Het menselijk handelen wordt voor een belangrijk deel beïnvloed en bepaald
door de omgeving waarin iemand zich bevindt, en de wijze waarom deze persoon
zijn omgeving (en onderdelen daarvan) waarneemt. Dit betekent dat het omgaan met
mensen beïnvloed wordt door waarnemingen. De specifieke wijze waarop een
bepaald individu reageert, hangt voor een groot deel af van zijn waarnemingen.
Het handelen van jou wordt ook bepaald door de manier waarop jij je omgeving
waarneemt. Via waarneming verkrijg je informatie, en neem je de beslissing iets
te doen of juist na te laten. Of die beslissing de juiste is, hangt ervan of hij
gebaseerd is op de juiste informatie. De juistheid van de informatie hangt af
van de waarneming. Daarom gaan we in deze paragraaf in op het waarnemen van
mensen.
De mens kan waarnemen doordat hij beschikt over een aantal zintuigen. Deze
zintuigen zijn zo ingericht dat zij reageren op bepaalde prikkels (stimuli),
zoals moleculen (geur) of trillingen (kleur of geluid). Doordat onze zintuigen
in staat zijn deze chemische stoffen en trillingen waar te nemen, kunnen we
geuren, kleuren en geluiden waarnemen.
De menselijke waarneming kent een vijftal vormen, gekoppeld aan een bepaald
zintuig:
| waarneming |
zintuig |
| zien |
ogen |
| horen |
oren |
| ruiken |
neus |
| proeven |
tong |
| voelen en tasten |
de huid en het lichaam |
De menselijke zintuigen hebben elk een bepaalde, meetbare gevoeligheid. Dat
wil zeggen: prikkels onder of boven een bepaalde grens worden door de mens niet
meer waargenomen, zoals heel hoge tonen. Er zijn ook grote verschillen in
individuele waarneming. Oudere mensen zien en horen in het algemeen slechter dan
jongere mensen. Daarnaast zijn er grote individuele verschillen. Merkwaardig is
verder, dat de mens niet alle prikkels bewust in zich opneemt.
Uit de omringende wereld komen tegelijk tientallen prikkels op ons af. Toch
horen we bijvoorbeeld niet alle omgevingsgeluiden. Als je geconcentreerd zit te
lezen hoor je de geluiden om je heen niet of nauwelijks, tenzij er bijvoorbeeld
een ambulance voorbij komt. En ook zien de ogen doorgaans een kleiner deel van
de buitenwereld dan waartoe zij in staat zijn. Kennelijk bezit de mens een
mogelijkheid tot selectie. Hij neemt die prikkels in zich op die hij nodig heeft
of aankan.
Er zijn drie groepen factoren te onderscheiden die de waarneming
beïnvloeden:
De fysiologische toestand waarin de waarnemer zich bevindt, geeft ruwweg
bodem en plafond voor het waarnemen aan. Wanneer iemand een oogbeschadiging
heeft kan dit tot gevolg hebben dat hij, zelfs onder voor hem optimale
omstandigheden, relatief slecht waarneemt. Dit geldt eveneens voor bepaalde
vormen van hersenletsel. Verder wordt de fysiologie van de waarneming beïnvloed
door allerlei factoren, die van meer tijdelijke aard kunnen zijn.
Er is een geleidelijke overgang van perfecte waarneming naar slechte
waarneming. Een voorbeeld is normale lichamelijke vermoeidheid. Het is een
bekend verschijnsel dat vermoeidheid niet bepaald bevorderlijk is voor het
verrichten van handelingen. Een vermoeid persoon reageert traag, neemt slecht
waar, enzovoort. Hoe meer vermoeid de persoon, hoe minder goed hij functioneert.
De psychologische gesteldheid van de waarnemer is natuurlijk het gebied bij
uitstek waar de psycholoog zich bezighoudt met de verschillende factoren die de
waarneming beïnvloeden:
De ervaring kan vooral in de waarneming van alle dag een bijzonder
belangrijke rol spelen. Bekend is het voorbeeld van het Afrikaanse stamhoofd
dat, op bezoek in Londen, de politie zulke aardige mensen vond. Zij zwaaiden
allemaal naar hem! De ervaring speelt ook een rol in het waarnemen van geuren.
Wanneer we de geur van de mango (een vrucht) niet kennen, zullen we het
bijzondere ervan niet waarnemen.
Aandacht is natuurlijk ook noodzakelijk voor waarneming. Wanneer we aan een
onderwerp geen aandacht schenken, zullen we het niet gauw waarnemen. Aandacht is
nauw verbonden met onder andere de opvallendheid van een object. Onze aandacht
zal sneller gevangen zijn door een persoon die gekleed is in een knalrood
kostuum, dan door iemand die een grijs kostuum aan heeft. Maar ook de grootte
speelt een rol: HOOFDLETTERS op deze pagina worden eerder waargenomen dan kleine
letters.
Met de instelling van de waarnemer wordt bedoeld: een verwachting of
verwachtingspatroon met betrekking tot wat we zullen waarnemen. Dit wil zeggen,
dat we reageren op wat we verwachten te zien.
Hoe we iets waarnemen wordt sterk beïnvloed door de omgeving waarin we dat
iets waarnemen. Bij onze waarneming en beoordeling (zij gaan vaak samen) maken
we noodzakelijkerwijze gebruik van de omgeving.
Referentiekader houdt sterk verband met betrekkelijkheid.
Een voorbeeld is het begrip 'duur'. Voedsel is in de West Europese landen
relatief duur. Wanneer nu Hollandse witlof voor weinig geld wordt aangeboden,
heet zij goedkoop. In de Oost Europese landen is voedsel relatief goedkoop.
Wanneer dezelfde witlof daar voor dezelfde prijs wordt aangeboden, heet zij
duur.
Al naar gelang de sterkte van de behoefte, wordt de belangstelling voor de
waarneming steeds groter. Iemand die honger heeft ziet overal voedsel (in
etalages, op affiches, enzovoort).
Mensen nemen de dingen verschillend waar, dat geldt zelfs voor de feiten. Dat
wat voor de eigen behoefte belangrijk is (bijvoorbeeld geld, sport of natuur)
bepaalt in hoge mate hoe iemand tegen de wereld aankijkt. Dat wat voor de eigen
behoeftebevrediging te pas komt, wordt snel waargenomen.
De dingen die als hindernissen overkomen, maar niet te kritisch of te
dreigend zijn, kunnen eveneens snel herkend worden, om ze daarna te ontkennen
alsof ze nooit opgemerkt waren. Zodoende beschermt de mens zich er tegen. Wordt
het gevaar echter dreigender, dan laat de mens zijn oogkleppen vallen en neemt
hij stelling. Tot de dingen die wij waarnemen behoren wij zelf en ook de andere
mensen.
Men gaat er al te graag vanuit dat iedereen de wereld vanuit hetzelfde
perspectief beschouwt. Dit is echter geenszins het geval. Hieronder bespreken we
een drietal verschijnselen die de waarneming, en met name de interpretatie
ervan, per persoon doen verschillen.
De eerste indruk
In de eerste plaats blijkt dat de eerste indruk vaak veel waard is.
Uit experimenten blijkt dat de eerste indruk die wij van iemand vormen, vaak
bepalend is voor de rest van het beeld dat wij in een later stadium van hem gaan
vormen. De eerste indruk vormt als het ware een referentiepunt waar omheen wij
alle verdere informatie proberen te groeperen.
Het halo-effect
Een tweede proces, dat zich bij de waarneming van anderen afspeelt, is het
zogenaamde halo-effect. Daarmee wordt bedoeld dat, als wij van iemand
een algemeen gunstige indruk hebben, wij ook bepaalde onderdelen van die persoon
zullen overschatten. Bijvoorbeeld: wanneer ik iemand aardig vind zal ik hem ook
intelligenter, eerlijker en handiger inschatten dan in werkelijkheid het geval
is. Hoogstwaarschijnlijk komt dit voort uit de gedachte dat mensen in het
algemeen consistent zijn opgebouwd. Als iemand sterkt is, dan zal hij ook wel
agressief, dominant zijn, enzovoort.
Deze kenmerken leggen wij er dus zelf in. Wij proberen kenmerken, die in onze
ogen niet consistent zijn, te verdoezelen of te verklaren.
De self fulfilling prophecy
Een derde, en zeer belangrijke factor, is dat het beeld dat wij van iemand
hebben ons aanzet om hem overeenkomstig dat beeld te haan behandelen, waardoor
het beeld bevestigd wordt. Het eenmaal gevormde beeld leidt dus tot een self
fulfilling prophecy.
Wanneer wij van iemand denken dat hij erg agressief is, dan zullen wij hem
misschien agressief benaderen, waardoor hij inderdaad agressief wordt. In
experimenten is deze situatie herhaaldelijk aangetoond. Uit bovenstaande
experiment van de fabrieksarbeider wordt duidelijk dat stereotypen veelal worden
gehandhaafd, ondanks tegensprekende informatie.
Samenvatting
Je ziet dat onze waarneming niet objectief is. We moeten alert zijn op deze
mechanismen omdat ze ons doen en laten behoorlijk kunnen beïnvloeden.
Communicatie en wederzijdse feedback (terugkoppeling) over onze waarnemingen
zijn de beste corrigerende maatregel.
Tot nu toe hebben wij ons alleen bezig gehouden met de wijze waarop wij onze
omgeving waarnemen. Het resultaat van onze waarneming is echter ook, dat wij een
bepaald idee krijgen over de wereld waarin wij leven. Op basis van deze idee n
gaan wij met de omgeving en met anderen in die omgeving om.
Omdat behoeftepatronen, vroegere ervaringen van individuen, en de cultuur
waarin men is grootgebracht, van persoon tot persoon verschillen, zijn de
beelden van de omgeving van ieder individu uniek. Met andere woorden: niemand
zal de wereld op precies dezelfde wijze waarnemen. Hoewel dit enerzijds het
leven tussen mensen gecompliceerd maakt, biedt het ook vele mogelijkheden. De
mens kan zijn wereld zo 'denken' dat deze voor hem bruikbaar wordt. Hij is op
die manier minder gebonden aan de enge grenzen van de omgeving. De verschillende
zaken in de omgeving van een persoon worden door die persoon tot een zinvol
geheel geconstrueerd. Bepaalde objecten worden onder een noemer gebracht.
In relatie met andere objecten ontstaat zo een bepaalde structuur in de
omgeving van mensen. Deze structuur, die door velerlei factoren wordt
beïnvloed, heeft een relatief stabiel karakter.
Dit is ook noodzakelijk, omdat anders het individu niet in staat zou zijn te
handelen. Deze relatieve stabiliteit zal er echter wel toe leiden dat het
individu op zoek gaat naar informatie die in het beeld past, en informatie
vermijdt die daar duidelijk niet in past. Dit noemt men selectieve
waarneming. Deze informatie namelijk, die inbreuk doet op de kijk van het
individu, maakt het voor hem moeilijker zich in de omgeving te gedragen. Hij zal
daarom eerder zekerheid kiezen boven een beter (ander) inzicht.
De mens baseert zijn gedrag niet op wat de werkelijkheid is, maar zoals hij
denkt dat de werkelijkheid is. Daardoor botsen mensen vaak met elkaar. Men
beschouwt het eigen standpunt als heilig en het enige juiste. Binnen bepaalde
grenzen staan anderen dit toe. Wie echter de grens overschrijdt, loopt de kans
buitengesloten te worden. Er valt niet mee te praten, hij is gek. Gezamenlijk
bepalen wij de grenzen, en die eenling die daar tegen vecht krijgt het moeilijk.
Men kan niet ongestraft zien wat men ziet, men moet zich conformeren aan de kijk
van anderen.
De tot nu toe genoemde 'waarnemingsillusies', die vooral betrekking hebben op
de waarneming van objecten, gelden voor iedereen. Ze zijn aangeboren of op zeer
jonge leeftijd aangeleerd.
Deze grondprincipes spelen niet alleen een rol in de waarneming van levenloze
objecten, maar ook in de waarneming van personen.
Bijna geen enkele waarneming is zuiver objectief. Het resultaat van de
waarneming wordt steeds bepaald door twee groepen factoren: de stimuli (dus
datgene dat waargenomen wordt), en de gesteldheid van de waarnemer.
Deze gesteldheid van de waarnemer hangt niet alleen af van zijn motivatie
(driften, behoeften, opvattingen), maar vooral ook van zijn
persoonlijkheidsstructuur en zijn waardeoriëntatie.
Het proces van waarneming verloopt langs een aantal fasen, met bij iedere
fase een of meerdere mogelijkheden tot het maken van fouten.
- De waarneming
- de beperkingen van de zintuigen;
- de beperkingen van de waarnemer.
- De 'vertaling' van de informatie
- selecteren;
- decoderen;
- interpreteren.
- Het trekken van conclusies
- halo-effect;
- voorbarige conclusies.
- Het handelen op grond van de conclusies
- primair reageren (ondoordacht, emotioneel).
Uiteindelijk reageer je op de verkregen informatie, en neem je de beslissing
iets te doen of te laten.
Het is beter de getrokken conclusies eerst te verifiëren, voordat men
beslissingen neemt. Dat betekent meer informatie verzamelen en vragen stellen!
Zeker als de eerste informatie niet zelf waargenomen is, maar van horen zeggen.
Om daar beslissingen op te nemen is vragen om problemen.
Observeren
Wanneer je cliënten in je groep hebt met probleemgedrag, of moeilijk
verstaanbaar gedrag, dan is het zeer belangrijk om goed te kijken wat nu precies
dat probleemgedrag inhoud, wanneer het probleemgedrag is en voor wie en wanneer
het voorkomt. Dat goed kijken heet observeren.
Observeren is te definiëren als: 'De doelgerichte en systematische
waarneming van gedragingen van een of meerdere personen of van een gebeurtenis,
met de bedoeling het waargenomene te beschrijven en samen te vatten.'
Observeren is dus doelgericht: dat wil zeggen dat je voordat je gaat
observeren bedenkt waar je naar wilt gaan kijken en waarom. Observeren is verder
systematisch: dat wil zeggen dat je voordat je gaat observeren al bedenkt op
welke manier je je informatie gaat verzamelen.
Waarom observeren we ?
- Het is een hulpmiddel om iemand beter te leren kennen.
- Het is een hulpmiddel om bepaalde problematiek nader te onderzoeken en
zo de achtergronden van het gedrag te achterhalen.
- Het kan gebruikt worden als informatie-overdracht naar anderen toe.
- Het is een manier om je eigen aanpak te toetsen.
Een observatie moet zo objectief mogelijk zijn, omdat de observatiegegevens
een zo zuiver en nauwkeurig mogelijke weergave van de werkelijkheid moeten zijn,
wil je er conclusies aan kunnen verbinden. Objectief wil zeggen dat je alleen
van feiten uitgaat, zonder je eigen mening, gedachten, of gevoelens te laten
meespelen. Je observeert alleen datgene wat je daadwerkelijk ziet of hoort.
Belangrijke aandachtspunten bij het interpreteren van observatiegegevens:
- Trek alleen conclusies die aantoonbaar zijn.
- Vermijd subjectieve woorden als 'vaak', 'veel', 'soms' of 'weinig' maar
noem aantallen.
- Vermijd subjectieve begrippen als 'agressief', 'afhankelijk', 'angstig'
of 'emotioneel'.
- Geef niet te snel een verklaring voor gedrag.
- Geef altijd duidelijk aan wanneer het om jouw idee n, mening, indrukken
gaat.
Een observatieverslag maak je aan de hand van de volgende stappen:
- Geef een korte beschrijving van de situatie die je observeert.
- Beschrijf het doel van de informatieverzameling.
- Geef een duidelijke omschrijving van het concrete gedrag dat je gaat
observeren.
- Geef aan hoe je observeert: participerend - niet
participerend,gestructureerd - niet gestructureerd.
- Geef het observatie materiaal geordend en/of samengevat weer.
- Als het observatiemateriaal zich ertoe leent, geef je enkele conclusies.
- Ga altijd na of je punten kunt ontdekken waarbij jouw eigen ervaringen
van invloed waren op je waarneming.
|