Bij cognitieve herstructurering is de
Rationeel Emotieve Therapie een belangrijk uitgangspunt. De benadering stelt
de cognitieve attributies centraal, d.w.z. mensen ontwikkelen bepaalde
denkschema's over zichzelf, anderen, situaties, gebeurtenissen. We 'denken
oorzaken toe' aan hoe anderen reageren, of hoe situaties ontstaan. Negatieve
zelfbeelden, of het niet of juist wel behalen van een examen bijvoorbeeld.
Een eenvoudig model van denken dat hieraan ten grondslag ligt is dat wanneer
ik denk dat ik bang wordt, ik me ook angstig zal gaan voelen. Het is erg lastig
om de bestaande schema's die we hanteren te veranderen terwijl deze wel bepalend
zijn voor ons welbevinden. In onze manier van denken brengen we onze ervaringen
al snel onder in denkschema's die we generaliseren: "Als het hier zo is, dan zal
het daar ook wel zo zijn!" Deze schema's dragen voor een groot deel bij aan hoe
de wereld om ons heen door onszelf wordt waargenomen en verwerkt.
De denkprocessen zijn ook niet duidelijk zichtbaar, maar komen tot uiting in
hoe we ons gedragen en wat we voelen en dan nog is de interpretatie daarvan niet
eenvoudig. Angst, onzekerheid, boosheid, verdriet, of concrete negatieve
gedachten over onszelf en de ander worden duidelijk wanneer deze woorden krijgen
of in hoe we ons verhouden tot de omgeving: teruggetrokken gedrag, afwijzing,
grote mond, e.d.
De RET richt zich met name op de denkprocessen en concrete gedachten.
Cognitieve herstructurering heeft een bredere inzet. Ze richt zich niet alleen
op het herdenken van de vooronderstellingen en attitudes die we innemen. Het
gaat om het herordenen van de ideeën, beelden, vermoedens en gedachten, vormen
van denkstijlen die we er op na houden en daarmee ook het problematisch gedrag
en de moeilijke situaties waarin we belanden. In feite zijn deze gedachten en
meningen niet adequaat of: irrationeel, ze kloppen niet, ze vertekenen de
werkelijkheid.
Bij kinderen kan de cognitieve herstructurering vorm krijgen in het vertellen
van verhalen in een radioprogramma: het kind kan dit zelf bedenken en vertellen,
wat de les van het verhaal is en brengt de therapeut een tegen verhaal in. Bij
jongeren benoemt Beck Cladder een viertal fasen:
- het verkrijgen van de concrete denkgegevens (wat wordt er gedacht,
verbeeld): waarnemingen, vooronderstellingen, verwachtingen, opvattingen
e.d., en het meer bewustmaken er van;
- het analyseren van deze gegevens op thema's, denkprocessen, en op voor-
en na-delen van wat gedacht of verbeeld wordt. Bovendien wordt nadrukkelijk
gekeken naar de eigen negatieve opvattingen over situaties die in verband
worden gebracht met de daarbij passende emoties;
- het bekijken wat de meest logische of zinnige gedachte is bij de
situatie! Waarom zou die gedachte dan kloppen? Zijn er alternatieven te
bedenken? Zo worden 'denkfouten' helder;
- Het oefenen van alternatieve denkbeelden of opvattingen: een
experimenteer en toepassingsmoment om uit te proberen of andere gedachten
beter zouden werken.
|