Een zeer korte omschrijving van presentiebeoefening is de volgende:
Een praktijk waarbij de zorggever zich aandachtig en toegewijd op de ander betrekt, zo leert zien wat er bij die ander op het spel
staat - van verlangens tot angst - en die in aansluiting daarbij gaat begrijpen wat er in de desbetreffende situatie gedaan zou kunnen
worden en wie hij daarbij voor de ander kan zijn. Wat gedaan kan worden, wordt dan ook gedaan. Een manier van doen, die slechts
verwezenlijkt kan worden met gevoel voor subtiliteit, vakmanschap, met praktische wijsheid en liefdevolle trouw.
Hoewel deze manier van doen op het eerste gezicht misschien niet opzienbarend lijkt, is ze dat wel. Een korte toelichting kan dat
verduidelijken.
Bijzonder is bijvoorbeeld de volgorde waarin het beschreven (hulpverlenende, zorggevende) handelen zich ontplooit: eerst wordt
de betrekking op een specifieke, intense wijze aangegaan (aandachtig, toegewijd), dan pas (of: daardoor) kan blijken wie de
hulpverlener voor de ander kan zijn en om welk verlangen of om welke nood het zal gaan en wat zorg behoeft. De relatie staat dus
voorop, het probleemoplossende handelen is opgeschort en de identiteit van de hulp- of zorgverlener ('wie kan ik voor jou zijn?') staat
niet vast maar vormt zich in een gedeeld leerproces. Dat wijkt af van wat we meestal zien: doorgaans staat tevoren reeds vast wie en
wat de hulpverlener voor de ander moet zijn en waarom het zal draaien in de betrekking.
Overigens wordt een dergelijke verhouding gewoonlijk eerder langs de weg van screening, intake, diagnostiek, onderhandeling en
contractering aangegaan dan dat deze uit aandachtigheid en trouw wordt gesticht.
Opmerkelijk in de omschrijving is verder dat er geen sprake is van een hulpvraag of een nood, maar dat er gesproken wordt van
'wat er voor de ander op het spel staat': dat is enerzijds een verwijzing naar de ratio van iemands leven (wat daarin zin heeft, past,
bijdraagt aan ervaren baat of geluk). Die ratio kan zich slechts tonen als daartoe de ruimte wordt geboden en er geen al te grote
beperkingen aan de waarneming of betrekking van buitenaf opgelegd worden - bijvoorbeeld door een verplicht gestelde methodiek, een
politieke eis of een subsidiabel programma. De omschrijving van de presentie veronderstelt dus het uitstel of tijdelijk tussen haken zetten
van dergelijke beperkingen. Anderzijds is 'wat er voor de ander op het spel staat' een verwijzing naar het geheel van dat leven en dus
niet alleen naar het problematische of kapotte waarop de hulpverlener betrokken zou moeten zijn.
Voorts zegt de omschrijving dat presentie niet volstaat met het 'in-relatie-staan' maar doet wat er gedaan kan worden; dat doen
wordt beschreven in zorgethische termen. Dergelijke formuleringen nemen afstand van '..wat gedaan moet worden'. Hier zijn 'zorg' en
'passendheid' verbonden.
Ten slotte zij opgemerkt dat bij de (professionele) kwaliteiten vermeld wordt dat deze
elk steunen op praktische wijsheid en op trouw
die 'liefdevol' is. Dat is een verwijzing naar de continuïteit van de relatie en de wederkerigheid erin die in het teken staat van wat de
ander deugd zal doen.