A1. Informatie verzamelen
Depressie kenmerken
Depressie heeft een aantal kenmerken: een zeer sombere stemming, geen
interesse of plezier meer in activiteiten hebben, veel meer of minder
eten dan voorheen, veel minder of meer slapen dan voorheen, onrustig
gedrag of vertraging van gedrag, vermoeidheid of energieverlies,
gevoelens van nutteloosheid of een buitensporig schuldgevoel.
Iemand hoeft niet alle kenmerken te hebben om aan een depressie te
lijden. Ook is het zo dat een aantal kenmerken, zoals vertraging van
gedrag en energieverlies, ook al bij dementie horen. Dit maakt het
lastig om depressie bij dementie te herkennen. Iemand moet in ieder
geval voldoen aan het kenmerk 'zeer sombere stemming' of 'geen interesse
meer in activiteiten hebben/er geen plezier meer aan beleven '. Dit moet
het geval zijn voor het grootste deel van de dagen over een periode van
minimaal twee weken.
Plezierige activiteiten
Zoals gezegd houdt de Plezierige-Activiteiten-Methode in de eerste
plaats in dat de bewoner weer activiteiten gaat ondernemen waaraan hij
plezier beleeft. Hiervoor is het noodzakelijk dat je informatie
verzamelt over activiteiten waaraan die persoon in het verleden, en
misschien tot voor kort, plezier beleefde. Dit doe je door het
intakeverslag te lezen, met de familie en de bewoner hierover te spreken
en met collega's te praten. Ook is het als je werkt vanuit een
belevingsgerichte werkhouding belangrijk dat je (nog meer) informatie
verzamelt over de persoonlijkheid en levensloop van de bewoner.
Piekersituaties/tobben
In de tweede plaats heeft de Plezierige-Activiteiten-Methode als doel
dat de bewoner minder gaat piekeren. Hiervoor is het noodzakelijk dat je
informatie verzamelt over situaties waarin de bewoner piekert. Overleg
met de bewoner, familie en betrokken collega's en beschrijf de
piekersituaties zoveel mogelijk op de volgende manier: waarschijnlijke
aanleiding voor het piekeren, wat doet de bewoner als hij piekert,
reactie van hemzelf, familie, collega's en anderen op het piekeren.
A2. Een beeld vormen van de behoefte aan begeleiding
Plezierige activiteiten
De activiteiten waaraan de bewoner vroeger veel plezier beleefde
moeten nu vertaald worden naar zijn huidige situatie. Hiermee bedoelen
we dat de activiteiten aangepast moeten worden aan de beperkingen die de
bewoner door de dementie heeft en aan zijn somberheid en vaak ook gebrek
aan energie door de depressie.
Je begint met het bedenken van activiteiten die de bewoner, eventueel
met begeleiding, zonder falen kan uitvoeren of beleven. Als de interesse
van een bewoner bijvoorbeeld uitgaat naar paarden, kijk je welke
activiteiten die met paarden te maken hebben hem plezier kunnen geven.
Bijvoorbeeld het kijken naar paardensport op de televisie, het bekijken
van boeken over paarden, een bezoek afleggen aan een manage. Wanneer
iemands grote hobby koken was, bekijk je welke activiteiten iemand met
hulp in de keuken nog kan ondernemen.
Belangrijk is dat je activiteiten verzint die iemand echt nog kan en
waarbij hij niet direct geconfronteerd wordt met zijn falen. Als je deze
activiteiten in overleg met de bewoner hebt bedacht ga je bekijken hoe
je de bewoner in kleine stapjes tot de activiteit kan stimuleren.
Piekersituaties
Er moet nu uitgezocht worden wat er nodig is om een bewoner minder te
laten piekeren. Bekijk in je notities in welke situaties een bewoner
gaat piekeren, wat hij precies doet wanneer hij piekert en wat het
effect van zijn gepieker is op hemzelf en op anderen.
Kijk nu hoe je de piekersituaties kunt veranderen of voorkomen.
Wanneer iemand bijvoorbeeld vooral piekert na de warme maaltijd, dan
probeer je te ontdekken waardoor dat komt. Komt het door iets wat er
tijdens het eten gebeurt (de bewoner weet bijvoorbeeld niet meer hoe hij
het bestek moet hanteren), of lijkt het 'gewoon' met het moment van de
dag te maken te hebben?
Wanneer er een directe aanleiding lijkt te zijn, zoals de problemen
met het bestek, probeer dan een plan te maken om de problemen weg te
nemen.
Ook bedenk je wat er nodig is aan begeleiding op het moment dat er
geen directe aanleiding voor het piekeren lijkt te zijn, wanneer het
'gewoon' met het moment van de dag te maken lijkt te hebben. Op zo'n
moment moet je in ieder geval aandacht schenken aan de bewoner en hem
zeker niet negeren. Je vraagt wat er aan de hand is, luistert en spreekt
de bewoner niet tegen.
Probeer begrip te tonen voor zijn gevoel. Vervolgens is het
belangrijk dat je de bewoner afleidt. Bedenk op welke vrolijkere
onderwerpen je op dit soort momenten over kunt gaan en in welke
activiteiten je hem kunt betrekken die hem plezier geven.
B1. Beoogde begeleidingsresultaten formuleren
Voordat je de begeleiding rond plezierige activiteiten en
piekersituaties gaat plannen overleg je met de betrokken collega's,
familie en mogelijk de bewoner welke resultaten de begeleiding moet gaan
opleveren.
Beschrijf je doelen op zo'n manier dat ze meetbaar zijn.
Bijvoorbeeld:
Mevrouw lacht vaker, meneer komt weer zonder klagen uit bed, mevrouw
eet haar brood weer op.
B2. Begeleidingsactiviteiten kiezen
Samen met de betrokken collega's, de bewoner en de familie maak je nu
een begeleidingsplan voor de eerst komende week. Het plan moet bestaan
uit vier onderdelen:
- beschrijf drie momenten met verschillende plezierige
activiteiten (indien opgesplitst in stappen, de eerste stap),
verspreid over de week. Geef aan wie de activiteiten met de bewoner
gaat uitvoeren;
- beschrijf een aantal dingen waaraan iemand plezier beleeft en
die op de verschillende zorgmomenten in te voeren zijn: onder
begeleiding een wandeling maken, een bewoner helpen zich mooi te
maken;
- beschrijf wat je doet om piekersituaties te voorkomen;
- beschrijf wat je doet als iemand toch piekert.
Je kunt het plan invullen op het Plezierige-Activiteiten-Pan. Het
plan voeg je vervolgens toe aan het zorgdossier.
D1. Het begeleidingsproces evalueren, zowel tussentijds als
achteraf
Op het moment dat iemand een onderdeel van het begeleidingsplan
gebruikt, observeert diegene wat de reactie van de cliënt is. Hij
noteert dit op het Plezierige-Activiteiten-Plan in het zorgdossier. Dit
kan een andere verzorgende zijn, een helpende, maar ook de familie of
bijvoorbeeld een fysiotherapeut. Je houdt per dag bij wat de algemene
reactie van de cliënt in relatie tot de geformuleerde
begeleidingsdoelen is. Ook dit wordt per dag op het formulier
bijgehouden.
Na een week evalueer je het Plezierige-Activiteiten-Plan. Je doet dit
in overleg met de betrokken collega's, andere betrokken disciplines, de
familie en de bewoner. Het plan wordt op twee punten beoordeeld:
- het effect van het plan in zijn geheel. Dit gebeurt aan de hand
van de geformuleerde begeleidingsdoelen;
- het effect van onderdelen van het plan.
Hierna stel je een nieuw plan voor de komende week op. Hiervoor wordt
de zorgcyclus van de Plezierige-Activiteiten-Methode opnieuw doorlopen.
Kortweg houdt dit in dat de onderdelen waar de bewoner slecht op
reageerde aangepast of vervangen moeten worden. Onderdelen waar de
bewoner goed op reageerde kun je weer in het plan opnemen. Als de
bewoner goed reageerde op de eerste stap van een activiteit, dan kun je
overwegen of je de volgende stap in het plan opneemt of nog een keer
dezelfde stap herhaalt. Schrijf het plan op een nieuw formulier. Wanneer
je uiteindelijk een plan hebt waar de bewoner goed op reageert en zijn
depressieve klachten zijn afgenomen, dan blijf je volgens dit plan
werken.