Distr. De Oare  útjouwerij

Bert de Haan (merkenman) en Goaitsen van der Vliet (tekstverzorger)
Doordouwers en verhalenbouwers (Merken gesterkt in Twente)
SIR, Enschede 2005, distributie
De Oare útjouwerij.


ISBN 90 71610 62 4 
Feit en fictie over Asito, Arke, Bolletje, Grolsch, Hartman, Oad, Palthe, Stad Enschede, Stork, Twentsche Kabelfabriek, Vredestein en De Zuil. 
Prachtig geïllustreerd en gebonden, 176 pagina's, publieksprijs 28 euro 50, formaat
240 x 290 x 15 mm

Bestellingen
Dit boek is sinds 2012 helaas uitverkocht.


Blurp
Kent u dat? U bent al een maand in Australië en krijgt bij de barbecue een beugel Grolsch in uw handen gedrukt. Dat is thuiskomen in den vreemde. 
En dit? Met vakantie op Gran Canaria raakt uw bankpas zoek. Zodra de dame in de gele Oad-outfit verschijnt, weet u dat het goed komt.
Herkent u zich nog in dat brutale jongetje dat te pas en te onpas Ik wil Bolletje riep? Omdat in uw hart nog steeds rebelse vuurtjes smeulen?
En kreeg u bij de terugkeer van Arke op de shirts van FC Twente ook visioenen van de mooiste spel­momenten die u zag in het stadion met de zelfde naam?
Allemaal voorbeelden van wat sterke merken met u kunnen doen. Omdat ze al dan niet bewust een deel van uw leven zijn geworden.

Veel merken met een legendarische reputatie groeiden en bloeiden op in Twente. De bedrijven erachter koesteren ze, onderhouden en behandelen ze als levende wezens die zorg en aandacht nodig hebben. 
In dit boek vindt u de verhalen over elf van die merken, hoe ze van de grond af werden opgebouwd en deel zijn gaan uitmaken van ons culturele erfgoed. Enkele van die merken, zoals Hartman, Stork, Vredestein en TKF, gunnen u zelfs een blik in hun toekomst.

Verrassend is de verbeelding van de zoektocht naar de wortels en het succes van dit elftal. De merkenman, gefascineerd door merken sinds zijn vroege jeugd, uit zijn genegenheid met dierbare herinneringen aan bijvoorbeeld Palthe en Asito. Zijn gesprekspartner, de tekstverzorger, moet weinig van merken hebben: geleverde dingen en diensten moeten gewoon zijn wat ze zijn, zonder poespas. Toch komt hij in synergie met de merkenman tot opvallende vondsten, zoals Met merk meer mans waar het Stad Enschede betreft.

De vaak hilarische dialogen en bespiegelingen, in combinatie met alle wetenswaardigheden en de vele schitterende afbeeldingen, maken dit boek tot een uniek document. Nog nooit was een boek over bedrijven zo leuk.


Verantwoording
Over ieder merk is wel een boek te schrijven. De verhalen die de merkenman en zijn tekstverzorger vinden op hun weg, zijn maar moment­opnames. Ook de historische delen bevatten veel toevalligheden: foto’s en fragmenten die de tijd doorstonden en boven water kwamen. En daar dan dus weer een keuze uit.
De merkhouderstukken, weergegeven met een schreefloze letter op een witte achtergrond, zijn geaccepteerd door de betreffende merkhouders. Citaten hierin vallen niet onder onze redactionele verant­woor­delijkheid. Historische feiten komen uit vele bronnen en zijn waar mogelijk geverifieerd.
Ieder merkhouderstuk wordt voorafgegaan en afgesloten door een bespiegeling bij monde van de merkenman en zijn tekstverzorger, ter onderscheiding in een schreefletter op een getinte achtergrond. Ze gaan op weg naar het merk met hun herinneringen en verwachtingen en keren na afloop terug met hun reacties op wat ze hebben gehoord en, als het meezit, nog wat nieuwe gezichtspunten. Dit alles is natuurlijk fictie.

Vormgeving: Gerhard van Dragt bNO mmv Henk Bökkerink
Beeldredactie: Gerhard van Dragt, Bert de Haan, Goaitsen van der Vliet
Aanvullende fotografie: Martin Scheffer
Historisch onderzoek en eindredactie: Goaitsen van der Vliet
Gulden: 45 eurocent

Productie en uitgave: SIR business to business communications en Markeys branding.
Distributie: De Oare útjouwerij, ’t Sander 36, 7522 AM Enschede, 053-4359229, dou@home.nl,members.home.nl/dou

Doordouwers en verhalenbouwers © 2005 Bert de Haan & Goaitsen van der Vliet, Enschede
Met het merk op tafel © 2005 Lex Pauka, Enschede
Het copyright op de afbeeldingen berust bij de desbetreffende makers of hun rechtsopvolgers.  
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoud Doordouwers en verhalenbouwers

  1. Boodschappen voor morgen 7
  2. De meest uiteenlopende verhalen 13
  3. Bolletje – Dat zit er ingebakken 23
  4. Vredestein – Zwart, rond en chic 39
  5. Arke – Terug van weggeweest 51
  6. TKF – Twentsch tot in China 63
  7. Stork – Staalkaart van bedrijvigheid 75
  8. Hartman – Op persoonlijke titel 87
  9. Oad – Het zit in de familie 99
  10. Palthe – Schoon schip stoomt door 109
  11. Asito – Stof genoeg 123
  12. Stad Enschede – Jongste merk, oudste rechten 133
  13. Grolsch – De bieren uit het oosten 145

Bijlagen

A. Met het merk op tafel
B. Partners in zaken
C. Bronnen
D. Register


Fragment hoofdstuk Arke
De merkenman is laat. Buiten staat het Arke Stadion te blinken in de zon. Vorig jaar zat ik daar, bij de eerste voetbalwedstrijd in mijn leven. Ik hou niet zo van sport, en zeker niet van voetbal, maar wilde het fenomeen toch graag een keertje meemaken. Mijn Zwitserse buurman – hartstochtelijker supporters dan hij kent FC Twente niet - had een kaartje over en nodigde me uit voor de wedstrijd tegen Ajax. Ik viel met mijn neus in de boter, want Twente won met 2-0. Het publiek was buiten zinnen van geluk.
Het tweede doelpunt van Blaise N’Kufo speelde zich vlak voor mijn verwonderde ogen af. Het was  me al een tijdje opgevallen hoe groot en traag hij zich over het veld bewoog, en hoe hij plotseling, als hij de bal voor zijn voeten kreeg, kon veranderen in een machtige machine. Zo ook die keer. De bal stug voor zich uit schuivend naderde hij over de linkerflank, vond twee tegenspelers op zijn weg naar het doel, maar ging door. Solo. Ik dacht: dat zou te mooi zijn, maar voor ik het wist was hij de eerste al met een onmogelijke beweging met de bal voorbij gebeend. Toen die tweede. Dat wordt niks, dacht ik nog, maar hij schoot tussen die ander z’n benen door en was op het nippertje snel genoeg om de bal voor de achterlijn weg te trappen richting doel. Ik weet niet hoe het kon, maar die bal ging van opzij tussen de keeper en de doelpaal door en stuiterde zo het doel in. Het leek wel toveren. Ik ga nooit weer naar een voetbalwedstrijd, want zo mooi wordt het nooit weer.

Fragment hoofdstuk Asito 
Wat heb jij met Ásito?’
‘Ásito?’ reageert de merkenman, als door een mug gebeten. ‘Jij spreekt het niet goed uit. Het is Asíto!’
‘Wat maakt dát nou uit? En wie bepaalt dat? Het staat in geen enkel woordenboek, dus je weet het nooit.’
‘Dat klopt, maar iedereen zegt hier Asíto.’
‘Ik dus blijkbaar niet.’
‘Maar jij bent niet van hier. Friezen zeggen alles op hun eigen wijze. Die hebben het ook altijd over de schoorsteenmántel.’
‘Is daar iets mis mee, dan?’
‘Je moet schóórsteenmantel zeggen.’
‘Dat is toch hetzelfde.’
‘Nee, dat klinkt heel anders. Het hoort met de klemtoon op de eerste lettergreep, en niet op de voorlaatste.’
‘Dus net als Ásito?’
‘Ja… Eh… Nee, die dus niet. Daar is het net andersom.’
‘Wat een onverstand. Laat mij toch praten zoals ik gebekt ben.’
‘Maar Ásito, dat klinkt zo áso. Dat kan de verkeerde indruk wekken. Daar moet je als merkhouder altijd op bedacht zijn, dat je naam geen onbedoelde associaties oproept. Ik kan zo gauw geen voorbeeld geven, maar die zijn er zat.’
‘Ik zal je helpen. Ik weet nog van jaren geleden, dat ik een keer per ongeluk een beetje serieus naar de Ster-reclames keek en dat er toen een spot voorbijkwam van de introductie van Quick Fish, van één of andere overgewaaide fastfoodketen. Wat een sukkels, dacht ik, dat wordt niks, dat hebben ze vast niet hier bedacht. Toen was er juist een hoop te doen geweest over verontrustende hoeveelheden kwik die in visproducten werden aangetroffen. Lekker bakkie kwikvis? Liever gewoon dood. Dat werd dus niks, met dat merk.’
‘Dat doet me toch wel even denken aan ’t Wendelgoor, het Almelose zwembad uit mijn middelbareschooltijd. Met die naam was het net of je daar rechtstreeks het riool in dook.’
‘Was dat dan niet zo?’
‘Dat weet ik niet. Ik ging nooit uit de kleren. Ik zat meestal wat op de kant een beetje cool te doen. Mijn afkomst lekker te verloochenen en zo. Gewoon anders willen zijn. Ook al moest ik er hartje zomer mijn bontjas voor aan houden.’
‘En Asíto dan. Hoe nauw luistert dat?’
‘Dat heeft een schone klank, zo helder als kristal. Ik weet niet wat het echt betekent, maar voor mij stond die A in ieder geval voor Almelo. Het mag dan wat belachelijk klinken, maar in die tijd had zelfs Almelo voor mij als boerse Beerzervelder al iets grootstedelijks. Dat was het voorportaal van de wijde wereld die ik uit de Paris Match had leren kennen. Voordat je daar in de trein de stationshal binnenschokte, zag je zo’n overspannen bord met Dit is de stad van het Dagblad van het Oosten. Dat was voor mij al bijna van de zelfde proporties als de New York Times. Almeline  vond ik daarom ook zo’n machtig merk.’
‘Nou, nou. En het merk Asito
dan, wat houdt dat voor jou in? En nu geen zijpaden meer, want we hebben al weer bijna een bladzij besteed van de anderhalve die we hebben.’
‘Asito is in mijn beleving echt een feestmerk. Van leuk vakantiewerk. Daarmee verdiende je de centen die je net zo vrolijk uitgaf om een mooie meid te imponeren. Vol variatie, want ze stuurden je van hot naar haar. ’s Morgens scheurde je vooruit op je breedsturige Puch
, met in je kielzog het busje van je maat, waar de bezems uit de ramen staken. Ter plaatse uitladen, ergens aanbellen voor water en als het meezat je eerste kopje koffie. Boven in het trappenhuis kieperde je dan een emmer om en begon je met bezem en trekker het water met vuil en al naar beneden te werken. Met halverwege de kans op een tweede kopje koffie. En als je klaar was ging je weer in klein konvooi naar het volgende adres. ’s Middags poetste je bij het gouwe ouwe Palthe van je vader. Daar was het fabrieksvakantie, en moest je vegen op plekken waar normaal niemand bij kon. Halsbrekende toeren haalde je daar uit, tot boven in de spanten. En dan pakte je ’s avonds nog gezellig een extra dienst in het slachthuis van de Wierdense Export. Uitbeenbanken boenen. Dat was helemaal een erebaan, want aan het eind van de week kreeg je kilo’s vlees mee naar huis. We aten ons suf in ons gezin van vier zonder diepvriezer. En mijn vader, die altijd hele hoge eisen aan de mensen stelde, sprak steevast vol lof over Van Riemsdijk, mijn vakantiebaas. Dit ritje is voor mij dus een retour luilekkerland. Dat geeft mij echt een opgeruimd gevoel.’

En ik? Ik ken alleen de schoonmakers van Eijssink  uit de tijd dat ik op de THT studeerde en op de campus bivakkeerde. Eén keer in de week kreeg je daar je schone lakens en werd je bed mooi opgemaakt. Het eerste jaar tenminste, als je vroeg genoeg uit de veren was en je nest had afgehaald.
Een van mijn eerste ochtenden op Calslaan 44 zat ik te ontbijten in de grote gemeenschappelijke keuken, toen er een potige dame binnenviel, de mouwen opgestroopt. Eavn in de pötte kiekn, mompelde ze mysterieus, terwijl ze zich naar de toiletten haastte. Het waren de eerste woorden Twents die ik tot mij nam en als zodanig herkende. Pas veel later begreep ik de diepere betekenis van het een, en het ander.


Fragment hoofdstuk Bolletje
‘Joa, t is n mirakels mooi bedrief’ volgens de inmiddels 89-jarige maar opvallend vitale Gerard ter Beek
, die nog steeds een eigen kamer heeft in de fabriek en een paar keer per week langs de baklijnen loopt om de geur van versgebakken beschuit nog weer eens op te kunnen snuiven. Van eerbetoon moet hij niet veel hebben. ‘Ik zeg altied: mien medalje steet an de Turfkade.’

Fragment hoofdstuk Vredestein
Ik moet de merkenman gelijk geven, maar eigenlijk heb ik meer met banden dan met merken. Mijn gedachten gaan terug naar de zomer van 57. Het is een warme dag en we mogen buiten spelen. We zitten in de zandbak in de tuin achter de Nutskleuterschool met de autobanden die we met het andere speelgoed uit de betonnen veranda hebben gehaald. Ze ruiken heerlijk in de brandende zon. We snuiven eraan en leggen de wang voorzichtig tegen het hete rubber. Ik sluit mijn ogen en luister naar de stemmen van de andere kinderen. Dan hoor ik juf Glas
. ‘Ligt ie daar lekker zo?’
We tillen de banden overeind, scheppen er mul zand in en rollen ze voor ons uit over het gekortwiekte gras van de tuin. Hoe harder het gaat, hoe minder zand er boven uit valt. Van centrifugale krachten hebben wij nog nooit gehoord, maar het principe wordt ons gaandeweg wel duidelijk. Ik geef mijn band een duw, zo hard als ik kan. Hij vliegt een eindje verderop tegen de heg en zijgt wentelend tegen de grond. Als hij eindelijk stilligt, wil ik hem weer recht­op zetten, maar mijn oog valt op een zwart harig ding tussen de bladeren van de heg. Het is een rups. Ik ga er bij zitten, op de autoband, voel het gloeien door mijn korte broekje heen, en zie hoe het beest omhoog kruipt. Hij kromt zijn rug, trekt zijn achterlijf op, staat een tel gespannen in een boog, recht zijn rug terwijl hij zijn kop vooruitschuift, en reist zo verder over de tak. Het is een wonderbaarlijk gezicht. Een tijdlang is er dan ook niets dan dit: de warmte en de geluiden van de zwoele zomerdag, de rups in de heg en de geur van rubber. Tijd en plaats komen samen. Ik had nog geen idee dat alles zo mooi kon zijn. En dat tenslotte alles toch weer anders uitpakt.
 

Fragment hoofdstuk Stad Enschede
‘Sinds kort geeft zelfs onze nachtburgemeester opening van zaken.’
‘Wie?’
‘Betsie, van Old Dutch. Je weet wel, die havenkroeg zonder haven, waar het interieur na een dikke dertig jaar nog steeds hetzelfde is. Bruin vooral. Waar ook steevast No woman no cry* van Bob Marley op staat als je er naar binnen wankelt. Na twee uur ’s nachts is zij onmiskenbaar de baas achter het Enschedese schap. Dan staat ze daar, als een rots in de branding van de tomeloze tijd. Bij dat dunne licht zie je mensen ook niet ouder worden. Dáár kun je dus sinds kort gewoon naar buiten kijken. En naar binnen.’

* In tegenstelling tot wat bijna iedereen denkt, is de vertaling hiervan: Nee vrouw, niet huilen.


Errata in Doordouwers en verhalenbouwers

Blz. Positie Er staat Dit moet zijn
9. Voor eerste open regel. ten allen tijde te allen tijde
28. Fotobijschrift 1.  Gerardus Antonius ter Beek (1802-1868) Gerardus Johannes ter Beek (1843-1933)
38. Regel 3. vind vindt
52. Alinea 4, regel 1-2. Twee jaar geleden Bijna een jaar geleden (21-12-2003)
115. Paragraaf 2, regel 5. Elberfeld Eberfeld
136. Regel 4 van onderen. Bob Marley staat Bob Marley op staat
139. Kolom 3, regel 2. de Jacobuskerk de eerste St. Jacobuskerk
140. Kolom 2, regel 9 van onderen. dus dus dus
174. Kolom 2, regel 2. 1984 1948
174. Kolom 1, laatste regel Awe Palthe Awe van Wulfften Palthe
176. Meiden, Anne van der 149 147
       

Bert de Haan (merkenman) en Goaitsen van der Vliet (tekstverzorger).


In de media


Zoektocht naar de ziel van elf Twentse merken (door Paul Abels in De Roskam van 10-6-2005)

Reclamemaker Bert de Haan wilde het al heel lang: sterke merken uit Twente bij elkaar brengen in één boek. Uit professionele belangstelling, omdat hij verknocht is aan deze streek, én omdat hij een jongensachtige tik heeft met merken. Goaitsen van der Vliet niet. Hij verzorgde de tekst. Afgelopen zondag kwam hun merkenboek uit.

 

Diverse deskundigen lieten tijdens de presentatie van het boek hun licht schijnen over het verschijnsel ‘branding’. Merken zijn prettige vooroordelen, bakens voor de moderne mens, zaken waar je op kunt vertrouwen. Die vooroordelen zijn door de evolutie bepaald. Wij willen allen overleven en ons voortplanten. Om dat voor elkaar te krijgen dienen wij ons vooroordeel te volgen, betoogde Onno Maathuis, gepromoveerd merkendeskundige.
Anne van der Meiden, ooit afgestudeerd in de ethiek van de propaganda, beklom daarna het spreekgestoelte. Hij noemde het een ‘berenwerk’ om de geschiedenis van de elf merken uit het boek allemaal uit te zoeken en haalde enkele inspirerende voorbeelden uit de Enschedese reclamegeschiedenis aan. Op de papieren zakken van winkelier Seinhorst stonden vroeger allerlei tegeltjeswijsheden gedrukt. Dat resulteerde in een fraai volksgezegde: ‘Dèn? Dat is 'n echtn intellectueel. Den hef de toetns van Seinhorst leazn.’ “Kijk”, zei Van der Meiden, “dán heb je als ondernemer wat bereikt, zo'n merknaam zit in de ‘mindmap’ van de consument.”

 

Het boek heeft als titel  Doordouwers en verhalenbouwers. Merken gesterkt in Twente. Het opent met de historie van het succesvolle Enschedese reclamebureau De Zuil, van 1945 tot 1985 operationeel onder leiding van Menno Luiten en bedenker van de reclamecampagne van de eeuw: ‘Ik wil Bolletje.’  De kern van het boek vormen echter de bedrijfsgeschiedenissen van elf Twentse bedrijven: Bolletje, Vredestein, Arke, TKF, Stork, Hartman, Oad, Palthe, Asito, Stad Enschede, Grolsch. De Haan vertelt dat het bij de keuze voor deze bedrijven ging om wat hij noemt “reproduceerbare kwaliteit”. De doordouwers zijn de ondernemers, de verhalenbouwers zijn de consumenten en de reclamemakers. “Een merk is een onderscheidingsteken maar op zich stelt reclame natuurlijk niks voor. ‘Reclamare’ betekent in het Latijn gewoon ‘Bij voortduring hard roepen’. Manipulatie kun je gebruiken, maar de consument beslist uiteindelijk zelf. ‘You can't fool all of the people all of the time’, zoals dat heet. Anderzijds, Van der Vliet denkt nou wel dat hij zijn Citroën BX alleen maar gekocht heeft vanwege de vering en de prijs, maar ik beweer dat dat geen toeval is. Hij past namelijk precies in het profiel van de Citroënrijder!”

 

Het is waar dat de bedrijven hebben betaald om in het boek te komen. De Haan: “Het was een forse begroting. Zonder de steun van die bedrijven hadden we dit boek nooit kunnen maken. Maar het is geen advertentiefuik, er staat geen prietpraat in. Het is een serieus boek. We hebben een verhaal willen vertellen. We wilden absoluut geen veredelde bedrijfsbrochure waarin wij braaf het verkoopverhaal van de marketingafdeling navertellen.” Van der Vliet: “De historische stukken zijn volkomen objectief geschreven. Er staan geen waardeoordelen in en alle feiten zijn gedoublecheckt. We openen elk hoofdstuk met een soort dialoog tussen de Merkenman en de Tekstverzorger en we sluiten af met zo'n dialoog. Wij gaan daarin samen op weg naar het bedrijf, bespiegelen over onze herinneringen en verwachtingen over het merk en reageren na afloop op wat we hebben gehoord en gezien. Dat is natuurlijk fictie.”

 

Een soort Snip en Snap van de Twentse merken? Van der Vliet als de eigenwijze cynicus en De Haan die hem vaderlijk uitlegt hoe het in elkaar zit? De Haan: “Als je dat zo wilt noemen. Wij denken dat die dialogen leuk zijn omdat ze allerlei ideeën, vragen en gevoelens over het merk aan de orde stellen die de lezer zelf ook stelt. Ik ben trouwens een groot bewonderaar van Snip en Snap.”

Roskamcolumnist Medendorp vond het maar een malle zaak dat de gemeente Enschede in jullie boek geprofileerd wordt als ‘een merk gesterkt in Twente’.De Haan: “Wij hebben dat gelezen. Maar de reacties op het merk ‘Stad Enschede’ zijn bemoedigend. Een goede reputatie is onmisbaar voor je weerbaarheid tegen negatieve berichtgeving. Dat geldt net zo goed voor een bedrijf als voor een stad. Bij de gemeente Groningen blijkt de imagocampagne aantoonbaar te werken. En wij leggen natuurlijk niet zomaar Enschede als merk neer. Dat is gebeurd in overleg met de concernstaf van de gemeente. ‘City-branding’ is zeer boeiend. Hoe ontstaat nou zo'n city-merk? Het is fascinerend om te zien hoe er onder onze ogen een merk aan het ontstaan is.”

 

Het boek ziet er prachtig uit met veel unieke foto's uit bedrijfsarchieven en voorbeelden van goed reclamewerk. De bedrijfsgeschiedenissen zetten de zaken keurig op een rijtje en die dialoogjes tussen de merkenman en zijn tekstverzorger zijn heel best te pruimen. Maar is jullie boek toch niet wat je noemt een ‘koffietafelboek’, zo'n luxe ding dat niemand leest?

Van der Vliet: “Ik denk dat ons boek dat genre ontstijgt. Het is geconstrueerd als een combinatie van bedrijfsgeschiedenissen en een soort ‘real life soap’, fictie en werkelijkheid door elkaar. Als je het op die manier bekijkt, is het echt leuk om te lezen. Maar ik kan me net zo goed voorstellen dat sommigen zich beperken tot de min of meer fictieve rode draad die ongeveer een derde van de tekst uitmaakt, en een historische deel over eigen bedrijf of merk.”
De Haan: “Had ik verteld van dat gesprek in de Rotterdamse haven? Daar sprak ik met iemand over ons boek. ‘Jullie zijn rare mensen daar in Twente’, zei hij. ‘Bij ons in de haven zou het ondenkbaar zijn dat de bedrijven hier samen in één boek zouden komen. ‘Lauw loene!’ Je gaat toch niet met je concurrent in één en hetzelfde boek staan?’ Volgens mij is dat nu typisch Twents, die sfeer van ‘concullega's’. Neem nou Arke en Oad, die bedrijven zijn gewaagd én gewend aan elkaar. Die maken daar helemaal geen probleem van.”
 



2015-10-14 
De Oare útjouwerij, post dou@home.nl
 

website analytics