Centraal staat de balans of het evenwicht tussen kenmerken en vaardigheden en
draagkracht - aan de ene zijde en draaglast en ontwikkelingstaken aan de andere
kant: een weegschaalmodel.
Competentie is meer dan een vaardigheid: het is de kracht (vermogen,
potentieel) die ontstaat in de verbinding van kennis en vaardigheden met
persoonskenmerken en motivatie. Het succes dat dit met elkaar oplevert is de
eigenlijke competentie.
In de praktijk wordt vooral het accent gelegd op de vaardigheden en kennis,
in mindere mate op motivatie en al veel minder op de persoonskenmerken. Je ziet
dit wel terug in personeelsmanagement, maar amper in zorg- en
hulpverleningskaders.
Competentiegericht werken, cq. het sociale competentiemodel, richt zich
vooral op die concrete vaardigheden die in het leven van alle dag noodzakelijk
zijn rondom zelfredzaamheid en sociaal functioneren. Afhankelijk van de leeftijd
komen daar ook ontwikkelingstaken bij die bij een specifieke leeftijd horen.
Er wordt gestart met een sterkte - zwakte analyse: waar liggen in de concrete
taken de sterke en zwakke kanten en welke uitdagingen komen daar uit naar voren.
In de beoordeling worden de zogenaamde aspecten bij de persoon en omgeving die
de draagkracht verhogen, of de draaglast verlagen (kwetsbare elementen,
risico's) meegenomen. Het is van belang om deze analyse zoveel mogelijk met de
betrokkene zelf te ondernemen om de eigen motivatie en persoonskenmerken aan te
spreken. Daarbij, als vorm van psycho - educatie, krijgt iemand op deze manier
al een adequatere kijk op zichzelf.
De kracht van deze werkwijze ligt tenslotte ook op de positieve benadering
door de sterke punten naar voren te halen: niet zelden zijn de zwakke punten al
vele malen benadrukt. De uitdagingen vormen dan uiteindelijk concrete punten (leerdoelen)
waaraan gewerkt kan worden. In de regel gaat het in dit model om een
groepsdynamische aanpak middels fasen en scoringssystemen (
Token Economy bijv.).
De fasen worden opgebouwd vanaf de alledaagse levensstructuren: ritme in de
dag, zelfverzorging, houden aan afspraken, invulling vrije tijd, volhouden
dagbesteding, omgaan met kritiek (feedback),
vriendschappen en seksualiteit, e.d..
In elke volgende fase komen er zo steeds complexere vaardigheden bij. Bij het
verwerven van de gewenste vaardigheden worden ook de mogelijkheden en motivatie
van de betrokkene vergroot middels privileges/beloningen, die overigens ook weer
kunnen worden afgenomen bij terugval.
De verworven vaardigheden worden als opgenomen verantwoordelijkheden gezien.
D.w.z. de extern aangeleerde vaardigheden worden 'eigen' verworven taken. Het
probleemgedrag wordt meer specifiek gecombineerd aangepakt met aanvullende
vormen van training en/of therapie. De theoretische onderbouwing is bepaald door
de vertaalslag die gemaakt moet worden tussen dat wat iemand wel weet maar nog
niet concreet kan uitvoeren, in combinatie met de visie dat gedrag in stand
wordt gehouden door bekrachtiging.
|