Dialexicon Twents

Digitaal woordenboek voor Windows - Post dialexicon@home.nl

Woord voor woord

Woordverklaringen en commentaren. Eventuele reacties graag naar dialexicon@home.nl.


14 februari 2011 - Rebbelbek
Dit is het vijftigduizendste woord, opgepikt uit het handschrift Oertwentsche woorden (1975) van A. Velthuis-Veldman, geb. Oldenzaal 12-2-1893.

11 juni 2010 - Zwoonkrad (vliegwiel)
Met het toevoegen van dit woord aan het Dialexicon Twents is weer een belangrijke Twentse taalbron ontsloten: de vorig jaar teruggevonden Denekamper Woordenscaht van Willem Dingeldein (1894-1953) met naar schatting vijfduizend fiches met meer dan tienduizend in Denekamp opgetekende woorden en uitdrukkingen. Ruim een halve eeuw na diens dood lag deze tot nu toe nergens vermelde unieke taalkundige erfenis vrijwel onopgemerkt in een kast bij achtereenvolgens de Twente Academie, het Van Deinse Instituut en, na de verhuizing naar TwentseWelle, bij de Oudheidkamer Twente.
Meer gegevens over dit al die jaren verontachtzaamde levenswerk van Dingeldein volgt in een publicatie.

In het Dialexicon Twents staan nu 7299 trefwoorden en 3339 uitdrukkingen met bronvermelding DWs. Een flink deel van dit idioom kwam tot nu toe in geen enkele Twents woordenboek voor.

Ook Dingeldeins allerlaatste woord zwoonkrad is 'nieuw'. De vertaling 'zwenkrad' (inderdaad een 18e-eeuws Nederlands woord voor vliegwiel) ligt voor de hand, hoewel 'zwenk' geen een-op-een-vertaling is van zwoonk. Dichter komt dit bij 'zwang' in de uitdrukking 'in zwang', Hoogduits ''in Schwung', in Denekamp in n zwoonk (in volle gang, gangbaar), in Löagn en bedröagn (2008) van Gerrit Klaassen zonder lidwoord: Dit is wis a seend de tiende eeuw in zwoonk (pag. 77).
Het Wörterbuch der Westmünsterländischen Mundart vermeldt wel het mogelijk uit het Hoogduits overgenomen 'Schwungrad'.


29 september 2008
Op deze dag vond ik na wat speurwerk in een archief de oudst bekende1 aanzet tot een Twents woordenboek. Het is een aantekenboek van 48 pagina's uit de eerste helft van de 19e eeuw van de hand van de in Enschede geboren Johannes Henricus Behrns (1803-1883), zoon van Duitse ouders, met ruim 1400 woorden en uitdrukkingen. Een deel daarvan is allang vergeten en komt in geen enkel Twents woordenboek voor. Jammer is dat de meeste woorden niet van een Nederlandse vertaling zijn voorzien, en dat Behrns' handschrift soms moeilijk leesbaar is.

duden, duudde, eduud
driest = opgeschikt, moedig, stoutmoedig
nen dōdden
dōdderig
een dōddekuken
doanig, döanig = excessief
[neug] van done
dee = die
dus, dusdanig niet in t dialect
die...lijk
den dönneknuppel = ?
dätten = dartel
den droad, et dröaken, de dröa = draad
den denst, den godsdenst
der, des, dezer, eenes, eener, ... niet in dialect
den, de, et
de vaar, de haze, de zönne, de tate, de bestevaar, de hane, de baas
de könnink, de kuper, de vrieler, de tied, de asse, de bķlle, de vōs, de boer
de Jödde v. man, de hownd, de knecht
et diink, dinger
doa ginne = gindsch
de dunegge = in den zin van de fijne kant, ook de slaap van t hoofd
ik hebbe den vrea der mee
 

Erg interessant zijn de aantekeningen over de taal van Enschede dat in die tijd begrensd werd door de Labbediek (later Walstraat) en de Haverstroat en nog maar tweeduizend inwoners had. Zelfs binnen deze kleine gemeenschap bestonden er duidelijke taalverschillen tussen de stadsdelen. De 'oldbeargerleu' van de buitenste ring met de genoemde 'achterstroatn' spraken bepaalde woorden anders uit dan de wat beter gesitueerde middenstand in het centrum van het stadje. Zo zeiden zij schettele, happe, ekammen, erakken, hannig, ten Katte, batter, zaarge, vaark, daarp en ellie in plaats van  schöttel (schotel), hoppe (hop), ekommen (gekomen), erokken (geroken), honnig (honing), ten Coate (ten Cate), botter (boter), zoarge (zorg), voarke (vork), dorp en öllie (olie).

Sommige van deze aparte woordvarianten komen ook voor in het bekende  Brulf'teleed uit 1811 van Benjamin Willem Blijdenstein dat in 1836 werd opgenomen in de eerste uitgave van de Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren. Volgens het eerste couplet is het in die zelfde taal van de Enschedese achterbuurten geschreven. Hieronder volgt dat couplet, met een iets begrijpelijker spelling en woordkeus dan in de oorspronkelijke publicatie:

Gin heiden-slungels jökt ons wat,
gin Cupido of Hymen,
woarvan de dichters dit en dat
in t broezig brulftleed riemden.
Vergil zung Rooms, Homerus Grieks,    
wi-j Haverströats en Labbedieks.

 

Hierboven een overzichtstekening van Enschede in 1826. De Labbediek en de Haverstraat zijn de twee lange (aan beide zijden bebouwde) straten links en rechts. Rechtsonder, bij de Espoort en de brug over de stadsgracht, aan het begin van de Haverstraat, staat het statige woonhuis van Blijdenstein met aan de achterzijde een rijtje fabriekshuizen.

Behrns noemt in zijn handschrift ook het onderscheid tussen het Enschedees en de taal van de marken rondom, die met zijn vele tweeklanken meer neigt naar het Münsterlands. Voorbeelden hiervan zijn beier voor beer (bier), nieëggene voor neggene (negen), vuier voor veur (vuur), bieëkke voor bekke (beek), gieëvven voor gevven (geven), men voor mear (maar), luëggen voor löggen (leugen), voeagel voor voggel (vogel), vuäggelken voor vöggelken (vogeltje) en vöuite voor veute (voeten). Vormen waarvan de meeste allang tot het verleden behoren. Sommige ervan zijn anno nu, meer dan anderhalve eeuw later, te herkennen in plattelandswoorden als gieevn (geven) in de bundel Zunlech van Theo Vossebeld uit Beckum en tieegn (tegen) in de bundel Pikstrik van Gerrit Lansink uit Boekelo.

Vanzelfsprekend komen alle leesbare woorden uit de lijst van Behrns uiteindelijk in het Dialexicon Twents terecht. Ik was alvast met de s begonnen. Een paar mij nog onbekende woorden kan ik hier al noemen: n sissevulleken, nen sisserd, nen slieëker, ne smeuke (iets om te roken?), spatern, ne steuke, ne stoake, n stoavat (een vat als statafel?), nen stoerboard (een stugge kerel?), stökkelig, stölperig, stolterboltern, stölterig, strabn en ne strekkelpiepe (een lange rechte kachelpijp?). Wie helpt?

Goaitsen van der Vliet. Reacties graag naar dialexicon@home.nl

1 De tot dusver oudst bekende Twentse woordenlijst van Anthonie Ballot (1836-1871) met zo'n 800 in en rond Hengelo opgetekende woorden, werd in 1968 als Eigenaaradigheden van het Twentsche dialect uitgegeven bij het honderdjarig bestaan van Boekhandel Broekhuis te Hengelo.

Om in het Dialexicon Twents (met functionaliteit Uitgebreid of hoger) alle ingevoerde woorden uit Behrns' woordenlijst te vinden: Kies in het menu Afgeleide, daarna Trefwoorden (of Lemma's compleet) en daarna Uit bron... (of toets achtereenvolgens Alt-a, Alt-t of Alt-l, Alt-b). Vul in het invoervenstertje de afkorting WTD in en klik op OK. De gevraagde afgeleide woordenlijst verschijnt links in beeld. De lemma's kunnen worden bekeken met behulp van muis of pijltjestoets.
Om hiervan de trefwoorden te vinden waar nog geen vertaling voor is: Kies het menu Afgeleide en klik op Van afgeleide of toets Alt-a, Alt-a. Het menuutje verdwijnt weer. Als het opnieuw wordt geopend, moet er een vinkje voor Van afgeleide staan. Kies Lemma's compleet, vervolgens Nog te verbeteren en dan Ontbrekende trefwoordvertaling (of toets Alt-a, Alt-l, Alt-v, Alt-t ). Er verschijnt een deelverzameling van de hiervoor gevonden afgeleide woordenlijst.

Reactie 1-12-2008
Al dee wöarde behalve beier, vuier, bieëkke en men komt aait nog in Eanter vuur. t Is hier allemoal wat fonetieser op-eskreevn, det is t ennigste.
Goodgoan, Woolters (Martin ter Denge)

3-10-2007
Vandaag kwam er een Twentse nieuwe uitgave van De Oare útjouwerij van de drukker, de verhalenbundel Flantuutn van Frank Löwik. De komende tijd wordt het Dialexicon Twents uitgebreid met woorden en uitdrukkingen hieruit. Het boek kan dus binnenkort door iedereen gelezen worden met behulp van het gratis te downloaden woordenboek. Nieuwe trefwoorden zijn bijvoorbeeld: achter-oet-n-haals-proater (iemand die bekakt praat), Beetwortelstad (Almelo), berremieger (bedplasser), borrelkuierieje (borrelpraat), delhanerig (bazig), deupers (doopsgezind), doonderskop (?), dreaigeate (draaikonten), dreanzeln (dreunen?), drekzak (rotzak), echteleu (echtgenoten), gealdgrieper (geldwolf), gekuierte (druk gepraat), geluudsliw (korte stilte), haalsgeavel (klokgevel), höarig (harig), jubels (tenen), t kraantnbeest (Han Pape van De Roskam),  kaanthoaldn (schoonhouden), kruus-kras (kris-kras), miezelreagn (motregen), nöstdrieter (eigen nestbevuiler), öaldersnöst (ouderlijk huis), paltsn (paraderen, eig. baltsen),  taknbörsel (roe, gard), titbuulken (bh), vaze (vaas), vrettebuul (vreetzak) en witpier (bleekneus).

23-4-2007: Alderbarstns Genaaid
Als streektaalliefheber word je vaak zwaar op de proef gesteld bij TV Oost. Terwijl ik nog kromme tenen had van de laatste aflevering van Vet Plat, waagde ik mij aan het door Tukker Vision gemaakte nieuwe jongerenprogramma Genaaid met daarin de ‘snelcursus dialect’ Da-wus’-ik-wa.
‘Het echte dialect bevindt zich in een opmars. Sterker nog, het is terug van weggeweest, en helemaal hip en stoer!’ zo blaat een van de twee presentatrices die van toeten noch blazen weten (Hedy en Annick). Wie zou dat sprookje toch de wereld in geholpen hebben?
Uit het daarop volgende item blijkt voornamelijk het tegendeel. Om te onderzoeken ‘hoe het met de Twentse woordenkennis is gesteld’ vragen ze willekeurige voorbijgangers naar de betekenis van ‘alderbarstns’. Maar daarbij spreken ze het woord steeds verkeerd uit met een oa (uitspraak ōō als in Eng. 'all' ) aan het begin en gebruiken ze het bijvoeglijk, terwijl het een bijwoord is. ‘U hebt een oalebasnse pet op’ zegt de ene, in plaats van: ‘Iej hebt ne allebasns mooie pet op.’ Dat de aangesprokene haar probeert te verbeteren, heeft ze niet eens in de gaten. Natuurlijk snapt zo vrijwel niemand wat er wordt bedoeld, nog afgezien van het feit dat van het winkelende publiek in hartje Hengelo waarschijnlijk maar een klein deel de streektaal machtig is. Daar komt nog bij dat het woord niet zo Twents is, maar door met name de band Normaal geīmporteerd Achterhoeks. In Twente was het in plaats daarvan toch eerder 'onmeundig'. Tot slot geven ze ook nog de minst voor de hand liggende vertaling ‘geweldig’ in plaats van ‘ontzettend’.
Al met al, met zo’n onbenullige benaderingswijze geef je haarfijn aan waar ‘het echte dialect zich bevindt’. In het verdomhoekje dus. Knooiboksnweark!

7-11-2006: Iederbot vs. iederbod
Gerrit Klaassen
kwam erachter dat de spelling 'iederbod', 'allebod', 'elkebod' en 'ielkebod' (telkens) etymologisch onjuist is. Dit moet zijn resp. 'iederbot', 'allebot', 'elkebot' en 'ielkebot' omdat het niet te maken heeft met 'bod' als in 'bod doon', maar met het oude woord 'bot' voor 'stoot'. Een en ander is terug te vinden in de Dikke Van Dale en in het WNT.
Interessant in dit verband is 'veur beutn' (vuur aanleggen) dat dus van oudsher 'vuur slaan' kan hebben betekend.

15-7-2006: Wit grei snoevn
V
oor de Twentse vertaling van de tweede serie van Van Jonge Leu en oale groond had ik uitdrukkingen nodig uit de cokescene. Van het Enschedese fenomeen Lambo hoorde ik de volgende:
- der een in trekn
- efkes n nös poeiern
- in t poeierdeuske kiekn

24-4-2006: Wat weurde
Na een avondje Enschedees nachtleven kwam ik weer eens met de nodige aanvullingen thuis.
Gehoord van LA = Lucy Albers (Enschede, 1953)
Schoolverkroepn - spijbelen
Striekhoarne boks - manchester broek. Een al eerder in het DLT opgenomen woord hiervoor is 'fietjebokse', zo genoemd naar het piepgeluid bij het lopen.
Hupzeeln - Bretels. Dit is waarschijnschijnlijk niet letterlijk vertaald 'heupriemen' maar een verbastering van het al eerder in het DLT opgenomen 'hulpzeeln' of 'hölpzeeln' voor 'draagriemen' bij het kruien.
Gehoord van TMT = Marietje Teering (Enschede, 1950)
Kattegeern - catechismus. Gebruikelijke woordgrap onder de schooljeugd in de jaren zestig. Letterlijk 'kattenuiers'. Net als in Friesland werd ook wel gesproken van 'kattegejank'.
Oaverneukn - aansteken van een sigaret m.b.v. een andere.

26-3-2006: Weentertied, zommertied
In het voorjaar gaat de klok vooruit, net als het weer. Of, zoals Gerrit Klaassen zou zeggen: dan geet t uur der of. En een half jaar later kump der n uur biej op. En een etagčre is volgens mij een etazietöafelke.

14-2-2006: Bokverbraandn = bokverbranding
Bokverbraandn. Steet in gen woordnbook wat dat noe feilks inhöld. Mer in pleatskes as Oldnzel, Oatmörske, Vas, Geester, Tubbig, Reutum, Weersel en Albearg wet ze der aans as de bestn oaver met te proatn.
De boeskeul (Kadolstermännekes), siepel (Othmarridders), spekscheters, papsleevn, schoapnbölkes, pinn, knolntrekkers en bukke - bukke joa - stoat vuuran at temet an n eand van n dikn, doln of vetn dingsdag met vasseleroavnd de karnavalstied noar n eand geet en de vasseltied nen anvaank neamp. Dat gebuurt met t rituele bokverbraandn: nen hoaltn ziegebok, mangs ok nog wal s n vel dat op is vuld met zaagsel of stroo, wördt um elvn oaver elf met n striekhöltken in braand stökn. Teagn twaalvn is t ofloopn. 
Woarvandan hef dit zuverings- of bezweringsritueel zien vaste rit kreagn?
Der bint leu dee’t zeit dat t sumbool steet vuur t (vuur gek en onwies) met dörskekluppel daalhouwn en doodbraandn van t zwarte weenterspook. De hongerdood woar’t ze zich vuur bangt en dee’t ze oet wilt drievn, doarmet t nieje leavn wier kaans krig oet te loopn. Um zichzölvn nich zeen te hoovn loatn zoln de leu zich achterbaks hoaldn met mombakn en beestnvachtn.
Den (dings)dag is an t lestn nog dik van (oonder n droad hen) vretn, zoepn en angoan. t Beestachtige benemn möt doarnoa zo snel as möggelik wier vergetn wördn. Schielik wördt t deankn doaran vortdrukt.
Doartoo deent nen stroopop in n voarm van nen zeundnbok. t Aarme beest wördt doarmet töt t lillike deer. At ze den strooin zeundnbok an hebt stökn braandt e - feal en hel - in ne kortigheed van tied op. Bint ze der lechtveerdig met kloar. Ginn langn liednsweg vuur t aarme deer en ok nich vuur de leu dee’t der umhen stoat te kiekn. Doarmet zoln de zeundn van de leu rap in rook opgoan. As woln ze noar boavntn ofsmeekn dat ze vergövn wördt vuur de misn dee’t ze hier hebt maakt en de bukke dee’t ze met de karnavalsdaag hebt schötn. Um zich der op te wiezn dat der s ooit n eand keump (an t tiedelike) striekt watleu mekaar noa t bokverbraandn de aske vuur de plätte en goat ze met de biln bloot (‘boks-oet’ het dat). Der bint alzoo biejderhaandsn dee’t vuur t zingn oet de pastoor zien book met Askegoonsdag t askruusken a op n hoaltn kop hebt.
t Met mekaar wier in de riege maakn is - net as alle sumboliek - ne rituele spöllerieje, mer ok ne spölleriej oet eernst, dee’t ze vuur tiedn terug bedacht hebt um t met zichzölvn wier kloar te kriegn. Dat döadn ze duur de heugere machtn van doarboavn - en laterhen den Eenn - de zeundnvergeaving in n moond te legn.
En wat der ‘doarboavn’ van dacht wördt? Doar kö’j laank en breed oaver disseln. t Is nich aans as in de tiedn van Hefaistos, Oedipus en Jakob. Of in Leviticus 16, woar at de jödn ere zeundn op n pokkel van nen zeundnbok vort löatn dreagn noar de weuste. Azazel, t duustere spook temeut.
Den bok van dikn dingsdag geet bloots in n rook op.
Loa’w t zoo zegn: de leu goat der wier vuur duur asof ze der met kloar bint.
Vanniejs beginn en mer s kiekn hoo lang of t staand höld.
(Gerrit Klaassen)

7-12-2005
Vandaag is het aantal van 28048 + 11952 = veertigduizend trefwoorden en uitdrukkingen gepasseerd. Mede ter gelegenheid hiervan kwam Gerard Vaanholt langs voor een vraaggesprek, dat woensdag 14 december in de bijlage Stad & Land van De Twentsche Courant Tubantia zal verschijnen. Op dat moment stond de teller op 39.999 en was de eer aan de journalist een woord of uitdrukking als veertigduizendste in te brengen. Hij kwam meteen op de proppen met het hem van niemand anders bekende woord tamtöaskerieje dat zijn vader wel eens gebruikte voor 'poeha' of 'kouwe drukte'. Het woord bleek er tot onze verbazing al in te staan, als onderdeel van de uitdrukking 'niejmoodse tamtöaskerieje' voor 'moderne fratsen'. De uitdrukking bleek volgens de bronvermelding afkomstig te zijn uit de 304e aflevering van de rubriek Oet de noaberschop in de toenmalige Twentsche Courant. Dat verklaarde alles, omdat Gerard Vaanholt indertijd zelf die rubriek verzorgde. Alleen een vertaling van het trefwoord ontbrak nog, omdat ik het in geen enkel naslagwerk had kunnen vinden. We zijn benieuwd of er anderen zijn die het woord kennen.
Ook de definitieve 11952e uitdrukking is afkomstig van Gerards vader, die kleermaker was in Lonneker. Als een klant vertrok met een nieuw kostuum zei hij bij wijze van heilwens altijd: in gezoondheid verslietn (in gezondheid afdragen, oftewel: blijf gezond). Mogelijk is dit geen algemene uitdrukking, en evenmin specifiek Twents, maar hij is wel zo aardig dat ik hem graag opneem achter het trefwoord 'verslietn'.

4-2-2005
Hans van den Bos wees ons op het bestaan van de vele 'dubbeluitdrukkingen' in de Twentse taal en stuurde er een achttal in. Met dubbeluitdrukkingen bedoelt hij zinsneden waarmee je iets benadrukt door het met twee verwante, maar niet synonieme woorden te zeggen. In de meeste gevallen allitereren of rijmen beide woorden. In het Dialexicon Twents zijn inmiddels de volgende te vinden:
(Op zien) aard en wies, begiern en begaapn, begiezn en begaapn, bekn en beern, (in) beroad en berouw (stoan), beunn en balgern, bleuin en gleuin, (met) boeln en barstn, (duur) dag en tied, dit en dat, dizn en denne, (as) dril en elastiek (an mekaar), eeuwig en earfelik, fiks of niks, (vuur) galg en rad, geern en gauw, (vuur) gek en onwies, gesteampeld en gestrekn, (t gezicht in) griwweln en kroezn (trekn), (met) hänge en oor, häpkes en snäpkes, hechtn en boekslaagn, (op) hegn en buske (hangn), heijn en pleijn, herwes en derwes, (wied van) hoes en hof, (met) hörte en stötte, hosn en bosn, hot en haar, (in) nen höw en nen pospas, huuln en buuln, (aarme van) iezer en stoal, (vuur) immer en aait, joa en amen (zegn), kap en koegel, kloestern en kleain, nen knik en nen stöt, (biej) kris en kras, lang en breed, (smaakn as) kuut en leaver, (in) leefde en vrea, leug en lös, liek en recht, te lier of te zwier, long en leaver (spiejn), luier en lieder, mienn en miksn, mooi en breed, mostern en prostern, (met) nös en bek (stoan), oald en gammel, oam en bescheed, (binn) peark en post, poasken en peenkstern, pochn en proaln, raank en redde, reenkeln en keenkeln, (in) riege en gelid, riemn en dichtn, ruusterig en pluusterig, scheef en schel, schooiers en scheernsliepers, schreeuwn en angoan, (dat t) slik en aard (hef), (nen) slungel en sleef (van nen jong), snorn en soezn, (op) stel en stie, stief en strak (volhoaldn); stief en stram (op de been); stiepeln en pradn, stiepern en prakn, (op) stik en stea|stie, stönn en krönn, (met) stoom en koknd water, (op) stop en stea, stroat- en mölnmeer, nen strop en nen strank, veur en eer, (völ) vievn en zesn, viln en voothoaldn (tegeliek), votjen en doon, (oaver) wälle en weagn, (hee löt t) weain en streain, weend en weer (wil zien gaank hebn), wied en breed, wied en zied, (der) wil en smak (van hebn), wis en woarachtig, wis en zekers, woarum en wat, (t vrös duur) wul en linn, zat en genog, (t is) zeun en schaan, (zien) zin en stie (hebn).
En nu natuurlijk de vraag aan onze bezoekers: Wie kent er nog andere? Graag naar dialexicon@home.nl

2-9-2004
De klus is geklaard. Met ruim drieduizend bronvermeldingen is nu de volledige inhoud van het proefschrift Phonologie des Dialektes von Tilligte in Twente (deel I. Die Wortformvorstellungen) van Bernardus Ribbert (vermeld als P. Petrus Thomas O.Carm.) verwerkt in het Dialexicon Twents. Daarmee is een belangrijke hoeveelheid idioom van Noordoost-Twente toegankelijk gemaakt voor taalliefhebbers en -onderzoekers en komen er, middels een groot aantal verwijzingen van locale varianten, flinke taalverschillen met andere delen van Twente aan het licht. Dit betreft vooral woorden met de klinkers ea i.p.v. ee (bijv. bean, leaf), oa i.p.v. oo (boan, loaf) en ai i.p.v. ee of ei (twai, ai).
Enkele woorden kon ik niet thuisbrengen, in die zin dat ik ze niet kende en in andere publicaties niet kon vinden. Dit betreft

Wie kent een van bovenstaande woorden? Reacties van lezers zijn welkom op dialexicon@home.nl.

Het is overigens ook mogelijk dat bij bovenstaande mij onbekende woorden schrijf- of interpretatiefouten in het spel zijn. Ondanks het wetenschappelijk karakter van Ribberts pionierswerk van 1933, zitten er nogal wat inconsequenties en geslachtsfouten in de beschrijving van het Tilligter taaleigen. Mogelijk wordt hierover in het later verschenen tweede deel van de dissertatie uitsluitsel gegeven. Volgens de inleiding lag dat deel over 'die Morphonologie, die Phonetik und die Phonemenlehre' ten tijde van Ribberts promotie al 'unter der Presse', maar het zou nog tot 1938 duren voor het daadwerkelijk verscheen op naam van Th. Baader en P.Th. Ribbert samen. Dit werd in 1939 nog gevolgd door een laatste deel (III. Historisch-dialektgeographische Einortnung) op naam van promotor Th. Baader van de R.K. Universiteit van Nijmegen alleen. Dat Ribbert er zelf niet meer toe kwam het onderzoek af te ronden, heeft waarschijnlijk te maken met zijn benoeming tot directeur van de school van de Karmelieten in Oldenzaal in het jaar van zijn promotie.

8-8-2004 - 25.000
Inmiddels is het 25-duizendste Twentse trefwoord toegevoegd. Ik was bezig met het verwerken van pagina 33 van Bernardus Ribberts Phonologie des Dialektes von Tilligte in Twente (1933), dat net als het proefschrift van Herman Bezoen over het Enschedees (1938) een ware Fundgrube is voor allerlei Twents idioom. Eeuwig zonde dat deze boeken en enkele andere publicaties indertijd niet als basis hebben gediend voor een Twents vertaalwoordenboek. Het wetenschappelijk verantwoorde materiaal lag gewoon voor het grijpen, maar kennelijk vormde de logische benadering en de fonetische notatie van de onderzoekers een te grote barričre voor de Twentse regionalisten van de vorige eeuw. 
Hoewel, die fonologische spelling valt uiteindelijk ook nog wel mee. Na een paar uurtjes puzzelen weet je wel een keer hoe je al die rare tekens moet omzetten naar een enigszins leesbare spelling. Zo werd met het verschijnen van het Dialexicon Twents in september 2003 Bezoens Klank- en vormleer van het dialect der Gemeente Enschede al ontsloten voor de Twentse taalliefhebber, en zal dit over enige tijd ook het geval zijn met het werk van pater Ribbert.

De teller stond op 24999 toen ik was aangekomen bij böj voor het Nederlandse bui. Volgens onze standaard schriefwieze wordt een Twentse ui altijd uitgesproken als öj (met de ö van Köln), zodat de Twentse spelling van het gevonden woord gewoon bui is. En dat woord stond er dus nog niet in. Wel de anders uitgesproken en uit verschillende bronnen afkomstige plaatselijke varianten buj en bujje (met de u van rust), zodat ik kon volstaan met een verwijzing van bui naar buj.je. Natuurlijk had ik ook liever een wat interessanter woord als 25-duizendste gemeld, zoals bijvoorbeeld het op dezelfde pagina voorkomende lochthuusken voor prieeltje (lett. luchthuisje). Maar helaas, het is niet anders, we zullen het met bui moeten doen.

13-7-2004
Nogmaals over dreuge of zwarte menorka. Het leek dat voorlopig het laatste woord over dit in Rijssen opgedoken woord was gezegd. Totdat Sebastiaan Roes op de derde bijeenkomst van de Platschrieverskreenk (11-7-2004) een gedicht had gedeclameerd uit de bundel van Aloys Terbille en het oog van Gerrit Klaassen bij het doorbladeren daarvan viel op het volgende (pag. 69, omgezet naar onze standaard schriefwieze):

Tucht oen order

Soortjes bie soortjes
oen menorkas bie menorkas,
zeag eume Graads.

Dan trok hee ziene
kanienbukke an n nakn
oet t warme nust.

Nich bloos de hoonder,
ook de kanienkes
fein soortje bie soortje.

Övveral an t rämmeln!
Gif niks as gebasterten.
Dat prömmeln hee
zik dan in n board.

Soortjes bie Soortjes!
Bie eume Graads
oen ook annerswoar.

Elke soort veur zik!
Oen toch is t alle bloos

een soort muze. 

(Uit: Alloys Terbille, Welldage, Niederdeutsche Gedichte aus dem Grenzland. Edition Van Keulen, Zelhem/Vreden 1997)

Zo blijkt een Zwarte Minorca een kip te zijn: Ik citeer mijn oude Oosthoek maar weer, uit het lemma Hoenderrassen: Iets later zijn de Minorca's, ook uit Zuid-Europa, eerst in Engeland ingevoerd, in Nederland geīmporteerd. Zij zijn wat zwaarder dan de Leghorns, zijn zeer goede leghoenders, leveren grote witte eieren en zijn zelden broeds. Zij hebben niet veel ruimte nodig, het grootbrengen der kuikens is niet zo gemakkelijk en ook zijn zij niet vroegrijp.

Wie het gedicht van Aloys Terbille wat nauwkeuriger bekijkt, zal ontdekken dat het niet alleen maar over het zuiver houden van diersoorten gaat, maar vooral over rassendiscriminatie. Het zwarte kippenras Minorca staat in dit verband voor mensen met een donkere huidskleur. Het volkse verzet tegen gemengde huwelijken wordt zo door de dichter op schitterende wijze aan de kaak gesteld. 

Tucht en orde

Soort bij soort,
en minorca's bij minorca's,
zei oom Graads.

Dan trok hij zijn
konijnenrammen aan hun nekvel
uit het warme nest.

Niet alleen de kippen,
de konijnen ook,
mooi soort bij soort.

Overal dat gerampetamp!
Daar krijg je alleen maar bastaards van,
bromde hij dan in z'n baard.

Soort bij soort!
Bij oom Graads
en overal elders.

Iedere soort voor zich!
Ook al is het allemaal 
één pot nat.

(vert. Goaitsen van der Vliet)

27-6-2004
Uro = euro (Enschede)

Enkele weken geleden was het me al opgevallen. Ik deed met een aantal andere Enschedëers mee aan een marktonderzoek van de Grolsch over de toekomst van de beugelfles. Toen het over de prijzen ging, dacht ik dat ik een platspreker uro hoorde zeggen in plaats van euro. Ik bleef er een tijdje op letten. Had ik het wel goed gehoord? En jawel, daar was het weer, en de spreker bleef er consequent mee doorgaan. Voor het gemak beschouwde ik deze variant maar even als een geīsoleerd geval. Misschien had de persoon in kwestie wel moeite met de uitspraak van de lettercombinatie eur.
Totdat ik gisteren op de roze zaterdagmiddag op het terras van het Bolwerk één van de Enschedese stamgasten over uro's hoorde praten. Ik zeg: wat zei je daar? En inderdaad: over uro's dus. Bij navraag bleek dat ook andere mensen in haar omgeving het zo uitspraken.
Zou dit iets te maken hebben met het gegeven dat men in deze regio van oudsher veur tegen Ned. vuur zei en duur tegen deur? Kan nog een leuk wetenschappelijk onderzoekje worden.
Simpeler vraag voor de bezoekers van deze pagina: Is dit nou typisch Enschedees of zijn er ook andere plaatsen in Twente waar ze spreken van uro's in plaats van euro's?

Gerrit Dannenberg: Wat uro angeet: det heur ik hier ook. Min skoonva zea t eerst ook. Noa correctie van dochters en kleandochters gebrok hee non (van skrik, duch miej) het hypercorrecte öaro (klaank as in 'manoeuvre'). Uro wordn ook gebroekt duur de moo van een van oonze dochters vriendin. Toew ze t meanske der wat van zeadn, reageern hee heel verwoonderd, 'want viej zegnt toch ook Uropa?'

20-6-2004
Trefwoord: hoeshen
Woordsoort: zelfstandig naamwoord, vrouwelijk
Etymologie: Fries hoeshin
Bron: Pers. waarneming: Sytze Steinvoorte (Almelo, 1946), van oudsher mee bekend
Regio: Almelo
Betekenis: huismus (thuiszitter)

13-6-2004
Inmiddels is het 24000-ste trefwoord toegevoegd aan het Dialexicon Twents. Ik heb eerlijk gezegd geen idee welk woord dat was... Waarschijnlijk iets uit de bundel Algerak (1959) van Arend Lamm die ik aan het lezen was. Daarom hier het eerste gedicht daaruit (omgezet van de Vosbergen- naar onze standaard schriefwieze) en een Nederlandse vertaling:

Moder

En hes doe dan gen öllie meer,
moder
1 sproake, in de peer
van diene lampe?

t Wordt zoo duuster um dien woord,
wiej zeet t joa zoo rech nich meer.

n Vlämken wakkelt in de wind,
wiej hoaldt de hand an t glas
dat t nich oet mag goan.

Dien lech - lankwielig hef t brand -
doeznd joar is nich zoo min.
Mer hier is oonze hand.

En onderwiel nog bore wiej
noar nieje weln, nieje bronn
in diene depe grondn
dee zoo stil zint en behods.

Arend Lamm (1908-1965)

Moeder

En heb je dan geen olie meer,
moeder
1 taal, in de peer
van je lamp?

Het wordt zo donker om je woord,
we zien het al zo goed niet meer.

Een vlammetje flakkert in de wind,
wij houden een hand bij het glas,
dat het maar niet uit zal gaan.

Jouw licht - al die tijd heeft het gebrand -
duizend jaar is lang niet mis.
Maar hier is onze hand.

En ondertussen boren wij nog
naar nieuwe bronnen
in je diepe gronden
die zo stil zijn en verborgen.

(vert. Goaitsen van der Vliet)

1 Lamm schrijft hier bewust niet 'modersproake' maar twee woorden om aan te geven dat hij de taal hier als een moeder ziet, hetgeen wordt bevestigd door de titel. De samenstellers van de bloemlezing 'n haanddruk (Van Deinse Instituut, 2002) hebben dit blijkbaar niet begrepen en hebben er - waarschijnlijk met de beste bedoelingen - één woord van gemaakt (pagina 23).

6-6-2004
Trefwoord: trapiezer
Woordsoort: zelfstandig naamwoord, onzijdig
Meervoud: twee trapiezers
Bron: Pers. waarneming: Gerrit Klaassen (Albergen, 1960), van horen zeggen
Regio: Borne
Betekenis: fiets

16-5-2004
Trefwoord: babs
Woordsoort: zelfstandig naamwoord, vrouwelijk
Meervoud: twee babsn
Bron: Pers. waarneming: Gerrit Dannenberg (Rijssen, 1962), van oudsher mee bekend
Regio: Rijssen
Opmerkingen: Dit is een afkorting van 'buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand'. (GD)
In uitdrukking: platte babs
Betekenis: vr. ambtenaar die huwelijken in de streektaal kan voltrekken
Opmerkingen: In de gemeente Rijssen-Holten zijn twee dames aangesteld om als ambtenaar van de burgerlijke stand huwelijken in de streektaal te kunnen voltrekken. In de Rijssense volksmond worden zij als de 'platte babsn' aangeduid. (GD)

9-5-2004
Trefwoord: nöfken
Woordsoort: zelfstandig naamwoord, verkleind
Etymologie: Frans "un oeuf"
Bron: Pers. waarneming: Sytze Steinvoorte (Almelo, 1946), van horen zeggen
Regio: Enschede (stad)
Betekenis: eitje
In uitdrukking: kleane nöfkes

2-5-2004
Van Erik Brinks (Rijssen, 1964) is afkomstig de uitdrukking brom hebn an die zin hebben in betekent, met een duidelijk sexuele lading. Je kunt bijvoorbeeld zeggen ik heb der wier brom an of ik heb brom an dee deerne.

In de bekende Twentse bronnen heb ik deze uitdrukking niet kunnen vinden. K.D. Schönfeld Wichers vermeldt wel nen goodn brom in hebn voor dronken zijn. Van Dale geeft alleen de oorspronkelijke korte vorm daarvan: een brom in hebben. Het WNT (Woordenboek der Nederlandsche Taal) noemt hiervan de Antwerpse variant een brom aan hebben (van J.P. Cornelissen) en de Betuwse met 'n brom oan thuuskommen (van J.J. Cremer).

Het WNT schept nog enige duidelijkheid over het zelfstandig gebruikte en 'tot dusverre alleen bij Zuidnederlandse schrijvers uit de 17e eeuw gevonden woord' brom. In betekenis II.3 staat het voor smulkost of lekkernij. Daaruit zou de Rijssense uitdrukking misschien verklaard kunnen worden. Het is echter wel opmerkelijk dat dit woord juist in het van oudsher toch tamelijk streng gereformeerde Rijssen een heel eigen leven is gaan leiden. Het kan natuurlijk ook zijn dat de bekende uitdrukking n brom hebn in er op de een of andere wijze een draai heeft gekregen.

Zijn er meer mensen die deze uitdrukking kennen, of iets dat er op lijkt?

25-4-2004
Als de gevulde koeken van de markt weer eens te droog waren, zei de moeder van Gerrit Dannenberg: Tsjongejonge, watte dreuge menorka's. Wie weet wat een menorka is of waar dit vreemde woord vandaan komt, mag het zeggen!

Misschien is er een verband met het Spaanse eiland Mallorca. Maar volgens mijn Grote Oosthoek valt daar nog 500 mm regen per jaar, dus zo droog is het daar nu ook weer niet.

28-6-2004. Heureka? Ik kwam er net achter dat er behalve Mallorca ook een Spaans eiland Menorca of Minorca bestaat. Oosthoek (1952): Eiland van de Balearen. (...) Het bestaat uit een rotslandschap, dat in het zuiden en het oosten overgaat in kleine plateau's. (...) Het klimaat is niet zo gunstig als dat van de andere Balearen. Daar de verweringsbodem dun is, heeft de landbouw weinig te betekenen. Het lijkt er dus op dat Menorca bekend staat als een droog, onvruchtbaar eiland. Op het wereldwijde web vind ik echter: Menorca heeft gemiddeld 315 zonnedagen per jaar, maar is wel het natste eiland van de Balearen.
Veel interessanter in dit verband is het volgende: De naam mayonaise is afgeleid van 'sauce Mahonnaise', ofwel de saus van Mahķn. Mahķn is een plaats op het eiland Menorca. In 1707 veroverden de Engelsen het eiland, dat een strategische positie in de Middellandse Zee inneemt. In 1756 veroverden de Fransen het op de Engelsen en vestigden hun hoofdkwartier in Mahķn. De Engelsen legden een beleg om de stad, waardoor de proviandsituatie sterk verslechterde. Daardoor moest de kok (van de hertog van Richelieu) improviseren en maakte van de weinige voorradige bestanddelen (olijfolie, eieren, zout en oorspronkelijk ook knoflook) een koude saus. Om het uitgedroogde brood weer een beetje eetbaar te maken dus!
Vraag blijft natuurlijk hoe hoe uit deze gegevens in Rijssen de uitdrukking dreuge menorka's kon ontstaan.

Toevoeging 3-7-2004: Watte dreuge menorka's hoeft overigens geen typisch Rijssense uitdrukking te zijn. Bert de Haan kende dezelfde uitdrukking van zijn uit Almelo afkomstige moeder voor uitgedroogde koeken, al of niet met de toevoeging zoo dreug as Sinterkloas.
Zij gebruikte het woord menorka ook nog in een ander verband: wat ne zwarte menorka waar het een donker uitziend type betrof, met een zwarte snelgroeiende stoppelbaard. Zoiets als Ruud Lubbers in betere tijden.

18-4-2004
Gerrit Klaassen ving op: de menazie ansprekn, waarin met menazie meegenomen proviand of mondvoorraad wordt aangeduid. Mogelijk is dit een overblijfsel uit de Franse tijd (manger = eten). Zijn er meer mensen die dit woord kennen?

Naar aanleiding van het bovenstaande werden we gewezen op het 'Nederlandse' woord menage voor soldatenkost. Dit is afgeleid van het Franse woord ménage voor huishouding. Denk maar eens aan de Twentse muziekgroep Ménage ā trois, beter bekend als Triooo.

11-4-2004
Inmiddels is het 23.000ste Twentse trefwoord toegevoegd. Dit betreft 'snerken' met als Nederlandse vertaling 'venijnig beestje', zoals dat voorkomt in het verhaal Half Man Half Biscuit van Gerrit Lansink in De Nieje Tied, 'blad in t plat' nummer 10, van april 2004.
Waarschijnlijk is snerken het verkleinwoord van snedde of sner dat 'snee' betekent.
Mogelijk is er ook verband met het werkwoord snearkn (sissen van bradend vlees, ook wel sniestern of snistern, Ned. 'snerken') dat voorkomt in het in 1811 geschreven Twenther brul'fteleed van B.W. Blijdenstein, bezorgd door J.H. Halbertsma in de Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letterenvan 1836 (hier in een iets leesbaarder variant):

Gesneark en snipsnapsnorreriej1
bint rechtervoort beteune
Gin sokker op n riestnbriej
met teumig goan allene
t Is wierigheid en vliet, woarvan
n baargerschorsteen rookn kan.

Benjamin Willem Blijdenstein (1780-1857)2

Nederlandse bewerking:

Gebraad en snipsnap-spelerij
zijn nu zo schaars als duiten.
Geen suiker op de rijstebrij
met louter flierefluiten.
't Is wierigheid en vlijt, waarvan
de burgerschoorsteen roken kan.

Met alternatief voor regel 2 en 4:

Gebraad en snipsnap-spelerij
zijn schaars als diamanten.
Geen suiker op de rijstebrij
met louter lanterfanten.
't Is wierigheid en vlijt, waarvan
de burgerschoorsteen roken kan.

De tweede regel van de eerste versie vind ik beter dan die van de tweede, omdat duiten beter in het tijdsbeeld passen dan diamanten. Bij de vierde regel is het net andersom. Louter lanterfanten allitereerd wel lekker, met de l van lui in gedachten.

(Goaitsen van der Vliet)

1 Snipsnapsnorreriej wordt in verschillende publicaties vertaald met 'kleinigheden', een betekenis die in de context van het gedicht niet voor de hand ligt, omdat het schaars zijn een vorm van luxe moet betreffen. Snip-snap of snip-snap-snor zijn echter benamingen voor een oud kaartspel.
2 Gegevens volgens C. Elderink in Het geslacht Blijdenstein (Familieboek, 1926). De bloemlezing 'n haanddruk (Van Deinse Instituut, 2002) vermeldt echter J.B. Blydenstein, met dezelfde jaartallen.

4-4-2004
Van Gerrit Dannenberg kregen we een lijst met ruim dertig Rijssense woorden en uitdrukkingen, waaronder heelder vuur n teelder kriegn, letterlijk 'helder vooor het etensbord' oftewel een pak slaag op de blote billen, op andere plaatsen uitgesproken als healder vuur n tealder, al dan niet met hoorbare 'd'.
De uitdrukking wordt in figuurlijke zin gebruikt voor 'klip en klaar' of 'zonder omhaal van woorden': Hee kreeg heelder vuur n teelder te heurn woer t um dreein.

28-3-2004
Gerrit ter Harmsel wees ons op vuurgeavel, waarmee behalve de voorgevel van een huis, in Rijssen ook het vrouwelijk 'voorkomen' oftewel de boezem wordt aangeduid. Zoals in: Tsjonge, wat hef det meaken nen vuurgeavel (grote borsten) en Det meaken hef mear n klean vuurgeavelken (kleine borsten).
Overigens bedoelt Hendrik Klaassen in zijn aardige boekje Hutten Toone zoch ne broed er een wat fors uitgevallen neus mee, een betekenis die ook bij Van Dale wel te vinden is: Knappigheid was der nich an - zee har nen oardigen geavel vuur t hoes (pag. 8).

21-3-2004
Van Wiebe Bloemena uit Oldenzaal kregen we wat Gerrit Klaassen een 'klöafzin' zou noemen, een zin die je na één keer beluisteren niet goed na kunt zeggen als je de taal niet beheerst: n Goonsdag ha'w alns vertesteweerd lign, mer tookn wekke he'w t grei umsgelieks wier kaant. Helaas, omdat er in het DLT alleen plaats is voor woorden en uitdrukkingen (woordcombinaties), kunnen we deze niet opnemen.
De volgende, ook van Wiebe Bloemena afkomstige uitdrukking gelukkig wel. Wat Johan Buursink jaren geleden t greun in goan noemde, was of is in Delden weenkels kiekn in De Ploai, oftewel samen een ommetje maken om te vrijen. Daarvoor moet je weten dat De Ploai een gebied is waar in geen velden of wegen een winkel te bekennen is.
Vergelijkbare uitdrukkingen zijn noar n Kearknbos goan (omg. Saasveld), kniene vangn, vleermoes kiekn en natuurlijk brommer kiekn.
 


2011-12-30  Dialexicon Twents, post dialexicon@home.nl
 

hit counter