De naam staat voor de twee ontwerpers van de methode: Appel en Kleine
Schaars. Zij hebben een concrete invalshoek gekozen voor de benadering van
mensen met een verstandelijke handicap. De kern ligt in het aanbrengen van een
onderscheid tussen de verschillende taken die doorgaans bij een persoonlijk
ondersteuner/mentor liggen: die van zaakwaarnemer en van procesbegeleider.
Dat wil zeggen de eerste (zaakwaarnemer) regelt, ordent, controleert,
onderhoudt contacten en is zo een formeler aanspreekpunt om tot een duidelijker
kader en een betere regulering van regels en afspraken te komen.
De procesbegeleider is de vertrouwenspersoon in de alledaagse praktijk, die
primair voor de belangen van de bewoner/cliënt op komt en haar of hem helpt in
al die concrete dingen waar zorgen, beperkingen en doelen liggen.
Voor Appels en Kleine Schaars is het uitgangspunt het versterken van de
zelfstandigheid en gelijkwaardigheid tussen cliënt en begeleiding. Door een
betere ordening van de rollen komen begeleiders doorgaans meer toe aan de echte
ondersteuning, en lopen ze minder het risico in de strijd te komen over
afspraken en regels. Bovendien wordt de cliënt serieus genomen in datgene wat
hij zelf wil regelen: daarvoor is een eigen rol neergezet in de zaakwaarnemer.
Deze heeft op gezette tijden een afspraak om alle vragen die er liggen van de
cliënt over concrete regels en activiteiten door te nemen en met de cliënt
samen tot een oplossing te komen.
Uitgangspunt ook hier is de gelijkwaardigheid dat de betrokkene zelf een
duidelijke inbreng heeft, goed gehoord wordt en de mogelijkheden serieus worden
onderzocht en gewogen. De zaakwaarnemer is ook in een positie waarin ook
duidelijke kan worden geconfronteerd en de grenzen aan wat mogelijk is kan
aangeven.
De procesbegeleider helpt de betrokkene vervolgens om de emoties te
kanaliseren en de alledaagse dingen mee te dragen en vorm te geven. De
procesbegeleider ondersteunt de betrokkene ook om de vragen richting
zaakwaarnemer op te pakken. Deze begeleider zoekt en toetst de belevingswereld
van de cliënt, en heeft eigenlijk inhoudelijk meer tijd om met de concrete
doelen van de cliënt bezig te zijn.
De cliënt kan zo ervaren dat de begeleiding zich niet al te bemoeierig
opstellen, omdat ze eigenlijk vooral dat doen wat de betrokkene zelf met de
zaakwaarnemer heeft afgesproken. Deze vorm van ondersteuning vraagt van
begeleiders ook een eigen open en terugtredende houding. Er ontstaat daardoor
wel meer kans om positief en actief dingen samen te doen, een luisterende
houding te hebben en helderder de eigen rol neer te zetten. Soms ervaart ook de
begeleiders de helderheid van de verschillende rollen als een rust in de
begeleiding.
De procesbegeleider, tenslotte, heeft een belangrijke signalerende rol
richting zaakwaarnemer waar deze het risico loopt om te hard voorbij te lopen
aan de vragen, of de cliënt over-/onderschat in de afspraken. Zaakwaarnemer en
procesbegeleider onderhouden contacten met het netwerk en samen met het team
wordt zoveel mogelijk gekeken naar wat de grenzen zijn van de 'zelfbepaling' van
de betrokken cliënt en welke speelruimte er is. Dit betekent een regelmatig
gezamenlijk overleg over de inzet en vorm van afspraken. Er moet een zo
duidelijk mogelijke balans zijn tussen wat een cliënt aan kan en wat niet.
|