GROTER | KLEINER

Menu

Zie ook

   

AVB is een afkorting voor een programma dat gericht is op het aanleren van verbaal gedrag door middel van een aantal zeer effectieve technieken die komen uit de toegepaste gedragsanalyse. ABA staat voor applied behavior analysis = toegepaste gedragsanalyse. Het gaat hierbij om het toepassen van gedragsprincipes (zoals versterken, uitdoven, modelling en shapen) om bepaald gedrag te verbeteren. Hierbij maken we ook functionele analyses om het verband te leggen tussen omgeving en gedrag.
Toegepaste gedragsanalyse vindt zijn toepassing in het onderwijs, pedagogiek, maar ook in bijvoorbeeld het management.

Verbaal gedrag

Skinner analyseerde verbaal gedrag en beschreef een aantal functionele eenheden van taal, verbal operants genoemd. Hij beschrijft in zijn boek dat taal geanalyseerd kan worden in een set van functionele eenheden, waarin iedere operant een andere functie heeft. Hij gaf deze operants ook namen. AVB is ABA met een focus op Skinners analyse van verbaal gedrag. Het is de toepassing van de gedragsanalyse om verbaal gedrag aan te leren. Deze verbal operants zijn van belang omdat juist autistische kinderen niet genoeg hebben aan het benoemen en kunnen aanwijzen van bepaalde woorden. Vaak zien we dat deze kinderen wel veel woorden receptief en expressief beheersen, maar geen gesprek over iets kunnen hebben, of niet om dingen kunnen vragen. Wanneer woorden volgens de verbal operants geleerd worden, zien we dat de kinderen deze woorden ook daadwerkelijk in hun communicatie kunnen gebruiken.
Verbal Operants

De eerste verbal operants die worden onderwezen in relatie tot kinderen met autisme zijn Echoics, mands, tacts en intraverbals. Ik zal een korte uiteenzetting geven van de functies van deze operants en hoe ze geleerd worden. Ik zal het ook hebben over Establishing Operation als de fundering van AVB en hoe het samenhangt met het leren van taal. Om een vaardigheid te leren, moet een kind kunnen imiteren. Zonder imitatie is het bijna onmogelijk om iets te leren. Dit geldt ook voor taal. Om gebaren te leren maken, is het belangrijk dat het kind leert imiteren. Om te spreken moet het kind klanken kunnen maken en woorden kunnen nazeggen.

ECHOIC

De echoic is de verbal operant die samen hangt met vocale imitatie. Echoic = precies nazeggen wat een ander zegt, papagaaien dus. Bijvoorbeeld: trainer zegt: bal en het kind zegt bal. Om het kind woorden te leren, moet het klanken en woorden na kunnen zeggen. Als we het kind 'mamma' willen leren zeggen en het kind kan dat niet zeggen, dan kunnen we dat gedrag (het zeggen van mamma) ook niet versterken. Als het kind wel 'mamma' kan zeggen, dan kunnen we mamma aanwijzen, vragen wie is dat?, vervolgens 'mamma' voorzeggen en als het kind het dan nazegt, dan kunnen we dat bekrachtigen door het kind te belonen. De waarschijnlijkheid dat het gewenste gedrag (het zeggen van mamma bij het zien van mamma) zich in de toekomst zal herhalen zal dan toenemen. Over bekrachtiging, oftewel het versterken van gedrag heb ik het later. Echolalie is tevens de sleutel in het leren van andere verbal operants.
Als het kind non verbaal is en geen Echolalie heeft gaan we dit eerst leren, o.a. door een procedure die automatic reinforcement heet.

MAND

De functie van een Mand is te verkrijgen wat men wil. Dus als een kind 'bal' zegt en de functie is een mand, dan wil het een bal hebben. Een mand versterken we door het gevraagde item of activiteit te geven. Eigenlijk manden we de hele dag zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Hoe laat is het? Kun je me helpen? Waar is de tv gids? Kom je met me spelen? mamma kijk eens wat ik doe! Doe die muziek uit etc. Het AVB programma is er altijd in het begin op gericht om het kind zoveel mogelijk te leren manden. We leren kinderen eerst te vragen om wat ze willen omdat het gebaseerd is op de motivatie van het kind. Manding doet taal toenemen omdat het kind altijd bekrachtigt wordt. Tevens neemt probleem gedrag, zoals schreeuwen of woedeaanvallen meestal af, zodra het kind heeft geleerd te vragen om wat het wil. Als het kind geen klanken kan maken, leren we het te manden d.m.v. gebaren.
De EO (establishing operation) hangt nauw samen met de Mand. EO kan je vertalen als motivatie. Om het kind een bepaalde Mand te kunnen leren, bijvoorbeeld 'chips', zal het kind hiervoor gemotiveerd moeten zijn. M.a.w. het kind moet chips willen, anders is het geen mand en kunnen we het ook niet leren.

Deze EO kun je verkrijgen door het kind een tijdje geen chips te geven of hem chips te geven als hij honger heeft. Als de EO van het kind hoog is, dan kun je gemakkelijk de mand leren. Dat zou dan bij een kind dat woorden na kan zeggen als volgt gaan:
Je laat de chips zien en dan zeg je: chips.

Als het kind echolalie heeft, zal het chips zeggen als echo en dat zal versterkt worden doordat het kind de chips krijgt. Na een aantal keren zal het kind de echo (het voorzeggen) niet meer nodig hebben en zal het chips zeggen als het de chips ziet. Even later wordt dat ook afgebouwd en zal het kind chips zeggen als het chips wil en het niet in zicht is.
Verder moeten mands o.a. aan bepaalde voorwaarden voldoen:

  • er moet een EO voor zijn (motivatie)
  • het moet duidelijk zijn wat ermee bedoeld wordt.
  • het moet nut hebben voor het kind (dat spreekt eigenlijk voor zichzelf want anders is er geen EO)
  • als er een nieuwe mand bijkomt, moet deze verschillen van de vorige. Dus niet chips leren en dan snoepje, maar als het kind chips kan manden, dan bijvoorbeeld voor tol laten manden. Iets uit een andere categorie.
  • het gebaar of het woord moet duidelijk verschillen van het voorgaande gebaar of woord.
  • 800 x mands op een dag is het streven. Hiervoor moet je een teller gebruiken.
  • dit geldt voor alle mands bij elkaar en ook buiten de training!
Mand training gaat als volgt: Je laat het item zien en zegt het woord, b.v. bal. Het kind zegt het woord na en krijgt de bal. Deze verbale prompt (hierover later meer) bouw je zo spoedig mogelijk af.
Bij kinderen die gebaren leren, geef je de imitatieve prompt en/of geef je meteen totale fysieke begeleiding bij het uitvoeren van het gebaar en geef je de bal.

Je geeft dus NIET de sd: wat wil je? Na verschillende trials waarbij het kind de bal ziet en 'bal' moet gebaren of zeggen, houd je de bal achter je rug en stel je de vraag, wat wil je?

Breek MANDS op in kleine stukjes. D.w.z. als het kind moet vragen om chips, breek de chips dan in kleine stukjes. Als het kind moet vragen om siroop, geef dan steeds een heel klein beetje siroop in een glas. Geef het kind niet een volle beker die je dan na 2 slokken uit zijn of haar handen moet trekken. De trainer moet degene zijn die de reinfocer (oftewel bekrachtiger) levert en niet degene die hem wegneemt! (al ontkom je daar natuurlijk lang niet altijd aan)

Mands kunnen ook wensen zijn om iets niet te hebben. Bijvoorbeeld ik wil die puzzel niet doen maar wel een andere. Ik wil niet naar buiten. We leren zoveel mogelijk woorden als mands. Ook tegenstellingen. Wil je de grote of de kleine? Kan het niet als een mand, dan leren we die woorden aan als tact/receptive.

MAND training moet zoveel mogelijk gebeuren in de natuurlijke omgeving en niet aan tafel.

Als het kind echolalie heeft en een aantal mands heeft kun je beginnen om het de volgende verbal operant te leren, de TACT.

TACT

De tact is hetzelfde als benoemen. Het kind zegt 'bal' omdat het een bal ziet, niet omdat het de bal wil hebben. Tacting is gewoonlijk de focus van een DTT programma, terwijl echoics en manding veel belangrijker zijn, vooral wanneer men begint met het leren van taal aan een kind met autisme. Het kunnen vragen om iets en het kunnen benoemen zijn enorm belangrijk in het verwerven van taal. Net zo belangrijk is de volgende verbal operant, de intraverbal.

INTRAVERBAL

De intraverbal is het verbaal gedrag dat volgt op ander verbaal gedrag en dat wordt versterkt door sociale bekrachtiging. Dus het kind zegt iets als reactie op wat een ander zegt. Intraverbals worden opgedeeld in antwoorden op W-vragen en aanvullen van zinnen. Dus als je zegt: eieren bak je in een... en het kind vult de zin aan met: pan, dan is dat een intraverbal fill-in . Maar ook als je zegt: Waar bak je eieren in? en het kind zegt: pan (waarbij de pan niet in zicht is), dan is dat ook een intraverbal. Om een intraverbal te leren kun je de vraag stellen en het antwoord voorzeggen. (en hier moet het kind dus voor kunnen nazeggen, de echoic) Je kunt ook het antwoord prompten door het item eerst in zicht te hebben en dan weg te laten. Intraverbals doe je ook vaak met het zingen van liedjes: Je zingt vaak bepaalde liedjes of versjes en dan laat je op een gegeven moment de zinnen aanvullen door het kind.

Ik hoop dat het zo een beetje duidelijk is waarom deze verbal operants, samen met de EO belangrijk zijn in het leren van taal. Zodra het kind een goede echo heeft, dan kun je alle functies van taal leren. AVB leert het kind al deze operants en leert ze door middel van errorless learning (leren zonder fouten te maken), het mixen en afwisselen van trials, het verweven van moeilijke opdrachten in de makkelijke opdrachten en door vloeiendheid te trainen.


 
 
 
   
 
Begeleiden   |    Activiteiten   |    Doelgroepen   |    Programmeren   |    Benaderingswijzen   |    Methodieken   |    Competenties
Copyright © 2012 Activiteiten-Wizard.