Zodanig interveniëren bij ernstige psychiatrische en psychosociale
crisissituaties, dat het probleemoplossend vermogen van het sociale netwerk
(mantel of professioneel) rond de
cliënt optimaal wordt benut en waar nodig
wordt versterkt en waar mogelijk ook het copinggedrag van de van de
geïdentificeerde cliënt verbetert. De crisissituatie wordt waar mogelijk
benut om gedragsverandering voor de toekomst te stimuleren zodat de vaardigheid
in het omgaan met crisis zowel van i.p. als van het systeem wordt verbeterd.
Werkwijze en methodieken uit de crisisinterventie, de leertheorie en de
psycho-educatie worden
geïntegreerd met een netwerkbenadering op
systeemtheoretische grondslag en met psychiatrische interventies uit het domein
van de acute psychiatrie.
Achtergrond is de veronderstelling dat de behandelaar niet verantwoordelijk
is voor het doen verdwijnen van de symptomen maar de regie voert over een proces
dat gericht is op het probleemoplossend vermogen van het systeem. Het systeem
omvat zowel de
cliënt als zijn sociale netwerk. Uitzondering hierop zijn
situaties waarin de behandelaar de enige is die acuut gevaar kan afwenden.
Een crisis wordt gezien als een proces dat eindigt in een hervonden
evenwicht, waarbij zowel intrapsychische als systemische factoren een rol
spelen. Lijdensdruk ontstaat wanneer er een toename is van de draaglast boven de
draagkracht. Het herstellen van het (systeem-) evenwicht kost arbeid: emotionele
verwerking en oplossing van praktische problemen. Er wordt in beginsel gewerkt
met twee crisisinterventoren: De ene spreekt met de cliënten, de ander is
observator, commentator en gesprekspartner. Uit strategisch overwegingen kan
gekozen worden voor een rolverdeling waarbij de ene de `wetende' (resp.
bezorgde, steunende, enz.) is en de ander de 'onwetende' (resp. afstandelijke,
degene die verantwoordelijkheid bij de cliënt legt, enz.). Het
medisch-psychiatrische ingrijpen staat niet hiërarchisch boven maar naast
andere vormen van methodisch ingrijpen.
|