|
De Oare útjouwerij |

J. Heymans, Oorlog op Pathmos (Over en met Jan Cremer en over Gerard van het Reve, met daarin opgenomen de toneelmonoloog Wolfsjong van Ben Siemerink), De Oare útjouwerij, Enschede 1998
Oorlog op Pathmos
Laat ik nu denken hoe alles was,
gaat toch niet voorbij, mijn gedachten, zoo ras,
(Herman Gorter)
J. Heymans, Oorlog op Pathmos
Jan Cremer, Jongensleed, het Griekse schrift (fragmenten)
Plaats: Plek
'Back home'
(Golden Earring)
Ben Siemerink
Wolfsjong - Enschede: Voorheen Emmastraat 10
Jan Cremer
De ballade van de boer - Lonneker: Aan de Oude Losserseweg
Jan Cremer
Terug naar Enschede - Enschede: Acaciaplantsoen
ISBN 90 71610 45 4
Hoofdstukken uit de Overijsselse literatuurgeschiedenis II
Fotografie: Johan Ghijsels
Vormgeving: Lidy Roemaat
Oorlog op Pathmos © 1998 J. Heymans, Enschede
Plaats: Plek © 1998 De diverse auteurs
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Zie ook deel I en II: Terug naar De Brug en Sprong over de IJssel
Tussen het vooroorlogse en het naoorlogse leven greep de wereldbrand om zich heen. Ook in Enschede, al begon de werkelijke oorlog in de ogen van Jan Cremer pas toen de overgave van de Duitsers in Hotel De Wereld in Wageningen al lang en breed was getekend. In 'Oorlog op Pathmos' wordt de Twentse leefwereld van Cremer geschetst, totdat hij de stad Enschede op zestienjarige leeftijd rücksichtlos verliet. Bovendien krijgen de literaire en andere avonturen van zijn vader de nodige aandacht. Het schrijverschap van Jan Cremer sr wordt uitgebreid afgezet van dat van Gerard J.M. van het Reve die in de jaren voor en na de eeuwwisseling ook in Enschede woonde. Daarom begint 'Oorlog op Pathmos' met de beschrijving van een historische ontmoeting die te mooi is om waar te zijn: die tussen de senioren Cremer en Van het Reve.
In dit boek is, behalve het essay 'Oorlog op Pathmos', ook weer het veelgeprezen binnenboek 'Plaats: Plek' opgenomen. Met drie stemmige foto's van Johan Ghijsels bij een nieuwe prozatekst en een oud gedicht van Jan Cremer en een toneeltekst van Ben Siemerink naar De Hunnen.
Dit alles maakt van Oorlog op Pathmos een aanrader, en niet alleen voor de fans van Jan Cremer. Junior, wel te verstaan.
(De verteller, Jan Cremer, is een jongetje van onbestemde leeftijd. Jonger dan tien. Hij heeft een houten paardje. Kleurig beschilderd. Elk jaar in de herfst is het paardje een tijdje weg. Als het weer terug is, is het fris geschilderd, steeds in andere kleuren. Naar de vaderfiguur/de wereldreiziger verwijst alleen een ouderwets herenrijwiel. Een aangepaste Fongers.)
Een wolf wordt nooit een hond.
Ze hebben je gewaarschuwd, Mamuszka.
Weet je nog?
Maar jij zei: Met liefde kun je óók een wolf temmen.
Heb je hem getemd, Mamuszka?
Of heeft hij jou getemd?
Weet je nog, die hete en donkere vooravond eind juli.
De hondsdagen, terwijl donder en bliksem om zich heen sloegen en de aarde deden sidderen.
Daar, in de donkere schaduw van de Badacsony-berg.
Weet je nog, Mamuszka?
Daar werd jij getemd door de wereldreiziger.
De rusteloze wolf, die de verstikkende grauwe fabrieksstad aan de oostgrens van Holland was ontvlucht.
Daar werd het wolfsjong ingelijfd in het leger der eeuwige Heimatlozen.
Ich Steppenwolf trabe und trabe.
Die Welt liegt voll Schnee.
Vom Birkenbaum flügelt der Rabe.
Aber nirgends ein Hase, nirgends ein Reh...
Ach, Mamuszka
Weet je nog.
De marsmuziek, afgewisseld met trotse meldingen van overwinningen aan het front door Wehrmacht en Luftwaffe, uit een krakend radiootje in de kraamkamer van het ziekenhuis.
De verjaardag van de Führer van het Groot-Duitse rijk.
Weet je nog, Mamuszka?
Het zuchten van de grote eik, onder de aanwakkerende wind, in je eigen tuin aan het Slachterspad.
Of was het je eigen zuchten?
Het langzaam aanzwellen van de serenade.
Binnen en buiten.
De huilende stoomfluiten van de fabrieken.
Het leegstoten van de stoomketels.
Het koor van Duitse kraamverpleegsters, dat zich kirrend mengde in de kakofonie.
'Als het een jongen wordt, moet hij Adolf heten.'
'Ja, Adolf moet hij heten.'
Weet je nog, Mamuszka, hoe jouw namen verwaaiden in die woeste storm?
János, Ivan, Atilla, Zoltán, Mátyas, Matvej.
Toen de storm tenslotte was gaan liggen, sprak de wereldreiziger het verlossende woord:
Jan.
Dat was alles.
Genoeg voor een wolfsjong.
En wat zag jij, Mamuszka, toen je kokend lood in een pan water goot?
Toen je de bonen aftelde.
En weet je nog wat de Liebestropfenjood, plukkend in zijn grijze baard, zag?
Mamuszka, als ik groot ben word ik marechaussee.
Hoog te paard, in lichte draf door de Emmastraat op zondag. Zonder vrees en zonder blaam.
De zilveren knopen op mijn zwarte tuniek schitteren in de zon. De zilveren nestels golven mee op de tred van mijn paard, dat ik met glimmend gepoetste rijlaarzen in bedwang houd.
De ene hand aan het leidsel, de ander aan de blinkende sabel, fier blikkend vanonder mijn hoge beremuts.
Zie je dat, wijzen de mensen vol bewondering.
Weet je wie dat is?
Dat is het zoontje van de Hongaarse weduwe!
Trots briest het paard en ik salueer.
(...)
Enschede was in mijn jeugd een grauwe fabrieksstad, met een zorgelijke bevolking. Overdag waren de straten leeg, gedompeld in nevel afkomstig uit de dozijnen fabriekspijpen, rook van de veenbranden. Het proletariaat werd beheerd door de textielbaronnen. De 'betere stand' woonde in de 'Speklappenbuurt', hun tegenpool op de Turfkrim. Véel grote bazen en nog veel méer knechten. Voor iemand die het principe 'Eigen meester niemands knecht' aanhing, was er maar één uitweg: vluchten!
Toch zwerft mijn hart steeds vaker terug naar de fabrieksstad uit mijn jeugd. Ik heb daar de prachtigste jongensjaren meegemaakt. Als ik aan Enschede terugdenk, of dróóm - want dat gebeurt steeds vaker -, zie ik de zware volle kastanjebomen, op de weg naar de grensovergang Glanerbrug, van kleinsaf aan mijn favoriete wandeling, zit ik weer in de klas op het Larinksticht, de Prinseschool, de St. Janschool, de 2de Openbare ULO. Woon ik weer in de Emmastraat en op het Acaciaplantsoen. Werk ik in textielfabriek Transvaal, bakkerij Sluymer, Steen- en pottenbakkerij Het Twentsche Ros, reclameschildersbedrijf De Groot, drukkerij Straatman. Meld ik mij als beroepsmilitair voor de Marine op het Stadhuis, afdeling Militaire Zaken.
Enschede is voor mij één grote bron van inspiratie; een stad van fabrieken, kroegen, smokkelaars, veenmeiden, lichtekooien, militairen, vluchtelingen, marechaussee, boeren. Van oorlog, bevrijding en vrede. Een nijver fort middenin de prachtige en stille, overweldigende natuur van het dierbare Twente. Trots ben ik er op dat ik in díe stad geboren en getogen ben. Ik heb er voor honderd procent mijn schrijverschap aan te danken. Zonder Enschede had ik nooit mijn magnum opus De Hunnen kunnen schrijven. Heimwee overvalt mij soms en met weemoed keer ik terug naar Enschede.
Zesentwintig exemplaren van deze druk zijn, hors commerce, gebonden en alfabetisch 'genummerd'.



De Oare útjouwerij, post
dou@home.nl
09-11-2007