Ieder mens verlangt ernaar zich veilig en geliefd te voelen.
Mensen ontwikkelen samen met elkaar waarden en normen die
richting geven aan het bestaan.
Deze twee uitspraken vormen de kern van de psychologie van wederzijdse
afhankelijkheid. Als mensen zich verbonden voelen met anderen zullen ze zich op
een evenwichtige wijze kunnen ontwikkelen en vormen ze samenhangende en veilige
gemeenschappen. Deze verbondenheid wordt in de psychologie van wederzijdse
afhankelijkheid uitgedrukt met het woord Companionship. Dit woord is
samengesteld uit twee Griekse woorden: Com = samen en Panish = brood. Letterlijk
betekent het dus het delen van brood. In ons gebruik betekent companionship het
met elkaar delen van het bestaan.
Een gevoel van companionship bevat vier elementen:
- je veilig bij de ander voelen
- je door de ander geliefd voelen
- de ander lief kunnen hebben
- betrokken zijn op de ander
Niet iedereen ervaart in zijn bestaat dit gevoel van companionship. Gentle
Teaching is een manier van omgaan met mensen en in sommige gevallen een heel
bewust toegepaste leermethode die erop gericht is dat mensen dit gevoel van
companionship wel gaan ervaren.
Als het goed is, ontwikkelt het gevoel van companionship zich bij kinderen op
een normale wijze in de relatie met de ouders. Het proces waarin dit gebeurt
kennen we als het hechtingsproces.
Soms gaat het echter niet goed. Dit kan bijvoorbeeld zijn als er een
bijzonder slechte opvoedingssituatie is of als het proces verstoord wordt door
een handicap of een andere kwetsbaarheid van het kind. Het kan ook zijn dat het
hechtingsproces wel goed is verlopen, maar dat er later in het leven dingen
gebeurd zijn waardoor het gevoel van companionship weer verdwenen is.
In het begin gaat het soms bijna ongemerkt fout. Een kind met een
verstandelijke handicap zal de prikkels die hij uit zijn omgeving krijgt
misschien niet goed kunnen verwerken of verkeerd begrijpen. Hierdoor kan hij
reageren op een manier waar anderen last van hebben en deze zullen hem willen
corrigeren. Dit kan tot gevolg hebben dat het kind zich geleidelijk aan steeds
onveiliger zal gaan voelen bij de ander en steeds meer vanuit zijn onveilige
gevoel gaan reageren. Uiteindelijk kan dit leiden tot een situatie waarbij het
kind zich volledig
geïsoleerd en onveilig voelt. In het gedrag kunnen we dit
dan terugzien in bijvoorbeeld agressie, zelfverwonding, zich extreem
terugtrekken, een zeer grote behoefte aan structuur, enz. Dit soort processen
zien we niet alleen bij kinderen en volwassenen met een verstandelijke handicap.
We zien het ook bij ouderen die dement geworden zijn, bij mensen die langdurige
psychische problemen hebben, straatkinderen, enz. Ook bijvoorbeeld bij kinderen
die in milieus opgroeien waar geweld een veelvoorkomend verschijnsel is.
In onze westerse samenleving heerste een 'voor wat hoort wat cultuur'. Als je
iets goeds doet wordt je beloond en als je iets verkeerds doet wordt je
gestraft. Bij mensen waar het gevoel van companionship ontbreekt werkt dit
averechts. Het is voor hen geen bewust keuze om iets te doen wat niet mag, maar
het komt voort uit hun emotionele gevoel van onmacht. Het is vaak een onhandige
manier om nog iets van het leven te maken. Straffen van ongewenst gedrag kan
misschien wel even tot gevolg hebben dat het gedrag verdwijnt, maar vaak zal er
weer iets anders voor in de plaats komen. Dit komt omdat de kern van het
probleem niet wordt aangepakt. En die kern is het gevoel van onveiligheid en
onzekerheid. Deze gevoelens worden door straffen eerder nog versterkt.
Met Gentle Teaching doen we dus precies het tegenovergestelde. We richten ons
niet op het gedrag van de persoon, maar vragen ons eerst af in hoeverre de
persoon een gevoel van companionship ervaart. Voelt hij zich werkelijk veilig
bij andere mensen. Heeft hij mensen die van hem houden en waar hij van kan
houden en voelt hij zich werkelijk betrokken bij deze mensen. Belangrijk daarbij
is dat we er ervan uit moeten gaan dat dit gevoel van companionship over en weer
onvoorwaardelijk moet zijn. Ook op momenten dat het even niet goed gaat, moet
het gevoel van companionship overeind blijven.
Als we zien, en meestal is dat het geval, dat het gevoel van companionship
ontbreek, zullen daar eerst iets aan moeten doen. We doen dit door de
uitgangspunten van Gentle Teaching in te passen in de dagelijkse manier van
omgaan met elkaar en zo nodig door het creëren van specifieke leermomenten
voor de persoon en voor onszelf.
Het gaat er allereerst om dat we zelf leren om niet vanuit onze oude
denkpatronen te reageren op het gedrag, maar dat we ons richten op de emotionele
ontwikkeling van de persoon. Dat is een intensief leerproces dat we zelf door
moeten maken. Een ander leerproces dat we zelf door moeten maken is hoe we met
de ander omgaan en hoe we communiceren. We moeten de leermiddelen die we hebben,
dat zijn onze handen, onze stem, onze gelaatsuitdrukking en onze aanwezigheid,
zo gebruiken dat ander die niet als overheersend zal kunnen ervaren. Om de ander
te kunnen veranderen zullen we dus onszelf moeten veranderen.
Naar de ander toe zullen we heel actief moeten zoeken naar momenten waarop we
hem kunnen leren dat hij zich bij ons veilig en geliefd kan voelen en we zullen
hem op die momenten ook moeten leren genegenheid naar ons tot uiting te brengen
en betrokken te zijn. Dit laatste kan door actief met elkaar te communiceren,
met of zonder woorden, of door gezamenlijk een activiteit te doen. Het is
belangrijk dat we voor deze leermomenten de momenten van de dag kiezen waarop we
het meest toegankelijk voor elkaar zijn. Dus als er de minste spanningen zijn.
Als we op die momenten leren dichter bij elkaar te komen, zal het ook
gemakkelijker zijn om op de moeilijke moment dicht bij elkaar te komen in plaats
van in de strijd te gaan.
Ook op de moeilijke momenten proberen we het proces van Gentle Teaching voort
te zetten en proberen we de ander door de problemen heen te helpen zonder te
overheersen. Dat is vaak erg moeilijk en vraagt een sterk zelfbewustzijn van de
begeleider. Het vraagt ook dat begeleiders elkaar hierin ondersteunen en dat ze
ondersteuning van buiten hun team krijgen. Soms zal het niet lukken om in
situaties waarin heftige agressie voorkomt het proces van Gentle Teaching
volledig voort te zetten, omdat de directe veiligheid van de persoon zelf,
groepsgenoten of de begeleider zelf in het geding is. Ook dan is het echter
belangrijk dat de situatie zo 'gentle' mogelijk wordt opgelost en dat de persoon
niet in een emotioneel isolement mag achterblijven.
Gentle Teaching is begin van de tachtigerjaren ontwikkeld door de Amerikaan
John McGee. De oorsprong van zijn werk ligt in de ervaringen die hij heeft
opgedaan in de jaren die hij gewerkt heeft in de sloppenwijken in Brazilië.
Daar heeft hij ervaren dat mensen die door de samenleving verstoten zijn
gezamenlijk liefdevolle en veilige gemeenschappen kunnen ontwikkelen. Terug in
de VS ging John werken in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap en
hij ontmoette daar een cultuur die gebaseerd was op beheersen, controleren,
corrigeren en onderdrukken. Dit stond haaks op zijn ervaringen in Brazilië.
John is toen begonnen met de ontwikkeling van Gentle Teaching. In de eerste
jaren was Gentle Teaching nog vooral een 'techniek' die zich richtte op het
omgaan met mensen die agressief waren. Langzaam aan is de techniek en de sterke
gerichtheid op probleemgedrag naar de achtergrond gegaan en heeft Gentle
Teaching zich ontwikkeld tot een bredere benaderings- en omgangs wijze. Niet
alleen voor mensen met een verstandelijke handicap, maar in wezen van belang
voor alle mensen. We zien Gentle Teaching nu dan ook een plek krijgen in onder
ander verpleeghuizen voor ouderen, jeugdzorg, chronische psychiatrie. Recent
zijn er ook ontwikkelingen in de richting van het reguliere onderwijs en op
enkele plaatsen ook in lokale gemeenschappen. Gentle Teaching is internationaal
georganiseerd. Er zijn contacten met organisaties in o.a. de Verenigde Staten,
Canada, Mexico, Brazilië, Portugal, Engeland, Nederland, België,
Australië, Nieuw Zeeland, India, Japan, Denemarken.
|