Een methode om de zelfcontrole te vergroten.
Het model van het stoplicht, met de lichten groen, oranje, rood, wordt
gebruikt om een bepaalde stemming of keuze aan te geven:
- Groen licht: het gaat goed, ik kan zelf een keuze maken: 'Groen: ik weet
wat ik moet doen'. Hier is sprake van 'we kunnen gewoon verder', of: de
betrokkene is voldoende in staat om zelf verder te kunnen!
- Oranje licht: de betrokkene voelt zich onzeker, gespannen,
geïrriteerd, bozig, angstig, en moet opletten in wat hij kiest: het gaat
niet vanzelf, dat betekent: stoppen nu het nog kan en eerst even rustig
proberen na te denken: even stil staan, of gaan zitten: 'Oranje, wat kan
je?'.
- Rood licht: de betrokkene heeft het gevoel dat zij/hij elke controle
verloren is: is heel erg boos, of erg verdrietig, of erg bang en kan niet
meer voor zichzelf opkomen: nu moet ik hulp gaan halen: direct stoppen, niet
meer gaan zitten om na te denken, maar direct hulp gaan halen: 'Rood, ik ben
in nood'.
Deze methode kan op verschillende momenten een rol spelen, bijvoorbeeld
binnen een vorm van agressiepiramide. Daarnaast wordt een stoplicht als
observatiemodel gebruikt om bepaald gedrag in kaart te brengen: rood als
grensoverschrijdend, oranje als alarmgedrag en groen als het goed hanteerbare
gedrag.
|