Michiel Wilmink, 28 (Verhalen uit het leven ), De Oare útjouwerij, Enschede 1997


Bestellingen
Particulier: In de bus na overmaking van 7 euro 50 (plus eventueel een vrijwillige bijdrage in de verzendkosten) op giro 4611391 van De Oare útjouwerij in Enschede met vermelding van adres en M28. Boekhandel: Zie onze leveringsvoorwaarden.

Inhoud

- Infopagina
- Flaptekst

- Ingekleurde foto
- Een boom met blauwe vruchten
- Kleuterklas
- Halfslaap
- Balans
- Onenigheid
- Enschede
- Vallen
- Feest
- Zonder einde

- Colofon
 


Infopagina

ISBN 90 71610 39 X

ISSN 0924-8943 Rûge rige 11

Omslag: Gerhard van Dragt bNO
Binnenwerk: Goaitsen van der Vliet

Copyright © 1997 Michiel Wilmink, Amsterdam
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
 


Flaptekst

28
Verhalen uit het leven

Deze debuutbundel van Michiel Wilmink bevat een tiental schetsen uit de periode rond zijn 28-ste verjaardag. De verteller kijkt op hartverwarmende wijze terug op gebeurtenissen uit het verleden en gaat in alle bescheidenheid over tot de orde van de dag: uitzichtloze relaties en een veelbelovend Feest. Gelukkig laat hij de lezer ook daarvan vooral de leuke kanten zien.

Michiel Wilmink (Amsterdam 1966) publiceerde eerder enkele verhalen in de Amsterdamse studentenbladen HersenSpinsels (1988-1989) en Spits (1990-1991).
Zeer vroeg jeugdwerk werd opgenomen in de bloemlezing Het kind door Willem Wilmink en Fetze Pijlman (Thomas Rap, Amsterdam 1979) en in de bundel Javastraat van Willem Wilmink (De Oare útjouwerij, Enschede 1993).
 


Zonder einde

Ze is moe, natuurlijk. We hebben ook zoveel geluld, de laatste tijd. Misschien zijn we nu gewoon een beetje uitgepraat. En ze is ongesteld, zei ze. Ook dat nog.
Het was een goed idee van haar om in de stad te gaan eten. Ach ja, het is weer zo'n eetcafé in de Jordaan geworden. Redelijk duur was het, en redelijk lekker.
En, kijk eens aan: we hebben inderdaad geen ruzie meer.
Ze ziet er verdomd mooi uit. Maar ja, alles is toch anders, vanavond: ze heeft het meeste weg van een meisje dat zich heeft verkleed als vrouw. De parelketting die ze om heeft is vast niet van haar. Die heeft ze waarschijnlijk van haar moeder geleend.
Zelf heb ik natuurlijk niks bijzonders aan, maar ik ruik wel heel lekker. Ik ben dan ook erg blij met de aftershave die ik van haar op mijn verjaardag heb gekregen. Zij heeft, anders dan ik, verstand van dat soort zaken. Het is tamelijk duur spul, schijnt het.
Had ik haar eigenlijk niet moeten trakteren, vanavond? Als ik goed bij kas had gezeten, had ik dat misschien ook wel gedaan. Maar ik vraag me af of ze dat wel op prijs zou hebben gesteld, misschien zou ze zich dan juist enorm opgelaten hebben gevoeld.
Ze ligt nu al geruime tijd op bed. Ze slaapt, of ze doet alsof.
Wel geestig, eigenlijk: zoveel is er nou ook weer niet gebeurd.
Net, toen we buiten waren, zei ze: 'Wat ben je toch lief voor me.'
Heb ik dat goed verstaan?
Ja zeker. Dat zei ze echt. Blijkbaar had ik iets aardigs gezegd.
En toen ik haar een hand wilde geven, vond ze dat niet eens gek: we hebben toch zeker tien minuten hand in hand gelopen.
Ze hield mijn hand trouwens opvallend stevig vast. Niet veel langer dan tien minuten dus, maar toch.
'Die wanten heb je al zolang ik je ken, hè?' vroeg ik nog.
'Handschoenen. Je weet toch wel het verschil tussen wanten en handschoenen?' Maar goed. Op de één of andere manier horen die dingen bij haar. Ze heeft ze geloof ik zelf gebreid.
We hebben allebei iets met kou en slecht weer. En zij houdt zelfs van schaatsen.
Ze komt van mijn bed af.
'Gezellig,' zegt ze. 'De kaarsen aan.'
'Ja, ik dacht: laat ik maar een paar kaarsen aansteken.'
Ze gaapt.
'Sliep je?'
'Ja. Nou ja, heel eventjes maar. Ik ben ongesteld. Dan ben ik altijd sneller moe.'
'Wil je een glas wijn?'
'Nee, dank je. Ik heb al drie glazen op, vanavond. En zoals je weet kan ik minder goed tegen drank dan jij.'
Dat klopt.
De fles is aangebroken, maar gelukkig nog niet leeg. Ik neem een flink glas. IJskoude rode wijn is niet lekker, maar wat kan mij het schelen.
Ze pakt een stoel, en gaat bij de kachel zitten. 'Mag de kachel wat hoger?'
'Nóg hoger? Heb je het dan zo koud?'
Ik ga ook maar bij de kachel zitten. Ze legt een hand op mijn knie.
'Gezellig,' zeg ik.
'Vrouwen zijn meestal koukleumen. Dat weet je toch wel?'
Voorzichtig draai ik aan de knop. Wat een vreemde geluiden maakt die kachel van mij toch altijd.
Tik! Pang!
'Volgens mij brandt dat ding alleen als ik hier ben,' merkt ze op.
'Vind je het hier wel gezellig?'
'Nee, ik vind je huis verschrikkelijk. Daarom ben ik hier ook zo vaak.' Ze moet lachen.
Een stomme vraag natuurlijk. In mijn huis kent ze de weg nog beter dan ik.
'Mag je me nog wel?'
'Zeker, schat.'
Ik geef haar een kus.
Dat vindt ze toch niet erg? Nee hoor, tegenwoordig kán er veel meer.
'Ik ben moe. Misschien omdat ik ongesteld ben. Dan ben ik altijd sneller moe.' Ze kijkt naar het plafond, dan naar haar vingers, en tenslotte naar mij.
Eigenlijk is ze niet erg veranderd, in al die jaren: nog steeds is het net alsof alles wat ze ziet haar enorm verbaast.
'Zeg, ben jij erg geschrokken, vorige week?' vraagt ze, een beetje angstig.
'Ik voelde me wel naar,' zeg ik. 'Een flinke ruzie op z'n tijd is best goed. En nu weten we allebei tenminste waar we aan toe zijn.'
Ik lul maar wat. Maar ze vindt dat ik gelijk heb.
'En toen ik eindelijk weg wilde gaan kreeg jij de huisdeur niet open. Vond je dat niet idioot?'
'Ja, de sleutel bleef vastzitten in het slot. Echt bijzonder vervelend, ja.'
'Het was alsof je huis het voor je opnam. Alsof het niet wilde dat ik wegging.'
Zo is het maar net, denk ik.
'Weet je nog dat je hebt geprobeerd om de deur in te trappen?'
Dat kan ik me nog heel duidelijk voor de geest halen.
'Ik moest wel lachen.'
En verdomd, ze moet er nu weer om lachen.
Ik kijk naar buiten, het sneeuwt. Toch onhandig dat ze helemaal aan de andere kant van de stad woont. En het is al half twee.
'En weet je wat Nicolette laatst tegen me zei?'
'Ik heb geen idee,' zeg ik, maar ik vermoed wat er komen gaat.
'Ze vindt ons zo goed bij elkaar passen.'
Goed bij elkaar passen. Echt iets voor Nicolette om dat te vinden.
'En mijn moeder vraagt me steeds waarom het nou nooit een keertje iets wordt tussen ons. Dan zeg ik maar gewoon dat we niks hebben. Ik weet nooit zo goed wat ik moet antwoorden op die vraag.'
Dat komt me bekend voor.

We omhelzen elkaar op de trap.
De deur zwaait open.
Buiten omhelzen we elkaar weer.
Ze kust me op mijn linkerwang en dan kust ze me op mijn rechterwang. Zoals het hoort.
'Die rotsneeuw,' zegt ze.
'En dan moet je nog dat hele eind naar huis.'
Ze laat me los en zegt: 'Nou, dan ga ik maar.'
'Heb je je wanten?'
Ja, ze heeft haar handschoenen.
 


Colofon

De bundel 28, verhalen uit het leven van Michiel Wilmink, werd gezet uit de Garamond bij Bits & Books in Enschede, gedrukt op 120 grams Biotop door Drukkerij De Bruin in Deventer (het stofomslag op wit Elefantenhaut door PinksterPalm in Enschede) en uitgegeven door De Oare útjouwerij in Enschede op 11 oktober 1997.
 


Zie ook:

De Oare útjouwerij, post dou@home.nl
19-08-2009