerd met de Volsci, de Sabijnen en de Aequi. Een vaststaand feit uit deze periode is de verovering van Veji door Camillus; deze strijd duurde van 405 v.Chr. tot 396 v.Chr. De opmars van de Romeinen werd tijdelijk gestuit in 387 v.Chr. door binnenvallende GalliŽrs, waarna buurvolken als de Etrusken en de Volsci in opstand kwamen tegen de Romeinse overheersing. In 358 v.Chr. capituleerden de Latini en de Hernici terwijl met de Etrusken een verdrag gesloten werd. In de Tweede Samnitische Oorlog leden de Romeinen nog een grote nederlaag bij Caudium in 321 v. Chr. Toch zagen zij kans om de macht in Midden- en Zuid-Italie definitief over te nemen.
In de Derde Samnitische Oorlog (298-290 v.Chr.) werden opstandige Etrusken, GalliŽrs en UmbriŽrs definitief verslagen bij Sentinum. Door de machtsuitbreiding in CampaniŽ en Samnium raakte Rome in conflict met Tarente dat zelfs met hulp van de Griekse koning Pyrrhus uit Epirus niet kon voorkomen dat ze in 275 v.Chr. bij Beneventum werden verslagen.
Uiteindelijk heerste er vrede in geheel ItaliŽ. Het gezag van de Romeinen werd gehandhaafd door een uitgekiend systeem van koloniŽn en de wegen die daar doorheen liepen. Aan enkele steden werden burgerrechten toegekend en zij hadden een grote mate van zelfbestuur. De enige verplichting zie ze hadden was om soldaten voor het Romeinse leger te leveren.
Door de veroveringen in Zuid-ItaliŽ stuitten de Romeinen op sterk verzet van de Sicilianen en de Carthagers in Noord-Afrika. Carthago werd bestreden in de drie Punische oorlogen die in de periode 264-146 v.Chr. gevoerd werden. In de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.) werd SiciliŽ de eerste Romeinse provincie en werden SardiniŽ en Corsica geannexeerd. Na de Tweede Punische Oorlog werd Spanje Romeins gebied en werden de bondgenoten van de Carthagers, de MacedoniŽrs, verslagen. Ook SyriŽ werd door de Romeinen in 190 v.Chr. definitief verslagen en werd gedwongen vrede te sluiten waardoor hun macht ernstig werd beknot. In de Derde Punische Oorlog werd Carthago verwoest in 146 v.Chr. en tot een Romeinse provincie gemaakt. In 168 v.Chr. werd Perseus van MacedoniŽ verslagen en zijn gevierendeelde rijk werd samen met Griekenland in 146 v.Chr. als een provincie ingelijfd. De grote handelsconcurrent Korinthe werd ook in 146 v.Chr. verwoest en westelijk Klein-AziŽ werd in 133 v.Chr. bij testament aan het uitdijende rijk toegevoegd.
Door al deze veroveringen ontstond een totaal andere sociale structuur in het Romeinse rijk. Belastingpachters in de provincies werden steeds rijker en machtiger waardoor de boerenbevolking veel te lijden had. De Senaat, het machtigste orgaan in het rijk, had al snel geen overwicht meer en de heersende klasse raakte onderling sterk verdeeld. Deze situatie zou uiteindelijk leiden tot een aantal burgeroorlogen in de periode 90-30 v.Chr. en steeds waren twisten tussen generaals, politici en andere belangengroepen de aanleiding.

De Eerste Burgeroorlog (88-81 v.Chr.) ging tussen Marius en Sulla om het opperbevel over het leger. Marius werd eerst door Sulla verdreven maar later kwamen de aanhangers van Marius weer aan de macht. In 82 v.Chr. werden de partijgenoten van de inmiddels gestorven Marius verslagen door Sulla die de macht van de Senaat weer herstelde en een einde maakte aan het dictatorschap.
Na de dood van Sulla in 79 v.Chr. ontstond er een strijd over zijn opvolging. Het lukte niemand om alleen de macht te grijpen, waardoor het zogenaamde "Eerste Driemanschap" ontstond met Crassus, Pompejus en Julius Caesar. Crassus sneuvelde al snel in 53 v.Chr. en Caesar vertrok in 58 v.Chr. naar het noordelijke GalliŽ dat hij in acht jaar tijd wist te onderwerpen en tevens wist hij zo het leger aan zich te binden. Pompejus richtte zich steeds meer op de senaat en in 52 v.Chr. had hij zoveel macht verworven dat hij bijna dictator genoemd kon worden. Een conflict tussen Caesar en Pompejus was niet te voorkomen en in de Tweede Burgeroorlog (49-45 v.Chr.) werd Pompejus verslagen en gedood.
Caear was nu de alleenheerser en begon met de reconstructie van de Romeinse staat en legde daarmee de basis voor het toekomstige keizerrijk. In 44 v.Chr. werd hij vermoord door republikeinse senatoren en er volgde een verwarde tijd die besloten werd met de oprichting van het Tweede Driemanschap in 43 v.Chr., dat bestond uit Octavianus, Lepidus en Marcus Antonius. Deze "driemannen" verdeelden het rijk waarbij Lepidus al snel op het tweede plan kwam te staan.
Antonius bestuurde het oosten en Octavianus kreeg het westen toebedeeld. Antonius raakte echter onder invloed van de mooie Egyptische Cleopatra en een Derde Burgeroorlog in 31 v.Chr. was het gevolg. Antonius en Cleopatra werden verslagen bij Actium en Egypte werd een speciaal domein van Octavianus binnen het Romeinse Rijk. Door deze zege was Rome verzekerd van het politieke overwicht in zowel het westelijke als het oostelijke Romeinse Rijk.
Augustus

Principaat (31 v.Chr. Ė 284 n.Chr.)

Aan de Republiek kwam met Octavianus, die zich "princeps", wat de eerste betekent, noemde, een einde en de periode die volgde wordt het "Principaat" genoemd want ook zijn opvolgers noemden zich zo. In 27 v.Chr. legde Octavianus zijn volmachten neer, maar liet ze door de Senaat weer herstellen en kreeg daarna de eretitel Augustus. Onder zijn leiding kende het rijk orde en welvaart en wist de natuurlijke grenzen te consolideren.
Augustus werd opgevolgd door zijn aangenomen stiefzoon Tiberius die van 14 tot 37 n.Chr. regeerde en te maken kreeg met wat al te voortvarende senatoren die van hoogverraad beschuldigd werden. Onder zijn extravagante opvolger Caligula heerste er wanorde in het rijk dat onder Claudius II (41-54) weer werd hersteld. Hierna ging het weer goed mis. Agrippina, de vrouw van Claudius, liet hem vergiftigen om haar zoon Nero op de troon te krijgen die van 54 tot 68 zou regeren. Op dat moment reilde en zeilde het voorspoedig in Rome, maar onder Nero ging dat grotendeels weer verloren door zijn excessief gedrag. Hij liet o.a. zijn eigen moeder vermoorden en zou de grote brand van Rome op zijn geweten hebben. Daarop brak een opstand uit en hij liet zich doden door een slaaf en daarmee kwam er een einde aan de Julisch-Claudische dynastie.

Na de heerschappij van Nero volgde een Driekeizerjaar met Galba, Otho en Vitellius. Vitellius werd ten val gebracht door Vespasianus, de bevelhebber van de oostelijke legioenen. Onder zijn bewind ontstonden zowel in het oosten als het westen opstanden, o.a. van de joden in Jeruzalem, neergeslagen door Titus, en in het westen door de Bataven, neergeslagen door Civilis. Titus, de zoon van Vespasianus, regeerde maar enkele jaren en had te maken met de vulkaanramp die Pompeji en Herculaneum trof in 79. Titus werd weer opgevolgd door Domitianus die tot 96 regeerde. Na de moord op Domitianus was er geen mannelijke opvolger voorhanden en koos de senaat Nerva als keizer. Met hem begon een hele serie keizers die zogenaamd bij adoptie gekozen werden. Trajanus was de eerste keizer die zelfs niet eens in ItaliŽ geboren was. Hij was het die weer op de verovertoer ging en o.a Dacia, het latere RoemeniŽ veroverde. Ook MesopotamiŽ werd tijdelijk door de Romeinen bezet.
Het Romeinse Rijk stond nu op het toppunt van haar macht maar al snel bleek dat het door de grootte niet meer te besturen was. Zo stopte Hadrianus zijn veroveringen in het oosten en was genoodzaakt om zich langs alle grenzen te versterken, o.a. via de Hadrianís Wall in Groot-BrittanniŽ. Na Hadrianus volgden er nog twee keizers met de naam Antonius en werd de rij van keizers-bij-adoptie gesloten. De regering van Antoninus Pius duurde tot 161 en werd gekenmerkt door rust in het hele rijk.
Onder zijn opvolger Marcus Aurelius ontstonden er weer veel problemen, zowel binnen- als buitenlands en werd het rijk geteisterd door epidemieŽn. Zijn zoon Commodus en diens opvolger Pertinax werden zelfs vermoord. Na de nodige problemen over de opvolging wist Septimius Severus, een Afrikaan, in 193 de heerschappij te bemachtigen. Hij werd bekend doordat hij de invloed van de senaat wist te beperken en een nieuwe provincie veroverde : Noord-MesopotamiŽ.
Caracalla (211-217) en zijn opvolger Macrinus (217-218) werden vermoord. Alexander Severus regeerde tot 235 en was de laatste van de Severisch-Syrische dynastie. Rond deze tijd kreeg de senaat weer meer invloed. Maar veldtochten tegen de Sassaniden in het oosten en Germanen in het westen liepen niet goed af en Severus werd uiteindelijk vermoord door een opstandige veldheer. Onder een van zijn opvolgers, Decius (249-251), werd het christendom fel bestreden maar werd het rijk allang door andere zaken bedreigd o.a. de financiŽle belabberde toestand, de Germanen die zich verenigden en steeds gevaarlijker werden. Ook de verschillen tussen rijk en arm zorgden voor veel interne spanningen.
Na 250 was de chaos compleet. De Goten rukten steeds verder op en grote delen van het immense rijk werden door allerlei volken bezet en geplunderd zonder veel tegenstand van de Romeinen. Onder Gallienus (253-268) herstelde men zich enigszins en onder zijn opvolger werden de Goten verslagen die al tot in ServiŽ waren doorgedrongen. Onder Aurelianus volgde zelfs een gedeeltelijke reconstructie van het rijk. Na de moord op Aurelianus volgde weer een tijd van elkaar bestrijdende keizers die eindigde met de door de soldaten uitgeroepen keizer Diocletianus.
Dioclttianus Dominaat (284Ė476)

Diocletianus was een absoluut vorst die zich al bij zijn leven liet vergoddelijken en zijn titel sprak dan ook voor zich: "dominus et deus" (heer en god). Aan de andere kant verdeelde hij het oppergezag onder twee Augusti (waaronder hijzelf), die ieder weer twee Caesares onder zich hadden; men spreekt daarom van de "tetrarchie". Aan de bijzondere positie van ItaliŽ als geheel kwam een einde en het rijk werd als volgt verdeeld: het oosten met als hoofdstad Nicomedia onder Diocletianus; ItaliŽ en Afrika met als hoofdstad Milaan onder Maximianus; GalliŽ, Spanje en BrittanniŽ met als hoofdstad Trier onder Constantius Chlorus; en Illyricum en Griekenland met als hoofdstad Sirmium onder Galerius.

De Romeinse Senaat was nog slechts een gemeenteraad voor Rome, dat zelfs geen hoofdstad meer van een rijksdeel bleef en deze functie aan Milaan moest afstaan. De senatoren bleven echter een geduchte economische factor doordat zij met de keizer samen de grootste grondbezitters waren. Door het bestuur te bureaucratiseren en te militariseren wisten de Romeinen de Perzen op afstand te houden en kon de eenheid binnen het rijk behouden blijven. In 305 traden Diocletianus en Maximianus af en prompt braken er burgeroorlogen uit met op enig moment zes Augusti die om de macht streden.
Dit ging gepaard met de nodige moordpartijen en pas met Constantijn de Grote brak weer een periode (324-337) van eenhoofdig bestuur aan. Onder Constantijn werden de christenen weer begunstigd en na het Edict van Milaan in 313 heerste er vrijheid van godsdienst in het Romeinse Rijk. Dit werd ook gedaan uit eigenbelang om zowel van heidense als van christelijke kant steun te krijgen voor de politiek van rijkseenheid, en de hoofdstad werd dan ook Constantinopel dat op een snijpunt van culturen en routes naar alle delen van het rijk lag.
De familiestrijd om de macht na de dood van Constantijn werd gewonnen door Constantius II die heerste van 353 tot 361. Constantius werd weer opgevolgd door Julianus, die door het leger tot keizer was uitgeroepen als enige in leven zijnde familielid van Constantijn. Julianus Apostata, de "Afvallige" zou de laatste niet-christelijke keizer zijn (361-363). Zijn christelijke opvolgers Jovianus en Valentianus (364-375) kregen te maken met onderling sterk verdeelde christenen en gevaar van buitenaf door de grote Germaanse volksverhuizing. Verschillende familieleden waren tot mederegenten voor het oosten benoemd en dat leidde onvermijdelijk tot een tijd van onrust en burgeroorlog.
Aan deze tijd van onrust kwam een einde door keizer Theodosius I die het rijk in 395 verdeelde onder zijn twee zonen. Wat echter als een administratieve scheiding bedoeld was bleek in de praktijk een scheiding op te leveren in twee afzonderlijke staten. Arcadius kreeg het oosten dat onder regentschap stond van Rufinus. Honorius kreeg het westen onder regentschap van Stilicho.
De naderende ondergang van het Romeinse Rijk kwam steeds dichter bij. Het westelijke rijksdeel viel na vele oorlogen in de 5e eeuw uit elkaar. De Visigoten dreigden binnen te vallen waarna men de legioenen uit het westen terugriep. Dit had een averechts effect want hierdoor konden Germaanse volken steeds verder oprukken.
Na de moord op Stilicho drongen de Goten ItaliŽ binnen en zelfs Rome werd in 410 geplunderd. In 415 werd het Visigotenrijk gesticht in Zuid-Frankrijk, Spanje en Afrika, dat belangrijk was voor de Romeinen omdat het als graanschuur diende. Het rijk werd nog meer verzwakt door de onderlinge naijver van de generaals. Van een gezamenlijk optreden tegen de oprukkende Hunnen onder leiding van Atilla de Hun was dan ook geen sprake. Generaal AŽtius wist Attila in 451 nog tegen te houden maar een jaar later vielen de Hunnen ItaliŽ binnen maar wisten echter niet tot Rome door te dringen. AŽtius werd door de keizer gedood en de keizer zelf werd vermoord door een Germaanse soldaat en daarmee kwam er een einde aan de laatste keizerdynastie, de Theodosiaanse.
In 455 landden de Vandalen in ItaliŽ en namen op zeer bloedige wijze Rome in. Tot ongeveer 476 werden door de bevelhebber van de Germaanse troepen, Ricimer, keizers aangesteld en ook even gemakkelijk weer afgezet. Na de dood van Ricimer stelde de Germaan Orestes zijn zoontje als keizer aan. Deze Romulus werd weer afgezet door de Germaan Odoaker die zich in 476 "koning der Germanen in Italie" noemde. Dit betekende het definitieve einde van het keizerschap en het Romeinse Rijk in het westelijke rijksdeel. Het Oost-Romeinse Byzantijnse Rijk bloeide weer op en ging pas in 1453 na de val van Constantinopel ten onder.
Justinianus I Middeleeuwen:

In 493 werd de toenmalige hoofdstad Ravenna veroverd door de koning van de Ostrogoten, Theodorik de Grote. Hij kreeg daardoor tevens geheel ItaliŽ in zijn macht, maar zijn opvolgers waren kansloos tegen de Byzantijnse keizer Justinianus I, die ItaliŽ in 535 bezette. In 568 werd Noord- en Midden-ItaliŽ door de Longobarden veroverd terwijl de rest van ItaliŽ onder Byzantijns gezag bleef en Rome aan het gezag van de bisschop, d.w.z. de paus, werd toevertrouwd. De Longobarden stichtten het koninkrijk van Pavia en de afhankelijke hertogdommen Spoleto en Benevento. De streken onder Byzantium werden door "duces", regionale gouverneurs van de keizer, bestuurd.

Al op het einde van de 5de eeuw had paus Gelasius I aanspraak gemaakt op het primaat van het kerkelijke boven het wereldlijke gezag; zijn opvolgers, met name Gregorius de Grote, beklemtoonden dit nog sterker, waardoor militaire steun van Byzantium tegen de Longobarden uitbleef. In de 8ste eeuw zochten de pausen elders steun tegen de dreigende Longobarden, en kwamen uit bij de Franken. Dit volk kwam rond het midden van de 8ste eeuw voor het eerst naar ItaliŽ en hun heerschappij breidde zich al snel uit. Ze stelden het pausdom onder hun protectoraat en legden de grondslagen voor de Kerkelijke Staat.
Karel de Grote wierp zich op als koning der Longobarden (774) en werd in de kerstnacht van het jaar 800 in Rome door paus Leo III tot keizer gekroond waardoor het keizerschap van het westen definitief aan het pausdom verbonden werd. Deze keizerlijk steun zou zoín twee eeuwen duren en was hard nodig om zich allerlei tegenstanders en vijanden van het lijf te kunnen houden. In 887 verloor Karel de Dikke de macht over ItaliŽ en gingen grote gebieden in Zuid-ItaliŽ verloren aan de Saracenen. In Noord-ItaliŽ werd door een aantal vorsten om de hegemonie gestreden.
In 962 werd de Duitse koning Otto de Grote tot keizer gekroond van het Heilige Rooms-Duitse Rijk en verhief daarmee het pausdom weer tot meer aanzien. Hij maakte het echter wel ondergeschikt aan de politiek maar legde wel de grondslag voor de latere macht van de kerk. De geschiedenis van Zuid-ItaliŽ ontwikkelde zich intussen volgens een geheel eigen patroon. Hertogen, veelal vertegenwoordigers van de Byzantijnse bisschoppen en Saracenen, deelden de lakens uit, en aan het begin van de 11e werden een aantal stadsrepublieken (o.a. Gaeta, Napels en Amalfi) zeer machtig. In 1016 infiltreerden de NormandiŽrs in ItaliŽ nadat ze gebruikt waren in de strijd tegen de Saracenen. In 1071 veroverde de NormandiŽr Robert Guiscard Bari en maakte daarmee een einde aan de Byzantijnse macht in ItaliŽ. Tegen het jaar 1200 was praktisch geheel Zuid-ItaliŽ Normandisch gebied en ook SiciliŽ werd op de Saracenen veroverd.

In de Investituurstrijd (het van 1075 tot 1122 durende conflict tussen paus en keizer met betrekking tot de Kerk in het Roomse Rijk) had geheel ItaliŽ partij gekozen. Na het Concordaat van Worms (1122) werd de strijd van ideologisch naar zuiver politiek terrein verlegd: medespelers waren de paus, de keizer en de NormandiŽrs in het zuiden.
Dit alles leidde ertoe dat de macht van de Noord- en Midden-Italiaanse steden steeds groter werd. De Hohenstaufen behielden echter SiciliŽ als belangrijk steunpunt doordat keizer Hendrik VI trouwde met de erfdochter van SiciliŽ, Constantia d'Altavilla. SiciliŽ bleef daardoor een bedreiging voor het pausdom. Het keizerlijke gezag in ItaliŽ verdween met keizer Frederik II die een mislukte poging deed zich aan het pauselijk gezag te onttrekken. In het noorden van ItaliŽ ontstonden in de loop van de 13e eeuw steeds meer stadstaten waar militairen de macht bezaten. In 1268 kende de paus het Siciliaanse rijk toe aan Karel van Anjou die daarna koning van Napels en SiciliŽ werd. Dit kon gebeuren na de dood van de erfgenaam van Frederik II, Manfred. Het was al snel duidelijk dat Karel de heerschappij over geheel ItaliŽ wilde hebben maar de paus slaagde erin om zijn macht te breken. En na de Siciliaanse Vespers (= de opstand die op 31 maart 1282 in Palermo op SiciliŽ uitbrak en zich van daaruit over het hele land verbreidde) verloor hij zelfs SiciliŽ dat aan het Spaanse Aragůn werd toegewezen. Na de "Babylonische" gevangenschap was het zo goed als gedaan met de wereldlijke macht van de paus.
In de 15e eeuw ging de strijd om de macht tussen Florence, VenetiŽ en Milaan. Duitse en Franse machthebbers en ook kleinere stadsrepublieken in ItaliŽ zelf kozen partij. In het zuiden besliste Aragůn de strijd tegen Anjou en kwam Zuid-ItaliŽ als koninkrijk Napels toe aan Alfons V van Aragůn, die op dat moment al koning van SiciliŽ was. Rond 1450 ontstond er iets wat op een Italiaans evenwicht tussen noord en zuid leek, maar diverse onderlinge oorlogen getuigden van een zeer wankel evenwicht.
Op cultureel gebied nam ItaliŽ in de renaissance een geweldige voorsprong en had grote invloed op de rest van Europa.
Catherina de Medici Einde van de middeleeuwen tot de eenwording

Eind 15e eeuw trad het verval in en werd ItaliŽ een speelbal van de grote Europese mogendheden, waarbij de strijd tussen Habsburg en Valois voornamelijk in ItaliŽ werd uitgevochten. In 1494 trok Karel VIII van Frankrijk ItaliŽ binnen omdat hij meende aanspraak te kunnen maken op Napels. Per slot van rekening was hij de erfgenaam van het Huis Anjou. Een monsterverbond met o.a. de paus, de keizer, Milaan en VenetiŽ zorgde ervoor dat Karel zich al in 1495 moest terugtrekken uit ItaliŽ. De opvolger van Karel, Lodewijk XII, begaf zich in hetzelfde avontuur en maakte naast Napels ook aanspraak op Milaan. Deze stad werd in 1499 bezet en Napels werd met behulp van Ferdinand II van Aragůn veroverd. In 1505 trokken de Fransen zich echter terug uit deze coalitie waardoor het hele koninkrijk van het Spaanse Aragůn werd. De Fransen probeerden het nog een keer, en nu werd VenetiŽ belaagd in 1508. Ook nu werden ze weer gedwongen zich terug te trekken doordat bondgenoten zich tegen de Franse koning keerden (1513).

In 1556 kwam Milaan als leen van het Duitse Rijk aan Spanje toe. In Florence kwam de familie Deí Medici aan de macht, hoewel geheel afhankelijk van de Habsburgers. In 1559 erkende Frankrijk de Spaanse bezittingen en invloeden bij de Vrede van Cateau-Cambrťsis. Op dat moment bleef alleen de Republiek VenetiŽ nog onafhankelijk.
Naast de grote politieke veranderingen kwam er ook een einde aan de culturele bloeiperiode van de renaissance. Bovendien leidde de Contrareformatie tot een hervorming van de kerk in Europa die ervoor zorgde dat de katholieke kerk niet meer aan de strijd om het wereldlijk gezag deelnam, maar zich concentreerde om steeds meer de religieuze en morele grootmacht in de wereld te worden. Toch bleef de rooms-katholieke kerk een macht van betekenis door verbonden te sluiten met rooms-katholieke mogendheden en machtige kloosterorden als b.v. de jezuÔeten.
Economisch ging ItaliŽ in die tijd ten gronde door o.a. oorlogen en het verleggen van de wereldhandel naar de kusten van de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Door het verval van Duitsland als economisch achterland kreeg Noord-ItaliŽ een flinke klap te verwerken. In feite hield alleen de Republiek VenetiŽ zich staande in deze barre economische tijden.
In de 17e eeuw was de politieke opkomst van Savoye een belangrijke ontwikkeling want het zou in de achttiende eeuw in alle opzichten de sterkste staat van ItaliŽ worden. Na de Spaanse Successieoorlog kreeg hertog Victor Amadeus SiciliŽ toegewezen en nam meteen de titel van koning aan. In 1720 verwierf hij SardiniŽ in ruil voor SiciliŽ, dat aan Oostenrijk afgestaan werd. Ook in het zuiden van ItaliŽ zorgde de Spaanse Successieoorlog voor veranderingen. Oostenrijk kreeg SardiniŽ en Napels en in 1738 werden deze twee gebieden aan een vertegenwoordiger van het Spaanse Huis Bourbon geschonken. Voorwaarde was wel dat het Zuid-Italiaanse rijk nooit meer aan de Spaanse koning zou toevallen. Milaan was al in 1713 overgegaan in Oostenrijkse handen en de verenigde hertogdommen Parma en Piacenza behoorden sinds 1748 tot het Spaanse Huis Bourbon. Het mag duidelijk zijn dat er in de 18e eeuw van enige Italiaanse politieke of militaire macht, op Toscane na, weinig meer over was. In 1768 werd Corsica, lang Genuees bezit, aan Frankrijk overgedragen. Positief was alleen dat ItaliŽ zich op cultureel gebied weer wist te hertstellen, een ontwikkeling die zich in de 19e eeuw ook op staatkundig en maatschappelijk gebied zou voordoen.
In 1796 trok Napoleon ItaliŽ binnen en nam de denkbeelden van de Franse revolutie met zich mee. Staatkundig werd ItaliŽ volledig op zijn kop gezet,
Savoye (met PiŽmonte) werd bij Frankrijk ingelijfd; in de Povlakte werden de Cis- en de Transpadaanse Republieken verenigd tot de Cisalpijnse Republiek; Genua werd de Ligurische Republiek; de Kerkelijke Staat werd de Romeinse Republiek; Napels (zonder SiciliŽ) werd de ParthenopeÔsche Republiek en VenetiŽ kwam bij Oostenrijk. In 1799 werd de Kerkelijke Staat hersteld en keerde er een Bourbon-koning naar Napels terug. In 1801 werd Toscane het Koninkrijk EtruriŽ en de Cisalpijnse Republiek tot Italiaanse Republiek gemaakt. In 1805 werd de Italiaanse republiek, uitgebreid met VenetiŽ, tot Koninkrijk ItaliŽ onder Napoleon I Bonaparte uitgeroepen; Napels werd in 1806 een Frans vazalkoninkrijk onder Jozef Bonaparte en in 1808 vervangen door Joachim Murat; Genua en Parma werden bij Frankrijk ingelijfd. In 1807 annexeerde Frankrijk ook EtruriŽ en in 1808 de Kerkelijke Staat.
Pius IX In 1815 begon ook in ItaliŽ de Restauratie en de staatkundige indeling werd toen als volgt: het koninkrijk SardiniŽ/Genua, Toscane, Modena, Parma en Lucca (in feite Oostenrijkse vazalstaten), het onder directe Oostenrijkse soevereiniteit staande Lombardisch-Venetiaans koninkrijk, de Kerkelijke Staat, het koninkrijk der Beide SiciliŽn, het vorstendom Monaco en de republiek San Marino. Lucca kwam in 1847 bij Toscane. In al deze staten gingen de teruggekomen of nieuwe machthebbers tot een streng regime van onderdrukking en reactie over. De Franse instellingen werden opgeruimd en het ancien rťgime werd in volle omvang hersteld. De ontwikkeling die onder invloed van de Franse ideeŽn en instellingen op gang was gekomen, liet zich echter niet meer tegenhouden. Het verzet tegen de bestaande orde bleef voortduren en kreeg al snel in het liberalisme een ideologische basis.
Verdrijving van alle niet-Italiaanse heersers en de vorming van ťťn nationale Italiaanse staat op moderne grondslag werden het gemeenschappelijk ideaal en deze beweging werd het Risorgimento genoemd. In 1820 en 1821 kwam het tot daadwerkelijk verzet van o.a. de Carbonari, een aantal genootschappen die in ItaliŽ, maar ook in andere landen, een grote rol speelden in de strijd om de vrijheid.
In 1830 deed de Julirevolutie haar invloed in ItaliŽ gelden en alleen met behulp van de Oostenrijkse wapens kon de status-quo hersteld worden.
In 1846 werd de liberale Paus Pius IX gekozen en vele vestigden hun hoop op hem. In het revolutiejaar 1848 werden in Napels, Toscane, SardiniŽ en de Kerkelijke Staat constituties uitgevaardigd, en in Milaan en VenetiŽ braken revoluties uit, waarop Karel Albert van SardiniŽ de oorlog aan Oostenrijk verklaarde. De Sardijnen verloren echter bij Custozza in juli 1848 en er werd een wapenstilstand gesloten. De revolutie in Napels was intussen onderdrukt. In de Kerkelijke Staat deden kort daarna de radicalen met succes een greep naar de macht. Pius IX moest vluchten en op 9 februari 1849 werd de Romeinse republiek uitgeroepen. In maart 1849 hervatte Karel Albert de strijd tegen Oostenrijk maar na de nederlaag bij Novara trad hij af voor zijn zoon Victor Emanuel II, die op 9 augustus vrede met Oostenrijk sloot. In april waren intussen de Fransen ten gunste van de paus de aanval op de Romeinse republiek begonnen. Eind augustus 1849 was overal in ItaliŽ weer de oude orde hersteld. Overal werden de constituties opgeheven, behalve in SardiniŽ (met koning Victor Emanuel), waar Cavour op de voorgrond trad, die, zowel gesteund als gedwarsboomd door Garibaldi, bereikte dat op 17 maart 1861 het onafhankelijke koninkrijk ItaliŽ kon worden uitgeroepen. Het koninkrijk omvatte geheel ItaliŽ, uitgezonderd San Marino en VenetiŽ en het kerngebied van de Kerkelijke Staat. Monaco was door de gebiedsafstand van SardiniŽ aan Frankrijk in 1860 van het Italiaanse gebied afgescheiden.
Victor Emanuel III De jonge staat en zijn problemen.

VenetiŽ-Lombardije was door tegenwerking van de Franse keizer Napoleon III in 1859 niet door Oostenrijk afgestaan, en in Rome namen Franse troepen paus Pius IX in bescherming, die geen afstand wilde doen van het wereldlijk gezag over de Kerkelijke Staat. De Italianen kregen VenetiŽ in handen door zich in 1866 met Pruisen te verbinden tegen Oostenrijk, ook al leden de Italiaanse troepen in deze oorlog een nederlaag.
Na het uitbreken van de Frans-Duitse Oorlog in 1870 trok Napoleon III zijn troepen uit Rome terug, zodat met de inlijving van de hoofdstad in september 1870 de territoriale eenheid kon worden voltooid. Pius IX weigerde in het verlies van zijn gebied te berusten en ook hierna bleef de verhouding met de Italiaanse regering moeilijk. Pas in 1929 kwam een concordaat tot stand, waarbij het koninkrijk ItaliŽ en de pauselijke soevereiniteit over Vaticaanstad werden erkend. Rond die tijd kreeg ItaliŽ een tweekamerstelsel met een door de koning benoemde Senaat en een gekozen Kamer. De eerste tientallen jaren werd het gezag van de regering ondermijnd door de twisten tussen de politieke partijen Ė de liberalen en de radicalen Ė en persoonlijke schandalen van politici. De belangrijkste politieke figuren in deze tijd waren Agostino Depretis en Francesco Crispi.

Het financiŽle beleid van de diverse regeringen pakten slecht uit waardor de economische toestand beroerd was. In het noorden kwam de industrie tot ontwikkeling, maar de sociale toestanden waren verschrikkelijk; het grootgrondbezit in het zuiden zorgde voor een diepe kloof tussen het arme deel van de bevolking en de rijken. Het was dan ook niet vreemd dat vele Italianen emigreerden, met name naar de Verenigde Staten. Deze situatie was een perfecte voedingsbodem voor het opbloeiende socialisme en anarchisme. Koning Umberto I, die zijn in 1878 overleden vader Victor Emanuel II was opgevolgd, werd in 1900 door een anarchist vermoord, waarna Victor Emanuel III de troon besteeg.
In dit tijdperk verwierf ItaliŽ ook zijn weinig tot de verbeelding sprekende koloniale bezittingen: Eritrea (1882Ė1890), Italiaans Somaliland (1899Ė1905) en na een oorlog tegen Turkije, die het land tevens de DodekŠnesos opleverde, LibiŽ. Een poging AbessiniŽ (EthiopiŽ) te onderwerpen, eindigde in een beschamende nederlaag bij Adoea in 1896. De verhouding tot Frankrijk was de eerste tijd niet erg hartelijk en men zocht aansluiting bij Oostenrijk en Duitsland. In 1882 sloot men met deze landen het zogenaamde Drievoudig Verbond. Nationalistische Italianen waren echter niet tevreden met de bereikte grenzen en maakten aanspraak op enkele ten dele door Italianen bewoonde gebieden: het Franse Nizza (Nice) en Savoye, Trente, IstriŽ met de stad TriŽst en Fiume, het huidige Rijeka. Dit streven werd het "Italia irredenta" genoemd. (irredentisme is het streven naar annexatie van gebieden die onder de soevereiniteit van een buurland staan, maar bewoond worden door een bevolking die nauw aan de eigenvolksgemeenschap verwant is.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak bleef ItaliŽ in eerste instantie neutraal, omdat het Drievoudig Verbond met Duitsland en Oostenrijk een defensief karakter had. Nationalisten, irredentisten en republikeinen wilden echter liever samenwerken met Engeland en Frankrijk. Nadat de geallieerden bij het verdrag van Londen royale gebiedsuitbreiding hadden toegezegd, verklaarde ItaliŽ in mei 1915 de oorlog aan Oostenrijk en in augustus 1916 ook aan Duitsland. Militaire successen waren er eigenlijk niet te melden, maar bij de vrede van Versailles werd ItaliŽ beloond met IstriŽ en TriŽst, Zara (Zadar) in DalmatiŽ en heel Zuid-Tirol dat vanaf die tijd een twistpunt tussen ItaliŽ en Oostenrijk zou blijven. Fiume, dat aanvankelijk tot vrijstaat was verklaard, werd in 1919Ė1920 eigenmachtig door de dichter Gabriele d'Annunzio voor ItaliŽ bezet.
Mussolini Het fascisme en Mussolini.

Het einde van de oorlog bracht, net als elders in Europa, ook ItaliŽ aan de rand van de afgrond door een zwakke liberale regering en slechte economische omstandigheden. Daardoor groeide de ontevredenheid en braken er stakingen en ongeregeldheden uit en communistische arbeiders bezetten een aantal fabrieken. De communisten kwamen in botsing met de in 1919 opgerichte fascistische beweging van Benito Mussolini. In oktober 1922 organiseerden de fascisten een mars naar Rome, waarna Mussolini door koning Victor Emanuel tot minister-president benoemd werd. Mussolini stond aanvankelijk aan het hoofd van een coalitiekabinet, maar eind 1924 schakelde hij de oppositie uit en sindsdien regeerde hij als een echte dictator.

Het bestuur van de fascistische partij, de Grote Fascistische Raad, kreeg verstrekkende bevoegdheden, maar kwam zelden of nooit bijeen. Op de samenstelling van de Raad had Mussolini, die zich "duce" (= aanvoerder) liet noemen, grote invloed. Het gezag werd zo van boven af opgelegd, zowel op economisch als op maatschappelijk gebied.
Mussolini wilde van ItaliŽ een grote mogendheid maken en viel daarom in 1935 AbessiniŽ (EthiopiŽ) binnen, dat in mei 1936 bij het Italiaanse koloniale rijk werd gevoegd. De Volkenbond legde als straf wel wat economische sancties op, maar die stelden weinig voor. In de Spaanse Burgeroorlog koos Mussolini de kant van de opstandige generaal Franco en met het in 1933 in Duitsland aan de macht gekomen geestverwante bewind van Adolf Hitler was de verhouding aanvankelijk koel, soms zelfs gespannen, vanwege de Duitse aspiraties inzake Oostenrijk. Als gevolg van de oorlog in AbessiniŽ ontstond er echter toenadering en in oktober 1936 werd er een samenwerkingsverdrag gesloten, de "As Rome-Berlijn". Voorjaar 1939 werd AlbaniŽ door ItaliŽ bezet en ingelijfd. Mussolini wendde zijn invloed aan om de Britten en Fransen tijdens de Conferentie van MŁnchen in 1938 te doen berusten in de Duitse eisen tegen Tsjecho-Slowakije, maar toen de Duitsers op 1 september 1939 ook Polen binnenvielen, haalde zijn bemiddeling niets uit. Op 10 juni 1940, toen het Franse leger al was verslagen, verklaarde ItaliŽ de oorlog aan Groot-BrittanniŽ en Frankrijk in de hoop de aanspraken op Nice, Corsica en TunesiŽ te kunnen verwerkelijken. In de oorlog zelf bleek het Italiaanse leger weer van bedenkelijk kwaliteit en de eind 1940 begonnen oorlog tegen Griekenland kon alleen dankzij de Duitse hulp in april 1941 worden beslecht. In Oost-Afrika waren de Italianen niet opgewassen tegen de Britten en de hoofdstad van EthiopiŽ, Addis Abeba, viel 6 april 1941. In LibiŽ werden de Italianen nog geholpen door de Duitse veldmaarschalk Rommel, maar de Britten behaalden onder Montgomery na de Slag bij El Alamein in oktober 1942 ook hier de overwinning. Op 10 juli 1943 landden de geallieerden, samen met de Verenigde Staten, op SiciliŽ en op 25 juli werd Mussolini door de Grote Fascistische Raad afgezet. Zijn opvolger, maarschalk Badoglio, sloot op 3 september een wapenstilstand met de geallieerden en verklaarde op 13 oktober 1943 de oorlog aan Duitsland. Op 8 september 1943 landden de geallieerden bij Salerno. De strijd om ItaliŽ werd geheel overgenomen door de Duitsers, die langzaam naar het noorden werden teruggedrongen, waarna op 4 juni 1944 Rome werd bevrijd. In Noord-ItaliŽ riep Mussolini, die op 12 sept. 1943 door de Duitsers uit gevangenschap was bevrijd, de Italiaanse Sociale Republiek uit, waarin hij terugkeerde tot de extreem socialistische politiek uit zijn jonge jaren. Op 29 april 1945 capituleerden de Duitse legers; Mussolini was al een dag eerder gevlucht maar werd door verzetsstrijders in de kraag gegrepen en vermoord. ItaliŽ bleef officieel tot 1 januari 1947 door de geallieerden bezet gebied. Bij de op 10 februari 1947 bekrachtigde vrede verloor het land zijn koloniŽn en moest het DalmatiŽ, Fiume, IstriŽ en een deel van de provincie VenetiŽ aan JoegoslaviŽ afstaan en Griekenland kreeg de DodekŠnesos. De zone van TriŽst, die onder internationaal beheer was gesteld, keerde op 25 oktober 1954 voor het grootste deel naar ItaliŽ terug en met JoegoslaviŽ werd hierover in 1976 een definitief akkoord bereikt.

De Italiaanse republiek.
Na de oorlog was weer de grote vraag, zou ItaliŽ een monarchie of een republiek moeten worden. Victor Emanuel III, die door zijn positieve houding ten opzichte van het fascisme was gecompromitteerd, probeerde de troon nog te redden door op 10 mei 1946 afstand te doen ten behoeve van zijn zoon Umberto II, maar de Italianen spraken zich in een referendum op 2 juni 1946 met 12 tegen 10 miljoen stemmen uit voor de republiek. Op dezelfde dag werd een grondwettelijke vergadering gekozen, waarin links en rechts ongeveer evenveel zetels kregen. De christen-democraat De Gasperi, die in december 1945 een regering met socialisten en communisten (PCI) had gevormd, bleef premier.
In mei 1947 traden de linkse partijen uit de regering en de communisten onder Togliatti en de links-socialisten onder Nenni (PSI) verenigden zich tot een Volksfront, dat met steun van de vakbonden door stakingen en ongeregeldheden de regering aan het wankelen bracht. De parlementsverkiezingen van april 1948 leverden mede dankzij de houding van het Vaticaan en de Verenigde Staten de absolute meerderheid op voor de Democrazia Cristiana (DC), waardoor het voortbestaan van een democratisch en nauw met het Westen verbonden bewind was verzekerd en aansluiting bij de NAVO en de Europese Gemeenschap gerealiseerd kon worden.
Bij de verkiezingen van 1953 verloor de Democrazia Cristiana haar absolute meerderheid en was aangewezen op steun van coalitiepartners, zowel ter rechter- als ter linkerzijde. Dit ging uiteraard ten koste van de politieke stabiliteit en leidde tot elkaar snel afwisselende kabinetten die geleid werden door rechtse en linkse christen-democraten. De verkiezingen van 1958 brachten winst voor de christen-democraten en de Nenni-socialisten (genoemd naar partijvoorzitter Pietro Nenni, partijvoorzitter van de socialistische partij), maar in de verwarrende toestand bracht dit geen verandering.

Moro  Wisselende coalities.

De verkiezingen van 1963 brachten wat meer duidelijkheid. De christen-democraten verloren flink terwijl de communisten meer dan een kwart van de stemmen wonnen. De christen-democraten waren nu wel genoodzaakt om een opening naar links te maken om de communisten uit de regering te houden. Dit werd mogelijk nadat de Nenni-socialisten hun banden met de communisten definitief verbraken. In 1963 lukte het de partijsecretaris van de christen-democraten, Aldo Moro, om een coalitieregering te vormen tussen de christen-democraten, de sociaal-democraten, de Nenni-socialisten en de republikeinen. Deze coalitie bleef tot de verkiezingen van mei 1968 aan de macht, maar kreeg geen vervolg omdat de socialisten zeer veel stemmen verloren aan de communisten en de oppositie ingingen. Er zat niets anders op dan een minderheidskabinet te vormen dat echter al in november van dat jaar aftrad. Er volgde weer een kabinet van christen-democraten, republikeinen en socialisten onder Rumor die na een scheuring in de socialistische partij in juli 1969 tot de val van het kabinet leidde.
Hierna volgden nog een democratische minderheidsregering en een centrum-linkse coalitie onder opnieuw Rumor, die al na enkele maanden ten val kwam.
Zijn opvolger en partijgenoot Colombo had te kampen met grote sociale onrust, groeiend extremisme en terrorisme en werd in januari 1972 door de voortdurende onenigheid tussen de coalitiepartners tot aftreden gedwongen. De premier van een interimkabinet, Giulio Andreotti, besloot tot vervroegde verkiezingen en er kwam een regering van christen-democraten, sociaal-democraten en (conservatieve) liberalen o.l.v. Andreotti tot stand in juni 1972. In juli 1973 werd de centrum-linkse coalitie onder Rumor hersteld. Na een tweetal kabinetscrises te hebben doorstaan, moest Rumors regering in november 1974 plaats maken voor een kabinet-Moro, samengesteld uit christen-democraten en republikeinen.
In juni 1975 kregen de communisten bij de parlementsverkiezingen bijna 39% van de stemmen als gevolg de vele corruptieschandalen bij de andere partijen. Internationale ontspanning tussen oost en west zorgde ervoor dat de communisten weer in de picture kwamen bij andere partijen. Op dat moment was het echter onmogelijk om nog coalities te vormen tussen de verschillende partijen en in juli 1976 werd Andreotti gedwongen om een minderheidsregering te vormen die gedoogd werd door alle partijen. De communisten bleven echter streven naar regeringsverantwoordelijkheid.
Begin 1978 werd Andreotti tot aftreden gedwongen waarna de crisis opgelost werd door Aldo Moro. Hij zorgde ervoor dat de communisten wel in feite zou meeregeren, maar formeel niet aan de regering zou deelnemen en er ontstond zowaar een katholiek-communistische samenwerkingsvorm. Hier kwam op 10 maart 1978 echter snel een einde aan na de ontvoering en moord op Aldo Moro door de linkse terroristische organisatie Rode Brigades (Brigate Rosse). De katholiek-communistische samenwerking duurde daarna nog tot januari 1979, toen de regering tot aftreden gedwongen werd.
Het werd de communisten steeds duidelijker dat ze door hun meegaande houding van de laatste jaren steeds meer stemmen kostte. In juni 1979 werden er opnieuw vervroegde verkiezingen gehouden waarbij de communisten 4% verlies leden. Er volgden twee kabinetten onder Cossiga en Forlani, met wisselende combinaties tussen christen-democraten, republikeinen, liberalen, sociaalĖdemocraten en sinds 1980 de socialisten.
Deze partijen werden uiteindelijk verenigd in de "pentapartito", een vijfpartijencoalitie. In 1981 moest de christen-democratische partij onder invloed van een schandaal rond de vrijmetselaarsloge P2 het premierschap afstaan.
Spadolini Afnemende invloed christen-democraten.

In juli 1981 kwam de eerste niet-christen-democratische regeringsleider van het republikeinse ItaliŽ aan de macht, Spadolini. Hij zou in totaal tot november 1982 de regering aanvoeren. In juli 1983 kwam Bettino Craxi aan de macht en zijn regering zou de langstzittende in de naoorlogse parlementaire geschiedenis worden van juli 1983 tot maart 1987. Na de vervroegde verkiezingen van 1987 bleef de situatie in feite hetzelfde en werd de bestaande regeringssamenwerking voortgezet. Tot en met juni 1992 volgden vier kabinetten elkaar in snel tempo op.
Riina Corruptie en maffia.
 

De nieuwe regering van Giuliano Amato trad in juni 1992 aan maar moest vanwege corruptiepraktijken in april 1993 alweer aftreden. Bekende politici die betrokken waren bij de vuile praktijken waren o.a. de socialistische leider Bettino Craxi en de minister van justitie Carlo Tognoli, die allemaal moesten aftreden. Positief was in deze periode dat de maffia steeds harder werd aangepakt en met succes.
Zo werden de leiders van de Napolitaanse Camorra en de chef van een belangrijke groep Siciliaanse maffia-clans gearresteerd, respectievelijk Carmine Alfieri en Salvatore Riina. De laatste werd tot levenslang veroordeeld.

Eind september 1995 begon het proces tegen de oud-premier Andreotti, die er ook van beschuldigd werd banden met de maffia te hebben. Ondertussen had het volk in een referendum in 1993 al besloten om het kiesstelsel te veranderen om daarmee de corruptie terug te dringen.
Het politiek spectrum werd uitgebreid met de partij van mediamagnaat Silvio Berlusconi, Forza Italia!, en de beweging Lega Nord, die afscheiding van het welvarende noorden nastreefde. Berlusconi behaalde bij de verkiezingen van maart 1994 een grote overwinning, maar diende eind 1994 alweer het ontslag van zijn regering in. Hij werd steeds vaker in verband gebracht met corruptie- en omkopingspraktijken en wilde geen scheiding aanbrengen tussen zijn zakelijke en politieke bezigheden. Ook liepen er verschillende processen tegen hemzelf en zijn zakenimperium Fininvest.
De beweging Lega Nord deed in 1996 van zich spreken toen hun leider Bossi de onafhankelijke staat "Padania" uitriep, een actie die uiteraard niet serieus genomen kon worden. Na enkele grote nederlagen bij tussentijdse verkiezingen krabbelde Bossi terug en liet weten zich niet eenzijdig te willen afscheiden.
In 1998 werd Berlusconi aangeklaagd en veroordeeld tot gevangenisstraffen maar door de lange beroepsprocedures en de parlementaire onschendbaarheid is er van daadwerkelijk gevangen zitten tot nu toe nog geen sprake.
In juni 1998 werden er twaalf politici veroordeeld en gevangengezet, waaronder voormalig premier Arnaldo Forlani en Lega Nord-leider Umberto Bossi.
Prodi Centrum-linkse kabinetten.

Economisch zat ItaliŽ rond die tijd volop in de problemen. De regering Dini, die een succesvol bezuinigingsbeleid inzette, werd in mei 1996 opgevolgd door een centrum-linkse coalitieregering, de zogenaamde Olijf-coalitie, o.l.v. de progressieve christen-democraat Prodi. Voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis kwam er een centrum-linkse regering aan de macht.
Hij zette meteen hoog in door met vergaande voorstellen te komen voor staatkundige hervorming en een begrotingshervorming. Hij streefde verder naar een snelle toetreding tot de Europese Monetaire Unie (EMU) door middel van ingrijpende bezuinigingsplannen en saneringsvoorstellen. Dit laatste lukte en per 1 januari 1999 mocht ItaliŽ toetreden tot de EMU.
De staatkundige hervormingen kwamen niet van de grond door onenigheid binnen de speciale parlementaire commissie waarin zowel de Senaat als het Huis van Afgevaardigden waren vertegenwoordigd. Prodi voerde een minderheidsregering aan maar werd regelmatig in de steek gelaten door de radicale communistische PRC, en bleef zelfs vaak dankzij de oppositie in het zadel. In oktober 1998 werd de regering alsnog door het parlement naar huis gestuurd toen de PRC de nieuwe begrotingsvoorstellen afwees.
Prodi werd opgevolgd door PDS-leider Massimo díAlema die een regeerakkoord sloot met o.a. de oude Olijf-coalitie. De lijn Prodi werd voorgezet maar al snel ontstond er verdeeldheid binnen de coalitie over de te volgen koers. In maart 1999 werd Prodi benoemd tot voorzitter van de Europese Commissie. Hij bleef zich echter bemoeien met de Italiaanse politiek en deed in oktober 1999 DíAlema een voorstel om weer te gaan samenwerken. De centrum-rechtse UDR van Cossiga zou dan geloosd worden en door de regeringsdeelname van de Democraten zou een stabielere coalitie kunnen ontstaan. DíAlema wilde wel maar durfde het risico op een vertrouwensstemming in het parlement niet aan.
Berlusconi In december diende DíAlema alsnog zijn ontslag in en vormde een nieuw kabinet (met de Democraten en zonder de UDR), dat op 23 december het vertrouwen van het parlement kreeg. Tussentijdse regionale verkiezingen in april 2000 leverden een grote overwinning voor de rechtse partijen op waardoor de positie van DíAlema verder verzwakte. Hij bood wederom het ontslag van zijn regering aan en op 26 april kreeg Giulio Amato het verzoek een nieuwe regering samen te stellen die zou steunen op dezelfde coalitie. Op 28 april kreeg deze coalitie de goedkeuring van het parlement.
Amato maakte naam door in 2000 rigoureuze privatiseringen door te voeren, o.a. van luchtvaartmaatschappij Alitalia, Telecom Italia en de Banca Commerciale Italiana. De verdeeldheid binnen de centrum-linkse coalitie bleef echter voortbestaan en nieuwe parlementaire verkiezingen werden op 13 mei 2001 gehouden. Deze verkiezingen werden glorieus gewonnen door de Vrijheidsalliantie van Silvio Berlusconi en verloren door de Olijf-coalitie van Francesco Rutelli. Op 11 juni 2001 werd Berlusconi beŽdigd als premier en vice-premier werd de postfascist Gianfranco Fini. Ook de leider van protestpartij Lega Nord, Umberto Bossi, kreeg een ministerspost.
Eind december 2002 keerde prins Vittorio Emanuele na 56 jaar ballingschap terug in ItaliŽ. De Italiaanse regering gaf de zoon van de laatste koning al in november toestemming voet op Italiaanse bodem te zetten. De leden van het Huis van Savoie leefden de laatste jaren in Zwitserland en hebben vaak voor het Hof van Straatsburg geprobeerd toestemming voor terugkeer te krijgen, op grond van mensenrechten. De familie werd in 1946 verbannen omdat Vittorio's vader had samengewerkt met het fascistische regime.

Omhoog Reisprogramma Fotoboek